Het interieur van de Oude Meet
Geplaatst op: 19 november 2009 Hoort bij: Stad toen 9 reacties
Op een veilingsite vond ik een interieurfoto uit omstreeks 1960 van De Oude Meet in de Herestraat. Het restaurant van het welbekende reclamerijmpje:
“Er zijn twee huizen waar U lekker eet:
het Uwe en de Oude Meet”
En waar mijn opa zijn Ford Anglia nog pal voor de deur kon parkeren om er een uitsmijter te nemen.
Ik herinnerde mij hoegenaamd niets van het interieur – teveel gelet op die uitsmijter – maar nu ik het dan na al die jaren mag weerzien: Wat een Mamaminizooi!
Deels bruin gelambrizeerde wanden met wat vage schilderijtjes, ronde Delftsblauwe borden en een oud-vaderlandsche staartklok voor de ultieme huiselijke gezelligheid. Een zaal die door een hekwerkje van ruiten spijltjes op een heuphoog wandje in tweeën is gedeeld. Voor dat hekje een antichambre waar mensen zitten te wachten als alle tafels in het restaurantgedeelte bezet zijn. Je zit er hutjemutje opeen op pluchen crapaudjes en een dito driepersoonsbank onder een schemerlamp van een eeuwig tijdloze allure.
Als je dit ging reconstrueren als thema-restaurant – wel met een goeie kok natuurlijk – zou je er nog een culinaire camphit mee kunnen scoren ook. Zij het niet in de Herestraat.
Voor het uitvoeren van dit idee behoef ik geen honorarium. Zet maar een Uitsmijter Opa Vondeling op de kaart.
Hoe een boerderij in Beerta aan haar gracht kwam
Geplaatst op: 19 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieDe boer Eltie Unekes, meier van een stadsplaats in Beerta, wordt in het vroege voorjaar van 1722 en wellicht al wat langer met verschrikkelijke moord- en brandbrieven bedreigd. Het nachtwaken martelt hem en de zijnen af. Unekes vraagt het stadsbestuur, eigenaar van zijn grond, of hij een gracht om zijn huis mag laten graven.
Dat vindt het stadsbestuur goed, maar die gracht moet dan wel minimaal 22 voet (ruim 6 meter) breed zijn. Vanwege de graverij krijgt Unekes een half jaar kwijtschelding van zijn landhuur. Bovendien mag hij twee honden nemen. Overdag moeten die dan wel aan de ketting liggen.
—
Bron: Rekest (verzoekschrift) aan en apostille (kantbeschikking)van het Groninger stadsbestuur, geregistreerd op 20 maart 1722.
Krant komt op voor het prestige van de politie
Geplaatst op: 18 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties(Winschoter Courant 14 september 1894)
(Winschoter Courant 16 september 1894)
Alleen buitenstaanders betaalden imegeld
Geplaatst op: 17 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Door te googelen op bijen binnen de inventarissen van RHC de Groninger Archieven, vond ik zes losse stukken over imegeld: een willekeur uit Sellingen, een bevelschrift uit Winsum-Bellingeweer en drie ingewilligde rekesten van Oldambster kerspelen. Allemaal komen ze uit de achttiende eeuw. Hieronder behandel ik elk stuk apart, om daarna wat meer algemene conclusies te trekken..
Sellingen, 15 augustus 1712
Eigenerfden en belanghebbenden van het kerspel Sellingen stellen een lokale verordening vast,
“dat alle diegeene soo eenige vrembde Jmen van buiten uit het Oldampt of elders setten”
op Sellinger bodem, drie stuivers per korf moeten betalen. De ene helft van de opbrengst is bestemd voor de diaconie, de andere voor de kerk, dus de kerkvoogdij. Bovendien mogen degenen op wier grond de korven staan nog een stuiver per korf vragen.
Die van Sellingen volgen hiermee het voorbeeld van de kerspellieden van Vlagtwedde, die toestemming voor een dergelijke heffing kregen van het Groninger stadsbestuur, dat het voor het zeggen heeft in Westerwolde.
Winsum-Bellingeweer, 21 april 1777
Op hun verzoek krijgen de ingezetenen van Bellingeweer van de lokale rechter van Winsum en Bellingeweer toestemming om
“wegens ieder korf buitenlandsche bijen of ijmen ten profijte van voorschreven diaconije te mogen bedingen eene stuiver. En zullen dezelve het getal der korven, zoo door buitenlanders op voorschrevene conditie bij hun worden geplaatst aan de boekhouder van de respective diaconye moeten opgeven en gemelde korven niet laaten vaaren voor dat de bedongene stuivers door de eigenaren zijn voldaan.”
