Hoogkerker hazen niet bang voor Arriva-trein
Geplaatst op: 19 juli 2016 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsenVanochtend om een uur of negen bij het Hegepad:

Spoorkat
Geplaatst op: 19 juli 2016 Hoort bij: Stad nu 5 reactiesIk stoorde haar bij haar bezigheden: deze kat op een oud zijspoor. Maar je, je wil het koppie van het beest ook wel even van voren zien:

Het was geen verwilderde kat, want dan zou zij ogenblikkelijk weg geweest zijn, maar voor een huiskat vond ik haar wat aan de magere kant. Weldra vervolgde ze datgene waarmee ze bezig was toen ik er net aan kwam rijden, te weten het gebiologeerd staren in het struweel:

Ze verloor haar belangstelling en sjokte voort over het spoor:

Tot ze achter wat onkruid uit zicht verdween:

Lepelaar in de Onlanden
Geplaatst op: 18 juli 2016 Hoort bij: Onlanden 2 reactiesVoor het eerst sinds lange tijd weer eentje gezien – een lepelaar in de Onlanden. Weet niet of hij lang blijft, met al dat crossmotor- en brommerlawaai in de omgeving.
Maandagavond filmavond. Het begint hier op Liga68 te lijken, de roemruchte studentenbios in de jaren 70.
Vlinderparadijs in de Reiderwolderpolder
Geplaatst op: 18 juli 2016 Hoort bij: Ommelanden 2 reactiesBijna vergeten dat ik gister dit filmpje maakte:
Reminder: Voortaan statief meenemen, want zo’n fietszadel is als zodanig maar behelpen.
Door de Dollardpolders
Geplaatst op: 17 juli 2016 Hoort bij: Ommelanden 12 reactiesScheemda – Drieborg – Scheemda.
Midwolda tegenover de Ennemaborg – kippen van Maya Wildevuur:

Oostwold – paarden in de wei voor de Huningaheerd:

Oostwold – dakenlandschap:

Op weg naar de Oostwolderpolder een staaltje agrarische marketing:

Oostwolderpolder – schuur in aanbouw:

Bij de Olde Geut:

Boog (piepke) over de Olde Geut:

Swaalfkes op de brugleuning:

Links vezelhennep, verder een wilde bloemenstrook met vrij veel klaproos:

Dagpauwoog op distel bij nog groene tarwe:

Hooiopslag in tinten:

Bemossend boerderijdak:

Hier en daar was er wat geoogst:

Prille suikerbiet:

Kerkhof Finsterwolde:

Verzakte hooiberg bij de Ganzedijk:

Hongerige Wolf – kunstwerk met gebruikmaking van tuingerei:

Reiderwolderpolder:

Dijkcoupure naar de Stadspolder:

Op weg naar Drieborg zie ik opeens een wielerploeg aankomen:

Het bleken Denen. Er gingen wagens voor en na de hele bups. Het zou een gesponsorde tocht kunnen zijn voor een goed doel of zo:

Veld met van alles en nog wat (“Dit komt niet goed”):

Klittebollen in de maak:

Hennep bij Westerlee, heel wat geuriger dan die in de polder:

Een Chevrolet met vinnen op ’t Zuiderdiep
Geplaatst op: 16 juli 2016 Hoort bij: Stad nu 6 reactiesHij draaide vlak voor me het Zuiderdiep op,

En stak even later vlak voor me over:

Rijdend erfgoed!
Een spokende helhond in de polder
Geplaatst op: 15 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesEen borries behoorde in Groningerland tot de plaagbeesten. Het was een spokende helhond die je ’s nachts op wierden en op driespongen de stuipen op het lijf kon jagen. Als je geluk had en de maan scheen, kon je hem vanaf een afstandje herkennen . Hij liep namelijk nogal raar, bewoog eerst de beide poten aan de ene kant van zijn lijf naar voren en deed dat dan met beide poten aan de andere kant. Hij had dus een schommelende gang. Een ander kenmerk was zijn dikke ruige staart, die altijd recht naar achteren stak. Maar als je pech had, en hem toch dichtbij tegenkwam, zag je zijn zwarte ogen, zo groot zo groot als schoteltjes, die vuur spuugden. De angst sloeg je je dan wel om het hart, als je dat meemaakte. Je moest je dan helemaal stil houden, niets zeggen, zelfs niet fluisteren, zelfs net met je ogen knipperen, helemaal stil wezen, dan kreeg hij geen vat op jou en verdween hij schommelend uit zicht.
Je zou het in een rationele omgeving als de Oostwolderpolder niet verwachten, maar daar banjerde nog een apart slag borries rond: de polderhond. Ter Laan nam er een verhaal over op in zijn Groninger overleveringen (1930):
“In Oostwólmerpólder leeft ’n borries, dij kin net zo goud in ’t wotter verkeren as op ’t laand. Dat is ’n pólderhond. Hai het ’n staart as ’n riezen bezzem.
Dou Baike van Oostwólle nóg dainde, het ze hom zulf zain; lutjemaaid was ter bie. Ze kinnen mit ’n woord van woarheid getugen, dat e hoelde van hoe-woeps, en dat e op kóp in de baarmsloot schoot.
Ook in Termunten het ter ’n pólderhond touhólden, ’n roege swaarde. Dij is tusschen twaalm en ain aan ’n snieder verschenen, dij te laank in haarbaarg zat. Keerl is ter aan doodgoan van schrik.”
Meeuwenjong met kapotte vleugel
Geplaatst op: 15 juli 2016 Hoort bij: Stad nu 1 reactieGisterochtend om een uur of negen zag ik dit meeuwenjong op de hoek van het Hegepad en het Symonsvennepad:

Zijn linkervleugel slierde over de grond en opvliegen lukte niet. Hij drentelde maar heen en weer op die hoek en verdween bij de nadering van mij en andere fietsers niet in het bermstruweel.
Ik was op weg naar mijn werk en heb geen poging gedaan om hem te pakken. Op mijn werk belde ik de Dierenambulance. Maar die had er ook weinig trek in. Of ik hem zelf niet mee kon nemen? Nee, want ik was op mijn werk. O, of ik dan, als ik weer langs dat punt kwam, naar dat beest uit wilde kijken?

Dat heb ik ’s middags inderdaad wel gedaan. Maar het beestje was in geen velden of wegen meer te bekennen. Misschien dat iemand anders hem meegenomen heeft. Of dat een buizerd er een buitenkansje aan had.
Goa van mien laand oaf ! (3)
Geplaatst op: 15 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe twee voorgaande afleveringen in deze korte serie komen er in het kort op neer dat arbeiders uit Oostwold, op weg naar hun werk, in de nieuwe Oostwolderpolder dwars over percelen land en dwars door sloten een onofficieel pad uitsleten, tot groot ongenoegen van enkele boeren, die in 1772 gedaan wisten te krijgen dat er een forse boete op kwam te staan. De vraag is echter of die boete geholpen heeft en of het gelaakte overpad later misschien toch gelegaliseerd is. Op een latere kaart met o.a. percelen en wegen in de Oostwolderpolder voldeed inderdaad een secundaire weg aan de kenmerken van de illegale sluiproute. Die weg kan echter alleen dàn de opvolger van het overpad zijn geweest, als de klagende boeren daar ook opstrekkende heerden land hadden, die door de sluiproute werden gekruist. En dat roept de vraag op: waar eigenlijk lagen precies de percelen van Wybe Garbrants en Derk Jacobs op de nieuw ingedijkte polder?
Wybe Garbrands
Wat betreft Wybe, ook wel Wijbo Garbrands (Kremer) viel dit relatief eenvoudig na te gaan, omdat hij, zijn nazaten en hun bedrijf in het boerderijenboek van deze omgeving voorkomen. Hij was de zoon van een doopsgezinde kramer in Nieuw-Scheemda (vandaar de familienaam), en groeide volgens diens boedelinventaris uit 1744 op tussen rollen linnen, baai, Rowaans en gestreept goed, tierentijn, laken, damast, sarsy, vijfschacht, katoen, neteldoek, karpetten en lappen, hozen en handschoenen, garen, gespen, veters en band, kant en lint. Maar zijn vader was niet alleen stoffenkoopman. In zijn winkel had hij ook kruidenierswaren als blauwsel en stijfsel, koffiebonen en thee en (in tonnen en vaten) olie siroop en traan, jenever, naast wat apothekerij te koop. Bovendien werden er de wat fremdkörperig overkomende, maar blijkbaar commercieel aantrekkelijke ijzerwaren zichten en scheuvels verkocht.
Zo’n ouderwets winkelmagazijn vormde een boeiend geurenlandschap! Toch zou Wybe Garbrands zijn vader Garbrand Wybes niet opvolgen, in meerdere opzichten niet. Ten eerste zou hij boer worden. In 1762 trouwde hij met zijn dorpsgenote Abeltje Alberts (Lantinga) en vestigde zich met haar in Oostwold. Hoeveel kinderen ze precies kregen is door hun ouderlijke geloof onbekend, maar in 1774 stapten Wybe en zijn vrouw, zoals wel meer doopsgezinden, te Oostwold over naar de Gereformeerde Kerk, wat niet alleen inhield dat ze belijdenis deden, maar ook dat zij en hun nog levende kinderen Albert (1768) en Jantje (1773) allemaal door ds. Van Bolhuis werden gedoopt. Naderhand bediende de predikant van Oostwold dit sacrament ook bij de later geboren kinderen Garbrand (1776), Kornelius (1778) en de tweeling Jan en Diewer (1783).
In december 1789, toen alle kinderen nog minderjarig waren, overleed Wybe Garbrands. Zijn weduwe zette het boerenbedrijf alleen voort, zonder dat ze hertrouwde. Misschien had ze hulp van haar oudste kinderen. Wijlen haar man zou ze 38 jaar overleven – ze stierf in 1827 te Oostwold op hoge leeftijd. Mogelijk woonde ze in bij haar zoons en bedrijfsopvolgers. Volgens het boerderijenboek waren dat Garbrand Wijbes Kremer in de jaren 1805-1819 en Jan Wijbes Kremer in de periode 1819-1854. Tijdens diens bestier van de boerderij werd het kadaster ingevoerd. Volgens HisGis, de digitale verwerking van de oudste kadastergegevens (ca. 1830), lag het land van Jan Wijbes Kremer in twee opstrekkende heerden ten oosten van Oostwold:

Op de oostelijkste opstrek stond de boerderij aan de noordkant van de weg. Dat areaal begon een eind zuidelijker van de weg in zand en veen bij land van de buurman Otto Samuels Knottnerus, omvatte ten noorden van de weg nog een stukje oud kleiland en liep dan over de dijk van 1701 diep de Oostwolderpolder in, zelfs nog tot voorbij de Oude Geut. Dit laatste gold ook voor de tweede opstrekkende heerd, al begon die nog wat zuidelijker, namelijk bij de ringsloot van de Oostwolder- of Huningameerlanden. In groen heb ik de secundaire weg aangegeven, die van het uiteind van de noordelijke arbeidersbuurt in Oostwold, naar de as met de boerderijen in de Oostwolderpolder voerde. Van die weg vermoed ik, dat hij de opvolger was van de sluiproute die de arbeiders van Oostwold volgden. Overigens bezat de kleinzoon van Wybe Garbrands ook nog heemsteden of huisplaatsen in Oostwold en Midwolda, maar die doen er qua overpad in de polder natuurlijk weinig toe.
Derk Jacobs
Het traceren van de grond, bewerkt door Derk Jacobs, had wat meer voeten in de aarde. Zijn naam komt niet voor in het boerderijenboek en dat bevat evenmin namen die erop lijken. Daarom moest ik voor hem toch echt de bronnen in. Hij groeide op in Oostwold in een, naar het zich laat aanzien, vrij groot gezin. In 1772 trouwde hij op 31-jarige leeftijd met de vijf jaar jongere Siebentje Dieterts uit Bellingwolde, maar van dit paar zijn hoegenaamd geen kinderen bekend.
In hun huwelijksjaar namen Derk en Siebentje het huis in Oostwold van zijn moeder over, met de beklemde heerd land waarop dat huis stond. Deze heerd strekte zich uit van het Koediep in het noorden tot de ringsloot van het Huningameer in het zuiden en omvatte dus geen land in de Oostwolderpolder. De grond was het eigendom van de diaconie van Oostwold en deed op dat moment nog een weinig indrukwekkende 25 gulden aan pacht per jaar. Bij de koop in zat het boerenbeslag en het gereedschap dat op de plaats werd gebruikt. In totaal betaalden Derk en zijn vrouw er 1600 gulden voor, niet echt veel voor een Oldambtster boerderij. Siebentje ondertekende de koopbrief met een kruisje, wat ze bij andere akten zou blijven doen – kennelijk had ze geen schrijven geleerd. Derks broer en zus en hun echtgenoten tekenden de verzegeling eveneens, en zulks ten teken dat ze met de overdracht van het erfgoed instemden.
Omdat er met de grondeigenaar, de diaconie van Oostwold, iets verkeerd was gegaan, werd er jaren later alsnog een beklembrief voor dit stuk vastgoed opgemaakt. Bij die gelegenheid werd de beklemming altoosdurend gemaakt, waarbij de diaconie opmerkelijk genoeg wat afdeed van de pacht, voortaan 18 gulden per jaar. Het mooie van deze beklembrief is, dat hij de zwetten of aanpalende percelen benoemt:
- noord: kerkhof
- oost: de Kerklaan
- zuid: de ringsloot van het Huningameer
- west: de diaconie van Midwolda
De noordzwet, het kerkhof, lag wat minder noordelijk dan het Koediep – mogelijk ging er wat van de grond af, wat dan de lagere pacht verklaart. Uit de andere zwetten blijkt dat de heerd zich vlakbij en (schuin) tegenover de kerk- en pastoriepercelen bevond; de grond bestond oud kleiland, veen en zand.
Dit spul stelde weinig voor, maar nog tijdens hun verloving, namelijk eind 1771, kochten Derk en Siebentje van de weduwe Geertsema de vaste altijddurende beklemming van 13 deimt oud land (binnen de dijk van 1701) en 22,25 deimt ingedijkt nieuw land (in de Oostwolderpolder). Een deimt is iets minder dan een halve hectare – het hele areaal, zal dan ruim 17 hectare geweest zijn. Na verloop van zes jaar, waarvoor een hogere pacht gold, zou de voortaan vaste huur voor oud en nieuw land samen ƒ 313 gulden en 10 stuivers per jaar bedragen. In totaal telden Derk ern Siebentje ruim 6080 gulden voor de grond, in vijf termijnen. Dit vastgoed was dus vier maal zo duur als de kleine boerderij van Derks moeder. Voorlopig weten we dat er poldergrond bij zat, maar helaas noemt de verzegeling geen zwetten. Het oppervlak en het huurbedrag zijn later echter nog zeer herkenbaar.
