Rondje Hilmahuizen:

Boom- of paalhut, Vierverlaten:
010
Zuidwendinger molen, met op de achtergrond een boerderij op Lagemeeden;
014
Dam met paardenbloemenspoor:
022
Langs het Hoendiep nz.:
025
Tuintje in Enumatil:
045
Hek bij Briltil:
056
Curieuze geitjes in de Galanden:
077
Landschap bij de Gaweg, oorspronkelijk Noordhorn:
084
Bij Gaarkeuken:
102
Westerzand bij Lutjegast – de meeuwen vlogen niet achter de tractor aan, maar bleven op een strook haaks op het spoor dat de tractor achterliet:
120
De prille bladeren van een rode beuk op het Westerzand:
121
Bij Lutjegast. Het veulen was helaas net uitgedarteld en wilde drinken:
125
Gezicht op Lutjegast vanaf de opgang naar de brug bij Eiberburen:
135
Het uitzicht de kant van Stroobos op:
141
’t Wingewest woar gasvlaam braandt:
144
Parmante hazen, met op de achtergrond Stroobos:
158
Bonte Piet bij Hilmahuizen:
168
Structuur in droge sloot bij Lutjegast:
224
Bij Niekerk hebben ze het Hoge Voetpad verbreed en gerenoveerd. De laatste keren dat ik erlangs kwam, schold ik ook op de vergaand oneffen toestand, maar de romantiek is er nu wel verdwenen:
245
Viaduct Roderwolderdijk – uitzwaaiers van de FC Groningen die morgen de bekerfinale tegen PEC Zwolle speelt:
259


De kluizenaar van Wymeer

Ruim een jaar geleden schreef ik hier een stukkie over een kluizenaar die bij het smokkelaarsoord De Lethe, op de grens met Duitsland, in een hol woonde. Elke zomer trok dat hol vele dagjesmensen. ’s Mans overlijden op 70-jarige leeftijd werd in 1898 door meerdere Nederlandse kranten gemeld.

Het gekke was dat ik zijn naam – Pieter Alberts – niet terugvond in het overlijdensregister van de gemeente Bellingwolde. “Het zou natuurlijk kunnen dat de man over de grens stierf”, opperde ik destijds al: “Wordt mogelijk nog eens vervolgd”.

Dat vervolg is er nu ik zocht op een Duitse plaatsnaam uit de buurt van Bellingwolde, te weten Wymeer.  Een bericht dat oorspronkelijk in de Winschoter Courant stond, en dat op 2 september 1896 werd overgenomen door De Amsterdammer, bevestigt mijn vermoeden van vorig jaar: het hol bevond zich niet op Nederlands grondgebied, maar net erbuiten:

Een kluizenaar

Wanneer men van Bellingwolde naar Wymeer (Duitschland) den straatweg passeert, ziet men aan zijne rechterzijde een groot stuk braakland, dat, niettegenstaande het wel vruchtbaar is, daar reeds eenige jaren zoo onbebouwd heen ligt. Op niet grooten afstand van den weg zal men er zoo iets ontwaren, dat aan het verblijf van menschen doet denken.

Naderbij gekomen ziet men een ouden kookpot, wat brandstof en overblijfselen van voedsel en te midden daarvan een hol, welks uitgang ternauwernood een mensch zal kunnen doorlaten. Toch gaat het, want ziet! nauwelijks zijn uwe voetstappen gehoord, of daar komt een vuile mannengedaante te voorschijn. Ge beeft eenigszins, doch herstelt u al gauw, indien het blijkt, dat onder dit afzichtelijke kleed geen slecht hart klopt.

Ge knoopt een gesprek met den ouden man aan en hoort vreemd op, indien hij u meedeelt, dat hij reeds 20 jaren dit kluizenaarsleven heeft geleid, 65 jaren oud is en nimmer heeft gedokterd. In zijn hol kan hij alleen in gebogen houding vertoeven, een bed ontbreekt, wat oude lompen vervullen er de plaats van. Behalve dit, vindt men er niets anders in dan – een wagenrad dat dienst doet als kleerstander.

Toen we den man een fooi boden, weigerde hij dit; dat Hollandsche geld had geen waarde. Een Duitsch stukje aanvaardde hij dankbaar, met de leuke opmerking, dat hij daar nog wel eens een arm mensch mee kon verrassen. Er wordt dan ook wel eens beweerd, dat deze kluizenaar niet onbemiddeld moet zijn. (Winsch. Crt.)”

Mogelijk hebben berichten als dit de belangstelling van de dagjesmensen gaande gemaakt.