‘Water zover het oog reikt… ’

in den storm - linosnede - Wandelaar 1935

“IN HET OVERSTROOMDE GEBIED

Beeld van verlatenheid

Es. — Als de auto door Groningen snort, parelt de vroege winteravond reeds over de huizen. De stad werkt nog koortsachtig, de ramen van fabrieken en magazijnen staan geel van licht in de donkere straatwanden. Lichtreclames, juist in gloed gezet, werpen wonderlijke arabesken op het asfalt, dat druipt van regen; de wind raast langs de regen-bestriemde raampjes van den auto.

In snelle vaart schieten helverlichte caféramen voorbij, erachter de leege kamer, die straks weggevaagd zal worden door de dagelijksche stamgasten. Hoog tegen het grijs-zwart van de avondlucht, waarover nog vegen van licht schijnen, staat de dreigende geweldigheid van den Martinitoren. De auto zwenkt over de Vischmarkt, die leeg ligt onder het geweld van een sterken wind, langs de Brugstraat, verder langs water en spoorweg, totdat de Peizerweg, duister nu bijna, de stralenbundels van de koplampen tusschen zijn naakte boomenrijen vangt.

Links is, na de onderbreking van een rij kleine huizen, nog even tusschen het grauwe schijnsel van den wegzinkenden dag de zwarte massa te ontwaren, die het Stadspark nu is. In zijn mooie lanen zal nu geen stadsmensch de weelde der natuur zoeken, het Paviljoen zal verlaten en met doode oogen voor het vijvertje staan, in de volière zal de gouden fazant kleumerig ineengedoken zitten en de rhododendronbedden, die nog onlangs een lieve lust voor het oog waren, zullen heen en weer ruischen in den wind, die een orkaan gelijkt.

Als een gierende, sluipende demon is het geweld van de elementen langs den voortrazenden auto. Regen striemt en klettert langs de vensters, zwaar ronkend worstelt de motor met woedende kracht, die door de kale takken der boomen, langs hun natte stammen, langs de druipende telegraafpalen een helsch lied zingt.

Rechts ligt de groote Friesch-Groningsche Suikerfabriek, als een wonderlijk reuzenlichaam met lichte oogen in groote wijdheid rondom, de lichtjes van den weg naar Hoogkerk knipperen in een ver verschiet, door de achterruit zie ik Groningen, een vage lichtplek tegen de nu indigo-zwarte, geweldige leegte, die boven de doorweekte aarde is.

Nog een paar honderd meter en de weg is omzoomd van water: bewegend, klotsend tegen den wegberm, is hier de waterkracht, die dreigend ligt van horizon tot horizon. De trambaan ls nog vrij. De weg is droog.

De auto stopt en moeilijk worstel ik naar buiten, onmiddellijk gegrepen door een windvlaag. Striemend slaat de regen in mijn gezicht, tegen mijn beenen, langs de warme beschutting van mijn veilige warme winterjas. Er is hier niemand bij het tweede bruggetje van den Peizerweg. Het gevaar is niet geweken, zeker niet nu de loeiende, storm en de kletsende regen de watermassa’s opzwepen en doen zwellen.

Dit lijkt het tooneel van den dood.

Eenzaam en grauw ligt de geweldige watervlakte om mij heen. Een mast van de electrische centrale staat als een spookachtig lichaam uit deze grijze wereld recht omhoog. Als hier de elementen de overwinning behalen op den kleinen vernuftigen mensch, zal het water de stad angstwekkend dicht naderen, maar men heeft gerechtvaardigde hoop. dat de waterwolf zal blijven staan.

Het is wel eens erger geweest.

Voor angst is er nu nog geen reden. De weg is nog niet overstroomd en de tram heeft nog vrij baan.

De auto gaat verder: overal een beeld van verlatenheid. Hier en daar een klein accent van teederheid, als om de troosteloosheid rondom nog dieper en weemoediger te maken: een huisje staat omsloten door water: binnen zal bet des te warmen zijn, des te knusser in het licht van de lamp, dat zwak door de neergelaten rolgordijnen naar buiten schijnt. Het scherpe silhouet van een grillige kamerplant staat tegen het gele vierkant van het raam.

Even sta ik bevangen in het schrelle licht van snel naderende lampen…. een auto rent voorbij dan is de verlatenheid weer des te dieper.

