Het drama van de Salamander

In het stuk over de Salamander schreef ik, dat deze zaak in gummiwaren en aanverwante artikelen van 1943 tot 1946 helemaal niet meer adverteerde. Ook merkte ik op dat haar telefoonnummer na de oorlog veranderde, zodat ze waarschijnlijk een andere eigenaar kreeg.

Een en ander had een reden, zo bleek uit de Salamander-dossiers bij het Handelsregister.

In 1932 had Dago Wallage, geboren 1907, de zaak overgenomen van de eerste eigenaar en oprichter. Vanaf 1937 woonde Wallage ook definitief op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In augustus 1943 stelde het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart een bewindvoerder aan, op basis van een “Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven”. Deze bewindvoerder was de Omnia Treuhand Gesellschaft mbH, die opdracht kreeg de zaak te liquideren. Het Departement van Handel deed dat niet uit zichzelf, maar na een briefje van het Reichskommissariat. Dat episteltje, uit juni 1943, is nog aanwezig:

2013-01-13 062

Dago Wallage, zijn vrouw Martha van Coevorden en hun drie kinderen waren op dat moment al dood. Martha en de drie kinderen werden op 14 januari 1943 in Auschwitz vergast, hun echtgenoot en vader kwam er enkele maanden later om, op 30 april.

Enkele maanden na de Bevrijding, op 15 augustus 1945, stelde het Militair Gezag een nieuwe bewindvoerder aan, een kandidaat-notaris aan de Kraneweg. Deze verhuurde het pand aan de Grote Kromme Elleboog op 1 december 1945. Gezien hun joods aandoende namen waren de huurders mogelijk verre verwanten van het gezin Wallage. Zij konden het bedrijf in 1951 volledig overnemen en hebben de zaak nog tot 1965 voortgezet.

Bron: RHC Groninger Archieven, Handelsregister Groningen (toegang 1972), de inventarisnummers 2007397 en 2019364.


Hanebijtersgang II

SDAP affiche haan

De naamsverklaring die ik voor de Hanebijtersgang heb, is nog steeds niet positief bewezen. Riddering herinnerde zich in 1933 dat er in de omgeving op de stadswallen hanegevechten plaatsvonden, en ik bracht die in verband met het van oudsher overgeleverde toponiem Hanebijtersgang. Dat er 1761 elders in de stad een “Sociëteit van de Hanebijterie” was, die hanegevechten organiseerde, vormde er een sterke aanwijzing voor dat de naam Hanebijtersgang te maken had met de hanegevechten op de achterliggende wal.

Zoals ik al schreef ligt de Ubbo Emmiusstraat, tussen het Zuiderdiep en zeg maar het Groninger Museum, tegenwoordig op de plek van de Hanebijtersgang. De naam Ubbo Emmiusstraat, ontdekte ik van de week, volgde echter niet rechtsstreeks op die van Hanebijtersgang. Er zat nog een naam tussen, te weten die van Zuidersingelstraat. Omdat de Zuidersingel inmiddels Ubbo Emmiussingel heette, en hun straat nu ook mooi opgeknapt was, vroegen de bewoners van de Zuidersingelstraat in 1929 of hun straat voortaan Ubbo Emmiusstraat mocht gaan heten. En dat vond het stadsbestuur goed, en de gemeenteraad ook, zodat de bewoners hun zin kregen en feest vierden.

A propos:: feest. Zeven jaar eerder, in 1922, deden dezelfde bewoners van de Zuidersingelstraat op hun manier mee aan het 250-jarige jubileum van het Gronings Ontzet. In de krant staat dan:

“Gedurende de a.s. herdenkingsdagen zal het deel der Zuidersingelstraat dat vroeger Hanebijtersgang heette, dezen naam weer dragen.”

Ter gelegenheid van deze buitengewoon heugelijke editie van Bommen Berend bouwde de bewonerscommissie bij het noordelijke uiteind van de Zuidersingelstraat een ereboeg. Aan de Zuiderdiepkant daarvan kwam er een “transparant” op de boog met de straatnaam Hanebijtersgang,

“…alsmede een door den’ heer Spoelstra vervaardigde schildering van een hanentoumooi.”

