Geveltje Poelestraat

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Je ziet dit ruim drie eeuwen oude geveltje niet zo vaak op toeristenfoto’s. Toeristen zijn er namelijk het meest, als die boom in het blad zit en dan gaat het geveltje half achter het blad schuil. Alleen van november tot april geeft het zich bloot. Maar dan schijnt de zon niet zo vaak, laat staan dat het over de tegenoverliggende gevelrij zo mooi uitgelicht wordt als vandaag, schrikkeldag 2008, ’s ochtends even voor elven.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


‘De tille veurbie woonden de klaaiedoggen’

Geplaatst op 28 februari 2008  a

Gister op 44, vandaag op 39. En ik snapte maar niet, waar ik die blogtopper-noteringen aan te danken had. Tot ik een plaatje ging zoeken. En zag wat het het trefwoord Ganzendijk bij Google opleverde.

De blogtoppernotering is zwaar ten onrechte, en het resultaat van meerdere vergissingen. Want niet alleen wordt Ganzendijk gespeld als Ganzedijk zonder tussen-n, ook betreffen bijna al die van Gelkinghe geïndexeerde plaatjes Finsterwolde. En Finsterwolde ligt dan wel vlakbij Ganzedijk, maar is toch niet de buurtschap waarvoor het geschifte plan bestaat, om ’t van de aardbodem weg te vagen. (Gelukkig staat het voorlopig weer stevig op de kaart.)

Eigenlijk zocht ik een plaatje van Ganzedijk voor bij een logje over Oabel Oabels. Diens verhalenbundel Bie tille harom, met jeugdherinneringen van het Ganzedijk rond 1900, heb ik namelijk net teruggevonden (beter laat dan nooit).

Deze Oabel Oabels, zo hoorde ik eens, was een neef of achterneef van mijn grootvader. Ik heb dat nooit geverifieerd, maar in elk geval maakte hij net als mijn grootvader carrière bij de belastingdienst. Vaak hadden ze ook nog eens vlak bij elkaar hun standplaatsen, maar ik weet dus totaal niet of ze ook contact onderhielden. Bijzonder aan dat soort rijks-ambtenaren was, dat ze zomervakantie hadden, iets wat bijna ongekend was in de Oldambster dorpen waar ze vandaan kwamen, omdat het daar dan juist de drukste tijd van het jaar was. Oabels schreef met zelfspot:

“Van oetgoan, schoolraiskes moaken, haren ze dou nog nooit heurd. Behaalm den lu dij femilie haren bie kommiezen, schoulmeesters, postlopers en zok goudje. Dij kwammen mie doar bie zummerdag, midden in drokste tied, moar zo mit verlof.
Ie zollen toch zeggen! Aal doage stieve bore om nekke, dophoudje op en wikste schounen aan, doar ie joe wel in spaigeln konnen. En traktement van dij lu gong der gewoon om deur! Wat was ’t toch ’n roare wereld, wel dus dat en kon dat verantwoorden, om in zo’n drokke tied moar wat bie pad en weg lopen te lanterfanten? Toch gain fesounlieke aarbaaider!”

In Bie tille harom beschrijft Oabels de dikke en wat minder dikke boeren, de grote en de kleine burgers en de arbeiders van Ganzedijk. En hij doet dat zo levendig, dat ik zijn bundel stukgelezen heb, iets waar de abominabele kwaliteit van het bindwerk, eerlijk gezegd, mede debet aan is. De neiging bestaat om hele verhalen uit de bundel over te typen, puur uit protest tegen dat geschifte plan en dat bindwerk, maar dat zal ik maar uit mijn hoofd laten. Wel wil ik nog een passage citeren, waaruit blijkt dat de gemeente waaronder de Ganzedijk ressorteert, al nooit veel ophad met de buurtschap:

“Was onderschaaid tussen ’t volk dat nog net veur tille woonde en de lu, dij aan de aander kaante in de klaaie vastbakt zatten. De tille veurbie woonden de klaaiedoggen.
Wor ducht mie ook van hogerhand aannomen, dat dij lu achterlieker wazzen. ’t Bewies der veur ston levensgroot bie tille. In de haile gemainte heb ik nooit aanplakt zain of zo, dat der nait mit woagens op ’t voutpad voaren worden mog, of dat ie der nait mit kouien en peerden opkomen moggen. Wor zeker op vertraauwd dat mensen dat oet zok zulf wel begrepen.
Moar hier, bie ’t begun van dat smale stainen padje, anderhaalf staine braid, mos ’n poale zet worden mit ’n bred der aan doar op ston:

