Een merkwaardig huishouden in Muntendam (1817)
Geplaatst op: 2 september 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieVier vrouwen in een huis. Naaisters, breisters, spinsters. Maar ook waarzegsters en kaartlegsters. En een ervan zou een heks zijn, en verantwoordelijk voor de padden in huis.
Vaak zijn de bijkomstigheden in een procesbundel interessanter dan het delict. Dat geldt ook voor het dossier over een diefstal, die plaatsvond in de nacht van 24 op 25 juli 1817 te Muntendam.
De korte toedracht: Johanna Demmers raakte die nachts op haar Muntendammer logies-adres twee rokken en een zak met een schaar en wat kleingeld kwijt. Ze beschuldigde naderhand Tetje Brandts, Hermine Kievit en Antje Harms van diefstal in vereniging. Antje was die nacht inderdaad uit de woning verdwenen, wat haar officieel tot verdachte nummer 1 maakte. Tetje en Hermine, volgens de bestolene medeplichtig, gingen (al dan niet quasi) op zoek naar Antje, maar tevergeefs, De spullen kwamen in elk geval niet terug, Bij het proces stonden er vier verschillende lezingen naast elkaar en uiteindelijk werd Antje vrijgesproken.
Van het verhaal is misschien een aardig toneelstuk te maken. Maar historisch interessant zijn vooral de min of meer terloops genoteerde gegevens over de leefwereld van de vrouwen, hoe ze aan de kost komen, en hoe ze geestelijk in het leven staan.
Rolverdeling van de figuren in volgorde van opkomst en leeftijd:
De bestolene – Johanna Demmers
De logiesgeefster – Tetje Brandts
De (vermeende) handlangster – Hermine Kievit (travestie-rol)
De hoofdverdachte – Antje Harms
DE BESTOLENE
Johanna, ook wel eens Anna Demmers (70), weduwe Johannes Kemp, was geboren in Leeuwarden en daar nog niet zo heel erg lang weg. Sinds een jaar woonde ze bij de arbeidster Antje Schrik, vooraan het Heerenlaantje te Sappemeer, “van waar zij bij deze en genen zoo wat rond gaat om met te breiden een stuk broods te verdienen”. Van beroep was ze dus breister. En naaister. Zonder een erg vaste woonplaats.
Die 24-ste juli 1817 kwam deze “oude vrouw” door Muntendam gelopen. Volgens de andere drie vroeg ze zelf of ze bij de logiesverschafster kon overnachten. Iemand had haar dit adres aanbevolen, omdat zij aan “het waarseggen deed en de planeten zien” In ruil voor de overnachting had ze aan Tetje de logiesverschafster “den kaart gelegt en haare lotgevallen voorgezegt”. Volgens Tetje had Johanna haar gevraagd of zij “ook wel eenige geheimen wenschte te weten”…
“waarop zij comparante geantwoord hebbende van ja, als het iets goeds was”
Johanna was dadelijk begonnen haar de kaart te leggen,
“waaruit zij dan ook alles wat haar comparante begeerte was tot de minste omstandigheid toe had weten op te geven”.
Zelf ontkende Johanna dat iemand haar had aangeraden om eens de kaart te leggen bij Tetje. Ze wilde er alleen maar wat uitrusten en drinken. Het was juist Tetje die er bij haar op had aangedrongen om eens de kaart te leggen, “omdat zij de kunst ook wel zou verstaan”. Uiteindelijk gaf ze maar toe, “uit gekheid en kortswijl”. Ze deed het met haar eigen kaarten die ze bij zich had en waarmee ze in Sappemeer wel eens “uit tijdverdrijf” met haar kennisen speelde.
Tegenover de magistraat wilde Johanna dus niet bevestigen dat ze een kaartlegster was. Ze distantieerde zich ervan. Maar wellicht deed ze dat, omdat zo’n verlichte rechter sterk gekant was tegen bijgeloof.
Als die kaartleggerij van haar slechts “gekheid en kortswijl” was, dan ging dat wel erg ver volgens Tetje. Die vertelde hoe Johanna dronken werd, wat ze hoorde aan haar gepraat:
“want zij had gezegd nog twee te moeten betoveren, en anders zelve te moeten verbranden, – onder de planeet van de noordster onder de grootste tovenaars te zijn geboren”.
DE LOGIESGEEFSTER
Tetje Jans Houteboom, in de wandeling Tetje Brandts (56), was vrouw van de arbeider Pieter Tonkens Keizer en zelf ook arbeidster. Haar man komt in het hele stuk niet voor, die werkte waarschijnlijk even elders. Hoe dan ook, hun huis stond op de hoek van het Nieuwe Laantje te Muntendam.
