Sint Jacob als tijdsaanduiding

Dat Sint Jacob in Stad & Lande tot zeker medio achttiende eeuw nog een redelijk gewone tijdsaanduiding was, en dat ondanks de calvinistische weerzin tegen paapse superstitiën, wordt bewezen door twee boedelinventarissen uit de jurisdictie Selwerd en Sappemeer.

De ene is van Jannes Leffers en vrouw en dateert uit 1695. Jannes had een brouwerij en daarnaast wat veenland. Waar hij woonde staat er niet bij, maar bij een obligatie valt de naam Winkelhoek, dus zijn woonplaats zal wel Hoogezand zijn geweest. Onder andere een Harmen Lefferts stond bij hem in het krijt. De onderhandse schuldbekentenis die deze broer (?) tekende, voorzag Jannes van de datum “25 July oft St Jacob 1692”. Bij andere obligaties en schuldbekentenissen – van andere data – voegde Jannes niet zo’n extra aanduiding toe. Het is of dat Sint Jacob de memorie extra kracht moest bijzetten. Niet dat het hielp, want bij de renten bleek Harmen alle drie jaren rente nog schuldig. In die post werd de vervaldatum nog eens Sint Jacob genoemd, terwijl de gewone datum hier zelfs werd weggelaten.

De andere inventaris is van de Harener boer Hindrick Wolters en dateert van 1745. In zijn geval heeft de schulte van Haren een boeldag gehouden en moeten de sommen gelds die geboden zijn uiterlijk met Sint Jacob betaald zijn. Omdat het de schulte en diens gerechtsdienaar zijn die de inventaris schreven en ondertekenden, mogen we aannemen dat de tijdsaanduiding Sint Jacob zelfs in bestuurlijke en ambtelijke kringen nog gangbaar was.


Ben van Meerendonk op Flickr

Een van mijn favoriete fotografen is Ben van Meerendonk. En laat het IISG nou net 530 foto’s van hem op haar nieuwe Flickr-account hebben geplaatst. Hier de serie beroepen.


Basselonise doeken, krolnebde schuivels, kreeftsogen en beulszalf

Als de winkelier Harm A. Braam, en zijn vrouw Annigje Writzers in 1799 beide overleden zijn, maken de voogden over hun minderjarige dochter een inventaris op van Braams winkel in Kiel-Windeweer.

Het was, zoals in die tijd gebruikelijk, nog echt een magazijn met van alles en nog wat. De inventarisatoren brachten weliswaar drie hoofdstukken aan – winkelwaren, ijzergoed en kruidenierswaren – maar menigmaal weken ze van hun eigen indeling af, zodat je mag aannemen dat de zaken ook in werkelijkheid nogal door elkaar heen lagen en dus niet zo gemakkelijk te scheiden waren als ze wilden.

Met de winkelwaren bedoelden ze vooral manufacturen: kousen, sokken, linten, knopen, gespen, garen, band, kammen, vingerhoeden, gaas, neteldoek, linnen, katoenen, vijfschachten, karzaaien, kalminken, broekstreep, katindezak, baaien en bombazijnen. Interessant is vooral de internationale herkomst van veel van dit spul. Je had bijvoorbeeld Veelse kousen (uit Westfalen), en soorten linnen uit Bijleveld en Warendorp (Bielefeld en Warendorf ten oosten van Münster). Bovendien verkocht het echtpaar Braam bontgoed en doeken uit Harlingen, Haarlem, Rouaan en Barcelona (“Basselonise”), terwijl er naast de Oostindische katoentjes en sitzen ook Hollandse en Engelse te koop waren en bovendien Londense kamelot.

Tussen de ellewaren door treffen we al snuif- en andere tabaksdozen op de inventaris aan. Eigenlijk hoort dat spul in het hoofdstuk ijzerwerk, dat begint met paar honderd blikken pijpendoppen die op het veen en schepen het brandgevaar moesten bezweren. Trommen, koffie- en andere potten, koffiemolens, lampen, lantaarns en gereedschappen als klinkhamers, nijptangen, vijlen, boren en beitels behoren mede tot het metalen assortiment, evenals sloten, scharen, asschoppen, spijkers, nagels, zwanehalzen (van koper), bierkranen, inktkokers, boterpotten, lepels, vorken en messen (Zwolse en Engelse). Intussen treffen we een uitstalling van borstelgoed aan: kwasten, witters, bezems, boenders en luiwagens, naast griffels en pijpen, In dit hoofdstuk ook, hoewel van hout, meer dan 100 paar klompen, terwijl er bovendien op kopers werd gewacht door 24 paar “krolnebde schuivels”,  oftewel schaatsen met een krul in de punt (kosten 10 stuiver per paar, ruim een dagloon voor veel mensen).