“Het is verboden
op dit voetpad te rijden
of daarop enge vee te drijven of te leiden”

Veur wat soort wezens mout ’t gemaintebestuur ons toch wel aankeken hebben? As ie over dat padje laipen en overenne blieven wollen, mos je net as ’n koorddanser, ’n evenwichtsstok in handen hebben. As ie ’n koare veur joe oetschoven, haren ie doar holvast aan, moar ik garandeer joe dat den joen nieren aan de kaaier gongen, zo rotterde ’t deur aal joen leden hèn.
En mit ’n kou of ’n peerd der op? Dij daaiern wazzen gelukkeg te verstandeg om der ’n pote of bain op te zetten.
Hou en woarom kon den in ’s hemelsnoam zo’n verbod neudeg wezen?”


Bach-reconstructie slaat plank mis qua teint

Geplaatst op 27 februari 2008

Van Bach zijn bekkeneel was er nog een afgietsel. En nou bedachten ze, dat daar maar eens wat spieren en vlees tegenaan geplakt moesten worden.

Op zich is de poging geslaagd. Tenminste, het resulterende gezicht heeft veel weg van een bekend portret. Maar waarom moet de man er in hemelsnaam zo gebruind uitzien? Het lijkt verdorie wel de een of andere zeezeiler. Terwijl achttiende-eeuwers helemaal niet van een zongebrande huid hielden. Het waren volstrekte bleekneuzen, uit principe. Als je je het even kon veroorloven, liep je niet in de zon. En had je een hoed op, als je je er toch aan moest blootstellen.


‘Dit is de man. Dit is zijn bier.’

Geplaatst op 26 februari 2008  a

Vlieland 1967. Let op het witte t-shirt van de stoere jongen rechts. Zo oud is die reclamespot dus.

Het betrof een vakantieweek van het dorpshuis, maar op de foto zie je bijna alleen middenstandskinderen, die zelf ook middenstanders werden. De stoere jongen met het witte t-shirt volgde zijn ouders op in hun verzekeringsbedrijf. De jongen op de voorgrond die zijn rode blouse omhoogtrekt is bakker geworden, net als zijn vader indertijd al was. En de jongen die het dichtst bij de vuurboets zit, met zijn hand voor zijn gezicht, heeft een schoenenzaak, net als zijn pa, maar dan in een ander dorp. Bij mijn weten is alleen de jongen die er met zijn blote bast tussenin zit, de zoon van een groenteboer, niet hetzelfde als zijn vader gaan doen.

Ik denk dat de crisis van de jaren zeventig het opvolgen van vaders in hun zaken behoorlijk gestimuleerd heeft. Zelf voelde ik daar helemaal niet voor, maar materieel had dat mijn leven er wel een stuk gemakkelijker op gemaakt.

PS: zie over de bierreclame van Amstel nog dit.


Malbrook

Geplaatst op 25 februari 2008

Net ontdekt: Malbrook (Myspace eerste plaat). Ze hebben net een tweede cd uit, waarvan hier samples staan. Hun eigen website stelt in dit opzicht niets voor.

Hoewel de lui zo’n beetje van de andere Eemsoever komen, zoeken ze hun multiculti samenwerkingsverbanden vooral ten noorden van Oost-Friesland. Volgens mij hebben ze hier in Groningen nog nooit een concert gegeven. Misschien wordt dat een keer tijd. Trad-It in april zou een mooie gelegenheid zijn. Begin augustus zijn ze overigens wel op het Castlefest in Lisse.

Via


Maskerade – Cor Heintjes bij ‘Kunst in de Kop’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Narcissus is weer eens wat anders dan die van Caravaggio. Hij meet 80 bij 140 centimeter en moet 2750 euro opbrengen. Er hing al een groene sticker bij, ten teken dat iemand er een optie op nam. Ook verder verkocht het werk dat momenteel in Kunst in de Kop hangt, vrij goed. Tenminste, op vijf lijsten zaten al oranje stickers. Een record voor deze galerie, die op haar huidige, zeer ruime lokatie bij de Oosterbrug veel meer bezoek trekt dan aan de Meeuwerderweg.

