Loop niet naar de pomp
Geplaatst op: 2 mei 2006 Hoort bij: Ommelanden Een reactie plaatsen
Ik lees hier dat ze de ouwe dorpspomp van Noordhorn weer “in ere” willen gaan herstellen. Maandag waren gemeentewerkers er bij de hervormde kerk bezig met het planeren van grond voor parkeerplaatsen. Ze vonden een put die met een ijzeren plaat afgedekt was. Volgens een lokale deskundige was er op die plek eeuwenlang een dorpsput en later dus de dorpspomp geweest. Vandaar de resurrectie-gedachte.
Als ze nou maar niet op het quasi-barmhartige vervolg-idee komen om het water uit die put zonder nader onderzoek ter beschikking te stellen aan dorstige passanten. Zo dicht bij het kerkhof lijkt me dat vocht niet gezond.
In de stad Groningen had je in de negentiende eeuw een bij het volk immens geliefde drinkwaterput pal op het Martinikerkhof, ‘stroomafwaarts’ van de Grote Markt. Op het tussenliggende gedeelte kwamen een paar jaar geleden bij een opgraving honderden kisten met skeletten tevoorschijn. Die publieke Sint Jansput stond zo’n beetje voor het Feithhuis en in tijden van cholera vielen er juist onder de vaste klandizie van deze prachtvoorziening heel wat doden.
Hoe lang de put in Noordhorn al niet meer gebruikt wordt is onbekend, maar met de komst van de waterleiding zal hij geleidelijk aan in onbruik geraakt zijn.
In Noordhorn kregen ze vast later waterleiding dan in de stad. Vandaar dat ik nog even in Pim Kooij zijn proefschrift over Groningen rond 1900 heb opgezocht wanneer er waterleiding in de stad kwam en wat voor gunstige gevolgen dat had. In 1881 kregen de eerste 221 adressen hier een tappunt, en daarna liep dat steeds verder op, ook omdat de minst-draagkrachtigen vanaf 1883 het leidingwater gratis kregen. Tegelijkertijd daalde het sterftecijfer van 31,9 promille in 1870 tot 11,4 promille in 1914. Vooral de besmettelijke epidemische ziekten verdwenen als doodsoorzaak. De laatste cholera-epidemie was toen al geweest, maar er vond in deze periode wel degelijk een opmerkelijke daling van de sterfte aan typhus plaats.
Dubbele dubbelaar
Geplaatst op: 2 mei 2006 Hoort bij: Muziek Een reactie plaatsen
Ik was helemaal vergeten dat ik deze dubbel-cd van het Egidius Kwartet al in mijn bezit had. Ben zo dom geweest om hem nog eens te kopen. En om mijn nog achterstallige goeie daad voor vandaag te verrichten heb ik besloten hem weg te geven, maar ik ken niet zo vreselijk veel liefhebbers van renaissance-muziek. Dus mocht je er belang bij hebben, mail dan maar even je gegevens (wat kan via het reactieformulier). Bij meerdere gegadigden laat ik G~e~G de loting verrichten. Die heeft er per slot van rekening voor doorgeleerd.
Hier een proefmoppie
En een recensie
In oons haart bin’n wie allemoal communisten
Geplaatst op: 1 mei 2006 Hoort bij: Familie 8 reacties
Jaren geleden fietste ik eens door het nog communistische Finsterwolde. Ik bekeek het vervallen kerkhof met zijn scheefgezakte pronkzerken en stak voor een tosti aan in de kroeg naast de kerk. Op dat moment was ik de enige gast, maar weldra kwam er een oudere man binnen, met wie ik aan de praat raakte. We bleken familie van elkaar, via mijn overgrootmoeder en haar broer Harm Tuin.
Die Harm Tuin, vertelde mijn zegsman, was een vooraanstaand anarchist geweest. Meermalen logeerde Domela Nieuwenhuis bij hem in Finsterwolde en als dank kreeg Harm Domela’s geschilderde portret, dat nog tot zijn dood in de jaren vijftig boven de kachel hing.
De zus van Harm, mijn overgrootmoeder Antje Tuin, gold daarentegen als zwaar christelijk. Dat was bepaald geen traditie in haar familie, en evenmin in die van haar man, mijn overgrootvader Geert Perton. Tijdens een zware ziekte had Antje visioenen gekregen, en zij en Geert werden op slag gelovig en ook kerks, wat ze tot “oetoarders” in de rode omgeving maakte. Temeer daar ze op zondagen de rechtzinnige prediking in Oostwold prefereerden boven die van de vrijzinnige predikanten in het eigen dorp. Alleen als er in Finsterwolde een predikantsvacature was en er een orthodoxe dominee een vervangingsbeurt deed, wilden ze daar nog wel eens naar de kerk gaan.
Antje Tuin en Geert Perton waren in 1889 getrouwd. Zijn vader, een landarbeider die bij zijn eigen huwelijk nog had moeten volstaan met een kruisje, deed bij de huwelijksvoltrekking van zijn zoon heel erg zijn best op het zetten van een or-den-te-lij-ke handtekening. Deze operatie verliep dermate langzaam, dat de burgemeester hem met een “tou, tou, tou” tot enige spoed maande. Van mijn betovergrootvader kreeg hij lik op stuk: “Tou tou tou? Ik mout meer tou tou tou den die!”
