Over de lokale Friese pers en zijn invloed (1898)
Geplaatst op: 31 mei 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Media Een reactie plaatsen“Of wij in Friesland gebrek aan couranten hebben! In schier elke gemeente van eenig aanbelang is wel eene drukkerij met eene redactie te vinden, die de omstreken afweidt, van plaatselijke nieuwtjes eene mooie verzameling per week aanlegt en voorts de lezeren van alle goede en kwade zaken op de hoogte houdt. In den slapsten tijd verschijnt er somwijlen een half blad. (…)
De kleine of locale pers is soms neutraal, soms partij-orgaan. In het eerste geval is zij in de plaats gekomen om langs burgerlijken stand, familie- en geboorteberichten ellen- en urenlange boerenvisites te rekken, babbelenden ouden vrouwtjes gebogen over „warme stoof en breikous” een nooit eindigende en goedkoope praatstof aan te bieden, want allen kenden den omtrek van ouder tot ouder en de geslachten van tien en meer personen tot in het zesde en zevende lid. Een dorp van duizend zielen, omringd als eene moeder door hare kinderen van kleinere met driehonderd tot vijftig jonge en oude Friezen en Friezinnetjes is de toonaangever (of liever geefster!) van de landstreek. En op die wijze zou men onze provincie gemakkelijk in sferen van invloed kunnen verrdeelen, sferen waarbinnen ieder blaadje promeneert en domineert en als een koninkje (of koninginnetje!) den gouden scepter zwaait.
Het is onbegrijplijk hoe de menschen aan zulke kleine courantjes hangen! Naast den almanak is het dan ook menigmaal het eenigste geestesvoedsel dat de hongerige nieuwtjes-verslindende zieltjes bereikt. Denkt u zich, waarde lezers! op een hoogte een huisje, vanwaar rechts en links modderwegen gaan naar bouw en akkers, maar die b.v. nu met de vooreinden onder water liggen, dan is het in de huisgezinnen, die op de groote ruimte wonen van de mieden of maden, een oogenblik van gewicht als iemand van de naastlegers op groote klompen of in laarzen komt aangebaggerd met de courant. Van stukje tot beetje wordt alles nagelezen en uitgeplozen en naar kennis en bekwaamheid beoordeeld. En geen wonder! De dagen zijn zoo kort en de avonden zoo lang en – lang niet allen hebben nog een kleine bibliotheek in huis. (…)
Doch de pers, de partiidige organen? In verkiezingsdagen kon men eerst met recht bewonderen welk eene uitstekende macht die courantjes vertegenwoordigen en hoeveel gewicht ze in de schaal kunnen leggen als ze door een bekwaam politicus worden geleid. Bijna alle partijen hebben in de acht districten een spreektrompet. Met hoeveel zorg zien wij in die dagen de mobiel-verklaring van het leger kiezers voorbereid! Met welk een ongeëvenaard talent gaan die redacties te werk om over alle plaatselijke hinderpalen en beletselen heen naar het doel te streven! Waarlijk, wie de beteekenis van eene kleine pers wil begrijpen moet in den verkiezingsstrijd eens waarnemen, hoe zij aan den arbeid is.”
—
Bron: ‘Brieven van een Fries’ CCIX, Nieuwsblad van het Noorden 25 december 1898.
De balder- of ballebusse: vermaak van Drentse kwajongens
Geplaatst op: 29 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
Vanmiddag was de presentatie van Werk van eeuwen, een boek gebaseerd op gesprekken met Tjalling Waterbolk, de bekende archeoloog en landschapsbeschermer.
Hij is van de generatie van mijn vader, en we komen allebei uit hetzelfde dorp: Havelte. Volgens het eerste hoofdstuk in het nieuwe boek groeide Waterbolk er tussen 1924 en 1942 op, in mijn geval gebeurde dat ruim dertig jaar later.
Dan ga je vergelijken en daar komen overeenkomsten en verschillen uit. Een overeenkomst is dat we beide ons vertier vonden in de overvloedig aanwezige natuur, het zwerven in het veld, het hele einden fietsen. De huppies of primitieve blaasinstrumentjes die hij in het voorjaar van jonge lijsterbesscheuten maakte, leerde ik ook maken van een buurman, alleen noemden wij ze uppies, zonder h. We zongen er min of meer hetzelfde klopliedje bij. Nog iets wat we gemeen hebben: het ’s zomers logeren bij Groninger familie, waardoor je verschillen in landschap en geuren op gingen vallen: voor zowel Waterbolk als mij is kamille typisch Gronings, ook in mijn tijd zag je dat spul nauwelijks in Zuidwest-Drenthe.
Het verschil: bij mij bleef de natuurbeleving veel meer in het globale steken. Hij viste bijvoorbeeld veel vaker, krijg ik de indruk, wat ook kwam door zijn vader – de mijne viste niet. Zowel met zijn vader als later zelfstandig zocht hij eieren. Ik heb wel eens zitten vissen, maar vond er eigenlijk geen zak aan, en ben ook wel eens met buurjongens meegeweest om kievietseieren te zoeken, maar dacht al gauw dat ik wel wat beters te doen had. De jonge Waterbolk was ook veel beter op de hoogte van fauna en vooral flora, dan ik. Ik spaarde dan wel vogelpostzegels, maar zoals de jonge Waterbolk vogels in de natuur aan hun zang kon herkennen, dat was mij absoluut niet gegeven, helaas.
Een grappige overeenkomst betreft de specifiek Drentse proppenschieters. Waterbolk noemt ze “balderbussen”, een naam die inderdaad ook voorkomt in de Drentse woordenboeken van Bergsma (1906) en Kocks (2000). Balderbussen werden in de herfst gemaakt – in Waterbolks jeugd gebeurde dat nog met een uitgeholde vliertak, waarin een stempelstok van eikenhout paste, die eikels of elzenproppen met een knal wegschoot.
In mijn tijd heetten die balderbussen ballebussen – de d en de r waren er dus in die drie decennia uitgesleten. Ook maakten wij als kinderen van de Wederopbouw niet louter meer gebruik van natuurlijke materialen: het vlierhout had bij ons afgedaan. Wij gebruikten plastic buis, om precies te zijn eindjes van een centimeter of 20-25 zoals je ze vinden kon bij een van de vele woningbouwprojecten. Vaak ging het om nogal snel en ruw afgezaagde stukjes. Met een schuurpapiertje haalde je de braampjes af van de buiseinden, die je zo glad mogelijk maakte. Vervolgens nam je een rechte stok die nèt wat dikker en ruim een handbreedte langer was dan de buis. Je sneed er een handvat aan, door met een mesje de rest van de stok af te schillen tot hij soepel door de buis paste. De stempel of kwast aan het andere uiteind van de stok maakte je door met dat uiteind op een straatsteen, stoep of muur te bonken, net zolang tot het voldoende ging rafelen. In beide uiteinden van de buis sloeg of propte je vervolgens eikels. Je plaatste de stempel op het ene uiteind van de buis, zette het handvat van de stempelstok tegen je buik, nam de buis in beide handen en vuurde af door de buis naar je toe te trekken waardoor de stempelstok door de buis ging: vanwege de luchtdruk in de buis schoot de eikel aan de andere kant er met een beste knal uit, terwijl de andere eikel dankzij de stempelstok diens positie innam. Met dit vervaarlijke instrument schoot een buurjongen eens een vogel uit de boom, iets waar niet iedereen even goed over te spreken was. Ik meen dat we aan het maken van deze ballebussen deden tot we een jaar of tien elf oud waren, daarna werd het collectief afgedaan als te kinderachtig.
Ongehoord geval van twee zwaluwen en een mus
Geplaatst op: 28 mei 2015 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Nog ter school gaande, hadden wij onzen weg doorgaans over het Martini-Kerkhof alhier. Als wij nu eens op zekeren dag hierlangs passeerden, trok het getjilp van een mannetjes muschje mijne aandagt tot zich. Aanstonds zag ik nieuwsgierig naar de plaats, vanwaar ik dagt dit geluid te horen en zag het diertje in de grootste vreugde zitten in een nest, ’t welk door zwaluwen aan de vensters der kerk gebouwd was, en ’t welk het scheen ingenomen te hebben, om het voor zich te behouden.
Dan deze vreugde duurde niet lang, maar had weldra voor het arme diertje de treurigste gevolgen. De zwaluwen, aan wien het nestje toebehoorde, en die waarschijnlijk uitgevlogen waren om eenig voedzel of iets anders op te sporen, keerden weder en vonden dezen vreemden gast in hunne wooning. Aanstonds ontstond er een hevige twist in het nest, en het muschje moest de vlugt nemen, doch wierd terstond door een der zwaluwen vervolgd, terwijl intusschen de andere zwaluw naar den grond vloog en iets, hetgeen mij een draad garen geleek, opraapte, en daarmede naar het nest terug keerde: het duurde niet lang, of ik zag de vervolgde musch, nog steeds door de zwaluw agtervolgd, over een daar tegenover staand huis ook terug keren, en, tot zijn ongeluk, in het reeds gemeld nestje vliegen. Hierop hoorde ik weder een hevigen twist in het nestje, welke egter eensklaps door eene diepe stilte wierd afgebroken.
Dan hoe verbaasd stond ik te kijken, toen ik de musch, die uit het nest wilde vliegen, terstond met gemelden draad garen om den hals zag hangen, even als iemand, die geëxecuteerd wierd; in welke houding hij, na eenige beweging gemaakt te hebben, stierf, en er een langen tijd daarna heeft gehangen.”
Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen 1805, pag. 701 (correspondentie via apotheker Tieboel uit Groningen).
Dag bloemen. Dag vlinders. Dag vogels.
Geplaatst op: 26 mei 2015 Hoort bij: Hoogkerk 10 reacties
Zo werd vanmiddag vanaf het fietspad korte metten gemaakt met de prachtige, kruidenrijke begroeiing op onze slootwallekanten. Alleen bij wat paaltjes staan nog wat polletjes, die men zeer binnenkort vast met de zeis gaat verwijderen.
Delfzijl afgewezen als marinehaven
Geplaatst op: 25 mei 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Onze marine heeft wel wat met Delfzijl”, zo heet het in een reportage over het Pinksterfeest in die plaats. Marinemensen zouden graag in de Groningse havenstad komen.
Indien waar, is dat wel eens anders geweest. Toen er in 1796 een tweede nationale marinehaven moest komen, deed Bacot, een afgevaardigde van Groningerland, in de Nationale Vergadering (het Bataafse parlement) een goed woordje voor Delfzijl. De commissie die over de opties moest rapporteren, liet echter na Delfzijl te bezoeken. Vervolgens wees de municipaliteit, het patriotse gemeentebestuur van Delfzijl, de nationale afgevaardigden tot twee maal toe op een “zoo dikwerf vergeeten plekjen aan de boorden der Eems”. “Dit plekjen”, zo schreef het,
“is Delfzyl, ’t welk by verbeterde omstandigheden een onberekenbaar gemak, voordeel en aanzien aan Neerland zou kunnen verschaffen. De revier de Eems, welke aan den voet van onze fortresse langs stroomd, is een der geschiksten rivieren van dit waerelddeel voor de zeevaart: men vind er overal den besten ankergrond, de veiligste schuil- en legplaatsen, en tevens word men beveiligd door de batteryen langs den dyk. Slechts eene kleine droogte is er, de Westerbalge genaamd , waar echter by peil laag water 3,5 vadem water is; maar by hoog water met gewoonlyke ty 31 voet (= 9 meter). Voor het overige is de rivier zeer diep, cn dc zwaarste oorlogscheepen kunnen tot aan Delfzyl naderen. Ja zelfs de grootste schepen op onze ree voor hun anker zwaaijen en draaijen. En waar is er veiliger zeegat in de Republiek, om binnen te zeilen, dan dat van de Eems? De haven van onze plaats, zoo verzuimd en verslykt als dezelve thans ligt, laat by hoog water schepen binnen van 15 voet (= 4,5 meter diepgang); doch dewyl dezelve slechts met slyk en geenzins met zand bezet is, zoo kan ze met weinige kosten zodanig opgeruimd cn gemaakt worden, dat er de oorlogschepen gcrustelyk. in deszelfs boezem kunnen schuilen.”
Het welsprekende pleidooi van de Delfzijlsters mocht niet baten en net zomin deed dat een tweede brief. Delfzijl lag te dicht bij Pruisen, en het belang van het economische zwaartepunt Holland sprak natuurlijk ook een woordje mee. De keus viel op Medemblik.
Havelte rond
Geplaatst op: 25 mei 2015 Hoort bij: autobio, Drenthe 18 reactiesOp het fietspad erheen treft een sterke meidoorngeur:

