Uithangbordenjurisprudentie
Geplaatst op: 23 januari 2012 Hoort bij: Stad toen 1 reactieEen enkele keer kan je op boedelinventarissen uit de 17e en 18e eeuw een uithangbord aantreffen. In zo’n geval weet je dat het bord niet bij het aard- en nagelvaste goed behoorde, dat altijd samen met een pand verkocht werd.
In zijn boekje Stad-Groninger verhalen (1998) schreef Beno Hofman onder andere over een procesje dat ging over de vraag of een bepaald uithangbord wel aard- en nagelvast goed betrof. Het uithangbord in kwestie was van koper, het hing aan de gevel van een boekweitmaalderij in de Carolieweg en er stond de beeltenis van een ton op. De oude eigenaar van het pand vond dit bord kennelijk zo mooi, dat hij het meenam toen hij in 1728 naar elders verhuisde. Het gebeurde wel vaker dat uithangborden meegingen. In dit geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof en hij stapte daarom naar het Nedergericht. Deze instantie stelde hem in het gelijk, waarschijnlijk omdat dit bord “zedert altijdt” aan die winkelpui in de Carolieweg had gehangen, of in elk geval sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.
Een ander rechtszaakje over een uithangbord preludeerde op het merkenrecht. Het diende voor het Volle Gericht, in 1711. Jurrien Reijsiger had bij zijn nieuwe herberg aan de westkant van de A een uithangbord opgehangen met een vergulde jachtwagen, en dat zinde Simon Fockens niet, want die had als herbergier aan de westkant van de A bij de Apoortenboog (A-brug) al véél langer een ‘gouden’ jachtwagen op zijn uithangbord.staan. Fockens eiste dus dat Reijsiger zijn uithangbord zodanig zou veranderen, dat het niet meer leek op het zijne, “opdat daar door in het addres van passagiers, goederen en brieven geen abuis moge werden gecauseert”. Reijsiger van zijn kant vond deze eis maar onzin. Zijn bord verschilde voldoende van het oudere, door de kroon erboven. Ook zag je bij hem onder de beeltenis de herbergnaam, namelijk “De gekroonde Jachtwagen”, terwijl dat bij Fockens niet het geval was. Behalve dat stipte Reijsiger ook nog aan “de verscheijdenheijt van de namen der bewoonders, welcke altoos in de addressen mede werden uijtgedruckt”.
Hoewel het er de schijn van had dat Reijsiger mee wilde liften met de reputatie van het oudere bedrijf, waarvan hij het uithangbord overtreffend copieerde, vonden Burgemeesteren en Raad zijn argumenten toch sterker dan die van Fockens. Reijsiger mocht zijn bord houden en Fockens moest de kosten van het proces betalen. Het zaakje preludeerde dan wel op het merkenrecht, maar dat recht stelde nog bitter weinig voor.

Er is in 300 jaar eigenlijk maar weinig veranderd als het gaat om concurrentieverhoudingen en het al dan niet vermeende recht op eigendom. Wederom een mooi verhaal.