Eind 1785 maakten Derk en Siebentje hun mutuele testament op, waarbij de langstlevende alles zou erven. Wel zouden de lijfstoebehoren (kleding, sieraden etc.) van de overledene direct naar de naaste erfgenamen gaan, die in ruil dan de begrafenis moesten betalen. Kennelijk voelde Derk zijn einde naderen, want nog geen jaar later, in september 1786, bleek hij overleden. De voogden over de oom- en tantezeggers van hem en zijn vrouw namen in een akte genoegen met het testament, voor zover dat door de drost in een een rekestprocedure was goedgekeurd. Blijkbaar was er toch wat frictie geweest met de familie.
Siebentje hertrouwde weer een jaar later, in 1787, als kinderloze weduwe met Harm Everts (Everts) eveneens uit Oostwold. Volgens hun huwelijkscontract bracht zij het vastgoed van haarzelf en haar eerste man in het huishouden in. De erfgenamen van haar eerste man had ze blijkbaar afgekocht. In 1792 gold dat wellicht ook voor haar eigen familie, want toen vermaakte ze in haar nadere testament dat vastgoed aan haar tweede man. Samen kochten zij in 1809 nog een huis met tuin in Oostwold, misschien als belegging, misschien ook om er zelf te gaan wonen.
In 1826 overleden ze beiden, zij in februari op 80-jarige leeftijd en hij in september. Zijn erfgenamen lieten vervolgens het vastgoed veilen. Volgens de advertenties zou dat gebeuren in twee kavels: ten eerste een boerenbehuizing met de vaste beklemming uit 1771, bestaande uit 6,6 bunder oud kleiland en 11,125 bunder polderland (dus ruim 17 ha), doende samen nog steeds een pacht van ƒ 313,50, waarbij nog 1,25 bunder van de oude boerderij gevoegd was; en ten tweede het huis dat Siebentje en haar tweede man in 1809 hadden bijgekocht.
In de koopakte is echter sprake van drie kavels. Ten eerste ging het om een “boerenbehuizing en schuur (…) met tuin en appelhof (…) en de beklemde landerijen daaronder behorende”, welk land zich uitstrekte van de Oude Geut in de polder (in het noorden) tot aan land van Otto Samuels Knotnerus in het zuiden. Hieruit blijkt dat Siebentje en waarschijnlijk haar eerste man de oude boerderij van zijn moeder verruilden voor een nieuwe, dichterbij de betere grond. Overigens was de oostzwet van deze landerijen de wed. van Wybe Garbrands, de boer die met Siebentjes eerste man Derk Jacobs werk maakte van de sluiproute dwars over hun polderpercelen. De tweede veilingkavel was het huis dat in 1809 aangekocht werd door Siebentje en haar tweede man, en dat getuige de zwetten vlakbij de kerk van Oostwold stond, en bij de derde ging het om de oude huisplaats bij en tegenover de kerk en pastorie. Hier stond niet langer een huis op – de boerderij van Derk Jacobs zijn moeder was intussen dus gesloopt.
Dat derde perceel bleef onverkocht, omdat het niet aan de hoogste bieder werd gegund. Een erfgenaam van Siebentjes tweede man kocht kavel 2, het huis verworven in 1809. Voor ons van belang is uiteraard alleen de eerste veilingkavel: de relatief nieuwe boerenplaats met de beklemming van een deel grond in de Oostwolderpolder. Dit vastgoed ging bij de veiling voor 7150 gulden over in handen van Fiebo Jurjens Oosthof, landgebruiker te Oostwold, en diens naam komt voor in het eerste kadaster van enkele jaren later. Volgens Hisgis lagen Oosthofs gronden destijds hier:

De meest oostelijke opstrekkende heerd, waar de zoon van Wybe Garbrands de buurman van was, kocht Oosthof dus van de erfopvolgers van Derk Jacobs en zijn vrouw Siebentje. Maar een eind naar het westen had hij in het verlengde van de noordelijke arbeidersbuurt nog een opstrekkende heerd. Over beide liep de secundaire weg die mogelijk ontstond uit de illegale sluiproute. De opstrek ten westen van Oostwold moet al langer in het bezit van Oosthof zijn geweest. Overigens is de boerderij op het meest oostelijke opstrek ten zuiden van de weg, te identificeren met nummer 119 in het boerderijenboek, dat de geschiedenis van deze boerderij pas in 1843 laat beginnen.
Slotsom
De conclusie luidt dat Wybe Garbrands en Derk Jacobs, de boeren die in 1772 klaagden dat de arbeiders van Oostwold dwars over hun land naar het werk in de polder liepen, vlak naast elkaar opstrekkende heerden hadden tussen de hoofdroute naar de polder, die voor die arbeiders een omweg vormde, en de secundaire weg, waarvan ik veronderstelde dat hij de opvolger was van de sluiproute.
Die secundaire weg echter, bleek voor zover hij hun percelen haaks kruiste, ten tijde van het eerste kadaster, dus ruim een halve eeuw later, het eigendom van de ingelanden van de Oostwolderpolder, en niet van individuele boeren. Nam het polderwaterschap de weg dan intussen over? Dat zou moeten blijken uit zijn besluiten en rekeningen, die berusten in het archief van de Oostwolderpolder, dat zich tegenwoordig in het hoofdkantoor van waterschap Hunze en Aa’s te Veendam bevindt. Binnenkort ga ik daar maar eens heen.
Maar ook in het geval dat die secundaire weg al vanaf de polderaanleg het eigendom van de gezamenlijke ingelanden is geweest, en dus niet de opvolger van de illegale sluiproute kan zijn, zijn we een stuk dichter bij de locatie van het overpad. Het moet immers sowieso de aangegeven opstrekken hebben gekruist. Aannemende dat het uiteind van de strook met arbeiderswoningen op oud land ten noorden van Oostwold het startpunt van de route vormde, en de arbeiders ’s ochtends en savonds de kortste weg naar en van de boerderijen naar hun woningen volgden, kan hier hoogstens de winkelhaak die de secundaire weg vormde, afgesneden zijn.
—
Bronnen:
- Boerderijen en hun bewoners, Uitgegeven door de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842-1967) (Winschoten, z.j. [1968]), met name gedeelten over Oostwold en de Oostwolderpolder (p. 293-304 en 379-395).
- RHC Groninger Archieven (GrA), Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 7210: verzegelingen Oostwold (1721-1788), doorgenomen vanaf 1768.
- GrA, Toegang 112 (archief notarissen Winschoten) inv.nr. 60: akte notaris Rudolf de Sitter Winschoten 1826 nr. 192 d.d. 8 december 1826.
Goa van mien laand oaf ! (2)
Geplaatst op: 13 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Zoals verteld, sleten landarbeiders, op weg naar hun werk, in 1771 een pad uit in de kersverse Oostwolderpolder. Dat pad kruiste de percelen en sloten van twee boeren, die met hun grondeigenaren gingen klagen bij het bevoegd gezag, dat er prompt een fikse boete op zette.
Omdat het me niet zou verbazen als er later toch een weg vanuit Oostwold op het tracé van dit arbeiderspad kwam, heb ik eens gekeken hoe de wegen in Oostwold en de Oostwolderpolder liepen. Op bovenstaande kaartje – een bewerkte uitgave uit 1857 – staan die wegen aangegeven, evenals de dijken en de percelen.