Het geëxposeerde werk, intussen, is van Cor Heintjes, een gepensioneerde leraar tekenen uit Drachten. Heintjes doorliep de Koninklijke Academie in Den Haag, maar heeft jarenlang niet geëxposeerd, en op de tentoonstelling in Groningen is dan ook louter nieuw werk te zien, dat hij vanaf 2002 produceerde. In veel van dat werk zit iets magisch-realistisch. Sommige mensen vinden het ook wat griezelig, of onrustbarend, en durven er nauwelijks naar te kijken. Ik voor mij vond Heintjes’ werk wel intrigerend. Je raakt er niet gauw op uitgekeken, denk ik, als het bij je aan de muur hangt.

Kunst in de Kop, Trompsingel 21, nog tot en met 23 maart, geopend vrijdag tot en met zondagmidsdag van 13.00 tot 17.00 uur.


Alles sal reg kom (II)

Hans was van de week met zijn advocaat op gesprek bij de directeur van de woningbouwstichting. Achteraf werd het onderhoud als aangenaam betiteld. Volgens de advocaat maakte H. alleen al een goede beurt, doordat hij op tijd kwam, iets wat geen usance schijnt te zijn in de daklozenwereld. H. kreeg de sleutels van zijn woning zonder dralen terug, maar wel op proef. Hij moet het grootste deel van zijn boeken opruimen. Pas als de woning naar het inzicht van de huisbaas weer veilig en bewoonbaar is, mag hij er weer gaan slapen.

Die opruiming wordt nog een pijnlijke operatie. Zo lijkt een cold turkey uitgesloten, want H. kon het nog niet over zijn hart verkrijgen, om de tweedehandshandel geheel en al te mijden. Gister kwam hij toch weer met een paar nieuwe aanwinsten aanzetten: een bundel streekhistorie van de Liemers, en de memoires van oud-gedeputeerde Bé Bos van Groningen.


‘Levendig en ’s nachts verlicht door lantaarns’

Geplaatst op 23 februari 2008

In 1812 maakte de kunstenaar Antoine-Ignace Melling uit Parijs een rondreis met zijn knecht door het noorden van het Napoleons’ keizerrijk. De bedoeling was de productie van basismateriaal voor een serie topografische prenten van deze verre departementen. Uiteraard deed Melling ook Groningen aan. Zijn brieven naar huis waren lovend over de stad.

Vrijdag 29 augustus 1812, 8 uur ’s morgens
“We zijn gisteravond om half elf aangekomen met koude, regen en wind. Wat is men gelukkig wanneer men op reis een goed souper en bovenal een goed bed vindt. Wij hadden grote behoefte aan deze twee dingen, want sinds gisterenochtend 7 uur tot aan onze aankomst hadden wij niets gegeten. Al lange tijd had ik een slecht bed., maar hier hebben we dat alles in zijn meest volmaakte vorm aangetroffen, en ik heb me er dan ook aan overgeleverd en slechts geslapen van half twaalf tot toen ik zo-even opstond.”

Om half negen na het ontbijt
“Prachtig, dat is nog eens een christelijk land: koffie als in Parijs, rue de Condé No. 5, brood als in Parijs, rue Thionville. Waarom waardeer ik dat allemaal? Omdat ik sinds Den Haag niets meer van dien aard gezien of geproefd heb? Omdat het zo zal zijn als ik in het gelukkige Parijs terugkom? De beminde Stad van de lieve Heer, waar men noch canards, noch canaux, noch can[aille] vindt. Nu ga ik me aankleden om kennis te maken met de stad die ik nog niet gezien heb.”