Tussen de stoffen bevinden zich al wat kruiden en “lodderanjen” (lodderein of Eau de la Reine), terwijl de opsomming van het ijzergoed Fremdkörper als stokvis en Haarlemmerolie kent. Onder de titel van de kruidenierswaren vinden we dan gort, tweebakken (beschuiten), meel, kaneel, peper, nootmuskaar, chocolade gember, komijn, koffie, pruimen, vogelzaad, kaas, krenten en rozijnen, zeezand en schelpzand, olie, azijn, potas, kandij, papier en klaverzaad. Verder diverse verfstoffen zoals Fries en Spaans groen, Berlijns blauw en Engels rood. En daar weer tussendoor diverse populaire geneesmiddelen, zodat de zaak van Braam ook nog eens iets van een drogisterij had.

Op basis van de middeltjes, zou je bijna een Kielwindeweerster kwalenlijst kunnen opstellen. Bijna, want niet van ieder middel valt met hulp van het WNT en internet thuis te brengen. Dit is de lijst:

  • gensiaanwortel (gentiaanwortel, eetlustopwekkend en voor maag en ingewanden)
  • mieke of wieke besilken (???)
  • holwortel (kalmerend en verdovend, tegen spiersamentrekkingen)
  • venegriek (fenegriek, ontstekingsremmend en aderversterkend)
  • bakelaar (nonspecifiek voor – eetlustopwekkende – bittere kruiden)
  • wormkruid (in olie, als poeder of als destillaat tegen wormen)
  • grain (???)
  • rabarber (oorspronkelijk uit Barbarije of Azië, gebruikt als purgeermiddel)
  • tijlonij (tijloosknol – ontstekingsremmer, tegen rheuma, geelzucht en kiespijn)
  • drieakel (triakel, ook theriakel, bekend panacee tegen allerlei kwalen)
  • kremerlartrij (waarschijnlijk kwamen de voogden er hier niet uit, kramerlatijn voor geheimtaal?)
  • kreeftsoge (lensvormige kalkvormingen uit de maag van een rivierkreeft, werkzaam gehouden tegen nier- en galstenen en oude zweren, tevens verwerkt in oogwaters en tandpoeders)
  • alewee (aloë, droge stof, verkregen door inkoking van aloë-sap, gebruikt als laxeermiddel)
  • kattarm salve (van cathartisch? zuiverend, reinigend)
  • Spaanse vliegen salve (uitwendig toegepast bij inwendige ontstekingen en pijnen zoals in de keel, de knie etc.)
  • lapdelon zalve (???)
  • palm zalve (zalf op bazis van palmolie)
  • drieakel gom (zie boven)
  • me laoden zalve (???)
  • beuls zalve (zalf voor wonden, mogelijk gekocht van de Groninger scherprechter mr. Snijder)

Zeppelinpost

Op een veilingsite zag ik dit kaartje:

Geplaatst op 5 december 2009

Het is op 18 juni 1932 boven Groningen afgeworpen door een Duitse zeppelin, die een rondvlucht over Nederland maakte. Adressant was een meneer Schoevers te Assen “bei Groningen”. Getuige het tweede stempel werkte de Nederlandse PTT er graag aan mee dat de kaart de bestemming bereikte.

Natuurlijk even in de Leeuwarder Courant gekeken of er iets over deze Zeppelin in stond. En jawel:

Geplaatst op 5 december 2009  a

Het kaartje kwam dus per parachute omlaag. Vandaar dat er geen kreuk in zit.  Twee dagen later berichtte de krant over de exacte plek waar de post neerkwam:

Geplaatst op 5 december 2009  b

Dat bleek dus het Slachthuis een het Damsterdiep, waar je nu de Slachthuisstraat hebt. Het kaartje is een van de duizend neergelaten poststukken, de afstempelaar van de Nederlandsche PTT had dus nog wel even werk.