Mijn auto ronkt verder.

Overal dit ééne, dreigend donkere: water, zoover het oog reikt, water, klotsend in het gras langs den weg, waarover de storm vaart met groote streken. Een eenzaam man die diep gekromd en zwijgend een dammetje opwerpt rond zijn huis, dat klein en nietig enkele meters van den weg ligt, zegt: „Er geen gevaar nog, al staat het water hooger dan andere jaren, maar men weet niet wat er komen kan als zoo de storm blijft groeien en de regen de watervlakten doet stijgen….”

Terug in de stad.

Ik word omvangen door de roezige beweging van den avond in Groningen. De straten liggen glimmend en sidderend in het licht van de heen en weer zwiepende booglampen. De menschen blijven thuis. De storm loeit om hun huizen, ln de rood gloeiende kachel, langs de druipnatte daken.

Als dit noodweer niet verstild tot een strakken winterdag, zullen vele handen en lichamen moeten zwoegen om den watergolf gevangen te houden tusschen de dijken, die hij woedend grommend bespringt.”

Bron: De Telegraaf, 7 januari 1932.

Toelichting: Het raadselachtige Es. waarmee deze reportage begint, slaat er waarschijnlijk op dat de auteur ervan Eduard Elias was. Tussen 1929 en 1932 fungeerde hij als hoofdredacteur van de noodlijdende Provinciale Groninger Courant, die een paar jaar na zijn vertrek zou opgaan in het Nieuwsblad van het Noorden. Elias is nooit eenkennig geweest, hij publiceerde vaak in meerdere kranten tegelijk en heette ook wel een ‘stukjesfabriek’.

Een dag na deze reportage in de Telegraaf stonden er foto’s van de beschreven overstroming in het Nieuwsblad.


Langs het Omgelegde Eelderdiepje

003

016

030

120


Ommelander reis

In de wilde plantencorridor langs het Hoendiep op Westpoort is gemaaid:
008
Schuurtje op Lagemeeden:
019
Bovenlicht met hijgend hert in Aduard:
035
Feerwerdermeeden – meeuwen zittend op het hooi:
049
Schilligeham, reclame voor kaasboerderij:
057
Dichtgroeiende watergang, Oude Zijl bij Winsum:
066
Vervallen boerderijtje, Ranum:
080
Landschap bij Lutje Saaksum:
096
Saaxumhuizen, opgekalefaterd kerkhofhek:
101
De toren van Den Andel:
108
De kerkdeur van Den Andel was opnieuw dicht. Er hangt ook geen briefje of zo waar je de sleutel kunt halen. De gastvrijheid voor bezoekers van elders lijkt niihil. Herinner me nu weer dat ik het zelfs wel eens telefonisch probeerde te regelen, en dat er toen niet werd teruggebeld.  Maar ooit zal ik de kerk van Den Andel van binnen zien (sprak hij vastberaden).

Intussen de swaalfkes op het dak van die toren:
111
Graanveld bij het spoor onder Warffum:
120


Graffiti Ubbo Emmiusstraat

003

005

010

2013-09-12 020


De eerste suikercampagne (1897)

‘Een bron van werkkrachten.

Een onzer Groningsche correspondenten schrijft ons:

In ’t begin van October is de Noord-Nederlandsche beetwortelsuikerfabrlek te Vierverlaten hare campagne begonnen. Omdat het de eerste fabriek van die soort in ‘t Noorden was, wist niemand welke voordeelen een dergelijke fabriek aan de omgeving kon schenken.

Wat een ongewone beweging! Van ’t begin van October tot op heden liggen er dagelijks meer dan honderd schepen of in lossing of daarop wachtende; een waar mastbosch in het Hoendiep voor de fabriek en in het aangrenzende Aduarderdiep, waar den schippers door de provincie eene ligplaats is aangewezen om verstopping in het drukbevaren Hoendiep te voorkomen, waar alreeds over geklaagd werd. Worden in Zeeland en Noord-Brabant de bieten door groote schepen (tjalken) en per trein aangevoerd, hier kan alles slechts aangevoerd worden door kleine schuiten van 20 tot 40 ton.

