Bouseman, boesman, Buzeman
Geplaatst op: 3 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 12 reacties
Citaat uit De Pilaren ende Peerlen van Groningen, een werk van Bernhard Alting dat voor het eerst in 1648 verscheen. Alting, die het Groningse stapelrecht verdedigde, vertelt hier dat de angst voor de Olderman van het Stapelrecht – dat was de handhaver van dat stadsrecht – in de Ommelanden dermate afnam, dat men hem er hield voor een “bouseman of bulleback”, die meer blies dan beet.
Wat intrigeert is dat “bouseman”. Het WNT heeft het niet als apart lemma, in wat voor spelling dan ook, maar het vermeldt de term wel als boesman onder boezen voor kloppen of slaan, en verwijst verder naar boeman en een Overijssels equivalent, te weten boezekerel.
Bouseman, boes(e)man en boesekerel voor een kinderschrik die door volwassenen niet al te serieus wordt genomen, zijn volgens mij in het Groninges van de 19e en 20e eeuw niet (zo) bekend. In de noordelijke streektaal lijkt de functie vooral over te zijn gegaan op de term boesjeude die we op diverse woordenlijstjes (1, 2) en ook in volksverhalen (1, 2) terugvinden.
Voor 1700 had je heel weinig joden in Stad & Lande. Als het bang kunnen maken van kinderen met een jood een zekere mate van bekendheid met joden veronderstelt, dan zal dat bouseman van Alting in de loop van de 18e of zelfs de 19e eeuw verdrongen zijn door boesjeude.
In Groningerland heb je wel nog steeds de typisch Groninger families Buseman en Buzeman. Voor zover ik weet komt die naam oorspronkelijk uit Oost-Friesland, en drong ze na 1750 (definitief) door in het Wold-Oldambt (de regio Winschoten). Op Alle Groningers vond ik verder een eerste Bouseman anno 1723 te Oostwold en een eerste Boeseman in 1715 te Uithuizermeeden. Misschien hebben die namen met iets anders te maken, maar dan nog kan je het gegeven dat een familie zo’n naam aanhield, niet los zien van het feit dat de vreesaanjagende connotatie in vergetelheid raakte. Want wie wil er nou een bullebak of kinderschrik heten?

De naam Bulle is dan meen ik wel weer Oost-Gronings.
Mijn stiefvader heette Boesjes, die naam komt in Drenthe voor, ook verwant misschien?
Ik zou het niet weten. Die naam kwam trouwens ook in de stad (Oosterpoort) voor.
Ha,ha, Ik werd als klein kind gewaarschuwd voor de ‘boezejeude’ als ik mij niet wilde gedragen.
Nu is mij duidelijk waar die term vandaan komt. Is Bousma of Bousema wellicht een afgeleide?
Misschien.
Zou de Boeman een verkorte versie zijn geworden? En Alting is dus ook een heel oude Groningse naam
Boeman komt – denk ik – van het onverwacht en luid roepen van boe!, om kleine kinderens schrik aan te jagen.
In de jaren zeventig en tachtig (en mogelijk ook nog wel daarna) had je in Veendam een niet geheel onbekende meester/lagere schoolhoofd met de naam Buseman!
In de prachtige en (hier en daar zeer herkenbare) roman ‘De avonturen van Hillebillie Veen’ van Nanne Tepper, figureert heel kort een schoolmeester die op deze man lijkt te zijn gebaseerd: meester Tietjeman. In het verhaal slaat het schoolhoofd zesdeklasser Hille Veen op de gang in diens maag (maar zijn ouders geloven hem niet)!
Een geniepige boeskerel dus. Overigens jammer dat Tepper droog staat sinds zijn verhuizing naar Amsterdam.
Nou, nee – de vriendelijkheid ten top, de naam kennelijk ten spijt. (Heb ook bij hem in de klas gezeten.)
Nanne Tepper woont tegenwoordig weer in Groningen en schrijft af en toe een column in het PrimeTime Magazine, het (onregelmatig) tweewekelijks verschijnende periodiek van platenzaak Elpee Groningen.
Op de site van uitgeverij Querido staat al een tijd dat Nanne Tepper aan een nieuwe roman werkt.
Wat dacht je van de kinderschrik Boes-Ap? In mijn lagere schooltijd 1954-1960 werden klasgenootjes gewaarschuwd dat ze niet naast kermis- of schipperskinderen mochten zitten, die soms voor een paar dagen, soms de winter lang onze school bezochten. Lang niet begrepen waarom, maar de oplossing kwam via het intypen van Burgerlijke Standgegevens over overlijdens voor Genlias. In diverse aan vaarwegen gelegen gemeenten kon je het spoor volgen van een besmettelijke kinderziekte. Als voorbeeld Hoogkerk. Eerst stierven er 1 a 2 kindertjes in Vierverlaten, dan een paar in Hoogkerk en als laatsten dan nog in Kostverloren.Evenzo kon kindersterfte een spoor trekken van Dorkwerd via Hoogkerk of vice versa. Als je dan in dezelfd periode in een buurgemeente keek, zag je daar eenzelfde patroon. Ik heb dit ook in de gemeente Scheemda gezien. Rondtrekkende groepen, zoals heel vroeger de joden, later de kermisgangers en schippers verbleven slechts kort in een dorp. Heerste daar een besmettelijke ziekte, dan kon een kind besmet raken en pas in het volgende dorp of het dorp daarna ziekteverschijnselen vertonen, maar de besmetting was dan al geschied. Zoiets blijft lang in de herinnering hangen, zie mijn schoolperiode. Dat er ook kinderen besmet waren geraakt, die gewoon bij een familiebezoek de bijv. mazelen of bof hadden opgelopen, werd vaak vergeten, maar zo’n spoor van zieke kinderen in een dorp viel altijd op.