De zeppelin droeg het kenteken LZ 127. De Hindenburg die in 1936 verongelukte, met 35 dooden tot gevolg, was LZ 129. Dat ongeluk maakte voorgoed een eind aan de zeppelinhype, waarbij Delfzijl zelfs even droomde van een heus Luchtvaartstation:

Geplaatst op 5 december 2009  c


Belegprent met valse voorstelling van zaken

De UB heeft een Duitse nieuwsprent uit 1672 op de kop getikt. Volgens die prent stond Bommen Berend aan de westkant van de stad. In werkelijkheid stond ook die kant onder water, en kwam de aanval louter uit het zuiden. Waarschijnlijk komt de fout er uit voort, dat een bestaande stadsplattegrond met een gezicht uit het westen gecopypaste is.

Via


Sinterklaas in Drenthe

Compilatie van beelden, bewaard in het Drents Archief en afkomstig uit Zuidlaren, Sleen, Gasselte  en Gieten. Zwartwit vanaf 1947 en met valse kleuren uit de jaren ’70:


Cassettebandjes uit het Poparchief

Zo zag mijn eerste cassetterecorder er uit, omstreeks 1969:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Drukte je dat rode knopje in en douwde je die zwarte naar voren, dan ging hij opnemen. Meestal met een kabeltje van de buizenradio: Top 40, van lieverlee middeleeuwse muziek en folk. Wel zorgen dat het wijzertje in het zwart bleef. Af en toe de opneem- en afspeelkop schoonmaken met wat spiritus en een wattenstaafje.

Van mijn leeftijdgenoten in het dorp was ik zo ongeveer de laatste met een draagbare radio. Maar dit apparaat had ik als eerste.

Mijn grootvader verkocht als electriciën ook electrische apparaten en ik betaalde hem de inkoopsprijs voor deze gavanceerde gadget. Naar ik me meen te herinneren kostte hij maar liefst vijfentwintig gulden. Mijn moeder wist niet dat ik al mijn spaargeld erin gestoken had en foeterde me uit. Ik nam haar gemopper op en liet dat horen. Werd ze nog veel kwaaier van.

Philips deed er drie gratis musicassettes bij: van Herb Alpert, James Last en Henk Elsink. Op die van Herb en James stond al heel gauw andere muziek.

Een jaar of vijf later, toen ik als eerstejaars student mijn eerste muziek-installatie kocht, raakte ik het apparaat kwijt aan mijn broertje. Dat kwam door een weddenschap. Hij had een zware onvoldoende voor Engels op zijn eerste rapport, als hij daar een voldoende van wist te maken dan kreeg hij die cassetterecorder van me. Hij haalde een voldoende.

De gefotografeerde cassetterecorder maakt deel uit van een tentoonstelling over cassettebandjes in de hal van de Groninger Archieven. Daar ligt toevalligerwijs ook een van de allerlaatste musicassettes die ik ooit kocht, van de legendarische band Sputnik 5 te Groningen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Die band heeft maar tot 1984 bestaan, zie ik aan de bio. Die cassettehoes is dus alweer 25 jaar oud.

Op die tentoonstelling gaat het vooral om de hoesjes, of, beter, om het grafische ontwerp daarvan:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Heel veel van die hoesjes zijn van punk en new wavebandjes uit begin jaren tachtig, al zag ik er ook een van de nog steeds optredende en laatstelijk internationaal doorgebroken straatzanger Moti Rymarczuk.

Er zitten prachtige dingetjes bij, zoals deze van Jammah Tammah:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Zie ook


Veldnamen bij Onnen (II)

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In het twintig jaar oude boekje Haren, overal anders staat dit veldnamenkaartje van Onnen. Zonder de gele stippen, dat is, want die heb ik toegevoegd aan namen die ik ken van lijsten uit 1684, 1742 en 1819

De Geuzenkeutel valt links net buiten beeld. Voor Onnen was het marginaal land, waarschijnlijk in meerdere betekenissen van het woord marginaal. Wel zien we nog de Giezelgeer die er naar toe voert.

De meeste toponiemen van 1989 kwamen al eeuwen voor. Andersom komen lang niet alle toponiemen die ik in de oude stukken zag, nog voor in 1989. Het lijkt er sterk op dat enige tientallen uit de memorie zijn verdwenen, al kan het ook liggen aan de onvermijdelijke grofheid van zo’n kaartje in een populair-historisch boek, waarvoor men zich nu eenmaal beperkingen moet opleggen.