Om een uur ’s middags
“Na de post ben ik bij de Prefect geweest, die mij de noodzakelijke inlichtingen heeft gegeven voor de tekeningen die in dit Departement gemaakt moeten worden en die zich tot een paar dingen beperken: de stad, de graven van de oude Germanen, hunebedden genaamd en die zich op 4 of 5 mijl van hier bevinden, en daarna Delfzijl. (…)
Het weer begint eindelijk ook op te klaren en ik hoop vanmiddag na het diner op eigen houtje om de stad te kunnen wandelen om het meest gunstige punt voor mijn eerste onderwerp te kiezen. Overigens kan de stad Groningen op één lijn gesteld worden met Amsterdam, even levendig, en ’s nachts verlicht door straatlantaarns.”

’s Avonds
“Ik kan niet meer, direct na het diner was ik op de grote toren. Ik ben 428 treden opgekommen en voor het eerst heb ik het raderwerk van een carillon gezien. Dat is iets wat men in alle steden van Holland aantreft, maar deze overtreft alle die ik tot nu toe gehoord heb, er zijn evenveel klokken als snaren op een piano. De beiaardier heeft me verschillende stukken laten horen, waarvan de hele stad heeft meegenoten. Van die verschillende liedjes herkende ik Oui, j’aime l’amour qui toujours, vervolgens Nel cor piu non mi sento, en daarna Marlborough met variaties, en dat alles eindigend met tu me viene a consolar. Na de liedjes betaald te hebben en even laag afgedaald te zijn als ik gestegen was, kregen wij, eenmaal weer aan de voet van de toren, kramp in beide benen tegelijk, want ik was met een Fransman, en 10 minuten lang konden wij niet lopen. Overigens heb ik er geen spijt van dat ik op die toren geweest ben, want van daar af heb ik het punt ontdekt waar ik morgen zou kunnen gaan zitten om het gezicht op de hoofdplaats te tekenen. Nog niet tevreden met die ontdekking heb ik ook nog tot het invallen van de nacht een tocht door de stad gemaakt en ik ben dan ook doodop.”

Maandag 1 september 1812, 8 uur ’s morgens
“Eergisteren (…) heb ik de rest van de dag doorgebracht op een windmolen, waar ik de vue générale op Groningen getekend heb. Gisterochtend ben ik begonnen aan de Markt met de grote toren en het stadhuis. (…)
Voor de tekening waaraan ik vandaag begonnen ben zou ik vier of vijf dagen nodig hebben en ik moet me beperken tot twee. Het is vanmorgen afschuwelijk weer, maar ik zit binnen, hoewel ik het raam open moet houden en ik heb de wind in het gezicht. ”

Dinsdag 2 september
“Ik heb mijn tekening van de Markt in Groningen niet kunnen afmaken, zoals ik mij voorgesteld had, want de plek waae ik eraan begonnen was [in Hotel de Doelen HP], werd de hele dag door bezet gehouden door reizende dames, of beter gezegd: zij hadden zich meester gemaakt van de kamer, waarin ik gewerkt heb.”

Bron: Antoine-Ignace Melling – Lettres de Hollande et des villes Anséatiques; Brieven uit Holland en de Hanzesteden (Fondation Custodia / Waanders uitgevers, Parijs/Zwolle 1997). Vandaag gekocht voor de luttele somma van 7,90 euro in modern antiquariaat Kunst & Vliegwerk aan de Oude Kijk in het Jatstraat te Groningen.
Helaas heeft Melling zijn Groninger schetsen later niet uitgewerkt tot kleurenprenten. Ik denk dat het met digitale technieken wel mogelijk is, om dat alsnog te doen. Zie de bovenstaande uitsnede van de noordzijde van Grote Markt, waar in 1812 nota bene nog huizen met Gothische pinakels stonden. Kleuren kunnen van Haucks Vrijheidboom (1795) worden gehaald. Voor wie het zou willen proberen, de onverwerkte schetsen van Melling staan in: Cornelis Boschma – Jacques Perot – Antoine-Ignace Melling (1763 – 1831) reizend kunstenaar (Abcoude 1991) pag. 126 e.v..


Groningen Centrum gemetamorfiseerd

Groningen centrum is wel erg snel veranderd zonder dat ik het door had.

Aha, even naar de tags kijken.

(Je hebt er ook nog een in Zuid-Afrika, naar het schijnt.)


Reflecties en museumbezoek

Aardige serie foto’s van iemand die zich Zacwoolfitt noemt, en die onlangs met zijn vriendin Groningen aandeed.