Vanaf een zandweg bij de Boskampbrugweg:

De Oude Vaart of Beilerstroom bij Ettelte. Hier ongeveer leerde de generatie van mijn vader zwemmen:

Dat was naar het noorden gezien, dit is de blik naar het zuiden, waar het riviertje nogal dichtgroeit:

Brugwachtershuis bij de Havelterbrug:

Oostkant van het oude streekdorp:

Kerktoren:

Het Eupen Bargien. Vroeger dachten de ouwe Havelters dat het hier spookte. Het is een grafheuvel uit de Bronstijd, ongeveer 3400 jaar oud. Vlakbij had mijn grootvader zijn bijen staan op grond van de familie Kroonenburg:

Stukje opgegraven smalspoor van het ‘Tom Poeslijntje’ uit de oorlog, toen de Duitsers hier in de buurt een vliegveld hadden. Rondom liggen nog de bomkraters van het tapijtbombardement van 24 maart 1945 (mijn opa was op die dag jarig):

Paadje:

Hier en daar bloeit de brem bij bosjes:

Verse kegels:

Het Gat van Berend Boer, zoals wij het als jongens noemden, alias ‘Het Finse Meertje’ zoals het abusievelijk op ansichtkaarten staat. Zandafgraving waar de Duitsers met dat smalspoor zand voor de aanleg van hun vliegveld lieten weghalen:

We gingen met een stel jongens hier een keer op een zandkop zitten. Bleek er vlak achter ons een nest met adders te zijn. We maakten dat we wegkwamen. Bij terugkeer bleek er niets meer te zien.
Jong eikenloof:

Holtinge:

De Meeuwenkolonie, waar geen meeuw meer vliegt. Plas ontstaan door lage veenderij. Was als jongen een keer om dit meertje heen aan het struinen, springt er anderhalve meter van me af een reebok uit de dekking, vlak langs me heen. De schrik van mijn leven – zoiets vergeet je nooit weer!:

Cirkel van dennenappels rondom de boom, ik zou haast denken: door mensenhand gewrocht:

Hier keek ik vreemd tegenaan: naaldbomen met een natuurlijk gazonnetje eronder:

Schaapskudde:

Veel vertier bij de hunebedden:

Bij het Schier achter Darp:

Aan de Oosterbrink, de kern van het oude Darp of Westerhesselen, deze tweelingschuur:

Monument voor een neergeschoten Franse spitfire-piloot:

Oorspronkelijk stond dit nagenoeg onbereikbaar midden in het land, maar de plaatselijke historische vereniging verwierf een stukje grond dichterbij de Van Helmomaweg, waar het monument toen naar toe verplaatst is. Er staan rododendrons omheen, terwijl een dubbele boomcingel naar de oorspronkelijke plek leidt. Ik vind het echt heel mooi gedaan.