In de Beeldbank Groningen zit een foto van de bewuste ereboog. De foto is ter plaatse van het transparant wat vaag, en Spoelstra’s evocatie van een hanentoernooi lijkt wat aan de brave kant. Maar de artistieke kwaliteit, daar gaat het hier niet om.  Wat telt is, dat de bewoners van 1922 de voormalige Hanebijtersgang in verband brachten met hanengevechten. Als Riddering zich die gevechten in 1933 nog herinnerde, dan zullen zij dat ook hebben gedaan. Uit die nog levende herinnering kwam de magere evocatie voort.


Gummiwaren. Niet goed, geld terug!

1942 de Salamander 1942

Ik denk niet dat veel jongeren deze advertentie uit 1942 meteen zullen doorgronden en het is dat mij nog een verhaal bijstond van Jaap van Nieveld, die in de buurt van deze onderneming opgroeide, anders had ik er ook niet zo gauw bij stilgestaan. Met de “hygiënische artikelen” en “gummiwaren” bedoelde de adverteerder vooral condooms, ook wel kapotjes of sluifjes geheten, maar dergelijke rechtstreekse benamingen gaven absoluut nog geen pas in de krant (in dit geval het Nieuwsblad van het Noorden), vandaar de versluiering.

Hoe verhullend het taalgebruik ook was, ik denk niet dat een christelijke, laat staan katholieke krant een dergelijke advertentie opnam. Toen ik in de krantenbank van de KB echter de behoorlijk onderscheidende combinatie Salamander + Elleboog door de kolommen van het NvhN haalde,  kwamen er van 1927 tot en met 1976 maar liefst 3662 meldingen tevoorschijn.

Het Nieuwsblad had dus best een goeie klant aan De Salamander. Vooral in de jaren rond 1930 was dat het geval, toen De Salamander bijna dagelijks in deze krant adverteerde. Naderhand nam de frequentie zienderogen af tot hooguit enkele tientalen keren per jaar rond 1940, waarna er van 1943 tot 1946 helemaal niet meer geadverteerd werd en van 1946 tot 1974 weer hooguit eenmaal per week. De enorme afname tot de oorlog en de bescheiden frequenties sindsdien zullen samenhangen met de inmiddels  opgebouwde naamsbekendheid. De eigenaar van De Salamander vond het minder nodig om nog aan de weg te timmeren.

Wat me ook frappeerde, is dat de zaak al zo oud was. De Salamander vestigde zich begin november 1927 op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In eerste instantie leek er sprake van een soort Groene Kruis- of zorgdepot:

1927 a Salamander 7.11.1927 vestigingsadv.

Bij een wat breder uitmeten van het assortiment, een anderhalve week later, was er echter sprake van “vrouwendouches” en “bustepillen”, zodat het volwassen publiek al een enigszins beter begrip van de handel kon krijgen:

1927 b Salamander 19.11.1927

Eind 1927 adverteerde De Salamander met middelen tegen “geheime ziekten”, nader gespecificeerd als “urinekwalen” en “vrouwenziekten”, waarbij het een groot deel van de lezers toch echt duidelijk geweest moet zijn, dat de adverteerder geslachtsziekten bedoelde:

1927 c Salamander 27.12.1927

Van het verhaal van Jaap van Nieveld wist ik nog, dat er in de buurt nog enige prostitutie bestond, waar De Salamander zijn klandizie voornamelijk aan dankte. Neemt niet weg dat de advertenties pas na verloop van tijd de core business noemden. Deze is uit 1932:

1932 Salamander 16.9.1932

Sprak de eigenaar hier heren aan, hij had wel degelijk ook dames op het oog (1935):

