De stadsroeper, zijn werk en verdiensten

007

Op een promotieprent uit 1884 staat deze stadsroeper samen met een fantasiefiguur die een lijst spullen omhoog houdt, welke spullen de promovendus – een “fijn en nobel mensch” – straks niet meer nodig zal hebben (zoals een schoteltje voor oogwater). Deze spullen werden zogezegd enkele dagen na zijn promotie bij opbod verkocht voor zijn adres in de Poelestraat, een veiling die de afgebeelde uitroeper dus bij bekkenslag aankondigde.

De vondst van de afbeelding gaf me aanleiding om te zoeken naar een ooit in WP 4,2 aangelegd bestand met gegevens over de stadsroepers van Groningen. Helaas was het onvindbaar. Ik meen dat er de bron voor een instructie in zat, naast wat losse gegevens. De instructie bleek ook niet terug te vinden via de verschillende archieftoegangen op placcaten, ordonnanties en resoluties, maar met een middag werk kwamen er toch wel redelijk wat gegevens boven water.

Zo’n stadsroeper kondigde voor particulieren boeldagen en kleinere verkopingen aan. Een enkele keer hebben we daar zicht op, doordat de ruchtbaarheid via de roeper gecombineerd werd met een bekendmaking in de krant. Zo stuurde de eigenaar van nieuwe oesterputten bij Harlingen eind 1755 wat van zijn oesters naar de Groninger visafslag om potentiële afnemers te overtuigen van hun kwaliteit. Dit voornemen liet hij in de krant plaatsen, maar niet de datum van afmijning, want:

“den dag van de verkopinge zal nader door den gewoonen roeper bekend gemaakt worden.”

In het voorjaar van 1772 was er een hond zoek. Het signalement in de krant ging gepaard met het adres waar het beest naar toe kon worden gebracht:

 “wie dezelve geborgen heeft kan ze bezorgen aan den Stads Uitroeper, zullende een vereeringe hebben.”

Fungeerde de roeper in dit geval waarschijnlijk als contactadres voor iemand die zelf niet in de krant wilde staan, in september 1797 kondigde de krant een verkoping aan van twee paar nieuwe gouden epauletten van de stadsroeper zelf:

“zynde dit dezelve welke op donderdag laastleeden door de Stads Uitroeper (aan wien deeze in eigendom zyn toebehorende) zyn uitgeroepen.”

Zulk werk deed de stadsroeper nu ook voor de stad. Daarbij zal het vooral gegaan zijn om executieverkopen en veilingen van in beslag genomen onderpanden. Voor dit en nog weer ander stadswerk (waarover straks meer) ontving de stadsroeper een traktement uit de stadskas en daarom vinden we de namen van de stadsroepers in de stadsrekeningen terug:

Jaren: Naam: Bijzonderheden:
1561-1568 Lambert Hassinck
1568-1570 Johan Hoedt Zoon van de vorige, later  opzichter van de drekstoep en hoornwachter op de Martintoren.
1571-1580 Berent van Winsum
1580-1594 Johan Arens In 1594 als katholiek afgezet door het nieuwe, gereformeerde stadsbestuur?
1595-1606 Vastert van Metelen (Dasart) Eerder hoornwachter op de Martinitoren.
1607-1628 Wessel Hindricks
1629-1639 Ubbe Pieters Verdiende een traktement van 25 Emder guldens oftwel ruim 28 gulden per jaar.
1639-1672 Hindrick Willems (de Roeper) Kreeg bij rekest en apostille van 3 april 1644 gedaan dat zijn traktement verhoogd werd tot 50 gulden per jaar.Bij Brede Raadsresolutie van 31 maart 1659 werd dit nogmaals verhoogd tot 75 gulden per jaar en in 1667 nog eens tot 100 gulden per jaar, “mits dat hij de pleijne  ende de horn omtrent de secretarije tijdtlijx wel sal reijnigen”. In 1673 tekende (voogd?) Coenraat Redeker voor Willems’ laatste traktement.
1674-1683 wed. Hindrick de Roeper Weduwe van de vorige.
1684-1724 Jan Thijes Op 31 juli 1683 besloot het stadsbestuur het traktement met 15 gulden per jaar te verhogen “voor ’t schonen van de pleyn”. Het bereikte daarmee de maximale hoogte, die het zelfs na 1800 nog had.  In 1724 tekende (voogd?) J. Zuiderhof voor Thijes’ laatste traktement.
1724-1737 Sijben Boneschans Boneschans ontving zijn traktement getuige zijn kwitanties (mede) voor “vuur buieten” op het raadhuis. In 1737 tekende een J.A. Pijper (voogd?) wegens het laatste kwartaal.
1737-1758 Thomas Hoflander Mogelijk afkomstig uit brouwersgeslacht. Schreef op zijn kwitanties dat hij zijn traktement (mede) ontving voor het “bueiten van vuir op het statshuis”.
1759-1765 Jan Terveen
1766-1797 Christiaan Engberts Bewoonde een eigen huis aan de Nieuwe Boteringestraat. Zijn laatste traktement was dat vanwege het eerste kwartaal 1797. Engbers werd mogelijk afgezet wegens zijn orangistische overtuiging. In 1803 verkocht zijn weduwe de woning.
1797-1824 Douwe van der Werp Gezien het aanstellingsjaar een patriot. Het lijkt erop (zie boven) dat hij vlak na zijn aantreden gouden epauletten voor zijn outfit had aangeschaft, maar dat dit niet op prijs werd gesteld en dat hij ze daarom maar verkocht. Hij ontving in 1806 nog een traktement voor driekwart jaar, maar staat daarna niet meer bij de stadsofficianten in de stadsrekeningen. Hij overleed in 1824 op 72-jarige leeftijd en werd toen nog wel “uitroeper” genoemd, maar was tevens leedaanzegger. Hij bewoonde een eigen huis aan de Carolieweg zz, dat na zijn dood door zijn weduwe werd verkocht.
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1700 (verzameling Kuiken) inv.nr. 1 – lijst stadsofficianten; Toegang 1605 (stadsbestuur 1594-1816) inv.nr. 332 (stadsrekeningen); en idem inv.nr. 332b (bijlagen bij de stadsrekeningen); met nog enkele via internet gevonden bijzonderheden (zie de links).