Met andere woorden, hier heb je de van Noordbroek bekende tax van 1 stuiver per korf. Deze moet in Winsum worden betaald door “buitenlanders”, waaronder je zowel mensen van buiten de jurisdictie als van buiten de Ommelanden of de provincie zou kunnen verstaan. Maar de betaling geschiedt waarschijnlijk indirect. Want degenen op wier grond de ‘buitenlandse’ korven staan, zijn verplicht daarvan aangifte te doen bij de diaconie. Bovendien mogen de grondbazen de korven niet laten gaan voordat er betaling geschied is.
Wildervank, 3 september 1776
De boekhoudend diaken van Wildervank memoreert bij de drost van het Wold-Oldambt dat zijn armenfonds een jaar eerder, op 11 september, toestemming van diezelfde drost kreeg
“om van ieder korf ymen, van buiten wordende ingebracht, te mogen vorderen 2 st[ui]ver en in cas van wanwilligheit der voldoeninge de ymen te mogen arresteren”.
Zo’n geval doet zich nu voor inzake de nalatige Jacob Braam. De boekhoudend diaken vraagt de drost om honorering van een “mandaat van arrest”, d.w.z. een machtiging om tot beslaglegging over te gaan. Volgens de kantbeschikking van de drost op het verzoekschrift geeft hij inderdaad die machtiging.
Nieuwolda, 23 mei en 6 juni 1780
De collector (belastinggaarder) Jacob Syses, geeft namens de diaconie van Nieuwolda aan de drost van het Wold-Oldambt te kennen…
“…hoe dat sommige van hun ingeseeten eenige korven met bijen uit andere Jurisdictieën zijnde gekoomen op hun grond hebbende, en daar voor het ordinaire geld aan de Diakonij ter plaatse competeeren, namelijk 1 stuiver per corv, aan dezelve weigeren te betaalen. Waar in de rem[onstran]ten sustineeren geensints wel behandelt te worden…”
Met andere woorden: sommige ingezetenen hebben bijenkorven van elders op hun grond staan, maar weigeren de gebruikelijke tax van een stuiver per korf aan de diaconie te voldoen. Daarom verzoekt de diaconie aan de drost om een algemene lastgeving.
Na een onderzoek geeft de drost de diaconie van Nieuwolda toestemming om de inwoners ter plaatse ieder jaar aan het begin van mei door kerkenkondiging aan de regeling te herinneren. Die regeling bestaat eruit dat alle inwoners van Nieuwolda die op hun tuinen, landen of hemen bijen hebben staan,
“aen persoonen buiten het carspel behorende”
verplicht zijn om voor iedere korf van die vreemdelingen een stuiver te innen, die bestemd is voor de diaconie. Deze gelden moeten de inwoners voor 1 november elk jaar aan de diaconie hebben betaald. Als ze dit niet doen kan de diaconie een onderpand bij ze weg laten halen.
Aan de andere kant legt de drost de diakenen de verplichting op om elk jaar voor 1 juni een inventarisatie te maken van degenen op wier terreinen de vreemde bijenkorven gezet zijn.
Finsterwolde, 29 juni 1784
De diakenen van Finsterwolde vertellen de drost van het Wold-Oldambt
“hoe des jaarlijks vele honderden korven met imen alhier worden gezet”.
Graag zouden ze daarvan, net als andere kerspelen van het Wold-Oldambt, een stuiver per korf heffen voor de armen, “wiens aantal groot is”. Maar omdat ze wel eens onaangenaam bejegend zijn bij de invordering van het imegeld, vragen ze expliciet om toestemming van de drost voor de heffing. Deze krijgen ze. Ze mogen van degenen
“bij wien vreemde korven geplaatst worden”
een stuiver per korf “stedegelt” eisen voor de armenkas. Deze beschikking mogen ze bovendien voortaan elk jaar in de kerk van Finsterwolde laten afkondigen..
CONCLUSIE
Veel van deze stukken gaan over de rugdekking die diaconieën van plaatselijke rechters vroegen en kregen voor de heffing van het imegeld. De inning sprak niet helemaal vanzelf. Er was wel eens oppositie tegen.