1935 Gummiwaren de Salamander 1935

De Salamander ging in de oorlog met een telefoonnummer adverteren. Na de oorlog veranderde dat nummer en zal een andere eigenaar op gekomen zijn. Iemand die het, afgaande op dat nummer, tientallen jaren heeft volgehouden. Hij legde er tot diep in de jaren zestig de nadruk op, dat het kopen van gummiwaren een zaak van goed vertrouwen was. Een voorbeeldje uit 1952:

1952 Salamander 19.2.1952

Ook bracht hij de inmiddels opgebouwde goodwill van De Salamander in stelling. De gummiwaren moesten indertijd nog van onze verre bondgenoot komen (1954):

1954 Salamander 12.5.1954

De eigenaar deed medio jaren zestig een poging om ’t vertrouwen nog een impuls te geven, door te vermelden dat al zijn gummiwaren electronisch waren getest:

1966 Salamander 24.11.1966

In maart 1967 verscheen in de advertenties een tekeningetje van het ideale gezin met, naast pa en moe, een jongen en een meisje (de zogenaamde rijkeluiswens). Tegelijkertijd werd  het woordje vertrouwen weggelaten:

1967 Salamander 1967 17.3.1967

Het doel  van de gummiwaren verschoof hiermee van voorkoming van geslachtsziekten naar geboortebeperking,  zoals in 1970 uitdrukkelijk bleek:

1970 Salamander 223.10.1970

Kortom, er verdween een taboe. Ook ‘gewone mensen’ gingen condooms gebruiken. Maar omdat de gummiwaren –  inmiddels tevens van Europese makelij – wat betreft de nieuwe focus een grote concurrentie ondervonden van de anti-conceptiepil etc., en ze onderhand trouwens ook gewoon boven de toonbank te koop waren bij de erkende drogisterij en uit automaten, ging het bergafwaarts met De Salamander.

Eind 1974 kreeg de zaak weer een nieuw telefoonnummer. Ze werd omgevormd tot een “sex-boutiek” eerst, naderhand een “sexfilmclub” met parenavonden (1975) en uiteindelijk een “strikt besloten huis” (1976). Dat bordeel kreeg, mogelijk vanwege de ongewenste associaties die de term salamander gaf, weliswaar een andere naam – Club Pussy Cat – maar die sloot in 1978 de deur. De inmiddels gevestigde horeca-functie bleef echter berusten op het adres, waar sindsdien respectievelijk café-chantant De Babbelaar (1978-1979), bar The Wish (1980-1982), het kunstenaarscafé De Verbeelding (1983-1987) en café Mulder (1987?-nu) hebben gezeten.

Vervolg


Breister, vaandels, jenever en accordeons

De laatste tijd neem ik karrevrachten kranten door, voor gegevens omtrent bepaalde personen. Naast de redactionele kolommen komt er ook nog wel eens een aardige advertentie voorbij.

Zoals deze uit 1910 van een winkel in tricotage-artikelen. Je staat er niet bij stil, maar er waren toen al breimachines voor huiselijk gebruik:

1910 Kuipers Nieuwe Ebbinge breimachine 1910

In de stad Groninger had je in die tijd de keus uit meerdere ateliers waar je vaandels kon laten ontwerpen en borduren. Meier in de Gelkingestraat was er één van:

1910 vaandelfabriek Meier gelkingestraat

De reclame-tekenaar van Van Calcar, de jeneverstokerij uit Hoogezand, nam de letters van zijn tijd:

1928 Van Calcar jenever Sappemeer

En in 1940 adverteerde muziekhandel Hemmes in de Steentilstraat zo met zijn core-business:

1940 Hemmes 30.8.1940

De zaak was toen nog van de vader van de bekende platenhandelaar Roel Hemmes. De zoon, die er tien jaar geleden mee ophield, zette vanaf ongeveer 1960 jazz en pop naast het Nederlandstalige platen-assortiment..


