Een “eigenaardig volkje”: de bezembinders van Muntendam
Geplaatst op: 21 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Jan Gillisz van Vliet, bezembinder. Collectie Rijksmuseum.
“MUNTENDAM, 26 Sept. Zelfs de Muntendammer bezembinders hebben reden tot klagen, dat “het vet van den ketel” is. Deze lieden, die in het veenkoloniale Muntendam nog altijd de eer van hun voorouderlijk bedrijf ophouden, hebben een even moeitevol als weinig beloonend werk. Vroeger ging er nog wel eens eene scheepslading tegelijk naar de omstreken, doch met het slinken van de heide in hunne nabijheid is ook de aftrek minder dan voorheen: de bamboes-bezem verdringt den heide-bezem meer en meer. Terwijl de bezembinders niet slechts in Augustus, wanneer het de goede tijd is, maar het geheele jaar door, van Muntendam tot in het 8 uren verwijderde Onstwedder veld en omstreken hunne grondstof gaan zoeken en als muilezels beladen, 5 à 3 maal ’s weeks van zoo’n reis thuis komen, moeten zij met de tot bezems en boenders verwerkte heide het Oldambt, Goorecht, Slochteren tot Appingedam en Delfzijl, ja de geheele provincie Groningen afreizen, om ze aan den man te brengen.
Een kruiwagen vol heide levert 100 bezems tot 400 boenders, welke à 4 en 1 ct. verkocht worden, doch van welke opbrengst men gerust een vijfde moet afrekenen voor allerlei kosten, als touw, tol, die bij sommige tolboomen 1 en bij andere 3 ct. per kruiwagen is.
Dit eigenaardige volkje neemt tegenwooidig in aantal af, terwijl de vreemde veegwerktuigen toenemen; maar nog altijd is hun bedrijf een industrie, die in de geschiedenis der Groningsche veenkoloniën, zoo al geen schitterende, dan toch een noemenswaardige plaats beslaat.”
—
Bron: De Grondwet 18 oktober 1887.

Dat moeten grote kruiwagens zijn geweest.