Zoals in de kolom met bijzonderheden is te zien, stond op de kwitanties van Boneschans en Hoflander dat ze hun traktement ontvingen als “vuurbuiter” of “vuirstooker” op het stadhuis. Waarschijnlijk ging het slechts om een neventaak, maar wel een die al behoorlijk oud was. In zijn rekest van 1644 voerde Hindrick Willems immers aan, dat hij zijn uiterste best deed bij het werk “wegen ’t Heeren Huijs”, en dat hij daar zelfs een meid voor in dienst genomen had. Het is moeilijk voor te stellen dat hij zijn kerntaak, het eigenlijke roeperswerk, door haar liet doen. In de meeste kwitanties werden deze officianten ook uitsluitend aangeduid als stadsroepers en je mag dan aannemen dat deze kant van het werk het voornaamste motief voor bezoldiging door de stad  vormde.

Interessant is dat Willems in 1644 ook meldde

“dat het roepen soo veel als wel voormaels (doordien dagelijx weinich voorvalt) niet kan opwerken”

Er zat dus wat de klad in zijn belangrijkste werk. Inderdaad trokken het stadsbestuur het traktement op en deed het dat later nog een paar keer, zonder die besluiten te motiveren. Bij de verhoging van 75 naar 100 gulden in 1667 gold als voorwaarde dat de stadsroeper “de pleijne (= Brede Markt) ende de horn (= hoek) omtrent de secretarije tijdtlijx wel sal reijnigen” en in 1683, toen er nog eens 15 gulden bij het traktement op kwam, werd deze extra taak nog eens uitdrukkelijk aangestipt.

Van 1683 tot 1806 ontving de stadsroeper van stadswege dus 115 gulden per jaar. Nu bedroegen de minimale kosten van levensonderhoud met burgermanspot destijds een 150 gulden. Die 115 gulden van het roeperstraktement kan je dan beschouwen als te weinig om van te leven. Duidelijk is dat de stadsroeper niet alleen van dit traktement bestond, maar een onzichtbaar deel van zijn inkomsten uit de markt haalde. Afgaande op de stadsrekeningen, hield het traktement van stadswege in 1806 helemaal op. Mogelijk was Douwe van der Werp om die reden tevens actief als leedaaanzegger.

Al met al moet de stadsroeper in die vroegmoderne periode toch redelijk hebben verdiend. Dat blijkt indirect ook wel uit het ‘equivalent’ dat hij voor het aanvaarden van zijn ambt moest betalen. Die som bedroeg 200 gulden, evenveel als neergeteld moest worden door onder meer de stadspander, de stadsschulte, een stadsmakelaar en de groen- en de visschrijver, maar meer dan werd betaald door een stadsbode, de gildrechtsdienaar en zeven van de acht poortiers. Dat een stadsroeper niet tot de allerarmste burgers behoorde, blijkt ten slotte ook uit de twee laatste roepers uit de tabel: beiden beschikten over een eigen huis, waar arbeiders en armen doorgaans in een huurwoning zaten.

Vier kwitanties:

Hindrick Willems 1645

Hindrick Willems, 1645

 Jan Thijes, 1683.

Jan Thijes, 1683.

 Sijben Boneschans, 1724.

Sijben Boneschans, 1724.

Thomas Hoflander, 1738.

Thomas Hoflander, 1738.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.