‘Gedenksteen in den Coehoornsingel’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vond bij toeval een krantenstukje over deze gevelsteen op de hoek van de Coehoornsingel en de Ubbo Emmiusstraat, nu in een stuk nieuwbouw van de gemeentelijke dienst RO/EZ. Oorspronkelijk zat hij ter plaatse ingemetseld in de boekhandel Cloetingh, waar in april ’45 een aangeschoten Canadese tank op inreed. De steen dateert van anderhalf jaar later:

“Zooals bekend, is men eenigen tyd geleden begonnen met den herbouw van Cloetingh’s Boekhandel in den Coehoornsingel, het eerste zakenpand, dat In Groningen herbouwd wordt. Ter herdenking aan de verwoesting in April 1945 werd hedenmorgen een gedenksteen in den muur van het pand gemetseld, met daarachter een oorkonde in een looden buis. Deze steen is aangeboden door de gezamenlijke bedrijven, die aan dien herbouw van de zaak meewerken, zooals de architect, de aannemer, het technisch-bureau etc. en stelt het pand voor zooals het er na de verwoesting uitzag, met de tank, die er toen stond er op. De inmetseling geschiedde door de echtgenoote van den eigenaar, mevr. T. H. Wever—Holle, in tegenwoordigheid van geheele personeel.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 9 november 1946.


Een incompleet liedje

Een lezeres benaderde me vandaag met het verzoek of ik haar helpen kon. In haar jeugd had ze een liedje geleerd, waarvan ze zich nog twee coupletten kon herinneren. Maar ze wilde graag ook de rest er weer bij hebben. Ze had overal zitten zoeken en googelen, maar zonder resultaat. Of ik de coupletten die ze nog wel wist op mijn weblog wilde plaatsen, met de vraag aan de lezers, of zij zich misschien nog de rest herinneren.

Bij deze – de nog wel gekende coupletten luiden als volgt:

Dou’k nog te schoule ging
‘k waas nog zo’n lutje ding
Ik haar een schoetje veur
Dat was zo’n rooie kleur

Doar kwam mien vrijer oan
Hai zag mie hail nait stoan
Hai luip mie stoef veurbie
Ik docht “Verrek om mie”.

In gezelschap van volwassenen werd de laatste regel gekuist tot “Vergoa om mie”. Het liedje dateert in elk geval van voor 1960.

Dus: wie kent het?


Sanoma, zak eens lekker de grond in

Zo, alle foto’s van de jaren 2005 en 2006 van Gelkinghe gesaved. Voor 2005 zijn dat er 241 en voor 2006 zijn dat er een 507. Nu nog de jaren 2007 tot en met 2011, te begroten op een 2500 stuks, dus 3 à 4 maal zoveel als ik nu gedaan heb.

De operatie acht ik noodzakelijk omdat Sanoma per 1 maart de stekker trekt uit Weblog, voorheen Web-log of Webstreepjelog, de host van Gelkinghe. Dit na anderhalf jaar ellende, waarin Weblog, inclusief Gelkinghe, meer uit, dan in de lucht was. Kwestie van een totaal verpunkte migratie, die Sanoma/Weblog zelf van te voren heel luchtigjes opvatte, maar die meteen finaal uit de klauw gierde, deels omdat Typepad, voorheen de cms-leverancier van Sanoma/Web-log, voor het nieuwe cms inncompatibele kloterij afleverde, deels omdat Sanoma alles op een koopje wilde doen, waarbij ze een stel nitwits van jewelste inschakelde om de boel te repareren – lees: nog verder naar de gallemiezen te helpen.

Heb natuurlijk een exportbestand aangemaakt, maar daar blijken geen ‘echte’ digitale foto’s, doch louter dieplinks naar de foto’s op de servers van Sanoma/Weblog in te zitten, en die servers van Sanoma vertrouw ik voor geen cent. Ik zie aankomen dat je daar straks in maart niets meer aan hebt en zie dan nog maar eens aan je foto’s te komen. Bij Sanoma lachen ze vierkant uit, zo klantvriendelijk zijn ze wel. En dan kan je die 3000 foto’s dus allemaal uit het eigen archief opzoeken en selecteren, om ze opnieuw te verkleinen en te bewerken etc. etc., iets waar ik dus helemaal niet op zit te wachten.

