‘Men vindt geen land waar men meer met bedekt hoofd gaat’

Elisabeth Geertruida Wassenbergh - Elegant gezelschap (Groninger Museum)

Elisabeth Geertruida Wassenbergh – Elegant gezelschap (Groninger Museum)

Vertrokken de graaf en zijn metgezel ’s ochtends om vijf uur uit Leer, ’s avonds om acht uur kwam hun trekschuit in Groningen aan. Die afstand was dus een volle dag reizen. Onderweg zagen ze vanaf Zuidbroek aan beide kanten van het Winschoterdiep “zeer mooie , aangename streken en huizen”, weer een teken van de appreciatie voor de rechtlijnige veenkoloniën, zoals die ook uit een iets latere reisbeschrijving blijkt.

In Groningen stond al een koets van de heer Abraham Quevellerius van Swinderen klaar. De vrouw van deze gepromoveerde jurist en rechter kwam oorspronkelijk uit Leer en de reisgenoot van de graaf was haar broer. Geen wonder dus, dat de reizigers “zeer goed opgenomen werden”. Dat de graaf zich toch ook wel informeerde over een commercieel onderdak, blijkt uit diens opmerking dat “anders” het Parlement van Engeland (aan de Herestraat oz.) “het beste logement” in Groningen was.

De volgende dag, de 16e maart 1771, wandelde hij eens rond in “deze schone en grote stad”. Hij zag onder meer de Ossenmarkt, het huis aldaar van de oude mevrouw Van Swinderen, “dat zeer fraai ingericht is”, de Nieuwe Kerk, “waarin ik tot mijn verwondering enige was van de daarbij wonende koster opgehangen vond” en het Prinsenhof “dat men zijn karakter van paleis niet aanziet, zo weinig valt het op”.

’s Middags zagen hij en zijn gezelschap een

“…kunstenaar uit de Paltz die een pop had die wel tien stukken op een klein klavier speelde en telkens de kop en daarin de ogen draaide, als hij naar het notenschrift zag waarvan de man steeds de bladen voor hem omsloeg. Het bespelen gebeurde niet direct met de vingers maar door middel van twee kleine stokjes, als op een hakkebord.”

’s Avonds zag hij de lokale burgerwacht, “die elke avond drie maal afvuurt voor het raadhuis” en de twaalf ratel- of nachtwachten.

Vervolgens neemt hij enkele algemene beschouwingen over Nederlandse steden in zijn reisbeschrijving op, die gelukkig toch ook nog enkele passages over Groningen in het bijzonder bevatten. De eerste beschouwing gaat over de huizen (voor zover hij die gezien heeft) en zegt wellicht evenveel over de beschouwer als het beschouwde:

“De kleinere steden van Holland, waarop ik Amsterdam, Rotterdam en het zogenaamde dorp Den Haag uitzonder, zien er bijna eender uit qua bouwstijl. De huizen zijn klein, met puntdaken en van onder met vooruitstekende luifels of erkers, waaronder men op de banken voor het huis overdekt zitten kan.  De bodem is ter plaatse geplaveid met  zwarte en witte, vierkante marmeren platen of tegels, of met bonte stenen die in figuren gelegd zijn. De huizen zijn altijd bont opgeschilderd, de vensters van spiegelglazen voorzien en van buiten en van binnen merkt men gelijk hun grote reinheid op. Men begeeft zich ook zelden in de straatjes of men ziet geen dienstmaagd de grond aanvegen of de glazen wassen. De meeste mensen wonen daarom achterin de huizen om de voorste kamer schoon te houden, en gaan ook op enige plaatsen liever achterom het huis in.

In de huizen zelf vindt men biezen matten of zeil, ook zijn de kamers en zelfs de trappen met matten of wollen vloerkleden  belegd, waarmee alles schoon blijft. Voor de deuren is er ook ruime gelegenheid om de schoenen te vegen en in Noord-Holland moet men ze zelfs uittrekken, als men een fraai huis van binnen bekijken wil. Iemand krijgt daar sloffen aangereikt en met die aan de voeten beziet men dan het huis.

Onder is het voorhuis, zoals in Holstein en in het Oldenburgsche, met porselein en beelden opgesierd. In de meeste kamers zijn haarden, ovens echter, vindt men er helemaal niet. Hier in Groningen zijn ze met haarden ietwat spaarzaam, omdat iedere eigenaar voor iedere open schoorsteen, zoals een keukenhaard, jaarlijks vijf gulden aan de stad moet betalen (…). Voor de haarden zitten alleen de mannen met hun tabakspijpen, die iemand in een herberg of elders dadelijk aangeboden krijgt, echter meest zonder tabak, omdat aangenomen wordt dat iemand zijn eigen tabak met zich meebrengt. Maar de dames zijn verbannen van het haardvuur en hebben in plaats daarvan hun stoven, die zo gemaakt zijn: vanonder hebben ze aan beide kanten van een ijzeren getraliede kast een koperen plaat, waarop men de voeten neerzet, in de kast zelf wordt een kooltjesvuur gedaan, waardoor het hele ding verwarmd wordt.