‘Hare blasbalch en is niet dicht’

De kerel in zijn ondergoed en met de pausenmuts op zijn hoofd heeft zijn bril af bij het repareren van een blaasbalg. Een uil in de nis achter hem, een hond onder de tafel. Het kan haast niet anders dan dat er een politiek-religieuze boodschap in zit. Maar welke?

Zeer intrigerend schilderij. Bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Doornik. Nooit eerder een plaatje van gezien.


Ingebakken poezenpoot

Ook wel frappant: een baksteen met ingebakken poezenpootafdruk. Het huis met deze baksteen staat aan de oeroude Stadsweg van Groningen naar Appingedam, nabij Wirdum.


‘Een Germaan, daar heb je wat aan!’

Geplaatst op 19 februari 2008

Deze fietsenfabriek stond in Meppel aan het spoor, niet ver van het station. Met de bus kwam ik vaak langs de grauwe gebouwen, en het bedrijf maakte reclame met de slogan: ‘Een Germaan, daar heb je wat aan!’ Neemt niet weg dat het eind jaren zestig dichtging, wat nogal een klap was. Tegenwoordig bevindt zich op de lokatie een viaduct.

Ik vond het plaatje in de rijwielhistorische collectie van Letterlust. Daarin zitten ook ettelijke Groninger memorabilia. Zoals een foto van de aannemer R. Zeeff uit Eenrum, die omstreeks 1880 al  een velocipède bereed,  en een soortgelijke prent van diens collega Lantinga uit Stedum. Verder advertenties van het dure Groninger merk Fongers, de Winschoter fabriek Gruno (“Lichtloopend, betrouwbaar”), de fa. Cremer aan het Damsterdiep en de fa. SA Cloetingh aan het Schuitendiep in Groningen

Letterlust blijkt de kleinzoon van de drievoudig Nederlands kampioen wielrennen Frits Wiersma. Over zijn grootvader schrijft hij een weblog. Ik heb zo’n vermoeden dat hij de plaatjes van zijn grootvader erfde.


Harma Heikens in NP3

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Harma Heikens in galerie NP3 aan de Hofstraat – een besprekinkje staat hier.


‘Alles sal reg kom’ (I)

Hans is door de deurwaarder onder politiebegeleiding uit zijn huis gezet. Naar eigen zeggen wegens drie, vier maanden huurschuld. Met de kassier van zijn huisbaas, een corporatie, onderhield hij naar het schijnt een moeizame relatie. Die had meteen een nieuw slot op de deur laten zetten, zodat H. er niet meer in kon.

De nachten brengt hij nu door in een tehuis voor daklozen, tussen de junks, alcoholisten, psychoten, neuroten en pathologische ruziezoekers. Inmiddels heeft hij een kamertje voor zich alleen. ’s Nachts moet verplicht de deur op slot tegen de dieven.

De eerste week viel hem nog wel mee, vertelde hij, maar de afgelopen week begon het irritant te worden. Hij zit in het circuit, zoals dat heet. Overdag gaat hij of naar een van de verspreide opvang-adressen waar daklozen zich even aan een kop koffie kunnen warmen, of naar de Openbare Bibliotheek om wat te lezen.

Hij heeft nu een hele goede advocaat die gespecialiseerd is in huisvestingszaken. En deze geeft hem een goede kans. Drie of vier maanden huurschuld vind ik ook wel wat erg weinig om uit je huis te kunnen worden gezet. Anderzijds heeft de huisbaas nu ook die boekenzee gezien. Wellicht een extra reden om hem niet weer in dat huis terug te willen.

Volgens H. dreigden ze eerst die boeken van hem zonder enige terughoudendheid in een oud-papiercontainer te flikkeren, omdat opslag veel te duur zou zijn. Volgens mij kunnen ze de voorraad ook bij opbod verkopen, ter delging van de schuld. Maar ook daar zou hij verschrikkelijk van balen. Over anderhalve maand wordt hij 65, dan wil hij weer een boekwinkel gaan beginnen.

Toch is hij er nog steeds vrij monter onder. Toen hij met zijn grote daklozenshopper hier weer de deur uitstapte vroeg hij: “Je weet wat Paul Krüger zei hè¨? Alles sal reg kom.”