Een ‘complete’ set veldnamen zal in samenhang met een kaart en historisch beschouwd ongetwijfeld enorm veel zeggen over de ontwikkeling van het ruimtegebruik in en om Onnen. Alles ten westen van de Mottenbrink is bijvoorbeeld een latere toevoeging aan het landbouwareaal, zoals je kunt zien aan de term kampen aldaar. De Mottenbrink is een latere as. Intrigerend is ook de veldnaam Hofsté – op de kaart De Hofstede. Het groenland daar zou ik wel eens uitgepeild willen zien.

Een complete set veldnamen bij elkaar verzamelen vergt nogal wat werk. Voor notariële vastgoed-akten van Onnen moet je eerst alle verzegelingen van héél Selwerd en Sappemeer door, terwijl de Onnenaren na 1811 nogal eens bij stedelijke notarissen transacties afsloten. Dat algehele corpus aan akten doornemen, dat is een gigantische klus, ook al klapperen de betere notarissen wel eens vastgoednamen in een aparte kolom.

Eigenlijk zou een club van een paar honderd vrijwilligers al die acten eens onderling moeten verdelen, om de namen van mensen en de toponiemen eruit te halen. Na afloop heb je een hele hoop tevreden gezichten, zowel genealogen als (streek)historici kunnen er hun voordeel mee doen. En iedereen wordt er wijzer van.

Met dank aan Thijs B.

Update vrijdag 4 december:

Het kaartje blijkt inderdaad een uittreksel van een veel uitvoeriger kaart. getekend door G. Smit voor Driemaandelijkse Bladen 1973. Ook op deze kaart ontbreekt overigens weer de Geuzenkeutel.

Nog mooier: de enorme Drentse veldnamencollectie van wijlen de RUG-medewerker J. Wieringa blijkt een Gorechter pendant te hebben. Die pendant, berustend in de Groninger Archieven, is weliswaar nog niet openbaar, maar dat is een kwestie van tijd.

Van Onner veldnamen zoals ze nog in de twintigste eeuw bestonden is er dus al wel een redelijk complete verzameling. Wat ik nog wil gaan doen is die collectie vergelijken met de collectie veldnamen zoals die te halen is uit de boedelinventarissen van de achttiende eeuw.


De Geuzenkeutel (2) – waar lag hij?

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ik had een mazzeltje. Ik googelde wat op Onnen binnen de website van de Groninger Archieven, en een van de stukken die daarbij tevoorschijn kwamen was een aankomsttitel van twee akkers bouwland genaamd “de Goestkeutel” op de Onner Es, in 1860 op een veiling gekocht door iemand uit de familie Quintus.

De Goestkeutel, dat moest een verbastering zijn van de “Guse Keutel” of Geuzenkeutel uit de jaren 1721-1742. Uiteraard dat stuk bekeken. Er stond in dat de verkoper, een boerenweduwe uit Onnen, en wijlen haar man de percelen hadden verkregen op een veiling die eind 1819 plaatsvond. Intussen was het kadaster ingevoerd. Omdat het niet eerder na de invoering van het kadaster vervreemd was, droegen de akkers nog de oorspronkelijke kadastrale nummers,

Uiteraard ook de acte van 1819 opgezocht. Daarin heet het land nog de “Geuse Keutel”, wat heel dicht bij mijn naamsverklaring zit.

Vervolgens met enig vloeken en zuchten de kadastrale nummers Haren sectie G (3) 531 en 535 opgezocht op de oudste kadasterkaart bij WatWasWaar. De percelen bleken dichterbij Glimmen te liggen, dan bij Onnen. Omdat de Rijksstraatweg (1828) door de omgeving kwam en ook de spoorlijn Assen – Groningen (1869) met later een uitwaaierend rangeerterrein, was de boel nogal grootschalig op de schop gegaan, ook door secundaire wegomleggingen, ontginningen en ruilverkavelingen overigens. Maar door het kaartbeeld van 1828 te vergelijken met dat van begin twintigste eeuw, en dat weer met de huidige situatie, viel er toch uit te komen.

Dit is de lokatie van de Geuzenkeutel op de kaart van begin twintigste eeuw:

Geplaatst op 2 december 2009 b

De percelen Geuzenkeutel, in fuchsia, lagen in tamelijk geaccidenteerd terrein tussen het Landakkerveen (ook wel Langakkerveen) en Het Veentje (als je het mij vraagt een pingoruïne).