In de huizen vindt men eveneens veel marmer en vele tegelwanden en voor de vensters hangen outer bonte gordijntjes met daarop allerlei figuren en landschappen geschilderd. De retirades, zoals hier de beste kamers of huisjes genoemd worden, zijn uitnemend rein en sierlijk aangelegd, men vindt er ook niet zozeer pispotten als wel waterstenen van marmer die zeer gebruiksvriendelijk zijn . De bedden zijn meest hard en ‘s winters en ‘s zomers voorzien van lichte wollen dekens die een paardedeken niet ongelijk zijn.

Het plaveisel in de steden is gewoonlijk van puntige en ongelijk liggende stenen, maar elke straat heeft aan beide kanten brede gangen om te belopen en daarop gaat men zeer gemakkelijk. Deze stoepen bestaan uit louter smalle gebakken stenen, die zeer vast in de grond gehamerd zijn, soms treft men gehele pleinen zo geplaveid aan, ja zelfs zijn in Holland enige landelijke verbindingswegen zo gemaakt, waarop het nog beter rijdt als op de Franse rijkswegen.

Deze beschouwing over de gebouwde omgeving wijkt voor een over het Nederlandse volkskarakter, die enkele nog steeds bekende trekjes aanwijst:

“Het karakter van de Hollandse natie schijnt me zeer oprecht, eerlijk en dienstvaardig te zijn, alleen hebben ze, en dan vooral het gewone gepeupel, de zwakheid dat ze niets ongewoons of bijzonders verdragen kunnen – en dat zelf ook bij vreemden proberen te ontdekken – of ze geloven het recht te hebben om dat meteen als belachelijk te veroordelen. Ze kennen bijv. geen bontmutsen en kunnen ook niet gaarne een rode jas uitstaan. Ze bezitten een grote dosis nieuwsgierigheid,  in het bijzonder het gewone volk, en als die eigenschap dan opgewekt wordt, uit die zich vaak in brutaliteit – en dit geschiedt in Groningen meer dan in andere plaatsen. Ze zijn in principe hoffelijk, maar nemen zichzelf niets kwalijk en generen zich nergens voor; een boer houden ze zelden in, ze groeten, maar zetten de hoed meteen weer op hun hoofd en laten hun hoffelijkheid niet in complimenten uitmonden. Men vindt geen land waar men meer met bedekt hoofd gaat, als hier. Tot slot zijn ze zeer gevoelig en nemen ze iemand gemakkelijk iets kwalijk, Een vreemde moet op eieren lopen en  beslist geen aanmerkingen maken op hun zeden, gewoonten en instellingen.”

Via Leeuwarden vertrokken de graaf en zijn metgezel naar het westen des lands, maar op 10 april kwamen ze op hun terugreis naar de Evenburg weer even terug in Groningen. Opnieuw logeerden ze bij de familie Van Swinderen, waar ze een soort van visite of verjaardagsfeest meemaakten:

“De dames en hun begeleiders zaten op een rij bij elkaar en elk kwartier werd er op de wederzijdse gezondheid gedronken, op de rij af.”

Er werd ook gegeten:

“Het souper had vele gangen en zonderling veel groentes, geconfijte vruchten en andere zoetigheden, als ook vreemde wijnen.”

Bij dit tweede verblijf in Groningen, bezocht de Duitse graaf vooral hier wonende landgenoten. Zo lag het regiment Baden-Durlach hier een jaar in garnizoen, waarvan generaal Von Sommerlatte de commandant was.  Hij kreeg de graaf op 11 april over de vloer. ‘s Middags ging die op visite bij een lokale schilderes:

“Na de middag zag ik bij mejuffrouw Wassenberg prachtige fijn gewerkte historische miniatuurschilderijen, die ze zelf vervaardigde en die enig in hun soort zijn.”

Op 12 april zag de graaf ’s ochtends bij de hoogleraar Oosterse Talen Schroeder – bijgenaamd de Arabier – een nieuw garnizoen zijn inmars doen. Vandaar liep hij de weg op die het nieuwe regiment net had afgelegd en wandelde zodoende langs de “prachtige en sierlijke promenade, de Plantage genaamd” (= de Hereweg en het dan zes jaar oude Sterrebos). ’s Middags bezocht hij als introducé de herensociëteit, “wat een besloten gezelschap in een koffiehuis is”.  Ook bekeek hij nog de Hortus Botanicus van de Academie en “de 380 treden hoge toren”.

Mogelijk bekaf door de beklimming van de Martini èn het overvolle programma, vertrokken de graaf en zijn metgezel op 13 april huiswaarts.

Bron: Johan Bernoulli’s Sammlung kurzer Reisebeschreibungen (deel I, Berlin 1781) 104-111 en 156-157.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.