Deze kleine schepen kunnen alleen de kleine en ondiepe kanalen, waaraan alle dorpen in Groningen en Friesland liggen, bevaren. Voeren deze schippers andere jaren meest met turf, thans heeft de fabriek ze, tot zoolang de campagne duurt, aangenomen. Geen wonder dan ook dat de veenbazen, die in dezen tijd van ’t jaar meest hun product moeten afzetten, ach en wee roepen over de weinige drukte en menigeen bevreesd wordt met zijn turf te blijven zitten.

Dat de schippers al vrij wat aanvoerden, getuigen de kolossale hoopen bieten, welke nog niet verwerkt konden worden; ofschoon dit jaar nog maar met halve kracht arbeidende, wordt dagelijks meer dan 600.000 Kg. verwe[r]kt en toch nemen langzamerhand de twee hooge, verbazend lange rijen bieten in omvang toe.

Natuurlijk heeft Vierverlaten en het onmiddellijk daaraan grenzende Hoogkerk van al die drukte veel voordeel, maar lang zooveel niet als men denken zou, daar een trits van leveranciers van wijd en zijd hier hunne waren zoeken aan den man te brengen. De vele bootjes der leveranciers, de tallooze ladende en lossende schepen geven het Hoendiep een aanzien van ongekende welvaart.

De fabriek met hare vele en velerlei werkzaamheden eischt tal van werkkrachten, die de naaste omgeving niet kan leveren. Vele arbeidskrachten leverde niet alleen de op één uur afstands liggende stad Groningen, maar ook de omliggende dorpen. Nu de werkzaamheden op veld en akker zijn afgeloopen en de tijd der werkloosheid weer aanstaande was, zoeken vele arbeiders werk aan de fabriek. Daartoe verlaten velen reeds des morgens te vier uur hunne woning, om eerst des avonds tegen 7 à 8 ure terug te keeren, den geheelen dag levende op de meegebrachte boterhammen.

Is de verdienste voor het moeilijk en ongewone werk, vermeerderd met de vier uren loopens per dag, niet groot, ongeveer ƒ 1 per dag, toch zijn de arbeiders blij werk te vinden, daar de daghuur in de plaats hunner inwoning nooit meer bedraagt dan ƒ 0,50, zegge vijftlg centen per dag. De ontbeerde nachtrust der week verhalen zij op den Zondag; dezen dag, die gewijd moest zijn aan hun gezin en hunne ontspanning, brengen ze grootendeels slapende door, om frissche krachten op te doen voor de moeilijke taak, die hun de komende week wacht.

Het overblijvende van de verwerkte bieten, de pulp, was in deze streken tot nog toe onbekend. Waren er in ’t begin slechts enkele landbouwers, die eene proef namen met het voederen van pulp, langzamerhand werd het getal grooter, zoodat nu dagelijks tal van wagens, gevuld mat het goedkoope bijvoeder, ƒ 1.50 de 1000 Kg., van de fabriek terugkeeren; de pulp wordt bij de boerenwoningen ingekuild om dezen winter den niet overgrooten voorraad hooi aan te vullen. Ook vele schippers, die bieten aanvoeren, nemen pulp mee terug. Mocht de voederwaarde meevallen, ongetwijfeld zal een volgend jaar de aanvrage om pulp veel grooter worden.

Geeft de fabriek aan vele handen werk, ook de bereden politie, gestationeerd te Groningen, kan hiervan meepraten. ‘t Kan niet uitblijven, dat bij die honderden werklieden en schippers opstootjes plaats hebben. Daar de fabriek kort geleden telephonisch met de stad is verbonden, wordt de politie zeker meer gecommandeerd dan haar lief ls, om de verbroken orde te herstellen.

Wie ook niet juichen, dat zijn de vele visschers van het Aduarderdiep. Zij klagen steen en been over het vervuilen van ’t vischwater en dientengevolge ’t sterven der visch; de fabriek, die alle moeite heeft aangewend, om het afgevoerde water in verschillende bassins te ontsmetten, is hierin nog niet naar wensch geslaagd. Zal hier nooit die vervuiling ontstaan als in de Groninger Veenkoloniën, daar het Aduarderdlep bijna onmiddellijk op zee loost, toch zou het jammer zijn, wanneer het vischrijke water werd bedorven.’

 

Bron: De Telegraaf 18 november 1897.

