De verdelging van “schadelijk gedierte”
Geplaatst op: 6 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn 1850 betaalde de provincie Groningen premies uit voor in totaal 776 dieren die men had doodgemaakt omdat men ze als schadelijk ervoer:
- 296 vossen (waarvan 152 jong)
- 3 arenden,
- 153 valken,
- 20 otters,
- 188 bunzings,
- en 116 wezels.
Behalve de otter, berucht als “vischvernieler”, bestond het “schadelijk gedierte” dus vooral uit soorten die het gemunt hadden op pluimvee en ander gevogelte, groot en klein.
Vanaf 1703 waren er – steeds gelijk gebleven – premies voor het doden van otters en vanaf 1705 waren zulke premies er ook voor vossen, hanebijters (kiekendieven), (ganzen)arenden en andere grote roofvogels. Wanneer de kleinere soorten valk, bunzing en wezel erbij kwamen is aan de hand van Jan de Bruijns plakkatenlijst niet te achterhalen. Mogelijk dateerden die regelingen van na 1795.
Het kwantitatief belangrijkste mikpunt was in 1850 duidelijk de vos, gevolgd door de bunzing en de valk. In elk geval werd er in 1850 geen enkele hanebijter buitgemaakt. Die vogel was al zo goed als uitgeroeid, denk ik. Toen de premie op hem werd ingesteld, in 1705, heette het nog dat de hanebijter zich sterk vermenigvuldigde. Eerder werd hij blijkbaar nog niet als plaag ervaren.
Het zijn maar momentopnamen en je zou willen dat de complete administratie bewaard gebleven was, maar voor de periode tot 1795 gaat dat sowieso al niet op. Anders dan bij de stadsrekeningen zijn bij de provincierekeningen geen bijlagen bewaard, waaruit je van die staatjes als boven zou kunnen halen. De boekhouding blijft dan, afgezien van misschien een enkele jaargang, beperkt tot de negentiende eeuw, en ik vrees vooral tot de periode na 1850. Toen ging de provincie namelijk de gedrukte verslagen van de toestand in het licht geven, waaruit het bovenstaande staatje indirect voortkomt..

Recente reacties