U begrijpt: met Sanoma/Weblog heb ik het helemaal gehad.  Door Sanoma hebben heel veel mensen tegenzin in het bloggen gekregen. Wat ik Sanoma allemaal toewens, zal ik maar niet opschrijven.


Van je Parrimarriboo! Heierspoëzie

vdVenne heistelling BrM

In zijn bundel Bie tille harom schrijft Oabel Oabels onder andere over het heien in zijn jeugdjaren, begin twintigste eeuw. Heien gebeurde toen nog op handkracht, door een ploeg mannen die bij een heistelling aan touwen het heiblok omhoogtrok, en dat dan op een paal liet neervallen. Dat omhooghalen en laten vallen van het blok moest synchroon gebeuren. Daarom zong de heibaas een liedje – aan het begin van elke regel trokken zijn heiers hun touwen strak.

Oabels noemt de heiersliedjes “wonderliek”. Vaak maakte een heibaas er inhoudelijk een mengelmoesje van en ook was hij niet eenkennig qua taal , want hij bediende zich van zowel het ABN als het Gronings.  Zo’n heierslied ging bijvoorbeeld zo:

“Dat is er één [blok omhoog]
Maar dat is er geen
Dat zijn er twee
Die tel ik niet mee.
Dat zijn er drie,
Van die schele Marie.
Je weet het niet
Naar wie ze ziet.
Dat zijn er vier,
Van dat zwarte dier.
Dat zo mager is,
Dat krabt zijn kont
Met scherpe nagelen.
Dat zijn er vijf.
De bakker sloeg zijn wijf,
Al met een bolletje
Vlak voor haar holletje.
Wat schraifde dat wief
Mien lief, mien lief
Dat zijn er zes
Woar is de fles
Wie lussen wel geern
n Goude dikke.”

Wanneer de heibaas er niet goed uitkwam, omdat het hem even schortte aan het juiste rijmwoord, dan gooide hij er dit in:

“Van je Parrimariboo!”

Dat gebeurde ook als het bevoegd gezag langskwam en een net ingezette satire wat al te hard dreigde aan te komen. De heibaas improviseerde namelijk nogal eens. Op lokale toestanden en op voorbijgangers. Vooral vrouwen vormden het mikpunt van zijn gezang. Wat dit betreft bekent Oabels ruiterlijk zijn pudeur:

“Ie kennen alderdeegs  n haaiboas moar nait alles zeggen loaten in n geschrift als dit.”

Daarom citeerde de Grunneger schriever zulke passages niet.

Wie weinig last had van een dergelijke schroom, was Gijsbertus Van den Brink (geb. 1902), een Amsterdamse heier die in 1953 over het verleden van zijn vak vertelde voor de microfoon van Onder de Groene Linde. Hij noemt zijn collegae van weleer “ruwe , onbehakte kerels” en lijkt een verband te leggen tussen hun gevaarlijke werk en hun “rare liedjes”, waarvan zegsman er inderdaad nog een kwartet onbeschaamd sexistische uit zijn hoofd kent. Ook dat is folk – tedere zielen die een allergie koesteren tegen scabreus repertoire, gelieve niet op de volgende links te klikken:

1, 2, 3 Haal op die hei

1, 2, 3 Maartje Toet

De hoerewaardin

Schevenings meisje

img041

Dit plaatje komt uit de Winkler Prins van 1955. Het plaatje bovenaan komt uit een tekenboek van Adriaen van de Venne in de collecties van het British Museum. Heien is tussen het Romeinse tijd en de Industriële Revolutie nauwelijks veranderd qua technologie, zoals ook deze foto laat zien.


‘Winter op de Paaizermao’

2012-09-09 019

Op Open Monumentendag zag ik dit hangen in het dieselgemaal aan de Hamersweg, dat het Eelderdiep hielp met het zich ontlasten in het Peizerdiep, maar nu overbodig dreigt te worden .

Het gedicht slaat op de omgeving, de Onlanden. Nog aangeduid met de oude naam Peizermade, in streektaal: Paizermoa.