 


Westkant stad, ca. 1780

Apoortenbuurtje

De stad vanaf de westkant, in een cartouche op de ingekleurde versie van de Beckeringhkaart, die omstreeks 1780 gemaakt is.

Boven alles uit torent de A-toren met de barokke spits zoals die toen nog geen zeventig jaar bestond. Korenmolens op de dwingers produceerden het brood- en pannekoekenmeel voor de inwoners. Als de stad belegerd zou worden, gingen die molens er bij voorbaat af en moest men overschakelen op rosmolens of nog primitiever maalgerei. Maar een beleg van de veste is er na 1672 dus nooit meer geweest.

Op de wallen verder lindebomen – de meidoornheggen die er ook stonden liet de kunstenaar weg, maar roken in het voorjaar natuurlijk heerlijk. Een extra reden om over de de wallen te flaneren, sowieso al een genoegen wegens het uitzicht op het omringende platteland.

In het midden van het plaatje de buitenste A-poort en daarachter, onder die puntjes met vlaggetjes, de binnenste. Buiten de A-poort omringt enige lintbebouwing het Hoendiep. Dit was de afvaartplaats van de trekschuiten naar Strobos en Dokkum en verder naar het westen. Er stonden hier meerdere herbergen, zoals de Zwaan, de Slingerij en de Stadsherberg, waar de passagiers terechtkonden. Gek genoeg zien we niet de grote stallen bij de herbergen. Ook die liet de kunstenaar weg.

En dan linksonder het Reitdiep, de route naar zee, met een smakschip dat huiswaarts keert. Vlak voor de Kranepoortenbrug zie je het Zwijneparadijs, bekend van de kidnap die hier plaatsvond. Achter de brug de Kranepoort en links van de brug een baar of stenen dam, die het hogere water van het Reitdiep scheidde van het lagere water in de stadsgracht. Als een vijand zou naderen, liet men zo’n baar springen, zodat het Reitdiepwater zich een weg kon banen over heel het platteland ten westen van de stad.


Thee met sentimentaliteiten

In het komende nummer van Stad & Lande komt er, naast een artikel over het Sterrebos, ook een stuk over de Groninger firma Kahrel’s, die in thee en koffie deed:
009
In dit geval kost het zoeken naar illustraties weinig moeite, want er is een overvloed aan beeldmateriaal aanwezig.

Zo voegde Kahrel’s al vroeg allerlei kleurige plaatjes toe aan haar theepakjes. Er was bijvoorbeeld een serie bijbelse voorstellingen, waarvan er twee resteren: de vondst van Mozes in zijn biezen mandje op de Nijl, en Izaak zegent Jacob. De maker moet haast wel dezelfde geweest zijn als degene die bonbondozen van bakkerij Crebas versierde:
014
Een beetje vreemd zijn de minifotootjes van kindertjes in allerlei kledij, waar zelfs een album vol van is.  Zoetelijke kitsch, net als deze reclame appellerend aan de meer sentimenteel aangelegde theeconsument, die kennelijk een interessante doelgroep vormde:
016
Dit Hollandse molenlandschapje met gezichtsbedervende eigendunk heeft dan weer iets impressionistisch, vooral in de behandelijk van het zwerk:
020

Overigens hebben de laatste drie plaatjes de selectie voor Stad & Lande niet doorstaan. Er is veel beter spul voorhanden. Wilt u dat zien, wordt dan lid,

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (documentatie bedrijven etc.) inv. nr. 932/1+2.


Op het hoogste adres van stad

Was vanochtend even in het DUO-gebouw, om voor Stad & Lande een foto te maken van de bovenkant van het Sterrebos.

Deze reigerstandplaats was de attractie op de achtste verdieping, waar je tegen de boomkruinen aankijkt:

003

Heb de lokatie ooit wel eens van onder gezien – op die grond wil niet veel groeien.

Op de 24ste verdieping spectaculaire vergezichten, zoals deze naar het westen:

015

De grote weg van rechtsonderaf dwars door het beeld is de snelweg naar Hoogkerk, Leek en Friesland. Het zwartwit geblokte gebouw links daarvan heet La Liberté. Onlangs bleek dit tijdens een wolkbreuk een beetje lek. Het oranjerozeblauwe gebouw ertegenover, aan de rechterkant van de weg, is het hoofdkantoor van de Gasunie, in de volksmond de Apenrots.