Doorkijkje naar de Havelter molen:

Boerderijen bij Busselte:

Vanaf de Bisschopsberg gezien:

Ooievaar met jongen aan de Veendijk:

Middagster rondje
Geplaatst op: 23 mei 2015 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesOok afgezien van de kiekendief was het gister een mooi rondje fietsen. Soms denk ik dat ik uitgekeken ben op de Middag, dat het gedeelte van het Westerkwartier tegen het Reitdiep aan. Maar dan doen zich toch nog dingen voor, die eerder onopgemerkt zijn gebleven.
Bij de driesprong Noodweg-Zijlvesterweg, ten noorden van Hoogkerk, ligt een onbehuisde wierde. Normaliter is die vrij moeilijk in beeld te brengen, maar nu werd er gehooid, waardoor het reliëf extra goed zichtbaar is:

Bij de Zijlvesterweg voorbij Slaperstil – meerkoet met pullen:

Een hekje aldaar:

Scholekster met afgesleten snavel:

In Oostum was rietdekker Kiers uit Oudeschip aan het werk:

Elzenhaantje bij Aduarderzijl:

Bloesem, Aduarderzijl:

Dorpsgezicht Feerwerd:

Wapenschild met adelaar op grafsteen, Feerwerd:

Dorpsgezicht Garnwerd:

Een wisselend bewolkt arcadia bij Hekkum:

Siësta:

Koeien aan de dijk:

Op de Hoge Paddepoel zo’n dertig, veertig zwanen op een kluitje (ik dacht dat ze dit alleen bij vorst en winterdag deden):

Beetje dichterbij:

Even op bezoek in de Grouwelderij:

Kluftenstrijd rond de Witlattensteeg
Geplaatst op: 23 mei 2015 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 1 reactieBij welke nabuurschap hoorden de kamers van Braden Appeltien eigenlijk? Een verhaal dat het historische belang van burenhulp demonstreert èn relativeert.
Ca. 1765-1770 worden er opmerkelijk veel nieuwe ‘kamers’ (dwz eenkamerwoninkjes) in en om de stad Groningen gebouwd. Buiten de Oosterpoort geschiedde dit bijna uitsluitend in het hovengebied, en wel primair aan de Houtzagersteeg en langs de Griffe. Bij elkaar genomen vormden deze eenvoudige woninkjes de kiem van een sloppenwijkje, dat nog een lang leven beschoren zou zijn.
De redenen dat deze schamele stulpjes hier toendertijd neergezet werden, liggen voor de hand. Enerzijds was er nog volop ruimte in het hovengebied, waar de bouwregelgeving soms ook wat minder strikt gehandhaafd werd. Anderzijds sloegen hof-eigenaars door het bouwen van kamers twee vliegen in één klap: ze beurden voortaan huurpenningen èn ze verkregen toezicht op hun siertuinen, die bij nacht en ontij nogal eens door onverlaten werden bezocht, al kon dit positieve effect bij het huisvesten van de verkeerde persoon wel eens omslaan in een jammerlijk tegendeel.
Een steeg die hierboven ongenoemd is gebleven was de Witlattensteeg, die met een bajonet-achtige verspringing ingeklemd lag tussen de Oosterweg en de Merwe, de sloot op de plek waar we nu de Meeuwerderweg aantreffen. De noordoostelijke helft van die steeg nam nog de plaats in van het oostelijke gedeelte van de Polderstraat – aan het uiteind van dit steeggedeelte, waar zich nu wat winkels bevinden, werd omstreeks 1767 een rijtje van drie kamers onder één dak gebouwd, die uitzagen op de Merwe met een dam erin, een wal aan de overkant, het groenland van de Meeuwerd en in de verte de molenrij langs het Winschoterdiep.
De bouwer en eigenaar van deze kamers, Stoffer Jans Pieman, in de wandeling ook wel ‘Braaden Appeltien’ geheten, was herbergier, aanvankelijk in de Koning van Denemarken aan de Rademarkt – waarvan hij de stichter was – en ten tijde van de bouw van genoemde kamers in het veel oudere logement de Karper, dat zich even binnen Klein Poortje bevond, vlakbij het provinciale klokhuis waarvan het belletje op regelmatige tijden de afvaart van trekschuiten in de richtingen Delfzijl en Winschoten aankondigde. Dankzij de wachtkamerfunctie van de Karper voor het reizende volk en zijn pacht van het ‘verlaat’ (de sluis) tussen het Damsterdiep en het Schuiten- of Winschoterdiep moet Pieman goed hebben geboerd. Hij kocht en bouwde wel meer ontroerend goed in de stad en bovendien werd hij meermalen door collega’s in het herbergiersgilde tot ‘olderman’ gekozen, dit ondanks het feit dat hij de schrijfkunst niet machtig was.
Vlak na de bouw en de verhuur van zijn kamers aan de Witlattensteeg, om precies te zijn op 7 maart 1768, vervoegde Pieman zich ten stadhuize met een verzoekschrift, dat voor hem was opgemaakt door een schrijver van professie en dat hij getekend had met een kruisje. Uit dit stuk blijkt dat die kamers nog niet ingedeeld waren bij een van de naberschappen buiten de Oosterpoort – door de bewoners daar ook wel ‘kluften’ genoemd – en dat het uiteind van de Witlattensteeg als het ware nog een soort niemandsland, een witte vlek vormde op de kaart van de naberhulp aldaar.
Voor Piemans huurders had dit nare consequenties. Toen één van zijn kamerbewoners stierf en de twee eerste kluften aan de Oosterweg het niet eens konden worden tot welke kluft die kamers behoorden, moest de president-Burgemeester eraan te pas komen om het Salomons-oordeel te vellen, dat de bewoners van beide naberschappen dan maar gezamenlijk het stoffelijk ovrschot moesten afleggen, kisten, naar het kerkhof dragen, verluiden en ter aarde bestellen.
In het verzoekschrift meldt Pieman dat beide naberschappen inderdaad aan het bevel van de president-Burgemeester hadden voldaan. Alleen zat het hem dwars dat ze de kist niet langs ‘de gewone en gemene passage’ – d.w.z. de gebruikelijke weg over de dam die vlakbij de kamers in de Merwe lag, door de ‘wringe’ (het damhek), over het lage dijkje langs de Merwe, langs het ‘Slijkdiep’ (de Griffe) en de Drekstoep naar het begin van de Oosterweg – hadden gebracht, maar via de Witlattensteeg, naar het zeggen van beide kluften omdat ze geen vergunning hadden om eerstgenoemde route te gebruiken. Daarbij hadden ze vooraf de ‘doodbarve’ (de uit de kerk gehaalde draagbaar) niet zoals te doen gebruikelijk naar de kamer van de overledene gebracht, maar aan het begin van de Oosterweg neergezet.
Het gebruik van de volgens Pieman normale weg zou betekenen dat de eerste naberschap langs de Oosterweg verantwoordelijk zou zijn voor naberhulp in Pieman’s nieuwe kamers aan de Witlattensteeg. Indeling van zijn kamers bij die kluft had ook Pieman’s uitgesproken voorkeur. Vooraan de Oosterweg, zoals gezegd langs de Houtzagersteeg en de Griffe, stonden immers nog meer nieuw gebouwde woningen en die bevonden zich in noodgevallen zoals geboorte, ziekte en overlijden het dichtste bij. Pieman verzocht de heren daarom of ze zijn kamers bij de eerste naberschap wilden indelen en of ze het gebruik van de door hem geprefereerde route voor het vervoer van gestorvenen, ‘als zijnde het naaste kerkpad’, wilden bekrachtigen.
Piemans verzoekschrift werd meteen na de indiening in handen gesteld van een raadscommissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en veruit de machtigste Groninger regent. Vlak voor de ‘bonenkeur’ of regeringswisseling van februari 1769, ruim tien maanden later, was deze commissie klaar met haar werkzaamheden en bracht ze rapport uit aan het volledige stadsbestuur. Dit nam het besluit dat Pieman’s kamers voortaan – anders dan Pieman wilde – onder de middelste naberschap aan de Oosterweg zouden horen en dat de overledenen uit die kamers via de Witlattensteeg ter begrafenis zouden worden gedragen, welke steeg dus als kerkepad dienst zou doen. Jammer genoeg gaven de heren geen motivatie voor deze keuze, daar blonken ze wel vaker niet in uit, maar wellicht heeft het feit dat de eerste naberschap al wat groter was dan de tweede en wat meer dragende mannen omvatte, er een rol in gespeeld.
Een raadsdienaar werd naar de Oosterweg gestuurd om het besluit van het stadsbestuur officieel mede te delen aan de oudste naburen van de middelste naberschap, d.w.z. de mannen van wie het in dit soort gevallen afhing of er een buurtvergadering werd belegd. Deze oudste naburen waren Jan Willems Cramer (vermoedelijk een kleine handelsman), Willem Keizer (de derde moesker van de oostzijde van de Oosterweg) en Tonnis Willems (de tweede moesker aan de westkant), al met al lieden die letterlijk (vanaf hun hogergelegen geografische positie, tegenwoordig tussen de Kroeg van Klaas en Wah Hing) en figuurlijk (qua stand) neer moeten hebben gekeken op de armoedzaaiers die de lager gelegen hoven langzamerhand gingen bevolken, waarmee ik maar wil aangeven dat er ook wel eens een sociaal aspect aan hun onwil kan hebben gezeten. Want men legde zich niet neer bij de beslissing van de heren. Het duurde niet lang of de ‘volmachten’ (woordvoerders) van de tweede kluft kwamen onder aanvoering van Cramer op hun beurt met een verzoekschrift ten stadhuize, waarin ze het stadsbestuur vroegen om de benoeming van een nieuwe commissie ter heroverweging van het besluit. Zo’n commissie kwam er niet. De heren hadden blijkbaar weinig zin om op het besluit terug te komen lieten dit rekest rustig aan de spijker hangen.
Dat betekende niet dat de middelste naberschap het hoofd in de schoot legde, zo bleek ruim een jaar later (voorjaar 1770), toen zich daar tot twee maal toe een sterfgeval voordeed – o.a. van een kind dat in de Oliemolensteeg in de kost was en daar aan de pokken bezweek – en de kamerbewoners van de Witlattensteeg niet uitgenodigd werden voor het verrichten van de naberplichten en het bijgevolg ook niet voor de drinkgelagen achteraf waarop traditioneel halve en kwart tonnen kluin werden geconsumeerd. Pieman kwam toen andermaal op voor zijn huurders en vervoegde zich opnieuw met een klacht bij de heren, die wederom een raadsdienaar op de tweede kluft afstuurden met de boodschap dat men andere maatregelen zou nemen als het niet afgelopen was met die halsstarrigheid.
Deze raadsdienaar stapte naar Pieter Takens, de eerste moesker aan de westzijde van de Oosterweg, die fungeerde als ‘breukmeester´ (inner van entreegelden plus boetes, kasbeheerder) van de tweede naberschap. De raadsdienaar kreeg van Takens te horen dat diens kluft ‘finaal’ weigerde om aan het door de heren genomen besluit te voldoen.
En dat betekende hommeles. De heren vonden het nu welletjes met dat eigenwijze volkje buiten de Oosterpoort en vroegen hun ‘fiscaal’ (officier van justitie) een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar deze ‘disobediëntie’ (ongehoorzaamheid).
De fiscaal ontbood Takens voor een verhoor. De breukmeester ontkende zich in gemelde termen tegen de raadsdienaar uitgelaten te hebben. Persoonlijk kon het hem weinig schelen bij welke naberschap Piemans kamers aan de Witlattensteeg nou eigenlijk hoorden, maar zijn eigen naberschap was in elk geval de mening toegedaan dat ze die kamers er niet bij konden hebben, omdat ze de doden uit die kamers dan over een ‘pendam’ (schutdam in een sloot) en een plank moesten dragen, inderdaad nogal een hachelijk karwei met die combinatie van draagbaar en doodskist. Dat Piemans kamers tot de eerste kluft behoorden stond voor de buren van de tweede kluft buiten kijf, want de buren van de eerste hadden ‘het geld van intrede’ van de kamerbewoners gevraagd en bovendien waren de nabervrouwen uit die kluft ook bij een kraamvrouw in een van Pieman’s kamers geroepen.
Het relaas van de raadsdienaar en het verhoor van Takens door hun fiscaal gaf de heren van het stadsbestuur aanleiding om te laten merken dat het hun menens was. Ze bevestigden hun eenmaal genomen besluit nog eens definitief, waarbij ze ‘een ieder die sulks mag aangaan’ gelastten ‘aan het selve te obediëren en sig stiptelijk daar na te reguleren’.
Breukmeester Pieter Takens werd wegens ongehoorzaamheid veroordeeld tot een daalder boete, die hij binnen acht dagen aan ‘de gemene armen’ diende te voldoen. Getuige een kwitantie en een post in de diaconierekening betaalde Takens juist op tijd. Van enigerlei problemen bij de buiten-Oosterpoorter naberschappen is nadien geen sprake meer.
Harry Perton
Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van ? 1994. Met dank aan mijn ‘oomzegger’ E. voor het uittypen van de digitaal zoekgeraakte tekst.
Bruine kiekendief op jacht bij Hekkum
Geplaatst op: 22 mei 2015 Hoort bij: Dieren 8 reactiesVlakbij Hekkum, in gebied van het Groninger Landschap, zag ik een bruine kiekendief ‘hoveren’ boven lang gras. Op de voorgrond keken twee volwassen hazen toe:

Maar zij waren duidelijk niet de beoogde prooi, want de kiekendief maakte geen aanstalten in hun richting. Hij hing een eindje verder in de lucht:

En steeds boven dezelfde plek, die buitengewoon interessant moest zijn:

Misschien dat de jongen van de hazen daar zaten. Of anders jonge vogels. Maar die hielden zich dan bijzonder gedeisd. Af en toe vloog de kiekendief hoger op:

Om dan weer naar dezelfde plek terug te keren:

Crop van de vorige, waaruit blijkt dat een van de volwassen hazen meer op de fotograaf zat te letten:

Shotje kiekendief tegen de vrije lucht:

Na deze vloog hij – het betreft een volwassen mannetje – onverrichterzake weg om niet terug te keren.

Met dank aan Afanja voor de gezaaide twijfel en Wim van Boekel voor het definitieve uitsluitsel dat het een bruine kiekendief en geen buizerd betrof (zoals ik eerst meende).
Waarom de draak verdween uit het wapen van Ripperda
Geplaatst op: 20 mei 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Sint Joris en de draak op de kerk van Westerlee.
Geloof het of niet, maar ik was vanavond naar een erg boeiende lezing van Redmer Alma over de grafstenen van Farmsum.
Een heleboel van de zerken daar zijn/waren van de familie Ripperda, het plaatselijke hoofdelingengeslacht, dat vanuit hun tamelijk grote borg Farmsum en bijkomende dorpen, bijvoorbeeld Weiwerd, als een Heerlijkheid bestierde. Ze hadden er alle rechten, het alleen voor het zeggen in zaken van kerk, recht en waterstaat.
Aan het wapen van die Ripperda’s heb ik hier wel eens aandacht besteed. Het betreft een houwdegen met zwaard in de aanslag op een steigerend peerd.
Blijkt dat er tot in de vijftiende eeuw een draak onder die rossinant lag. Het was dus eigenlijk een Sint Joris, die ridder op dat paard.
Maar waarom verdween de draak? Zonder draak toch geen Sint Joris?
Volgens Alma gebeurde dat in die periode veel meer. Ook op andere adellijke familiewapens met Sint Joris in het blazoen verdween de draak.
Waarom? Alma dacht dat de ruiterfiguur met het verdwijnen van de draak uit het schild meer prestige kreeg zonder beeldconcurrentie, en dat de drakenhaters met die opruiming dus hun prestige hebben willen vergroten.
Overigens verdween de draak niet helemaal uit de heraldische ornamentiek der Ripperda’s. Ze promoveerden hem weg tot boven hun schild, als helmteken. Maar in die rol had ik draak nog nooit gezien, blijkbaar gold dat als facultatief, voor als er ruimte voor was, of er iets ceremonieels moest gebeuren.
In elk geval deed Sint Joris in Farmsum vergaand af, terwijl het in de schilderkunst ook nadien nog lang stikte van de Sint Jorissen, allesbehalve gemankeerd, maar compleet en al met draak.
Je zou er een vroom katholiek volksverhaal over hovaardij bij kunnen verzinnen. De Ripperda’s van Farmsum, die de draak en daarmee Sint Joris op de mestvaalt der geschiedenis schoven en naderhand fanatieke geuzen werden, zodat ze moesten vluchten naar Oost-Friesland, gingen nogal vaak zwaar berooid dood, vooral de vrouwelijke (akelige verkwisteressen waren dat).
Voor het overige stierven de Ripperda’s hier helemaal uit. Hun Heerlijkheid Farmsum ging nog in de zeventiende eeuw over in andere handen.
Net goed!
Heb ik weer: een UFO
Geplaatst op: 19 mei 2015 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk, Onlanden 280 reactiesIk zag vanuit mijn raam verschrikkelijk mooie luchten, ergens boven de Onlanden, maar wilde eerst de regen afwachten:

Die al minderde:

En minderde:

Zonlicht, het sein om te gaan:

Wat is alles lekker fris na zo’n bui:

De telefoontoren aan de Peizerweg werd mooi uitgelicht, helaas iets te kort om er dichterbij een lantaarnpaalloze plaat van te maken:

Bij het transferium Hoogkerk:

Bomen waar je normaal aan voorbij gaat:

Het bomenlaantje van de Langmadijk:

Spektakel boven de Matsloot:

Opeens flitste er iets. Ik dacht eerst mijn toestel, maar de flitskap stond niet omhoog. Ook zat er geen druppel op mijn lens. Ik besloot dat het een bliksem moest zijn geweest. Maar thuis zie ik wat vreemds op een van de foto’s die ik aan het eind van het bomenlaantje maakte:

Een UFO:

Muziek!
Ommetje Matsloot – Leegkerk
Geplaatst op: 17 mei 2015 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk 6 reactiesZijtak Eelderdiepje nabij Drentse uitloper Stadspark:

Ontluikende Onlander distel:

Roerig water:

Hooiweg Roderwolde:

Talud van het viaduct over de A7, Matsloot:

Zelfde plek, wat dichter bij

De boomgaard van voorheen Kweeklust, Aduarderdiepsterweg:

Alerte paarden aan de Leegeweg, Leegkerk:

“Men sil my vast met ontank wol betelje”
Geplaatst op: 17 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Als een politieke eendagsvlieg, zo valt Gerrit Tietema (1742 – 1818) van Norg te typeren. Begin 1797 dook hij op als Landdagcomparant en correspondent van de Onverwachte Courier, om een jaar later uit beeld te verdwijnen. Waar kwam hij vandaan, wat was zijn positie te Norg, welke opvattingen verkondigde hij, met wie maakte hij ruzie en waaruit bestond zijn achterban?
Een van de tientallen ‘opinieweekbladen’ die na de Bataafse revolutie nationale eenwording en democratisering bepleitten was de Onverwachte Courier. Van oktober 1795 tot juni 1798 verscheen dit geruchtmakende ‘Jacobijnse’ periodiek in Groningen. De uitgever en drukker zorgde voor een ruime verspreiding; bij boekhandelaren in geheel Noordoost Nederland was het blad te koop, bijvoorbeeld bij Van Buuren-Lensink in Meppel. Ook liepen er venters mee rond. De verkoopprijs bedroeg een stuiver, wat voor een arbeider of kleine ambachtsman aan de hoge kant was, maar een sterke afzet toch niet in de weg stond.
De redactie van de Onverwachte Courier, die voortkwam uit enkele radicaal-democratische Groninger clubs, vroeg meteen in het eerste nummer al om bijdragen van “alle ware Vaderlanders en fraaye vernuften”. Deze inzendingen moesten dan wel “naar den vatbaarheid van den middenstand geschikt” zijn. Het blad bevatte zo ook stukken van Drentse correspondenten. Meestal bedienden deze zich van schuilnamen, soms van initialen. Een uitzondering vormde Gerrit Johannes Tietema uit Norg, die vijf maal een bijdrage leverde, waarvan twee maal onder zijn volledige naam, twee keer onder initialen, en één maal onder vermelding van louter de plaatsnaam, maar daarbij wel zijn hand verradend. In vergelijking met andere correspondenten was deze Tietema dus niet bang uitgevallen. In de tijd dat hij zijn bijdragen schreef (1797/1798) bleek hij ook nog eens lid van de Drentse Landdag (= provinciale staten) namens Norg. En omdat er over radicale Drentse patriotten maar weinig bekend is, maken deze feiten hem een biografietje waard.
Gerrit Johannes Tietema was een nieuwkomer in Norg. In 1742 werd hij geboren te Donkerbroek, Friesland, als zoon van een weinig bemiddelde koopman. In de tweede helft van de jaren 1760 vestigde Gerrit zich in het Drentse kerspel, waar hij anno 1771 trouwde. Hij en zijn vrouw betrokken op het Norger oosteinde een huis en kregen er twee zoons, waarvan alleen de oudste bleef leven.
Net als zijn vader en zoon was Gerrit Tietema koopman, winkelier en “kremer”. Hij handelde in van alles en nog wat: blauwbontgoed, doeken, garen en band, klompen, gespen, mesjes, spijkers, dakstro, zout, zeep, kruiden, haver en gort. Ook leverde hij “bonte steentys” voor de kosterij. Naast het magazijn, waarin deze goederen opgetast lagen, had hij een tapperij. Soms trad hij bovendien op als heelmeester. Zo genas hij eens een “zwullen dum” van een bedeelde.
Van al zijn verdiensten hield Tietema genoeg over om met een zekere regelmaat in vastgoed te kunnen investeren. Meestal ging het om lapjes bouwland, die hij verpachtte. In elk geval schatte men zijn vermogen in zijn politieke hoogtijdagen op 5100 gulden, zodat hij nog net op een lijst van de 34 rijkste ingezetenen van het kerspel Norg terecht kwam. Een heer als Joachim Lunsingh Tonckens van Westervelde stond natuurlijk ver boven hem, evenals bekende eigenerfde boeren als Egbert Pelinck en Roelof Hofsteenge. Wat betreft de middenstand sloeg Tietema echter geen gek figuur, getuige bijvoorbeeld het vermogen van de grootste timmermansbaas Abel Karst, eveneens 5100 gulden. Het gros van de bevolking keek in elk geval tegen hem op, tenminste, als het om vermogen ging.
De opvattingen waarvan Tietema in de Onverwachte Courier blijk gaf, stempelen hem tot een volksdemocraat, een aanhanger van de leer der volkssouvereiniteit. Naar Tietema’s mening hoorde de oppermacht toe aan het volk. Het volk moest tot zijn vertegenwoordigers kunnen kiezen wie het maar wenste, en ook bezat het volk het recht die vertegenwoordigers op te dragen wat het maar wilde. Week een representant van zijn lastgeving af, dan was hij strafbaar.
Hoe die ideologie in de praktijk uitwerkte, blijkt uit de twee stukken, die Tietema schreef naar aanleiding van het nationale referendum van 8 augustus 1797, waarbij een eerste ontwerp-constitutie aan de stemgerechtigden in de grondvergaderingen voorgelegd werd. Dit ontwerp, bijgenaamd ‘het dikke boek’, was een moeizaam compromis, waarbij federalistische uitgangspunten de doorslag hadden gegeven, hoewel er op het punt der ineensmelting van de nationale schulden een concessie was gedaan aan het democratische eisers van een eenheidsstaat.
Tietema nu, laakte in een stuk, dat op de dag van het referendum voorop de Onverwachte Courier stond, vooral het tijdstip waarop het referendum werd gehouden. Daarbij suggereerde hij dat de Nationale Vergadering (het Bataafse parlement) de datum zo gekozen had omdat
“…den nijvre landman in al dien tijd genoegzaam van zijne noodzakelijke bezigheden niets kan aftrekken”.
Op de inhoud van het dikke boek ging Tietema kort in. Volgens hem respecteerde het de rechten van de mens en burger niet en gaf het evenmin aanleiding tot bezuinigingen en lastenverlichting. “Zo kan ydereen ligt begrijpen geen ja te moeten zeggen”, luidde zijn stemadvies.
Voor het referendum bood de burger te Norg op dat uiterste moment nog een alternatief: democratie van onderop. Weliswaar was het ontwerpen van een grondwet aan de Nationale Vergadering (het parlement van de Bataafse Republiek) opgedragen, maar op de dag van het referendum vormden de grondvergaderingen van stemgerechtigde burgers gezamenlijk de souverein. Als de stemgerechtigden in elke grondvergadering de koppen bij elkaar staken, het ontwerp naar hun eigen inzichten aanpasten, vervolgens vertegenwoordigers kozen die per provincie bij elkaar kwamen, en daarna de vertegenwoordigers van de gewesten in nationaal verband een compromis bewerkstelligden, kon men dat compromis uiteindelijk alsnog aan de grondvergaderingen aanbieden, met wellicht een positieve uitslag:
“Mooglijk denken veel dat werk is te omslagtig, dat moet veel te veel kosten, maar medeburgers! weest verzekert dat zit een veel zekerder, korter en min kostbaarder weg is, of dezelve door een Commissie uit de Nationale Vergadering gemaakt zal worden. En dan nog onzeker of dezelve werd aangenomen.”
Uiteraard kwam hier niets van. Wel verwierpen de stemgerechtigden het voorliggende grondwetsontwerp met een overweldigende meerderheid. De tegenstemmen kwamen vooral van democraten, en daarnaast, maar in veel mindere mate, van aartsfederalisten. Alleen gematigde federalisten stemden voor, omdat de oorlogsvoering huns insziens om een krachtdadig bestuur vroeg.
Drie maanden later kwam Tietema nog eens op het referendum terug. Juist in die periode (oktober 1797) bestookte men een nieuwe constitutiecommissie met allerlei petities. In Drenthe circuleerde er voornamelijk een federalistische tekst, waarvan copieën door de Gecommiteerde Representanten (de rechtsopvolgers van Drost en Gedeputeerden) via de schulten naar alle grondvergaderingen waren gezonden. Volgens de landschapsbestuurders hadden de Drenten op 8 augustus juist vanwege de voorgestelde nationale ineensmelting van alle gewestelijke schulden een massaal nee laten horen. De nieuwe constitutie-commissie moest huns insziens daarom niet opnieuw toegeven aan unitarische eisen.
Deze voorstelling van zaken bestreed Tietema. Volgens hem was het eerste grondwetsontwerp verworpen, omdat het de oppermacht van het volk niet eerbiedigde, het de uitvoerende macht te grote zeggenschap gaf, en het niets bepaalde inzake financiële gelijkheid. Op doorreis on Zwolle had hij een unitarisch verzoekschrift aangetroffen, waarvan hij de tekst bij zijn stuk voegde. De bedoeling was duidelijk: het te laten kopiëren en tekenen door gelijkgezinden.
Tietema’s collega’s, de Drentse representanten, bijeenkomend in wat nog steeds de Landdag heette, namen in meerderheid hetzelfde standpunt in als hun bestuurders, de Gecommiteerde Representanten. Enerzijds lippendienst bewijzend aan de nationale eenheid, anderzijds grote bezwaren koesterend tegen alles wat indruiste tegen de oude belastingregeling, waarbij de gewesten ieder op hun eigen wijze hun pappenheimers mochten belasten. Ongetwijfeld had de weerzin tegen fiscale hervormingen ook te maken met angst voor belasting naar draagkracht.
De vertegenwoordigers in de Drentse Landdag werden ook na 1795 nog steeds kerspelgewijs gekozen, zij het niet langer door de eigenerfde grondbezitters, maar door de stemgerechtigden, dat wil zeggen de mannen van 25 jaar en ouder die het Drentse Déclaratoir van 24 september 1795 tekenden, en zich zodoende loyaal verklaarden aan het nieuwe bewind. Toch schortte er in democratisch opzicht nogal wat aan de vernieuwde Landdag. Meppel en Hoogeveen bleven zwaar ondervertegenwoordigd. Meermalen stelden deze “volkrijke” kerspelen voor om tot een evenredige vertegenwoordiging te komen. In april 1797 besloot de Landdag het echter te laten zoals het was, totdat een nieuwe constitutie het binnenlandse bestuur definitief zou regelen.
Over deze perikelen vernemen we merkwaardigerwijs niets van Tietema, die wat betreft de Drentse politiek louter melding lijkt te maken van minder substantiële zaken. Zo bijvoorbeeld “de treflijke resolutie”, genomen door de Landdag van april 1797, die bepaalde dat er voortaan een agenda met de uitnodiging mee moest naar de kerspelen. Kerspelen moesten agenda-voorstellen daarom voor Lichtmis (2 februari) naar Assen opsturen. Het betreft hier een minder ondergeschikt punt dan het misschien lijkt. De oude gewoonte om de agenda pas op de Landdag bekend te maken, gaf immers de mannen in het centrum van de macht, degenen die zich dagelijks met bestuurszaken bezighielden, dat wil zeggen voorheen de Gedeputeerden en nu de Gecommiteerde Representanten, een enorme informatie-voorsprong, die ook maakte dat ze zaken gemakkelijk naar hun hand konden zetten. Kerspelvolmachten kregen op de Landdag onverwachte punten voor hun kiezen en spraken en stemden er naar eigen goeddunken, zonder last en ruggespraak. Achteraf raakte de achterban dan nog eens op de hoogte. Al eeuwen rees er zo nu en dan bezwaar tegen deze gang van zaken, anno 1797 lukte het dan eindelijk om de agenda vooraf bekend te laten zijn, zodat de stemgerechtigden in de kerspelen hun representanten in de Landdag aan een instructie konden binden. Voortaan zou er niets verhandeld worden “dan met voorweten van het gehele Drentsche Volk”.
Toch kwam Tietema naderhand nog met een bedenking. “Doordien de meesten onzer medeburgeren het wezentlijk heil van den lande nog als met een onverschillig oog koomen te beschouwen”, bleven belangrijke zaken liggen. Ook konden er in de zes weken tussen Lichtmis en de gewone Landdag nog dingen voorvallen. Daarom wilde Tietema de nieuwe regeling oprekken, in die zin dat er ook op de eerste vergaderdag nog zaken moesten kunnen worden ingebracht. De representanten dienden deze dan alsnog ter kennis van hun achterban te brengen, voor een nadere instructie.
Stond de correspondent van de Onverwachte Courier te Norg positief tegenover de agenda-resolutie, dat was ook het enige waarover hij zich verheugde. In het algemeen getuigen zijn stukken van een groot wantrouwen jegens bestuurders en ambtenaren.
Zo maakte hij zich in zijn allereerste brief aan de Courier, gedagtekend 6 maart 1797 – op dat moment was hij nog net geen Landdagcomparant – vrolijk over de titels waarmee de nieuwe Drentse machthebbers zich opsierden. Heette De Vos van Steenwijk als voorzitter van de Gecommiteerde Representanten “president van Drenthe”, diens rechterhand Van Rossen gold als “vice-president”. Als goed vaderlander had Tietema een grote hekel aan deze “onduitsche woorden”. Daarom schreef hij zijn bijdrage ook in zijn moerstaal, het Fries. Andere nieuwe heren nam hij eveneens flink op de korrel. Zo gaf hij door dat de Etten (rechters van de Etstoel) er sinds de revolutie behoorlijk in salaris op vooruit gingen:
“…Ik zey: is dat gelijkheit? Ik hab nou al om de twaa jier munisipaal west, en ik krig gin ortsen, en sa nog mier als te vooren? Is dat goed patriotsch? Dan wyt ik het net, en hab dog wel tzien jier de namme van patriot droegen, en mien eek dat ik ien byn. Ik kan jou nog wel meer van dit of dat vertelje, mar ik tink men sil my vast met ontank wol betelje…”
Met die ondank viel het mee. Bij de verschijning van zijn tweede, al wat serieuzere stuk in de Onverwachte Courier (23 mei 1797) was onze Municipaal of vrijwillige kerspelbestuurder inmiddels lid van de Landdag. Hij meldde dat zijn achterban hem een instructie ter hand stelde om daar te helpen bevorderen dat er een onderzoek kwam naar het gedrag van alle Drentse ambtenaren, ook lokale, die vanaf 1748 werkzaam waren geweest. Omdat dit voorstel mede de ambtenaren van het nieuwe bewind gold, was het verstrekkend. In werkelijkheid werd alleen het gedrag van enkele zeer vooraanstaande orangisten vanaf 1780 onderzocht, zonder dat het nieuwe bestuur ze ook maar één haar krenkte. De Landdag van 1797 negeerde het voorstel van Tietema en zijn partij, dat bleef liggen zonder zelfs maar een vermelding in de notulen.