De rechters bepaalden daarbij vaak hoe de inning van het imegeld moest plaatsvinden. In Winsum zijn de grondbazen verplicht om aangifte van de korven op hun grond te doen bij de diaconie. Bovendien mogen ze de korven niet laten vertrekken voordat er voor ze betaald is. in Nieuwolda is zelfs expliciet geregeld dat de grondbazen het imegeld in eerste instantie moeten innen. De deadline voor afdracht is hier 1 november, wat sterk doet denken aan de novemberposten in de diaconierekeningen van Noordbroek. Ook in Finsterwolde zijn de grondbazen de door de diaconie aan te spreken partij. In Nieuwolda kan de diaconie een onderpand laten halen bij een wanbetaler, en in Wildervank is er zelfs een reële beslaglegging op korven. Om te zorgen dat de regelingen in elk geval als bekend verondersteld mogen worden, is er aan het begin van het bijenseizoen steeds een kerkenkondiging, zoals blijkt uit de voorbeelden van Finsterwolde en Nieuwolda.
De bestemming van het imegeld is overal de armenkas, alleen in Sellingen deelt de kerk mee in de opbrengst. Daar (en in Vlagtwedde) is het imegeld ook het hoogst: 3 stuivers per korf. In Wildervank bedraagt het 2 stuivers en in Winsum, Nieuwolda en Finsterwolde 1 stuiver de korf, net als in Noordbroek. Waar veel heide is, op zand en veen, is de tax blijkbaar hoger dan op de klei. Wellicht heeft men daar ook wat meer verlet om het geld.
Maar wat het allermeest opvalt, is dat het niet om korven van ingezetenen gaat, maar om korven van buiten het eigen kerspel. In Sellingen zijn het vooral korven uit het Oldambt, in Winsum gaat het om “buitenlandse” korven, in Wildervank om korven van buiten, in Nieuwoldas om korven “uit andere Jurisdictieën”, en in Finsterwolde om “vreemde korven”.
Dat was niet te merken aan de Noordbroekster diaconierekeningen, maar daar toch waarschijnlijk ook het geval. Het imegeld valt dan te beschouwen als een poging om een graantje mee te pikken van het periodieke verkeer van bijenkorven tussen de verschillende drachtgebieden (met bloeiend koolzaad, klaver, boekweit, heide enz.).
Als het imegeld inderdaad ook in Noordbroek louter van buitenstaanders gevergd is, dan komen de cijfers daar ook in een heel ander daglicht te staan. De gemiddeld 200, 300 vreemde korven die daar in de drie laatste decennia van de achttiende eeuw staan, vormen dan slechts een deel van het totale korvenbestand. Aangezien je mag aannemen dat de inboorlingen veel meer korven hadden staan, mag je het totale aantal bijenkorven dat gedurende die periode zo’n beetje jaarlijks in Noordbroek stond, schatten op minstens 600.
BRONNEN
- Alles in het RHC de Groninger Archieven:
Toegang 528, Familie Hesse (1), inv nr 122
Toegang 333, Hervormde gemeente Winsum, inv. nr. 162
Toegang 731, Rechterlijke Archieven Wold-Oldambt, inv. nr. 6161
Toegang 232, Hervormde Gemeente Finsterwolde, inv.nr. 2, notulen kerkeraad pag. 8 dd februari 1784.
Ime, yme, iem, imme, yemken
Geplaatst op: 16 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 10 reacties
“Het woord Imen kende ik niet, imker natuurlijk wel. Is het Gronings?”,
Daar was ik ook wel nieuwsgierig naar. Ik keek even in het WNT, maar de oud-Groningse spellingsvarianten ime en yme leken er niet in voor te komen. Ik nam dus aan dat het streektaal was, Nedersaksisch, al zou het ook een Fries relict kunnen zijn.
Dat was iets te snel aangenomen, blijkt me nu. De zoekwoorden ime en yme leverden weliswaar niets op in het WNT, maar er blijkt ook nog de variant iem te zijn. En op die pagina geeft het WNT een verwijzing naar imme, wat staat voor
“een bijenzwerm; een bijenvolk met de korf te zamen”.
Bij zo’n WNT-lemma moet je voor de contextuele duiding altijd even onderaan de pagina kijken. Daar staat wanneer zo’n lemma precies geschreven is. In dit geval dateert het van 1908. Over de verspreiding van het woord imme op dat moment zegt het WNT:
“Thans slechts in het oosten van Noord-Nederland in gebruik.”