In eerste instantie was dus alleen de tekst op het A4-tje overgetikt. Naderhand herinnerde iemand zich de naam van de dichter, die er nog even bijgekrabbeld werd in de smalle witmarge aan de bovenkant.

In dit geval beklijfde het gedicht kennelijk beter dan de dichtersnaam. Het is vaker andersom, vermoed ik.


Het repertoire van Eije Wijkstra & Dirk Tabak

Eije Wijkstra en Dirk Tabak waren trekharmonicaspelers die in de jaren twintig gezamenlijk de kermissen en jaarmarkten van de Friese Wouden en het Westerkwartier afgingen. Maar minder bekend om hun muzikale kwaliteiten, dan vanwege moord en doodslag.

Gerrit van der Valle maakte ze mee en vertelt over ze in deze mooie opname uit 1983 van Onder de Groene Linde. Soms dikt hij dingen aan, zoals in de passage over Wijkstra als scherpschutter. En wat hij vertelt over de Drachtster moord door Tabak, lijkt ook niet helemaal juist. Maar hij is wel een van de weinige betrouwbare bronnen als je iets te weten wilt komen over het repertoire van Wijkstra & Tabak.

Dat repertoire wordt nogal eens opgehemeld. Zo zou Wijkstra vanaf blad stukken van klassieke componisten hebben gespeeld. Wat onjuist is – pas in de gevangenis leerde Wijkstra zich het lezen van notenschrift aan. Ook Van der Valle zegt, dat Wijkstra & Tabak, toen ze nog op vrije voeten waren, geen noot konden lezen. “Ze speelden het allemaal uit de kop en deden dat louter op gevoel”.

Het repertoire van de heren valt ook een beetje tegen.  “Ze speelden en zongen alle liedjes die toen in waren”, aldus Van der Valle. Met andere woorden – ze vormden het toenmalige equivalent van een Top 40-orkestje. Qua zingen noemt Van der Valle Bij de Muur van het Oude Kerkhof, een hit van Willy Derby. Qua dansen herinnert hij zich  polka, wals en uiteraard de valeta. Helemaal niet zo bijzonder dus eigenlijk. Eerder nogal algemeen en dertien in een dozijn.


Rondje Onlanden, Eiteweerd, Leegkerk

Haflinger:

2013-01-12 013

Nog veel open water:

2013-01-12 018

Peizerdiep bij Eiteweerd:

2013-01-12 019

Bomijs:

2013-01-12 022

Struweel:

2013-01-12 025

Boerderij op het Matsloot-gedeelte bij de A7:

2013-01-12 032

Te vroeg gepiekt:

2013-01-12 044

Zon koestert ram:

2013-01-12 046


Buurman herbergt vreemde joden

2012-10-12 003 huisvesten vreemde Joden Veendam

“Op den ingediende request van Freerk Simons hoe in Veendam an enen Jacob Michiels heeft verhuirt eene van sijne kameren, zijnde met des remonstrants woninge onder een dack. Alsoo Jacob Michiels sig nu koomt te onderstaan om seer veel vreemde joden aan te houden, sijnde na het uiterlijck anschijn veele daaronder van een slegte conditie, dieshalven voor de remonstrant te vresen staat dat te eeniger tijt sulk tot een groot gevolg sal streken, zoo is ‘t dat de remonstrant sig tot de authorisatie van UW Wel Geboorne Gestr moet wenden, seer submis versoekende dat uw Wel Geborene Gestrenge by desen Jacob Michiels gelieve te inhiberen, teneinde sig niet sal onderstaan om eenige vreemde joden in sijn behuisinge te mogen vernagten, ten sij genoegsam securiteit stelle voor de quade gevolgen van dien.

Is geapostileert

Jacob Michiels wort met deesen geinterdiceert eenige vremde joden des nagts te herbergen tenzij met een pas van het Ed. Gerigte zijn voorsien, of dat andersints voor de quade gevolgen soo daar uit mogen voort komen, sal  moeten respondeeren. En sal desen ter sictery worden geregistreert.