Drie ooievaars te Leegkerk


Termunten via Hellum en dan de Dollardpolders in

Wegwijzers in het ongerede:
006
De kerk van Hellum, nog steeds eigendom van de PKN-gemeente aldaar, bleek open. Op het opzetstuk van een verdwenen herenbank deze engel, die qua bovenlijf aan body building deed:
015
Op het koor deze helaas incomplete steen, die me romaans lijkt. Deksel van een sarcofaag? Er staat ook een sarcofaag – rechtop. De gids vertelde dat er in de jaren zestig meerdere sarcofagen tevoorschijn waren gekomen bij een restauratie en dat de meeste waren weggegooid. “Zo dacht men er toen nog over.” Oh?
025
Rouwbord (1630) voor de deugdzame Anna van Ittersum, wed. Edsart Rengers, 63 jaar oud toen ze stierf. Bevat het blazoen drie rode ezelskoppen, het helmteken draagt ezelsoren.  Je zou haast denken aan satire, maar het is echt zo.
029
Gezicht bij Woldendorp:
034
Op de dijk bij Termunten bleek de haven van Emden aan de overkant mooi uitgelicht:
038
Driewerf gemerkt schaap, op dezelfde plek aan mijn voeten:
040
De Dallingeweersterweg voorbij Termunten:
045
Carel Coenraadpolder:
058
Johannes Kerkhovenpolder:
061
Johannes Kerkhovenpolder:
064
Veld met zonnebloemen in de Reiderwolderpolder:
076


Avondrondje Leegkerk

Slootje weitje boerderijtje:
004
Het verzakte en daarom veelbesproken diksapbassin is voor een groot deel al gesloopt:
019
Guster nog kerngezond, zweide mit steert int rond:
024
Volgens mij ken ik zulke kleuren van J.M.W. Turner:
042


De fans van IJje Wijkstra in Hoogkerk

Anarchistisch relletje te Hoogkerk

Nasleep van het drama te Grootegast

GRONINGEN, 24 Jan. – Tijdens de begrafenis van de slachtoffers van het drama te Grootegast hebben gisteren anarchisten getracht in Hoogkerk relletjes te verwekken. Door middel van een megafoon riepen zij de mensen op straat bijeen en schimpten op de politie en verheerlijkten den moordenaar. De politie van Hoogkerk was bij de begrafenis te Grootegast tegenwoordig, zodat er niemand aanwezig was om in te grijpen. ‘s Avonds werd door communisten een vergadering belegd, waar een spreker uit Den Haag een rede hield over “De misdaden door de politie zelf bedreven”.
Bij de vergadering, die door een dertigtal menschen bezocht was, waren ook eenige marechaussees aanwezig, die echter geen reden tot ingrijpen hadden. – (V.D.)

Aldus De Telegraaf van 24 januari 1929. Helaas meldt het bericht niet, of het indertijd spraakmakende communistische raadslid van Hoogkerk ook bij de genoemde manifestaties betrokken was. Deze H. Hoiting, afgaande op de raadsverslagen een ras-provocateur, zette de gemeenteraad meermalen op stelten. Voor hij in 1930 overstapte naar de Moskougezinde CPH was hij respectievelijk actief voor de Rapaillepartij, een zogenaamde Proletarische Groep en de dissidente CPH-CC van David Wijnkoop. Een interessant figuur, kortom, in wiens leven vast een verhaal zit.


Vestingmuseum Oudeschans

Leuk, compact museum met allerlei bodemvondsten uit de voormalige vesting Bellingwolder- of Oudeschans.

Statenbijbel en avondmaalsgerei:
012
Schotels uit het begin van de 17e eeuw
028
Baardmankruik:
035
Kinderrammelaar, zoals die ook op sommige schilderijen uit de 17e eeuw staat:
036


Meester Bymholt over Darp als huttendorp

Bij de 14 miljoen krantenpagina’s, die de KB onlangs online zette, zitten nogal wat van De Telegraaf. Omdat ik eerder al eens de indruk kreeg dat meester Bymholt rond 1900 onder andere correspondent van die krant was, ging ik daarin maar eens zoeken op berichten uit zijn woonplaats Uffelte.