Antje en Geert Perton behoorden niet meer tot de landarbeidersstand. Geert was als jongen in de leer gegaan bij een schoenmaker en op zijn 22-ste nog schoenmakersknecht, toen hij een flinke som geld kon beuren. Met twee oudere broers was hij zelf vrijgesteld voor de militaire dienst, maar hij trad als remplaçant in de plaats van iemand uit Ulrum die wel ingeloot was. Zodoende kwam hij bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Ergens bleef Geert landarbeiderszoon, in het grote genoegen namelijk waarmee hij zich deze episode later herinnerde: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”.
Anders dan veel andere landarbeiderszonen bleef Geert zijn leven lang orangist. Na zijn diensttijd vestigden hij en Antje zich eerst in een gehuurde schoenmakerij te Oostwold. Een paar jaar later kochten ze van het geld dat hij bijeengespaard had dertien are zandgrond aan de Klinkerweg in Finsterwolde en lieten er zijn broer Aike een huis van wel duizend gulden op neerzetten. Het was het allereerste huis aan de Klinkerweg. Eigenlijk konden Geert en Antje veel meer land kopen van boer Amster aan de overkant van de Hoofdweg, maar dat hadden ze niet aangedurfd. Op het lapje grond bij het huis hielden ze kippen, en een schaap en een geit voor de melk. Ook had Geert ‘imen’, oftewel bijen, die in het voorjaar op de koolzaad vlogen en daarna met een wagen naar de heide in Westerwolde gingen.
Al stond de trapnaaimachine in de schoenmakerij zelden stil, Geert en Antje hadden een sober bestaan. Vanwege de gloeiende kachel bleven er ’s winters nogal eens mensen in de werkplaats plakken. Maar buiten de schoenmakerij om hadden Geert en Antje niet zoveel contact met dorpsgenoten. Het waren ernstige, bepaald niet uitbundige mensen. Hun geloof speelde daarin een rol, maar ook weer ziekte. Geert was zelf asthmatisch. Mijn oud-tante herinnerde zich levendig de keer dat haar vader door een hevige aanval niet naar een verloting kon en zijn lot aan een buurman mee moest geven. Het ging om de verloting van een geit zonder horens in logement Ufkes.
Met kerst kwam er geen boom in huis, want dat deden alleen vrijzinnigen. De kinderen gingen aanvankelijk ’s zondags ook naar Oostwold, maar dan voor de catechisatie. Daar kwam een eind aan toen ze onderweg steeds getreiterd en uitgescholden werden door de andere kinderen. Vanaf dat moment bezochten ze ’s zondags een evangelisatie-lokaaltje in Beerta, waar ene Molenkamp de godsdienst onderwees.
Hoe uitzonderlijk Antje en Geert ook waren, tegelijkertijd kreeg de opstandigheid die breed onder de Oldambster landarbeiderbevolking heerste ook vat op hun. Geert zong onder zijn werk wel eens een spotliedje op de boeren, ik neem aan als er geen boer in de buurt was. Ook bracht een boer eens vetbemodderde laarzen, zo van het land, weer terug naar de schoenmakerij, omdat hij er niet op vertrouwde dat ze goed gerepareerd waren. Antje weigerde ze schoon te maken, wat ze anders uit goeiigheid wel deed. Maar te ver kon dat natuurlijk niet gaan. Al had hij er een bloedhekel aan, Geert hielp de grote boerenklanten ’s zomers met koolzaaddorsen. Dat kon hij als kleine middenstander niet weigeren.
Na Oud en Nieuw kwamen de boeren altijd hun jaarrekeningen betalen in het mooie voorkamertje. Tenminste: de meeste boeren, want sommige bleven in gebreke. Toen Geeske, de oudste dochter van Geert en Antje, daar oud genoeg voor was, moest zij bij deze wanbetalers langs. Dat betekende kilometers lange kleiwegen aflopen, ploeterend door de bragel en tegen weer en wind. Zo kwam ze een keer doorweekt bij zo’n boer, die haar in de opening van de achterdeur vroeg: “Vertraauwt Perton oons nait meer? Kom volg’nde weke moar terug heur”.
Thuis, aan tafel bij het avondeten, bracht Geeske verslag uit van deze ervaring. Haar conclusie: “In oons haart bin’n wie allemoal communisten.”
“Stil toch mien wicht”, zei Geert. “Denk om oons affère.”
De leeuwen van de gasfabriek
Geplaatst op: 1 mei 2006 Hoort bij: Kunsten Een reactie plaatsen
Op de tentoonstelling die Cunera van Selm voor het CBK samenstelde, bewaakt deze hardstenen leeuw met een soortgenoot de toegang. Welke beeldhouwer ze gemaakt heeft, is onbekend. Vroeger was het stel te zien bij de gasfabriek aan de Bloemsingel. Sinds de sloop van die fabriek lagen ze in de opslag van de dienst Openbare Werken aan de Duinkerkenstraat, maar de gemeente wil straks nog een mooi plekje voor ze zoeken op het Ciboga-terrein. Intussen zijn de leeuwen nog tot 7 mei aan de Trompsingel te zien.

Recente reacties