Toch komen de erbij gehaalde historische voorbeelden uit een veel groter gebied: Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zeeland. De vorm ‘iemen’ zou in Overijssel voorkomen. Maar in Drenthe evenzo, getuige het aangehaalde over een “jonge Yme ofte Zwerm” uit het Drents Landrecht van 1614. Wel vreemd dat een query binnen het WNT op yme je dan niet bij ’t lemma imme brengt.
Voorbeelden van imme met een korte i geeft het WNT uit het westen van Gelderland (1889) en uit Utrecht (1614), terwijl de tevens aangehaalde ‘Zeeusche Nachtegael’ uit 1623 het heeft over
“een Yemken uyt den gront van een bloemken”,
Imme lijkt dus vooral een term uit Utrecht, en, neem ik bijna voetstoots aan, Holland. Als mijn intuïtie me dit keer niet bedriegt, heeft het WNT bij het lemma imme een voorkeur voor het taalgebruik in de machtigste regio van Nederlaand.
Dit allemaal opschrijvend, valt me ineens in de zin, dat iem oorspronkelijk wel eens een onomatopee geweest kan zijn. Neurie maar een een i met de lippen op elkaar en je bent sprekend een bij. Met imme is dat veel minder het geval. De taalvorm die de voorkeur kreeg, stond het verst af van de taalgenererende situatie.
Sints ‘Grote Boek’ telt veel onbeschreven bladen
Geplaatst op: 15 november 2009 Hoort bij: Stad nu 8 reacties
Sint is nog maar nauwelijks in Nederland, of hij laat hier in een kapsalon zijn grote boek slingeren. Erg dik is het niet voor een zondenregister. En met dat potlood kan hij ook niet veel opnoteren. Wie verstrekt de Goedheiligman een puntenslijper?
Geen brood zonder preek in Beerta (1756)
Geplaatst op: 15 november 2009 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 3 reactiesDominee Lubbers vernam dat enige van de arme lieden – dwz door de diaconie ondersteunden – weinig of niet in de kerk kwamen en hun kinderen ook niet naar school stuurden zoals het hoorde…
“waar op de Kerkenraad met eenparige stemmen besloten heeft dat men die menschen die zonder nootzake de middelen der Genade bleven verwaarlozen, so lange het brood zoude onthouden, tot dat zij zig beterden door neerstig zig tot het gehoor van Gods woord te begeven, en haar kinderen ter school deden gaan, dewijl de Kerkenraad oordeelde so wel te moeten sorgen voor de behoudenis der zielen, als der lighamen van die an haar opzigt toevertrouwd zijn.”
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 206 (archief hervormde gemeente Beerta (1) 1596 – 1924), inv. nr. 1, kerkeraadshandelingen, de notitie dd 3 december 1756.
Smet op zondag in Finsterwolde (1818)
Geplaatst op: 15 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Onderzoek gedaan zijnde, naar den staat der gemeente, gaf de Predikant aan de vergadering zijne droefheid te kennen, dat, schoon het grootste gedeelte der Gemeente den dag des Heeren godsdienstig vierde, er echter sommigen gevonden werden, die, in weerwil der uitdrukkelijke bevelen van Z.M. de Koning, dien grootelijks ontheiligden, door het buiten enige noodzaak verrigten van dagelijksche bezigheden.
Men vond goed, dat er hier omtrent van den predikstoel eene ernstige vermaning aan de Gemeente zoude worden gedaan.”
Met andere woorden:
De meeste dorpelingen waren goed bezig, op zondag, en voerden geen klap uit. Alleen hield je altijd een paar etterbakken over die alle sociale controle aan hun laars lapten. Die kregen het vanaf de kansel ingepeperd. Of dat hielp, is de vraag, want als je op zondag aan het werk was, ging je natuurlijk niet naar de kerk.
Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 232, Hervormde Gemeente Finsterwolde, inv.nr. 2, notulen kerkeraad d.d. 2 september 1818.
Noordbroekster imegelden
Geplaatst op: 14 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Ik zocht naar een sterfgeval in de twee oudste bewaard gebleven diaconieboeken van Noordbroek en noteerde tegelijk voor hoeveel korven er imegeld aan de plaatselijke armen werd betaald. Voor elke geplaatste korf bijen bedroeg dat imegeld een stuiver, een zeer bescheiden tax, als je beseft dat een volle korf bijen een rijksdaalder deed. Omdat de tax tot haar afschaffing gelijk bleef, laat het aantal korven zich ook berekenen, als er alleen een som geld in de rekening staat.
