Hajo Spandaw – De nieuwe Haring (1817)

harinkje

“Vaderlandsch gezang ten gevolge van het programma van  eenige vrienden en beoefenaars der toonkunst binnen Groningen in muzijk gebragt door J. van Boom te Utrecht…”

Triomf! de vreugde stijgt in top:
Hijs, Holland, vlag en wimpels op,
En doe den jubeltoon nu dav’ren langs uw strand!
Daar komt de kiel, met goud belaân,
Zij brengt ons d’eersten haring aan!
’t Is feest in Nederland.

’t Is feest! een eigen Hollandsch feest!
’t Is heilig! ’t brengt ons voor den geest
Den tijd van onzen roem, den tijd van onze schand!
Triomf! de nacht van schande zonk;
Triomf! de dag van glorie blonk
Voor ’t vrije vaderland.

Verhef u, wakk’re zeevaardij !
U, Pronk van Hollands maatschappij !
U, koningin van ’t feest, u biên we d’ eerewijn;
Sprei’, handel, Hollands gullen disch !
Nu zal de vaderlandsche visch
Weèr de eerste schotel zijn.

Bataafsche maagden, rept u wat’!
Plukt bloemen voor den kostb’ren schat,
En tooit den lekk’ren visch met vaderlandschen zwier !
Kwam hij niet met Oranje weêr ?
Dat hem dan, even als weleer,
De gouden goudsbloem sier’ !

Wie in dit kost’lijk zeebanket’
Voor ’t eerst de grage tanden zet,
De volle flesch ontkurkt, tot vreugd van zin en geest,
Met fonkelende glazen klinkt,
Ze op Neêrlands welzijn ledig drinkt,
Die houdt een heerlijk feest.

Ja, ieder maakt dan goede sier;
Waar wijn ontbreekt, daar neemt men bier:
Die vaderlandsche drank smaakt ook in Neêrland zoet.
Men drinkt ook Beukelszoon ter eer,
En na den maaltijd nog eens weêr,
Daar ’t vischje zwemmen moet.

Bron.
Toelichting: In de Bataafs-Franse tijd, tijdens de oorlogen van 1804 tot en met 1813, konden Nederlandse haringvlissers niet uitvaren, omdat de Britten buitengaats heersten en alle schepen onder Nederlandse en Franse vlag innamen. Na de terugkeer van Oranje, zoals bekend het eerst in Scheveningen, was de haringvangst weer vrij. Daarop doelt Hajo Albert Spandaw (Vries 1777-Groningen 1856), een dichter die in zijn tijd een Bekende Nederlander was. Diens loflied op de haring èn de vrijheid verscheen het eerst in 1817 in een bundel Vaderlandsche poëzij en liederen (bij Oomkens te Groningen). Nog hetzelfde jaar werd er een prijsvraag uitgeschreven om het lied op muziek te zetten. Deze werd door ene J. van Boom uit Utrecht gewonnen. Men zong dit chauvinistische lied in de negentiende eeuw graag en veel en zo kwam het ook in liedboekjes voor scholen terecht. Kornels ter Laan bijoorbeeld, heeft het omstreeks 1880 nog op de lagere school in Slochteren moeten leren.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.