De rarekiek en zijn uitbater, een kapstok voor satire
Geplaatst op: 1 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsen
Dit tafereeltje staat op een voorgedrukte nieuwjaarsbrief uit 1812. De kist op de schraag is een rarekiek of rarekiekkas, waarin gaten met vergrotende lenzen de toeschouwers zicht geven op taferelen en personages, die op dat moment in de belangstelling staan. Getuige het schoorsteenpijpje is de kast in dit geval voorzien van toverlantaarntechnologie. Verder bevinden zich waarschijnlijk draai- en/of verschuifbare spiegels, panelen en opticaprenten in het inwendige. Deze attractie beleefde haar hoogtijdagen in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar viel nog tot diep in de negentiende eeuw op kermissen en jaarmarkten te bekijken.
De mannen die er stad en land mee afreisden, stonden niet bepaald in hoog aanzien. Zo bevat een Groninger Courant uit 1767 het verhaal over de dochter van een Noord-Duitse rijkaard. Ze ging er vandoor met een kerel die rondzwierf met een rarekiek. Het bericht suggereert dat ze voor haar reisgeld een greep in de kas van haar papa had gedaan,
”wyl zy ongetwyffelt niet voorneemens zal geweest zyn, op hunne kunst te reizen”.
Met andere woorden: de verdiensten hielden niet over. De lage status van de rarekiek en zijn uitbater blijkt overigens eveneens uit een aflevering van De Vriend des Vaderlands uit 1832, waarin gezegd wordt dat de belangrijkste Schouwburg van het land zich verlaagd heeft tot een rarekiekkas.
Naar de rarekiek zijn in de achttiende eeuw tientallen politieke pamfletten genoemd. Wat betreft Groningen kennen we De Groninger Rarekiek, die in de jaren 1780 in een reeks vervolgen allerlei vooraanstaande personen te kijk zette. Als gefingeerde auteur werd opgevoerd een Steven Walon en uit een steekproefje bij Google Books blijkt, dat dit de gangbare praktijk was: afgezien van een enkele Savoyaard en Tiroler zijn het altijd Fransen en Walen die als vertellers en explicateurs in deze teksten figureren. Daarbij heten ze in de eerste decennia van de achttiende eeuw nog steevast Harlequin, naar de Italiaanse commedia del’arte-figuur. Dat ze ook wel als zodanig uitgedost zijn, dus met een ruitenpak, blijkt uit een enkele afbeelding. Na 1740 verdwijnt echter de naam Harlequin en daarmee waarschijnlijk ook de uitdossing. Aannemelijk is dat deze ontwikkeling in teksten de werkelijkheid op kermissen volgt.
Toen ik ergens in de jaren 80 de Groninger Rarekiek voor het eerst las, had ik aanvankelijk wat moeite met de taal. Ook die moet ontleend zijn aan de werkelijkheid. Het betreft een met Frans idioom doorspekt koeterwaals dat moeilijk leesbaar is als je geen rekening houdt met het vette Franse accent. De g bijvoorbeeld, wordt zo hard uitgesproken dat ze door een k wordt vervangen, terwijl de h nog wel eens wil ontbreken. Te pas en te onpas valt de uitroep “Fraai Curieus”, waarmee de rarekiekman het waarachtig belang van zijn attractie wilde aanprijzen.
Vooral in de opmaat van de pamfletten komt dit talige aspect tot uiting. Daar wordt vaak even de situatie opgeroepen van de rarekiekman die pas op de kermis is gearriveerd. Zo begint de eigenlijke tekst van Harlequin reysende met zyn rarekiek uit 1709 met:
“Mooy fraai kurieus; wie wil ze kyk,
De raritee, niete gelyk?
Allon messieurs, hier is mervelje,
’t is maar twie duit, ze is nonparelje…”
Een andere Franse Harlekijn heeft in 1732 deze introductie:
“Ik hebbe nou al fer kenoek ketorst en kesukkel met die kas
Ikke wil die pardie ier neersette, op oope of er ook nok wel een liefebbre was,
Fan die fraai curjeus en die foor een liard mon mooi spul wou beskouwen,
O! Ditte is un spul zonder weerka, keloof my fry te koeder trouwen,
Ikke kom daarmee zo rekelrekt fan Parys, die kroote en folkryke stad,
Daar ikke eb lank verkeert en met allerlei folke omkank keadt.”
De gebooren Hollander die in 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, zogenaamd zijn opwachting maakt in Londen, begint zijn verhaal zo:
“Je suis François, moi foi! en ik vertoon parbleus!
Een freemde rarekiek, o die is fraikerjeus! (…)
De vinding is gantsch vreemt, en nieuwerwets van steil,
Zy is sur mein parool! in alles sans pareil!
Kom Engelandertjes! Wilt my nu niet ontwyken,
Gy kunt hier, o zo mooi! door myne gaatjes kyken…”
Dat de toeschouwers geld moesten geven voor ze een blik door de glaasjes mochten werpen, blijkt nog eens uit De vrolyke Walon met de rarekiek-kas op de Amsterdamsche kermis, uit 1782:
“Alon folkje, keef my de handkeld, ze eb nok niete ontfang. Ha! jey, zel jou my keef andkelte? Zegge jy jae.”
De rarekiek-uitbater die in een krom Frans-Nederlands de in zijn kast getoonde actualiteiten becommentarieerde, vormde destijds dus een populaire kapstok voor satire. Aan de ene kant kon je hem personen en toestanden over de hekel laten halen, aan de andere kant hoefde men hem er niet al te zeer op aan te kijken en serieus te nemen. Dat de werkelijkherid van de kermis door zulke satire heen schemert, is mooi meegenomen, want daardoor krijgen we zicht op een professie, waarover anders nauwelijks iets bekend zou zijn..

Recente reacties