Vrijwel meteen was het raak. Een bericht uit 1897 heet weliswaar afkomstig van “een onzer Drentsche plattelandscorrespondenten”, maar dat de (christen-)anarchist en bibliotheekpionier het schreef, staat voor mij buiten kijf.  Allereerst vertrekt de auteur van het bericht uit 1897 voor zijn wandeling vanuit Uffelte. Dat zou nog toeval kunnen zijn, ware het niet dat de overeenkomsten met soortgelijke verhalen die Bymholt anno 1903 en 1905 in De Amsterdammer publiceerde, ook verder legio zijn. Betreft het daar sfeervolle impressies van een sociaal bewogen mens, zo ook hier. In beide periodieken heeft de auteur het bovendien over grijze planken als voorgevels en het bruin der heide. En in beide media roept hij uit: “Arm Drenthe!” Zowel in het dag- als het weekblad confronteert hij verder de schoonheid van het landschap met de deplorabele sociale omstandigheden. Het ontbreken van aandacht voor Darp later in De Amsterdammer, laat zich ook verklaren door de aandacht die de auteur er eerder in De Telegraaf aan schonk.  En waar hij anno 1897 nog niet in een hutje durfde te komen met zijn nette herenuiterlijk,  maakt hij dat, zoals hij toen al beloofde, later goed.

Darp bij Havelte is in feite het middeleeuwse, maar naderhand sterk verarmde boerendorp Westerhesselen, het eerste dorp waar de Utrechtse bisschop als landsheer doorheen kwam, als hij Drenthe bezocht. Eigenlijk is Darp  de oudste kern van het huidige Havelte – Darp betekent ook gewoon: dorp. Omdat plaatsbeschijvingen sowieso al zeldzaam zijn, wat des te meer geldt voor het armelijke Darp, laat ik de plaatsbeschrijving van Darp en het annexe Havelterberg hier in extenso volgen:

Ik dacht (…) u te vertellen hoe de hutten hier er uitzien. Het huttendorp in deze streken bij uitnemendheid, is het op een uur van hier gelegen Darp met een aangrenzenden Havelterberg, gewoonlijk ‘de barg’ genoemd. Mijn reisplan gold dus ‘de barg’.

Op een zaterdagachtermiddag sloeg ik den breeden zandweg in van Uffelte naar Darp. Weerszijden heidevelden, hier en daar een boschje, heidevelden en boschjes door slootjes — waarin water — afgescheiden van den streperigen weg. Die strepen: repen geel zand, repen hei en repen grijze vastgetrapte looppaadjes. Eeuwen zijn er, gis ik, noodig geweest om die looppaadjes grijs en vastgetrapt te krijgen, althans als er altijd zoo weinig loopers zijn, als op dien zaterdag-achtermiddag, toen ik vol groote plannen, mijne 65 kilo lichaamszwaarte aanwendde om grijsheid en vastgetraptheid te vermeerderen. Want geachte lezer, er kwam mij geen ‘sterveling’ tegen.

(…)

Na verschillende filosofische overdenkingen, kwam ik eindelijk bij het eerste huis van Darp. Dat huis was een hut. Zoo’n hut lijkt iets op een ouderwetsche doodkist, maar is wat grooter, niet veel — ook op een kuil, waarin de boeren aardappels bewaren, maar zoolang de aardappels er nog inzitten, heeft de kuil meer waarde. In zoo’n hut toch, wonen slechts menschen.

De gevel der hut was driehoekig en bestond uit elf grijze, bejaarde planken. De langste plank liep van den tophoek tot den grond en was iets langer dan een volwassen mensch, de andere, voortdurend in lengte afnemend, tot een voet toe, schaarden zich ter weerzijden, als een tien stuks grijsgejaste Atjeh- en Lombokstrijders om een langen korporaal. Twee hoopen aarde bij de basishoeken van den grijzen driehoek steunden het geveltje.

De korporaal en de langste twee kolonialen waren hun borst kwijt. Daar was ruimte uitgespaard voor twee onnoozel kleine venstertjes waarin enkele stukjes groen glas als katoogen naar de achtermiddagzon gluurden.

De achtergevel van het hutje was als de voor gevel, minus de katoogen. De zijgevels: eenige planken, grijs en bejaard.

Het dak: grauw stroo uit een vorig decennium.

Voilà tout!

