Havelter eiken en de turftheorie
Geplaatst op: 18 november 2012 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsen
Twyffelt iemand of zig veenstoffe zoude zetten over op den grond liggende boomen, hy gaa naar het reeds gemelde Havelthe in Drenth. Daar liggen verscheide eiken stammen op den grond, die ter dikte van één voet of meer met eene viltagtige veenige korst overdekt zyn; egter hadden dezelve daar niet boven de 40 à 50 jaar gelegen, ja verscheidene oude lieden hadden aan den Drentschen Landmeter L. Grevelink, uit wiens mond ik deeze waarneming hebbe, verzeekert veele derzelver nog op stam staande, gekent te hebben.
In zijn Vertoog over de veenen (Verhandelingen Pro Excolendo IV-1, 199-346) huldigt A.J. de Sitter, oud-rentmeester der Stad-Groninger venen, de nieuwe opvatting dat veen langzaam aangegroeid is. Daarmee bestrijdt hij de indertijd (1796) nog vrij gangbare theorie dat het veen ooit door een buitengewone storm, met onderliggende bomen en al, vanuit Noorwegen over zee was komen aandrijven. In dit kader noemt hij meermalen Havelte. Aan de ene kant (pag. 260) lagen daar eiken op de grond, die in een kleine halve eeuw met minstens 30 centimeter mos overgroeid waren geraakt, aan de andere kant (pag. 247) had je daar stervende eiken die alleen nog maar takkenstompen hadden, terwijl je bij aangepoelde bomen ook kleinere takken en bladeren zou verwachten:
…men gaa naar het naburìg Havelte in het Landschap Drenthe, aldaar vindt men veele schoone en zwaare eikenboomen, doch die onverkoopbaar zyn geweest om de verafgelegenheid van het Water; deeze boomen eindelyk stervende, is niets overgebleeven, dan de opgaande stam met de korte einden der takken…
Jammer dat de exacte lokatie van dit stervende eikenbos onbekend bleef. Overigens noemt De Sitter nog wel meer merkwaardigheden, zoals (op pag. 232/232) een vuistbijl, die aangetroffen was onder het veen in het oosten van Stad en Lande:
Dus is my zelven voor ettelyke jaaren in de Pekel geworden eene steene beitel, naar het zeggen der arbeiders op het zand gevonden, van dat zoort van steenen, die men dondersteenen noemt, zijnde ruim ¾ voet lang; deeze is door my vereerd aan den wydberoemden Van Doeveren, in wiens uitmuntende verzameling dezelve nog bewaard wordt.
Zou die steen er nog zijn, vraag je je dan af. Zo ja, in Leiden, want de universiteit aldaar kocht na Van Doeverens dood (1783) diens kabinet met delfstoffen en preparaten.
Onder het hoogveen, op het onderliggende zand, aldus De Sitter, was nog nooit wat gevonden dat wees op de aanwezigheid van de zee aldaar, zoals zeewier, schelpen, visgraten etc., “wat hier van de ligt gelovende Piccard beuzelen mag”.

Recente reacties