De magistraat wilde graag weten of Tetje daar een herberg en slaapstee hield. Waarschijnlijk had ze daarvoor geen vergunning en betaalde ze ook geen patentbelasting. De bestolen Johanna was hier dubbelzinnig over. In eerste instantie zei ze dat zij Tetje ’s middags alleen maar had gevraagd om wat te drinken. Tetje had toen gezegd dat ze er ook wel kon overnachten. In tweede instantie zei Johanna dat ze Tetje zelf had gevraagd of of die “kwartier hield”. Tetjes antwoord zou zijn geweest:
“Ja, ik berg wel eens een goed mensch voor een enkelde nacht – gij kunt hier deze nacht ook wel slapen.”
Dat van die enkele nacht was pertinent onwaar. Tetje gaf zelf toe dat de verdachte en de vermeende handlangster al anderhalve weeek bij haar in huis verbleven. Maar een slaapstede had ze nou ook weer niet. De verdachte en de handlangster sliepen – ook naar eigen zeggen – gratis “in het stroo van de schuur”. Tegen de officier van justitie verklaarde Tetje dat ze zo nu en dan wel eens iemand herbergde die “in verlegenheid” was, en daar kreeg ze ook heus wel eens iets voor, maar “dikwijls” deed ze dit “om niets en uit medelijden”. Ze accepteerde, kortom, alleen vrijwillige bijdragen. Zo had de later verdachte Antje “wel eens een draadje gesponnen voor tijdkorting op het wiel van comparante”. Het was ook niet Tetje, maar Antje, die Johanna meedeelde dat een overnachting in een van beide aanwezige bedsteden haar een dubbeltje zou kosten.
Die bedstede was gewoonlijk bestemd voor Tetjes broer, die bij haar in huis woonde. De man was “lam en sprakeloos” en “bijna geheel wezenloos” en kon desnoods ook wel slapen in zijn sluit- of kinderstoel bij het haardvuur.
Het licht van dat vuur, en dat van de maan en sterren door de open blijvende luiken, was na het invallen van de nacht vaak het enige licht in de kamer met de bedsteden. Door gebrek aan olie ging het lampje steeds weer uit. Zonder dat lampje kon je niet eens de klok zien.
DE (VERMEENDE) HANDLANGSTER
Harmina, vaker Hermine Jans Kievit of Kiewiet (53) was geboren in Winschoten en woonde daar gewoonlijk in een van de Armenkamers. Wat mogelijk ook samenhing met haar handicap. Want ze had een gebrekkig been en liep “hompelende”. Verder was ze ongehuwd en deed ze
“het breiden, en ook het kaartleggen wel voor menschen die wat nieuwsgierig waren”.
Tegen Johanna merkte Hermine op dat ze ooit ten oorlog was gevaren. Ook zat ze een pijpje tabak te roken. Op Johanna kwam dit als onvrouwelijk over. ’s Nachts in het duister raakte Johanna haar ook aan bij het “bloot hoofdhaar”. “God bewaar mij”, riep ze toen,
“wat doe ik hier met een manspersoon!”
Berend Trip, de Vrederechter van Veendam die niet alleen de verdachte Antje, maar ook Hermine in verzekerde bewaring liet stellen, noemde Hermine een persoon
“welke algemeen alhier gezegt wordt een vrouw te zijn en zig dan in mannen en dan in vrouwen klederen kleedt”.
Bij zijn vooronderzoek was Trip bijzonder nieuwsgierig naar dit aspect. Tegen hem noemde logiesverschafster Tetje Hermine eerst een vrouw. Is het geen man dan, vroeg Trip. Het antwoord van Tetje luidde dat Hermine…
“…in vrouwenklederen ging, maar Ja, dat Comparant gezien hadde, dat het een man was en even alzo geschapen…”
Ook de verdachte Antje was ondubbelzinnig in haar oordeel, tot welke sekse Hermine behoorde:
“Haar was voorgekomen dat zij een man was, aangezien zij trek hadt tot vrouwslieden en Comparant ook zodanig was aangeweest, en dat de zig noemende Hermine ook de baardt daaglijks uittrok en dat zij alle hare zaaken verrigte als een man behoord en konde doen.”
Ja,
“bij aldien men haar slegts behoefde te beschouwen, men dadelijk zoude ontdekken dat zij eene man en geene vrouw was”.
De vrouwen verschilden echter van mening over het motief van Hermine voor haar travestie. Tetje meende
“dat deze verkleding geschiede omdat hij het waarzeggen dede, en dat geene Vrouwlieden bij een Manspersoon zouden willen komen.”
Tegen Antje had Hermine daarentegen gezegd
“dit haar moeder te hebben belooft.”
Zelf zei Hermine er dit over tegen de Vrederechter:
“Als vrouw te zijn opgevoedt en niet anders bewust te weten als zodanig te zijn”
Ze bevestigde tegenover hem dat ze als man op zee had gevaren. In 1785 had ze gediend bij de schrijver Kijff in Groningen, een paar jaar later was ze naar Noord-Holland vertrokken, waar ze als meid diende bij baron Hoffman van Giesen en Oudekerk, op de hoek van de Appelsteeg tegenover de Waag in Hoorn:.