Vanaf 1800 staat er geen imegeld meer in de boeken. En dus loopt de serie van 1769 tot en met 1799. Maar enkele jaren, te weten 1779, 1793 en 1795 vallen er tussen uit. Mogelijk komt dit door nalatigheid van de diakenen.
Als er een datum bij de posten staat is dat vaak een dag in november, vlak voor de traditionele sluiting van de rekening in december. Dat betekent dat de diakenen veelal pas na het bijenseizoen de imegelden inden. Op dat moment wisten de imkers ook hoe hun seizoen geweest was. Wellicht werd daar rekening mee gehouden. Een iets minder populaire inningsmaand was juni, vlak na het zwermseizoen.

Door alle jaren heen stonden er, voor zover bij de diaconie bekend was, gemiddeld zo’n 200, 300 imegeld opbrengende korven met bijen in het kerspel Noordbroek (inclusief Noordbroeksterveen, Stootshorn, Korengast en Noordbroeksterhamrik). Wel zijn er aanzienlijke fluctuaties, ook bij individuele imegeld-betalers. Neem Sebo Jans:
- 1774: 100 korven
- 1775: – (niet genoemd)
- 1776: 110 korven
- 1777: – (niet genoemd)
- 1778: 140 korven
- 1779: – (helemaal geen imegeld genoteerd)
- 1780: 70 korven
- 1781: 60 korven
- 1782: 60 korven
- 1783: – (niet genoemd)
- 1784: 20 korven
- 1785: 16 korven
- 1786: 30 korven
- 1787: 17 korven
- 1788: 20 korven
- 1789: 20 korven (laatste melding)
Het valt moeilijk te geloven dat Sebo in de jaren 1770 van het ene op het andere jaar zo varieerde in zijn imkerij. Waarschijnlijk komen die fluctuaties ook weer door slordigheid in de inning. In 1778 betaalde Sebo inderdaad twee maal imegeld, een keer voor 50 en een keer voor 90 korven, zodat de ene post waarschijnlijk het achterstallige over 1777 betrof. Opvallend zijn ook de ronde getallen die Sebo eerst steeds opgeeft. Waarschijnlijk wist hij aan het eind van het seizoen nooit meer, hoeveel korven hij precies had staan. Als hij later afdaalt tot het niveau van een hobby-imker, wordt hij wat preciezer in zijn opgaven.
In elk geval kan je van jaar tot jaar niet al te harde conclusies trekken uit de grafiek. Wel lijkt de animo in Noordbroek voor de bijenhouderij aan het eind van de achttiende eeuw wat afgenomen. Ook zijn de pieken in de jaren 1780 – 1782 onmiskenbaar. Door de vierde Engelse oorlog zat de zee dicht, kwam er weinig suiker binnen, en schoot de prijs van honing omhoog, met het gevolg dat de imkerij een stuk rendabeler werd.
Vervolg: imegeld werd alleen betaald door imkers van buiten het kerspel.
Glas in lood Baptistenkerk Meeuwerderweg
Geplaatst op: 13 november 2009 Hoort bij: Kunsten, Oosterpoort 12 reactiesSinds enige tijd staat de Baptistenkerk aan de Meeuwerderweg leeg. Het gebouw wordt incidenteel wel eens verhuurd aan een Pinksterachtige gemeente, maar erg vaak gebeurt dat niet, en financieel zet dat natuurlijk ook weinig zoden aan de dijk. Helaas lijkt het gebouw niet zo heel erg geschikt voor andere activiteiten, of je zou er de prachtige banken, met veel ingelegd houtwerk, uit moeten slopen. Maar dan is het ook zijn karakter kwijt.
Er kerkten nogal wat schippers, de diensten stonden altijd aangekondigd in de schippersblaadjes. De kerk beschikt over 650 zitplaatsen, en is daarmee groter dan je zou denken. Ze werd in gebruik genomen op 31 mei 1925, en de legster van de eerste steen, weduwe van een ouderling D. Klooster, schonk met haar kinderen de glas-in-loodramen, waarvan de ontwerper jammer genoeg niet genoemd wordt in een jubileumboekje van de gemeente uit 1980, Een eeuw verleden, een eeuwige toekomst:




Een staatsgevaarlijke dienstweigeraar
Geplaatst op: 12 november 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
De Centrale Inlichtingendienst, voorganger van de BVD en AIVD, stelde in 1939 een lijst op van “links-extremistische personen”, geordend per gemeente en met een alfabetische klapper op de hele bups, die met soortgelijke stukken trouwens ook digitaal doorzoekbaar is. Interessant vind ik bijvoorbeeld de gemeenten Beerta en Finsterwolde, waar een flink deel van de gemeenteraden blijkbaae staatsgevaarlijk was. Bij de nog veel langere lijst radicalinski’s in de gemeente Groningen, tref ik zowaar een ouwe bekende aan, Fré Boerema (1915-2007).
