Een verpachting van de tol te Lingenhuizen
Geplaatst op: 11 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 2 reactiesDankzij de onvolprezen krantenbank van de KB, weet ik nu eindelijk hoe het zat met de particuliere tol aan het eind van de Drentsche Laan (of Peizerweg). Enkele nummers van de Groninger Courant die er nu net op staan, bevatten namelijk aankondigingen van de publiek verhuring van “de WONING en het TOLHEK , LINGENHUIZEN genaamd , staande en gelegen buiten Der A-poort, dezer Stad, aan de Drentsche Laan”. Deze veiling, want zo mag je zo’n verhuring bij opbod wel noemen, vond plaats op dinsdagavond 17 februari 1824 in een herberg aan de Grote Markt in de stad. Omdat in zulke veilingaankondigingen altijd de naam staat van de notaris die de veiling organiseerde, weet je ook in welk notarieel archief je het eventuele huurcontract moet zoeken. In dit geval is dat vooral interessant vanwege de pachtprijs en de toltarieven.

Maar eerst iets over Lingenhuizen. In de 17e eeuw heette het nog Lingenhuis enkelvoud, maar in de 18e groeide het tot een meervoud en daarmee waarschijnlijk tot een piepklein buurtschapje. De naam ervan was in de aankondiging en de acte van de veiling synoniem met herberg het Porrenhuis volgens het eerste kadaster. Van de stad uit lag Lingenhuizen aan het eind van de Drentsche Laan (Peizerweg), d.w.z. op de lokatie waar deze linea recta overging in de Zuiderweg naar Hoogkerk. Anders dan tegenwoordig, maakte de Peizerweg hier nog geen flauwe bocht richting Peize. Zowel de Zuiderweg als de Drentsche Laan kwamen op de driesprong uit bij een tolhek, dat je door moest als je naar Peize wilde. Getuige de kadasterkaart – die van Hisgis heb ik aangepast naar de manuscriptkaart – neigde de weg, als je het tolhek doorkwam, eerst naar het Porrenhuis/Lingenhuizen, dat dan het tolhuis geweest moet zijn. De weg naar Peize (en Eelde!) liep daarvandaan eerst naar het oosten, vervolgens naar het zuidoosten, en eindelijk met een haakse bocht naar het zuidwesten, tot het punt waar een bruggetje over het grenssloot met Drenthe lag. De tegenwoordige Peizerweg, waarvan ik het tracé met een stippellijntje op het kaartje heb aangegeven, loopt rechtstreeks naar dat bruggetje, maar dat is de effciënte situatie van na de opheffing van de tol. Want men merke op dat de tol zowel vanuit de richting stad als die van Hoogkerk zo dwingend was, dat je er een omwegje voor moest nemen, als je naar Peize wilde. Afgezien van dat kronkelige, mogelijk boomomzoomde laantje was dit wel verreweg de kortste weg naar Peize. Overigens kan je je daar nog het beste zompige karresporen in een vrij kaal landschap bij voorstellen, te beginnen bij de Ruskevenne, waar nu het transferium ligt.
De tolverhuring van 1824 was op verzoek van de erven Bolt, die in deze omgeving veel vastgoed bezaten, zoals het Fraterland en de beide huizen van de buurtschap Lingenhuizen met het daarbij behorende land. De verhuring gold voor een periode van drie jaar, die inging op 1 mei 1824. Degene die op de veiling het hoogste bod deed, kreeg “alle regten aan het Tolhek verbonden’ en mocht als tolgeld heffen:
“…voor elk Paard en Koe vijf cents, Swijnen en Kalver ieder twee en een half cents en elk schaap Een en een half cent”.
Opmerkelijk is, dat bij deze voorgeschreven tarieven geen sprake is van mensen. Wandelaars zonder beesten behoefden dus geen tol te betalen. Ook wagens waren op zich vrij, maar die werden natuurlijk voortgetrokken door paarden, vallend in het hoogste tarief.