“Dat zij zig alstoen hadde omgekleedt als man, en om de wereldt te besien was gaan ter zee varen, zijnde dit ongeveer geschiedt in den jare 1792 en dat zij als toen nagenoeg 7, 8 à 9 Jaaren ter Zee hadde gevaaren.”
Wat betreft het kaartleggen en waarzeggen – dat bagatelliseerde ze bij Trip enigszins. Ze deed dat voor een keer wel eens…
“…als het zo eens te passe kwam konde zij eenige berekeningen maken.”
Hetgeen doet denken aan astrologie. Volgens Antje deed Hermine ook aan “de planeten zien”. Waarschijnlijk maakte Hermine een eigen eclectische waarzeggersmix van kaartleggerij en sterrenwichelarij. Volgens logiesverschafster Tetje verdiende Hermine daar “daaglijks” de kost mee. Zo had Hermine onlangs nog bij haar in huis de toekomst voorspeld aan Berend Roeker en zijn moeder Antje Roeker, landbouwers “op de hoogte van Muntendam”. En ook de meid van Hendrik Davids op Borgercompagnie was klant bij haar.
In elk geval vormden Tetje, Hermine en Antje voor de komst van Johanna een soort van gezamenlijk huishouden, waarin ze botje bij botje legden voor de aanschaf van leeftocht en drank. Hermine:
“Men had soms wat huiswerk verrigt, Antje ook wel eens een draadje gesponnen voor tijdverdrijf – overigens hadden zij gebedeld en het kaartleggen gedaan, en ’t geen zij hiermede ieder afzonderlijk verzamelden, verteerde men te zamen bij Tetje Brands. Als men wat te eeten of drinken noodig had, dan betaalde elk zoo veel duiten of stuivers daartoe als men verkoos te koopen.”
DE HOOFDVERDACHTE
Antje Harms (ca. 36), geboren te Veendam en normaliter daar woonachtig bij Willemtje in de Drie Schelvissen bij het Middelste Verlaat, was een ongehuwde naaister en breister.
Bij Tetje Brandt verdiende Antje naar eigen zeggen de kost met spinnen. Volgens Tetje echter, stelde dat niet veel voor. Op haar wiel had Antje
“wel eens een draadje gesponnen voor tijdkorting”.
Tetje noemde Antje zelfs een en andermaal een “hoertje”. Wat waarschijnlijk minder met een liggend beroep als met een ongehuwd moederschap te maken had.
Uit alles blijkt dat Hermine en Antje gezamenlijk optrokken. “Overdag zochten zij de kost bij de huizen”, vertelde Tetje. Hermine en Antje kenden elkaar ook al geruime tijd, voordat ze bij Tetje in het stro kwamen logeren. Antje woonde een week of drie in bij Hermine in het Armenhuis van Winschoten, tot de diakenen haar daar niet langer wilden hebben. Van Winschoten was Antje toen naar Noordbroek verhuisd, waar ze bij Willem Koning de kost verdiende met wieden. Hermine, die eerder een kind van deze boer genas, maar toen zelf ziek werd, kwam daar een een paar dagen bij Antje inwonen, voordat ze samen naar Muntendam vertrokken.
Hermine en Antje waren, kortom, twee handen op één buik met Hermine als dominante partij. Zo ontving Antje van een Muntendammer vrouw, Geessien Doppers, een schelling, waarmee ze in Zuidbroek of Veendam “kruidemuntwater” moest kopen. Dat spul vormde een onmisbaar ingrediënt voor een drankje tegen lintworm. dat Hermine voor die vrouw zou brouwen.
Van alle vier de vrouwen in het Muntendammer huis was Antje verreweg de bijgelovigste. Tegen Vrederechter Trip zei ze, dat ze bij nacht en ontij het huis had verlaten,
“omdat zij bevreesdt was voor deze oude vrouw (= Johanna), dewijl padden in haar huis waren!”
Bij de officier van justitie te Winschoten herhaalde ze dat. Uit angst had ze zich bedronken. Over Johanna, wier naam ze niet kende, had ze gehoord
“dat een toverheksch was, waarmede men wilde dat padden in betrekking stonden.”
Hermine had die padden aangetroffen in het stro, waarin zij en Antje sliepen. Ze maakte ze dood met een schoffel en meldde de vondst in de kamer aan Antje en Tetje. Die gingen naar de schuur om te kijken. Het klopte. Er lagen dode padden.
“Harmina had gezegd de oude vrouw van Leeuwarden was een toverheks en Tetje had gezegd ook een pad in haar bed te hebben gezien.”
Daarom bleven ze die nacht op. Angstig en zwijgzaam bedronken ze zich aan de jenever, die meermalen werd opgehaald.
—
Bron: Groninger Archieven, archief 141, Hof van Assisen, inv. nr. 6.35.

Dit soort verhalen lees ik met genoegen