Zuidbr[oek] den 8 7ber 1738 /:onderstont:/

A Wildervanck
Drost”

Freerk Simons in Veendam bezat twee éénkamerwoninkjes onder één dak. In het ene woonde hij zelf, het andere verhuurde hij aan Jacob Michiels. Maar nu bood die buurman onderdak aan  “seer veel vreemde joden”, wier uiterlijk Freerk er niet al te gunstig uit vond zien. Als verhuurder kon hij aangesproken worden op de schade die deze gasten aanrichtten. Daarom vroeg hij de Oldambster drost, om aan zijn buurman een verbod op te leggen tot het laten overnachten van vreemde joden, tenzij de buurman zelf zou instaan voor de gevolgen. De drost legde vervolgens aan de buurman op dat die alleen vreemde joden mocht herbergen, als deze een reispas bij de drost hadden gehaald. Bezaten ze een dergelijk document niet, dan stond buurman financieel voor ze in.

Voor de argeloze lezer van dit rekest, lijkt er sprake van risjes, antisemitisme. De namen van de beide buurmannen zouden immers gewoon christelijk kunnen zijn. Maar schijn bedriegt. Want Freerk Simons, een slager, was zelf een jood. Zijn familienaam was Cohen en je mag hem gerust zien als stichter van de joodse gemeente Veendam-Wildervank. In het jaar dat hij dit rekest indiende, 1738, vormde zijn huis de vergaderruimte voor het bestuur van de kersverse joodse gemeente Veendam. Zijn huis stond nabij het Middelste Verlaat. In 1745 bouwde hij voor eigen rekening  een synagoge bij deze woning. Ook kreeg hij een afgelegen stuk grond in erfpacht voor een begraafplaats. In 1764 was hij nog diaken van de gemeente. Hij had zich omstreeks 1735 vanuit Scheemda gevestigd in Veendam, waar hij voor 1785 stierf.

Wat op het eerste gezicht dus antisemitisme lijkt, blijkt met deze kennis een conflict tussen een redelijk geslaagde arrivé en berooide nieuwkomers, waarvan de arrivé vreesde dat ze te zijnen laste zouden komen. Overigens bevat dit rekest de enige Veendammer melding van Jacob Michiels – die zal dus niet lang naast Freerk Simons Cohen hebben gewoond.

Hage en De Vey Mestdagh noemen dit geval niet in hun dikke boek over de joodse gemeenschap van Veendam e.o. Kennelijk hebben ze de rekestboeken van de Oldambster drost niet doorgenomen. Dat is jammer, want uit geregistreerde verzoekschriften als deze, kan je aardig wat over de lokale verhoudingen te weten komen.


Terwijl het draadjesvlees geurde

2013-01-11 004

Silhouet-tekening uit een advertentie van de Fa. P. Mees Lzn., Vismarkt 24 Groningen. Deze firma deed, u raadt het vast al, in “complete keukeninrichtingen”. Deze werden door het gehele land bezorgd.  De advertentie stond in het Groninger Adresboek van 1920 en 1921.


Zelfs het taaiste stukje was bruikbaar

“WARSCHAU den 22 December. Gisteren was de Koude en Vorst hier te Lande zoo sterk , dat er maar 4 Graaden aan ontbraaken , om dezelve met den Jaare 1740 gelyk te stellen. Ook heeft men reeds verscheyde Lieden op bet Veld Dood Gevrooren bevonden. Een dronken Mensch op of in de Slede van hier na Widanow rydende, is, door de Koude in slaap geraakt en uyt de Sleede gevallen zynde, door de Wolven tot zelfs zyne Beenen in de Steevels geheel verslonden.”

Bron: Groninger Courant 15 januari 1754.


Kistetiketten

Sommige mensen verzamelen sigarenbandjes, andere de etiketten van sigarenkistjes. Er zitten inderdaad mooie tussen:

ke107a

ke131

ke278

ke311

Meer bij de Sigarenbandenkoning.