Meteen na de tarieven stipuleerde het contract enkele vrijstellingen van de tol. Artikel 4:
“Alle tijdelijke Participanten in de Ruskevenne zijn gedurende het geheele Jaar vrij van tolgeld.”
Mogelijk hadden de erven Bolt belangen in dit vastgoed meteen over de Drentse grens, dat het noordelijkste puntje van het kerspel Eelde vormde. Zeker is, dat ze hun pachters in het drukste seizoen van het jaar niet het vel over de oren wilden halen, want, artikel 5:
“De huurders van de Hooilanden behorend tot de nalatenschap van wijlen Mejuffrouw de weduwe Jacob Bolt, en liggende ten zuiden of ten noorden [van ] de Drentsche Laan, zullen gedurende het vervoeren van het Hooi van die landen vrij zijn van Tolgeld, doch verder niet.”
“De Huurder van het Tolhek zal geen Paarden noch wagens by zich te laten overnagten”, aldus artikel 6. Waarschijnlijk zette dit een rem op de groei van het Porrenhuis/Lingenhuizen als herberg. Verder bepaalde dit artikel dat de huurder de weg onberispelijk moest onderhouden vanaf “het hek de Lingenhuizen en zoo door het tolhek tot over de beide Bruggen”, waarmee dan de bruggen over de erfsloot en de Drentse grenssloot bedoeld zullen zijn, want die over het Eelderdiep/de Avingesloot lag immers geheel op Drents territoir.
De huurder mocht zijn jaar huur in twee termijnen betalen, op 1 augustus en op 1 november, wat duidelijk aangeeft wanneer het ’t drukste seizoen was: voorafgaand aan deze data. ’s Winters kon je hier ook nauwelijks langs, vanwege algehele drassigheid.
De hoogste bieder bij de veiling was, na een schriftelijke ronde en een mondelinge met meerdere “opbotten”, ene Pieter Kok. Op dat moment woonde deze koopmansknecht nog aan het Zuiderdiep in de stad. Hij had de kastelein van de Grote Sociëteit in huis Panser aan de Grote Markt oostzijde als borg. Kok bood een pacht van ƒ 330,40. Exclusief recht van tol deed het Porrenhuis volgens een verpondingskohier uit 1806 aan huur 50 per jaar. Kok verwachtte dus minstens 280 gulden aan tol te beuren. Dat waren toch duizenden landbouwdieren in het drukste seizoen.
Bronnen:
– Groninger Courant 3, 10 en 17 februari 1824
– RHC Gronuinger Archieven, toegang 1871 (notarissen Groningen standplaats 22 ), inv. nr. 77, de acte door Willem Jan Quintus van 1824 nummer 64, op de veilingdatum..
De man achter Vredewoldius
Geplaatst op: 9 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 5 reactiesHet raadsel wie er achter het pseudoniem Vredewoldius zat, is opgelost.
Ik vertelde collega Geert Braam vanmiddag over Vredewoldius’ stukje over de Pinkstermarkt van Leek, en dat daarin de dansmeester Jan Randel figureerde.
Kwam een deel van de info in dat stukje mij al een beetje bekend voor, omdat ik wel eens een logje over Jan Randel zijn Zeuvenhuuster dans geschreven heb, de echte Randel-kenner Geert deed wat ik over het stuk vertelde sterk denken aan een passage in het boek van meester Cornelis Reijntjes over Zevenhuizen.
Op Alle Groningers vond ik vervolgens aanwijzingen dat Vredewoldius het pseudoniem van meester Reijntjes was. Net als Vredewoldius kwam Cornelis Reijntjes uit Hoogkerk, waar zijn vader kastelein was, zoals blijkt uit de huwelijksacte van 1874, toen Reijntjes zelf al werkte als hoofdonderwijzer in Zevenhuizen. Daar in Zevenhuizen zou hij in het najaar van 1915 overlijden. Niet alleen komen Hoogkerk en de omgeving van Zevenhuizen vrij prominent voor in de Nieuwsblad-serie van Vredewoldius, ook wordt die serie vlak voor het overlijden van Reijntjes afgesloten.