Geprojecteerd op het huidige satellietbeeld blijken de percelen te liggen tegenover het spoorviaduct van Onnen, of, meer precies, tegenover de driesprong van Viaductweg, Dalweg en Gieselgeer:

c

Nog even op de conventionele kaart:

Geplaatst op 2 december 2009 d

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1464 (archief van de familie Quintus) inv. nr. 168. En Toegang 1870 (archief notaris Herman Trip) inv. nr. 93: de veilingacte met nummer 527 van 23 december 1819.


Geuzenkeutel

Geplaatst op 1 december 2009

Ook al zit het stuk uit 1742 in de serie boedelinventarissen van het gerecht Selwerd en Sappemeer, het is eigenlijk helemaal geen boedelinventaris. Eerder is het puur een lijst van onroerende goederen. Deels heeft Willem Pauwels, woonachtig op de boerderij Westerhuis onder Onnen, dat vastgoed twintig jaar eerder geërfd van zijn moeder Jantien Schuiringe. Voor een ander deel is het afkomstig van wijlen zijn vrouw die uit Haren afkomstig was.

Het is een lange lijst, met flink wat veldnamen. Een daarvan springt er uit: de akker bouwland, groot 1 mud, die Willem als nummer 17 op zijn lijst opvoerde onder de naam

“de Guse Keutel”

Wat zou dat nou toch zijn?

Jan Naarding, die in 1953 een artikel over veldnamen van Onnen schreef, en daarbij hevig speculeerde over een Friese oorsprong van dat dorp, noemt de veldnaam niet. Wel kwam hij de Keutelbulten tegen, Die bracht hij in verband met de keuters, de kleine boertjes van het dorp die geen waardeel (aandeel) in de collectieve boermarke hadden en deels als arbeiders in dienst waren van de grote boeren. Keutelbulten, zegt Naarding,

“kan een spottende vervorming zijn van keuterbulten; het slechtste land, door de gewaardeelden niet gebruikt, bleef over voor de keuters!”

Naarding vond de verklaring kennelijk zelf al wat gezocht, en bood daarom tevens een alternatieve aan:

“Maar misschien mogen we ’t eerste lid ook in verband brengen met de talrijke sporen van konijnen op en bij die bulten, hoogten.”

Tot zover Naarding, die er wat mij betreft met zijn tweede verklaring dichterbij zat, dan met zijn eerste. Maar niet dichtbij genoeg.

Het zal intussen volstrekt duidelijk zijn dat “Guse Keutel” de oudste rechten heeft, en dat de naam “Keutelbulten” daar waarschijnlijk van afgeleid is. Maar waar staat Guse Keutel voor?

Over dat keutel kan wat mij betreft geen misverstand bestaan, dat is gewoon een excrement. Om de definitie van het WNT aan te halen:

“…dikwijls hard en gedrongen stuk of eind drek (van menschen); vaste, harde drekbal, drekklomp (van groote dieren); drekklompje, rond of langwerpig-rond drekballetje (van schapen en geiten, kleine knaagdieren, enz.”

Nu zagen de Onnenaren dergelijke voorwerpen afkomstig van schapen, geiten en kleine knaagdieren bijna dagelijks en dat op allerlei plekken. Dat onderscheidde de naar de keutel vernoemde akker niet. Die keutel was dus waarschijnlijk afkomstig van een mens, en dan een bijzonder mens.

Nee, niet iemand met de naam Guus, Want Guzen liepen hier nog niet rond.

Wel doet dat Guse denken aan een meervoudsvorm. En aangezien eu’s in de streektaal vanouds nog wel eens naar een ü verglijden (denk maar aan euro > uro) vermoed ik dat de Onnenaren er ter plaatse ooit door een keutel zijn achtergekomen dat er geuzen hadden gebivakkeerd.

De vernoeming van het akkertje hield de herinnering aan de geuzenkeutel en het bijbehorende verhaal over een vergeefse achtervolging door de Spanjolen nog tot in de achttiende eeuw levend. De naam ging op zich verloren en in de twintigste eeuw wees alleen het relict Keutelbulten er nog op, dat hij ooit had bestaan.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 730, inv. nr. 786 ‘Boedelinventaris van Jantjen Schuiringe’, 1742