Begin jaren negentig woonde Fré bij me in de Van Sijsenstraat, in het oude huis van zijn ouders, waar hij ooit ook nog als twintiger gewoond had. Daar heb ik hem een keer geïnterviewd, temidden van stapeltjes tijdschriften als ‘Recht voor Allen‘ en ‘De Vrije Gedachte‘. Hij liet me een bandje horen van een 1-mei speech die hij hield op de anarchistencamping in Appelscha. Het leek wel een opname uit de jaren dertig. Hij fulmineerde tegen stemdwang, arbeidsplicht en oorlog, en memoreerde het lot van Abessinië onder Mussolini.
Hij kwam als jochie van een jaar of negen op een kinderfeest van vrijdenkersvereniging De Dageraad, en zijn moeder vroeg hem na afloop wat hij mooier vond, de zondagschool of dat:
“Nou dat! en het volgende jaar zat ik er ook bij.”
Later was was hij een poosje lid van de AJC geweest, niet lang, want die club was hem lang niet radicaal genoeg:
“Dat was min of meer sociaal-democratische opfokkerij. Ze droegen daar dan wel een gebroken geweertje, maar gingen nooit dienstweigeren. Maar als je principieel tegen de oorlog bent dan is het enige middel: niet in dienst gaan. Als je radicaal bent zeg je: nee, ik doe daar niet aan mee.”
Begin jaren dertig bezocht hij veel politieke bijeenkomsten, zoals een debatavond met Anton Constandse in de Harmonie:
“Ik vond het geweldig wat-ie zei, ook ten aanzien van het geloof. Toen begon ik brochures te lezen en artikelen in De Vrijdenker. Daar ging ik me op abonneren en zo ben ik naar het anarchisme toegegroeid. Zij waren over het algemeen ook geheelonthouders en zo ben ik bij de J.G.O.B. gekomen, de Jongelieden Geheel Onthouders Bond. Zij waren het meest anti-militaristisch en het meest socialistisch.”
De JGOB afdeling Groningen bestond uit een 25, 30 jongens en meisjes. Die gingen altijd samen kamperen in Appelscha:
“Daar droegen de meisjes korte broekjes, maar zo gauw we in de stad terugkwamen, gingen er jurken overheen.”
Hij was een totaalweigeraar avant la lettre, weigerde zelfs om ook maar gekeurd te worden voor de militaire dienst. Dat leverde hem een veroordeling op tot tien maanden Veenhuizen:
“Daar heb ik een hele hoop gedaan en een hele hoop geleerd. Ik kon er de boeken krijgen die ik wou, heb er de bijbel flink bestudeerd en o.a. de werken van Multatuli gelezen. We zaten met een stuk of zes totaalweigeraars in één barak. Met die anderen had je gesprekken en discussies.”
Zijn ouders, hoewel winkeliers, vonden het niet erg en stonden achter hem. Ook van anderen kwam er steun:
“Ik kreeg een hele hoop kaartjes van kameraden, overal vandaan, uit Denemarken, Zweden, Engeland en Amerika tot Mexico aan toe. Alleen niet uit Duitsland en Rusland.”
549 Brillendoekjes
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Kunsten 4 reactiesIk zag een, twee, drie Groningse exemplaren, maar er bleek een gigantische, op plaatsnaam gesorteerde verzameling achter te zitten. Bekijk ze als slideshow!
Stadswapen Westersingel is terug
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Stad nu 5 reactiesHet stadswapen zit weer op de monumentale wederopbouwflat aan de Westersingel. De Vereniging van Eigenaren ontdekte dat de vorige kleur geel te fel was. Bovendien stond in het oorspronkelijke ontwerp dat de ondergrond de kleur van bladgoud moest hebben. En die is er nu opgebracht.
VERSJTEERDE KINDERVREUGD
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen(Winschoter Courant 10 november 1895)
Versjteerde kindervreugd
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reactiesWinschoter Courant 10 november 1895.





Recente reacties