Definitief uitsluitsel kreeg ik door dit bericht in het NvhN over Reijntjes’ overlijden:
“Uit Zevenhuizen bericht men ons, dat de heer C. Reijntjes, oud-hoofd der school aldaar, overleden is. Als mensch en ambtenaar herdenkt een zijner vrienden hem in dit blad; wij willen daaraan nog een enkel woord toevoegen en hem herdenken als een onzer oudste medewerkers. Niet alleen is hij jaren lang correspondent van ons blad geweest, maar ook verscheen van zijne hand een reeks van schetsen uit Vredewold. later uitgestrekt tot de omgeving, waarin hij niet alleen zijn groote kennis der lokale historie toonde, maar tevens de cultuurgeschiedenis dezer streek beschreef als iemand, die daarvan meer dan een halve eeuw getuige is geweest. Hij heeft aan den vooruitgang van het Zuidelijk deel van het Westerkwartier een zeer groot aandeel gehad, er voor gewerkt op velerlei wijzen, en niet het minst met de pen. Zijn nagedachtenis blijft.”
(De cursivering is van mij.) Het In memoriam door zijn vriend, dat ter sprake komt, meldt dat Reijntjes even voor zijn dood om zijn ontslag vroeg. “Hij streed voor betere wegen en vaarten”, zegt die vriend, en: “Hij leidde het landbouwbedrijf in nieuwe banen”. Inderdaad belangrijke onderwerpen in de serie door Vredewoldius!
Intussen heb ik nu 32 van de 56 stukken in diens serie gevonden. Eens kijken of er een becommentarieerde bronnenuitgave in zit. Sommige stukken zijn een beetje cliché, maar er zitten ook juweeltjes tussen, en dan doel ik vooral op de stukken waarin Vredewoldius/Reijntjes zijn eigen herinneringen heeft verwerkt.
Nieuwsblad nu compleet op internet
Geplaatst op: 8 mei 2012 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis, Media Een reactie plaatsenGoed nieuws. Zonder veel ruchtbaarheid is de KB Krantenbank aangevuld. In elk geval staan er vandaag opeens jaargangen van het Nieuwsblad van het Noorden op, die er tot nu toe aan ontbraken, zoals 1888-1910, 1954-1956 en 1965-1967. Daarmee lijkt het Nieuwsblad nu helemaal compleet op internet te staan. De leggers van 1888 tot 1968 dus bij de KB, die van 1968 tot 2002 bij de Krant van Toen.
Een hoeraatje waard: Hoera!
Zo, en nu gauw verder sneupen.
Naschrift, uurtje later:
Blijkt er toch nog een aantal jaargangen te ontbreken. In elk geval uit de jaren 1890. Nou ja.
Boekweitcultuur bedierf meidagen
Geplaatst op: 7 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Maar — zooals we zeiden — men was toen in de periode van de boekweitcultuur. In het voorjaar werd de veenbodem losgehakt en nadat die droog was, gebrand in het begin van Mei, liefst bij eenigen wind. Dit veroorzaakte den bekenden veenrook, die ook nu nog voorkomt en die vele van onze schoone Meidagen bederft, al is die dan ook niet zoo erg meer als vroeger, toen het wel eens gebeurde, dat men vanwege al dien damp en smook zijn buurmans huis niet kon zien.”
Bron: Vredewoldius, Uit Vredewold en omgeving XLV, Nieuwsblad van het Noorden 28 maart 1914
Beelden van literair café AaBC 1977-1979
Geplaatst op: 6 mei 2012 Hoort bij: Stad toen 6 reactiesBruine schrootjes, dikke rook, langharige snorrebaarden, bloedmooie vrouwen en ironische dichters. Buddy Hermans filmde literair café AaBC in zijn beginjaren, toen het nog in een krot aan de Reitemakersrijge zat (1977-1979). Met onder meer opnamen van Cees Buddingh, Hans Dorrestijn, Levi Weemoedt, Rob Engelsman, Jan Kal, Herman Finkers, Drs. P., Driek van Wissen en Willem Wilmink. Voila.
Retour Uithuizen
Geplaatst op: 5 mei 2012 Hoort bij: Ommelanden 8 reactiesDe Liefde, zo heet de molen van Uithuizen:

Ik was er vanmiddag even om het kersverse boek Groninger molenhistorie op te halen bij de auteur, die hier vrijwillig molenaar is. Hij gaf me meteen een rondleiding. Zo kwamen we langs de waaierkast, waarin het kaf van het koren werd geblazen:

En langs ingenieuze takelsystemen, die ook weer op gang werden geholpen door de wieken, spillen en raden bovenin:

Nog bedankt voor je uitleg, Bob!

Ik ging naar Uithuizen per trein, maar had de fiets bij me om me vanaf Uithuizen met de wind in de rug naar de stad af te laten zeilen. Het kerkje van Eppenhuizen:

Doorkruist aardappelland bij de Kantsterweg:

Zeven zusters aan de oprijlaan van Ewsum, bij Middelstum:

Een roestig tilletje bij Fraamklap dat me nooit eerder opviel:

Café Tuitman in Fraamklap is weer open. De zoon en de schoondochter van de vorige eigenares, die drie jaar geleden overleed, hebben besloten om de zaak voort te zetten. Dit is het wapen achter de toog:

Binnendoor over Ter Laan naar Bedum. Heel in de verte lag een koolzaadveld en daarachter weer Onderdendam. Door de extreme zoom ontstond een schilderachtig effect:

Gehalveerd contragewicht (melkbus met beton) aan damhek:

De toren van Zuidwolde:

Het klooster te Essen vlak voor zijn sluiting
Geplaatst op: 3 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis 13 reacties
Een schetsje van het klooster te Essen in 1568, het eerste jaar van de de Tachtigjarige Oorlog. Het grondplan, met een zich naar twee kanten toe vertakkende weg rond een gracht, lijkt wel zo’n beetje te kloppen. Van de gebouwen weten we zo goed als niets, maar ze worden voorgesteld als vrij laag. Toch ligt hier roofgoed, vandaar de versterkingen rond het klooster tegen plunderende geuzen en misschien ook wel muitende soldaten. Die verdedigingswerken vormen strategische informatie, evenals de brug over het Schuiten- of Winschoterdiep achter het klooster, en het hoornwerk aan de overkant van het diep.
Deze tot nu toe onopgemerkt gebleven schets mag nu eens met recht uniek heten, want het is werkelijk de enige tekening die we hebben van het klooster Yesse in zijn geheel. Ze is te vinden op een militaire kaart van Groningen, die verder niet super precies is en die deel uitmaakt van de atlas van Pierre le Poivre. Deze atlas geeft een beeld van militaire gebeurtenissen uit de periode 1560-1620. Onlangs heeft de Koninlijke Bibliotheek van Brussel hem integraal op internet gezet. Nieuwsgierig? Ziehier–
De navigatie ging mij eerst eerst wel wat moeizaam af. Bladeren doe je hetzij via de pijltjestoetsen vlak boven hetzij via de schuif onder de thumbnails. Na het opplussen van en inzoomen op een kaart kan je eroverheen navigeren met het groene vierkant linksboven of het handje onderin links. De kaart met het klooster Essen erop is de rechterpagina op scan nummer 13. Ook de scans 14 en 15 betreffen de stad Groningen en omgeving. Ze laten onder meer de dwangburcht zien, die Alva in 1569 voor de Herepoort liet bouwen.
Meer over Essen op dit weblog:
- Het veldnamenlandschap van Essen
- Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij
Het Oude Gat, een moeras bij Hoogkerk
Geplaatst op: 2 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Veldnamen 1 reactie
“Het dorp zelf was niet veel”, schrijft Vredewoldius anno 1915 over het Hoogkerk van ruim een halve eeuw eerder. De scribent, zelf waarschijnlijk uit Hoogkerk afkomstig, legt dan uit dat het dorp zich indertijd aan de oostkant uitstrekte “tot ongeveer aan den hoek, waar de weg naar Groningen ombuigt”. Die hoek ligt er in onze tijd nog steeds, het is de rare knik in het Hoendiep tussen de Boeiersingel aan de zuidzijde en UT Delfiaweg aan de noordkant. Volgens Vredewoldius heerste medio 19e eeuw bij deze knik een behoorlijk zompige toestand:
“Dicht bij dien hoek was toen — en ook nog in veel later tijd — een soort moeras, bekend onder den naam „Het oude Gat”, De bodem daarvan was zoo week en los, dat men er met gemak een lat van 24 voet tot het einde met de hand kon indrukken.”
Tot een diepte van maar liefst 7 meter was de grond hier dus onvast. Vredewoldius dacht dat hier ooit een dijkdoorbraak had plaatsgevonden, maar dat lijkt me onjuist. Kolken, ontstaan door dijkboorbraken, bleven gewoonlijk open water doordat de grond er met enorme kracht en relatief diep weggespoeld was.
Als plausibeler komt het me voor, dat dit moeras te maken had met de loop van het oude Eelderdiep. Jan van den Broek deed in zijn proefschrift de suggestie, dat de knik in het Hoendiep hier ligt op een stukje tracé van het oude Eelderdiep. Dat riviertje liep in de 13e eeuw waarschijnlijk nog langs de oostkant van Bangeweer, daar waar je nu een vijverpartij en de Ruskeveense plas hebt. Vanaf de Hoogkerker kant van de knik zette het zich waarschijnlijk al vrij vroeg voort in het Kliefdiep, dat dan als een kanalisering van het oude Eelderdiep is te beschouwen,
Dat het Eelderdiep ten zuidoosten van Hoogkerk totaal niet meer in het landschap herkenbaar is, komt in de eerste plaats door een ontwikkeling die enige jaren na 1313 plaatsvond. Pal op de grens van de Ommelanden en Drenthe werd toen de Avingesloot gegraven, waardoor het water van het oude Eelderdiep in westelijke richting werd omgebogen en afgeleid naar het Peizerdiep. Aan de ene kant ontlastte de Avingesloot het gebied ten zuidoosten van Hoogkerk van heel veel Eelderdieps water, aan de andere kant vergrootte ze ook het debiet van het Peizerdiep, waardoor de doorstroming daarvan verbeterde. Bij de Avingesloot vergaderden voortaan de Drentse en Ommelander kerspelen van het Aduarderzijlvest over waterstaatszaken. Dat gebeurde jaarlijks op de eerste zondag na Sint Walburg (1 mei).
Terug naar het Oude Gat. Van het verdwenen oude Eelderdiep ten oosten van Bangeweer laat zich de loop reconstrueren, door op de oudste kadasterkaarten van ca. 1825 allerlei kromme afwijkinkjes in de percelen te volgen (zie bovenstaand kaartje). In het zuidelijke deel van zijn stroomgebied hier, waaierde het Eelderdiepje waarschijnlijk breed uit, zich opsplitsend in meerdere kleine stroompjes, Naar het noorden toe, bij de latere knik in het Hoendiep, lijkt er echter sprake te zijn geweest van een versmalling en verdieping. Bij een groot aanbod van bovenwater, moet het riviertje bij deze trechter regelmatig buiten zijn oevers zijn getreden. Wellicht dat daar de drassige toestand van het Oude Gat mee te maken had. Door de overstromingen bleven er wellicht veel meegevoerde stukjes darg en veen op de lagere gronden liggen, wat dan op den duur tot dat moeras kan hebben geleid.
—
Litteratuur: Jan van den Broek, Een stad apart, hoofdstuk 2, en dan vooral pag. 242-249.

Recente reacties