En het inwendige van zoo’n hut?, vraagt u. Ik weet het niet. Want ik miste den moed om onder eenig voorwendsel binnen te gaan met gepoetste schoenen, overjas, hoed, stok en sigaar. Als ik eens, na die dingen die van een man een ‘heer’ maken, afgelegd te hebben, dit waag, dan zal ik u ook het interieur beschrijven.

Ik wandelde verder Darp ln, den Bisschopsberg 1) op, die met zijn 20 m. hoogte — toch nog het hoogste punt der drie noordelijke provinciën — nog minder recht op den naam van ‘berg’ heeft als onze Geldersche en Limburgsche heuvels.

En ik zag nog meer dergelijke hutten, enkele wat minder sjovel, met een steenen voorgeveltje, maar alle klein en armoedig.

Overal is de vloer van leem, naar de hoofdonderwijzer van het dorp mij vertelde. Alleen zijne woning en die van een boer, wiens zieke vrouw’s voeten het koude leem niet konden verdragen, kunnen roemen op een houten vloer.

Gansch een dorp van hutten, lezer ! Daarin leven menschen, daar ademen, eten en slapen zij; daar wellicht, misschien beminnen zij en bouwen plannen voor de toekomst.

Arm Drente!

En mijn medelijden werd groot met de daar in die hutten voortvegeteerende arme menschen, arm en leelijk, de vrouwen hoekig en scherp, lijvig als mannen, met doffe, grijze oogen.

O, het is mooi, die schilderachtig hier en daar planloos neergeplaatste hutten op de heuvelachtige heide, en vaak bleef ik staan om de natuur te bewonderen die met zulke eenvoudige middelen zulke schoone dingen kan voortbrengen.

Maar wat hebben de arme hutbewoners aan die mooiheid! Zij zien het niet. Zij kunnen het niet zien, daar ze geheel worden in beslag genomen door de practijk des levens.

Vóór ik terugkeerde, genoot ik nog van een mooien zonsondergang. Op bet bergje staande, zag ik de zon, dalende tusschen twee ‘bergtoppen’ door, prachtig werken met haar rood goud op het bruin der heide en het veeltintig groen van boschjes en heideplanten.

Toen het donker werd, ging ik terug, den eenzamen, streperigen zandweg langs. Weer ontmoette ik geen ‘sterveling’. lk liep alleen voort door avondgrauw en boschzwart.

 

1)          Boven sprak ik van Havelterberg of ‘de barg’. Dat is het dorp en de Bisschopsberg is het heuveltje waar bet dorpje op ligt. Meer noordelijk is weer een heuveltje, de Havelterberg geheeten.

 

Bron: ‘Uit het Drentsche „Huttendorp”’,  De Telegraaf van 6 mei 1897.


Van Veendam naar Nieuweschans over Pekela, Alteveer en Veelerveen

Curieus pandje, Ommelanderwijk:
001
Jugendstilachtig detail:
004
Veenkoloniaal clichébeeld, Ommelanderwijk:
018
Schuur zonder muur, Nieuwe Pekela:
027
Ik was de enige bezoeker van het Kapiteinshuis, vanmiddag. Secretaire met hoerenhondjes, die varensgasten uit het Balticum meenamen voor moeders de vrouw:
040
Japans aandoende prent (19e eeuw) van de baai van Napels met werkzame Vesuvius en  schepen van vele naties:
051
Alteveer – beschoeiing van voormalige sluis:
084
Waar ze aan de Ommelanderwijk getuige een veelheid van protestborden en -posters mordicus tegen windmolens zijn, kan een inwoner van Alteveer er geen genoeg van krijgen. Dit is diens Dalton-serie (de kleine heet Joe en de grootste Averell):
089
Ook in Westerwolde zitten boeren die meedoen aan Bloeiend Bedrijf:
092
Een van de weinige plekken waar al gedorst werd, was bij het Ruiten A-kanaal:
113
De befaamde driewegbrug van Veelerveen:
120
De kerk van Veelerveen staat te koop:
127
Dorpsgezicht Veelerveen:
131
Aardig optrekje te koop in Bellingwolde. Ook deze zit in het makelaarsportfolio van Redres, de Erfgoedexpert:
144
Topkunst, Bellingwolde:
151
Station Nieuweschans – de sporen lijken niet helemaal recht te liggen:
161