In zijn laatste stuk voor de Courier, getiteld ‘Ronde gedagten over de Drentsche propositieën’ (4 januari 1798), maakte Tietema nog gewag van zeven voorstellen die hij alle zelf in de Landdag ter tafel bracht, en die allemaal “door daartoe expres benoemde Carspels volmagten getekent” waren. Ook deze minderheidsvoorstellen werden grotendeels niet eens in overweging genomen. In plaats van vice-president Van Rossen wilde Tietema de landdag laten voorzitten door een kerspelrepresentant. Van Rossen kon weinig goed doen in democratische ogen, want Tietema vroeg ook om een onderzoek naar diens gedrag, en dat van ambtenaren die hij van malversaties verdacht. Van alle Drentse ambtenaren en hun traktementen moest er zijns inziens een gedrukte lijst komen. De rentmeesters bleven niet buiten schot. Ook hier ging het om oud zeer: de Drenten verbaasden zich er vaker over dat niet één man tegelijkertijd de administraties van domeinen, Dickninge en Assen kon verzorgen. De laatste, maar niet de minste wens die Tietema uitte, betrof de aanstelling van geregelde kerspelmunicipalen, anders gezegd een definitieve regeling voor het plaatselijk bestuur.
Gegeven zijn opvattingen en zijn positie in de dorpsgemeenschap hoeven we niet te verwachten dat Tietema’s leven rustig verliep. Inderdaad was de ene aanvaring met een kerspelkopstuk nog niet voorbij of de volgende diende zich alweer aan. Niet dat we over elke zaak even uitvoerig worden ingelicht, we krijgen alleen zicht op het topje van de ijsberg.
Anno 1797 schreef Tietema, dat hij al wel tien jaar als patriot bekend stond. Hij kwam derhalve voor zijn politieke overtuiging uit in 1787, het jaar dat allerlei burgers zich in hun vrije tijd oefenden in het gebruik van wapens, wat niet verhinderde dat ze als kaf in de wind verstoven toen Pruisische beroepssoldaten orde op zaken kwamen stellen voor Oranje en diens zetbazen, wier positie in Drenthe overigens nauwelijks bedreigd was geweest. Of Tietema zich in die tijd militair bekwaamde is onbekend, maar de Norger kerkeraad weerde hem wel van het avondmaal wegens “openbaare en buitenspoorige dronkenschap en ongehoorzaamheid aan de kerkelijke vermaaningen”. “Tot voorkooming van verdere moeijelijkheeden” kreeg hij een uitgebreide schuldbekentenis voorgelegd, maar die weigerde hij te tekenen, zodat hij nog elf jaar als lidmaat geschorst bleef.
Twee jaar na de kerkelijke bestraffing, in 1789, waren de patriotten politiek monddood. Misschien dat een enkeling zich nog wel eens liet horen, maar die liep dan risico. Welnu, tijdens de Norgermarkt van dat najaar raapte de pander, Albert Willems, een briefje op van straat. “Vieva paterjotten boven” stond er op de ene zijde en op de andere een wraak-aanzegging aan de Oranjeklanten:
“De besste kraajer is niet te goet
al smoort hij in zijn eigen bloed
De paterjot sal weer op staan
de krajers sullen nu vergaan
de kraajers nu weer onder
de krajers na de donder”
Bij deze en gene informeerde de plichtsgetrouwe gerechtsdienaar naar de herkomst van het oproerige vers. En zo kreeg hij te horen dat de tekst die dag gezongen was in de tapperij van Tietema. Ook waren daar “meer andere honende woorden” gesproken. De pander besloot het briefje naar zijn superieur te brengen, schulte Homan te Vries, die het zaakje vervolgens aanbracht op de Goorspraak. Merkwaardig was, dat Tietema daar na de schulte het woord nam, om te melden dat twee onbekende soldaten hem op diezelfde Norgermarktdag met getrokken sabels bedreigden. Geen van beide meldingen kreeg gevolgen, waarschijnlijk omdat bewijzen moeilijk te leveren waren. In elk geval hoeven we noch de hoge, noch de lage gerechtsambtenaar tot de vrienden van Tietema te rekenen.
Na de Bataafse Revolutie bleven schulte Homan en de pander Willems in functie. Dat de oude dorpsverhoudingen nog een tijd ongeschokt bleven, toonde een relletje van november en december 1796. De pander onderschepte toen een verzegeld pakje met papieren, geadresseerd aan “de grondvergadering of municipaliteit te Norgh”, waarvan Tietema lid was. Het pakje bracht de pander naar schulte Homan, die in Vries woonde en dus geen lid kon zijn van genoemd bestuursorgaan. Toch opende Homan het, om de inhoud door te neuzen. Die inhoud beviel hem niet. Zowel hij als de pander zweeg over de schending van het briefgeheim, tot er na zes weken toch enige spraak van kwam en Homan wel gedwongen was om een gedeelte van de papieren met de pander mee naar Norg te geven. De pander bezorgde ze echter niet bij de de grondvergadering, de municipaliteit of het plaatselijke bestuur, maar bij Egbert Pelinck, de eigenerfde die het kerspel nog steeds in de Landdag vertegenwoordigde. Maar Pelinck, erop aangesproken, weigerde de papieren uit handen te geven. Zelfs al zou hij ze in het “secreet” willen gooien, dan moest hij dat weten, zoals hij zei.
Een en ander bleef niet zonder gevolgen. In maart 1797 kozen de stemgerechtigden van Norg immers Tietema in plaats van Pelinck tot hun representant. Tietema kwam vervolgens aan de weet, dat schulte Homan nog steeds een gedeelte van de papieren achterhield en bracht zijn mede-kerspelbestuurders van dat feit op de hoogte. Deze droegen hem op nog eens bij Homan aan te dringen. De schulte bleef echter weigerachtig, zodat Tietema zich na de democratisch-unitarische revolutie van januari 1798 geroepen voelde, het zaakje te melden bij het dan aangetreden landschapsbestuur.
Per maart 1797 was Tietema dus representant van Norg in de Drentse Landdag. In mei en augustus woonde hij zittingen bij, zonder al te veel succes, want de meeste van zijn voorstellen nam men niet eens in behandeling. Ook bij de allerlaatste vergadering van de Landdag, eind januari 1798, bleek hij van de partij. Uiterst merkwaardig is dat in de belangrijke tussentijdse Landdag van 12 januari 1798 opeens Joachim Lunsingh Tonckens aanspraak maakte op zitting namens Norg. Volgens de Onverwachte Courier was Tonckens – oud-Gecommiteerde Representant en lid van de Nationale Vergadering – een “tweederangs federalist”. Zijn Drentse partijgenoten konden Tonckens, die tussen zijn Haagse bedrijven door even overkwam, blijkbaar niet missen. Zonder slag of stoot ging de vervanging van Tietema door Tonckens echter niet, getuige de notulen:
“voorts in deliberatie gebragt zijnde of J.L. Tonckens van Westervelde representant van Norg als nieuw aangestelde volmagt op dese recesvergadering zijne geloofsbriev zou moeten produzeren, is na ingenomene stemmen verstaan dat de Burger J.L. Tonckens sessie sal mogen neemen.”
Tonckens had dus niet eens een geloofsbrief en zijn mandaat was daarmee kwestieus, maar de federalistische meerderheid in de Drentse Landdag wist het wel te plooien.
Intussen weten we door deze voorvallen, dat Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck de belangrijkste Norger tegenstrevers van Tietema waren. De vraag naar Tietema’s achterban blijft echter nog open. Welke Norgers voelden zich het meest aangetrokken tot zijn gedachtengoed?
Het antwoord op deze vraag laat zich bij benadering bepalen.
Najaar 1795 tekenden te Norg 101 mannen van 25 jaar en ouder het Drentse Déclaratoir met de rechten van de mens en burger, waardoor ze stemrecht verkregen bij de verkiezing van een kerspelrepresentant. Nog eens drie, te weten Gecommiteerde Representant Joachim Lunsingh Tonckens, Landdagcomparant Egbert Pelinck en Ette Roelf Hofsteenge presteerden de eed uit hoofde van hun functies. In totaal betuigden dus 104 volwassen mannen hun loyaliteit jegens de nieuwe orde.
Een eerste vergelijking met de lijst van 34 meest vermogende Norgers (1797), levert dan op, dat daarvan maar liefst 27 het Déclaratoir tekenden. Een overtuigende meerderheid van zo’n 80 %. Qua vermogen stonden de patriotten bijzonder sterk te Norg. Ook blijkt uit confrontatie van de Déclaratoir-tekenaars met het heerdstedenregister (1794) dat iets meer dan de helft van de hoofden van huishoudens die heerdstedengeld opbrachten, de nieuwe orde onderschreven.
Maar als we de Gewapende Burgermachtslijst (1798) hier weer naast nemen, dan blijkt er per stand was een duidelijk verschil. Het loyalisme was het grootst bij de kleine groep van ambtsdragers in het kerspel. Predikant, koster, schatbeurder, pander, en kerspelsoldaat, ze tekenden allemaal. Maar voor deze mannen stond er ook veel op het spel – menigeen tekende waarschijnlijk uit angst voor baanverlies.
Van de boeren opteerde een ruime meerderheid voor de nieuwe orde, terwijl regelrechte keuters, schepers, arbeiders en knechten de rechten van de mens en burger amper onderschreven. Een patroon dat zich herhaalde bij de koop- en ambachtslui. In het algemeen waren die zeer loyaal aan de nieuwe orde, alleen kleine ondernemertjes als wevers en schoenmakers lieten in meerderheid verstek gaan. De Bataafse Revolutie was in Norg, kortom, vooral een zaak van de wat beter gesitueerden.
Hiermee zijn we er nog niet. Onder de loyalisten scholen immers onverschilligen, federalisten, democraten en mannen die uit angst voor positieverlies het Déclaratoir tekenden. In augustus 1797 vond het referendum plaats over het Plan van Constititutie, waardoor de partijen zich enigszins laten meten. Welnu, van de 104 Norger patriotten stemden er toen slechts 58. Een flink deel van de stemgerechtigden bemoeide zich dus niet met de politiek. Vier die dat wel deden, dachten dat ‘het dikke boek’ ermee door kon. Dit waren derhalve de moderate federalisten. Daarentegen verzetten 54 zich met Tietema tegen de invoering van het grondwetsontwerp. Hierbij zullen heus wel wat verstokte federalisten hebben gezeten, maar het algemeen-landelijke beeld volgend, waren deze 54 overwegend democratisch-unitarische opvattingen toegedaan, zodat we mogen concluderen dat Landdagcomparant Tietema dat jaar een kleine meerderheid van alle stemgerechtigde Norgers achter zich had.
Na de unitarische revolutie van januari 1798 werden de grondvergaderingen gezuiverd van Tietema’s politieke vijanden. In het voormalige gewest Drenthe was deze zuivering de taak van een commissie, waarvan enkele redacteuren van de Onverwachte Courier deel uitmaakten. Dus politieke vrienden van Tietema! Mannen die nog in aanmerking wilden komen voor stemrecht, dienden een eed af te leggen, waarbij ze een afkeer betuigden van stadhouderschap, federalisme, aristocratie en regeringsloosheid. Ook de gezuiverde lijst van Norg is bewaard. En daaruit blijkt dat van de 104 Norger loyalisten anno 1795 drie jaar later nog slechts 67 het stemrecht bezaten.
Vergelijken we de nieuwe, gezuiverde lijst met de lijsten van grote vermogens, heerdsteden en beroepen, dan blijken allereerst enkele van de machtigste kerspelbewoners geschrapt te zijn, met name Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck, maar ook enige anderen. Van de 27 grote patriottische vermogens waren zo nog 21 in handen van politiek betrouwbaar geachte figuren, min of meer medestanders van Tietema. Nog wel een meerderheid onder alle 34 vermogenden, maar een stuk minder dominant.
Van de mannelijke heerdstedengeld-betalers uit 1794 had nu nog maar een minderheid toegang tot de grondvergaderingen. Maar ook deze minderheid was weer niet gelijk verdeeld over alle categorieën. Onder de vier- en driepaardsboeren en koop- en ambachtslui met twee paarden werden slechts enkele individuen van ’t stemrecht beroofd. Maar bij de tweepaardsboeren en de kleinere ambachtslui hakte de zuivering er goed in. De meerderheid sloeg bij deze categorieën om in een minderheid.
Onder de kleinere boeren en middenstanders hun stemrecht kwijtraakten, bevonden zich wellicht nogal wat afhankelijken van de zeer vermogende ingezetenen die werden geroyeerd. Het effect van de zuivering was in elk geval, dat het lokale patriottisme van boven en van onder afkalfde. Het raakte zogezegd zijn hoofden en voetvolk kwijt. De romp die van de grondvergadering resteerde – en dan doel ik vooral op de grotere boeren en middenstanders – mogen we tot Tietema’s achterban rekenen.
De volksdemocratische koopman, tapper en genezer apelleerde met zijn opvattingen dus vooral aan aan een middenlaag van bovenmodale agrariërs en middenstanders, die zich door kerspelkopstukken niet de wet hoefden te laten voorschrijven. En daarmee voldeed de Norger correspondent van de Onverwachte Courier precies aan de instructie van zijn redacteuren. Zijn opvattingen waren inderdaad “naar den vatbaarheid van den middenstand” geschikt.
Harry Perton
—
Dit verhaal verscheen eerder in een wat andere en geannoteerde vorm in Het Waardeel, jaargang 2000 nr. 4, pag 1-9.
Rondje Paterswolde
Geplaatst op: 16 mei 2015 Hoort bij: Ommelanden 5 reactiesBemaggeld pand aan de Meerweg – eerst zat er iemand die abstract-geometrische configuraties op de muur aanbracht, maar die zijn overgekalkt zonder vervolg. Je zou bijna gaan denken dat het gekraakt is:

Hoornsedijk – hopelijk blijft dit ensemble bewaard, maar ik vrees dat dit een vrome wens is:

Vacante zetels onder een meidoorn:

Broedende fuut komt niet in beweging, maar houdt me in de gaten:

De stille opmars van een archaïsme
Geplaatst op: 16 mei 2015 Hoort bij: Media, Taal Een reactie plaatsen“Onwelwording”, ik wou het er toch even over hebben.
Enerzijds riekt het naar de taal van het bevoegd gezag zoals ambtenaren in functie haar plegen neder te leggen in politiecommuniqués, anderzijds is het nog zo zeldzaam, dat je oog eraan blijft haken, zodat je het nog weer even overleest. Onwelwording, het is wel een ietsiepietsie eufemistisch als je dodelijk vergiftigd bent – maar als dat laatste wegens premature criminalisering niet gezegd mag worden, kan het ermee door.
Hoe zeldzaam is de term onwelwording eigenlijk?
In de Leeuwarder Courant, met nog steeds het beste leggerfonds op internet voor dit soort onderzoekjes, komt het woord vanaf 1752 slechts 23 maal voor. Nog geen kwart van dat gebruik (5x) was in de twintigste eeuw. Ruim driekwart van alle gevallen (18 x) staat sindsdien in de leggers.
Dit archaïsme van de Hermandad is dus stilletjes aan een opmars bezig. Mogelijk hangt deze samen met ontwikkelingen in het journalistieke bedrijf, waardoor politieberichten nauwelijks geredigeerd worden overgenomen.

Recente reacties