De twee belangrijkste wegen zijn met bruin geaccentueerd. Dit was ten eerste de weg die van Oostwold (midden onder) via Goldhoorn naar Finsterwolde (rechts) voerde – en nog steeds voert.
Haaks hierop liep met een kleine bajonetachtige verspringing de tweede weg de Oostwolderpolder in. Aan die Polderweg stonden en staan nog steeds de boerderijen. Deze weg onsloot primair het middendeel van de polder, waar de percelen niet opstrekten vanuit de oude hoofdas, zoals bij Oostwold en Goldhoorn, maar als het ware ‘dwars lagen’. Ongetwijfeld is deze constellatie doordacht op een tekentafel, en niet spontaan ontstaan zoals de gegispte en verboden arbeidersroute. Overigens is het eerste, zuidelijkste stukje van deze Polderweg vanaf de hoofdweg tegenwoordig allang verdwenen. Blijkbaar kon men er daar wel zonder.
Maar er is nog een weg, die vanaf Oostwold de polder invoert. Die weg, de huidige Noorderstraat, op de kaart niet geaccentueerd en daarom secundair, begint drie percelen/heerden westelijker dan de Polderweg, bij de dubbele kniebocht in de oude weg, vlakbij de kerk van Oostwold. Deze secundaire landweg loopt eerst naar de dijk van 1701 waar hij rechtsaf dwars over de dijk en de drie opstrekkende heerden richting de Polderweg voert. Vanuit de kern van Oostwold met zijn arbeiderswoninkjes lijkt deze weg inderdaad iets sneller naar het centrale deel van de polder te voeren, dan de Polderweg. Volgens mij zou deze secundaire weg wel eens de opvolger geweest kunnen zijn van het uitgesleten arbeiderspad.
Goa van mien laand oaf !
Geplaatst op: 11 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesZe hadden er maar wat last van, de twee eigenaars, mevrouw Zwarte en dr. Cremers, en de twee beklemde meiers, namelijk Wybe Garbrants en Derk Jacobs, van twee opstrekkende heerden op de pas ingedijkte polder onder Oostwold. In het voorjaar van 1771 klaagden ze bij de Oldambtster drost,
“dat vele personen en wel speciaal de arbeiders om te gevoegelijker naar hun werk te konnen komen, zig de vrieheit aanmatigen om dwars over hunne landen off heerden te gaan en een geheel padt ten dien einde te maken, ja zelfs door de sloden, hoewel ook opgemaakt, de passage te nemen, alles tot groot nadeel der suppl[ian]ten..”
Bovendien vreesden ze dat het uitgesleten pad te zijner tijd zou leiden tot een gewoonterecht van overpad. Dat konden ze niet toestaan. Omdat het onmogelijk was om die arbeiders een civiel proces aan te doen, vroegen ze de drost om toestemming voor een kerkenkondiging,
“waarbij enen jegelijken worde verboden een padt over hunne landen te maken, en veel weiniger de sloden daartoe te misbruiken, ten zij genoegzame regtens konnen antonen daartoe gequalificeert te zijn.”
De eigenaars en landbouwers wilden graag dat de drost een boete op deze overtreding zette. Die gaf inderdaad toestemming tot de kerkenkondiging van het verbod en stelde maar liefst een pond groot – 6 gulden – op de overtreding. Dat bedrag zal voor veel van die arbeiders een à twee werkweken loon hebben vertegenwoordigd.
Waar de boerderijen precies stonden heb ik nog niet uitgezocht. Maar het zou me niet verbazen als er toch een weg vanuit Oostwold vlak langs liep.
Fivelingoër toertje
Geplaatst op: 10 juli 2016 Hoort bij: Ommelanden 4 reactiesIn Garmerwolde staat de schilderachtige molenromp er nog steeds:

Gelijk ook maar even de andere kant meegenomen:

Het kerkhof van Woltersum:

Kwikstaart op grafzerk:

Arbeidershuisjes bij Wittewierum:

De kerk van Wittewierum:

Die is uit de negentiende eeuw, maar binnen heb je echte oudheden, zoals dit rouwbord voor een zeer invloedrijke Ommelander jonker Rengers:

Hij stierf in 1779. Zijn laatste bladzij in het boek des leven met knekel en gevleugelde zandloper:

Op het koor de armenkist. Aan de drie sloten te zien, hadden de diakenen veel vertrouwen in elkaar:

Griffioen op herenbank:

Griffioen op grafsteen van Bawe Clant, wed. Rengers (1652):

Nog een blik op het koor met het vierkant:

Klein varend erfgoed op het Damsterdiep bij Garrelsweer:

Bij Wirdum – boerderij waarvan de voorgevel wordt gestut:
Leeuw in het bovenlicht van de Sybellemaheerd:

Aan de rand van Wirdum is er veel uitzicht. Daar staat deze vogelaar:

Ingang kerkhof Wirdum. Er mogen geen honden komen, zegt het bordje. Zo’n bordje is dus blijkbaar nodig:

De kerk van Eenum aan gene zijde van een korenveld:

Griffioen van zandsteen op makelaarspand in Loppersum:

Bij het station van Stedum werd een hooiwagen beladen:

De Werdegang van ’t scheldwoord moffen
Geplaatst op: 10 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 3 reactiesJe hoort of leest het nog maar zelden: het scheldwoord ‘moffen’ ter aanduiding van Duitsers. En dat is natuurlijk goed zo. Maar sinds wanneer zijn we het eigenlijk minder gaan gebruiken?
Vanwege een kleine discussie over deze Werdegang besloot ik eens via Delpher te kijken hoe vaak de term vanaf de oorlog in de loop der jaren voorkwam in de redactionele kolommen van een voor dit doel bruikbare krant. Mijn keus viel, zoals wel vaker, op de Leeuwarder. Ik had zo’n beetje verwacht dat het gebruik van de term vanaf de jaren 50 zou afnemen, maar dat bleek dus niet het geval:

Na 45 is er aanvankelijk drie, vier decennia lang een voortdurende toename geweest. In eerste instantie zal dat mede gelegen hebben aan het dikker worden van de kranten. Neemt niet weg dat de frequentie na de tweede helft van de jaren 60 nog steeds toeneemt, tot ze in de periode 1975-1984 het grootst is. Pas vanaf toen nam het gebruik van het scheldwoord moffen af.
Ik heb niet naar de individuele artikelen gekeken, maar dat decennium rond 1980 vormt ook het herfsttij van de jaren 60 in ideologische zin. De oorlog is dan onder de stolp van de wederopbouw vandaan getrokken en blijkt nog levend verleden. Jongeren zetten zich af tegen de veronderstelde passiviteit van hun ouders en identificeren zich met verzet, wat wel degelijk ook zwaar ontaard is, denk maar aan: RAF en sympathisanten, krakersrellen, en de kroningsdag van 1980. Ik vermoed dat in radicaal-linkse kringen het scheldwoord moffen wat vaker in de mond genomen werd, en dat dat bijdroeg aan de piek in de grafiek.
Rondje Tolbert
Geplaatst op: 9 juli 2016 Hoort bij: Drenthe, Onlanden, Westerkwartier 2 reactiesOp de nieuwe weg naar de Boltham bij het Transferium Hoogkerk – mikado voor betonvlechters:

Noodgreppel bij de Langmadijk. Ik denk dan: had die sloot maar niet dichtgegooid:

Op sommige plekken wemelt het van de wederik in de Onlanden:

Nog vrij rood ogende zuring:

Het ooievaarsnest van Leutingewolde:

Bij Leutingewolde:

Bij Leek – kamperfoelie op dode boomstronk:

In plaats van collectief met de solex rondrijden bestaat de nieuwe groepsattractie uit een soort van autoped met breed plankier en accu-ondersteuning:

Bij Nienoord was er een festivalletje voor mensen met een beperking. Vrijwillige brandweeroefening:

In de kerk van Tolbert exposeert Annemieke Vos. Haar kleuren zijn aardig somberder geworden en een van de werken deed me sterk denken aan Marten Klompien. Een stadsgezicht van haar hand:

In de mestsilo van de Cazemierboerderij (Tolbert) staat tegenwoordig een kinderzitje met een molensteen als tafel:

Binnenkort komt er een nieuwe glazen afdekking boven de dorpsmaquette van Fredewolda in diezelfde boerderij. Dan zie je dit niet meer zonder reflecties:

In Tolbert betrok de lucht en op de terugweg begon het in Enumatil te regenen. Nog even geschuild bij Tante Til.
‘Alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs’ – een rekest van de Groninger brouwers om lastenverlichting (1768)
Geplaatst op: 8 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reacties
Ziehier een lijstje van wat een brouwte van elf tonnen bier een Groningse brouwer kostte en wat dezelfde brouwte die ambachtsman opleverde. De grootste kostenposten blijken de benodigde 12 mudden gerst (bijna 38 gulden) en de vrij forse belasting (gemaal) die hij over het gerstemout moest betalen (ruim 23 gulden of bijna 60 %). Met de kleinere posten wegens het malen en mouten van de gerst, voor de turf, de hop, de overige belastingen voor huis en knechten, voor vaten, vervoer en verlies, voor lekkerij en proefbier, huishuur, lonen en huisvestingskosten van het personeel, kwam zo’n gehele brouwte op 104 gulden. Aan inkomsten stonden hier tegenover 77 gulden voor de 11 tonnen (à 155 liter) bier, 12 gulden voor gist dat verkocht werd aan bakkers, en een rijksdaalder voor ‘draf’, een min of meer vaste stof die bij het brouwproces overbleef en die verkocht werd als veevoer. In totaal beurde de brouwer zo 91 gulden en vijf stuivers voor zijn brouwte, zodat hij er een verlies op leed van bijna 13 gulden.
Het lijstje hoort bij een verzoekschrift, dat eind 1767 bij de Staten van Stad & Lande werd ingediend namens de 71 of 72 bierbrouwers van de stad Groningen, Appingedam en de beide Oldambten. In dat rekest klaagden ze dat hun nering voortdurend achteruit ging, “zo door de anhoudende hooge prijs van de garst als meede de hooge impositjen op moud en meer anderen reedenen”, waardoor ze niet langer in staat waren “om met eenig voordeel goed bier te kunnen maaken”. Uiteraard waren de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) niet vertegenwoordigd, want daar had je geen bierbrouwers: de herbergen moesten er volgens het stapelrecht hun bier betrekken van de brouwers uit de stad. Hoe dan ook, in de eerste maanden van 1768 hoorde een statencommissie de brouwers enige malen over hun klachten aan, waarbij de brouwers nog een uitvoerige schriftelijke toelichting op hun verzoekschrift produceerden, waarvan bovenstaande kosten-batenanalyse de bijlage vormde.
Opmerkelijk, maar gezien hun doel niet verwonderlijk is, dat de brouwers in die toelichting het fiscale regime als primaire oorzaak aanwezen van de malaise in hun bedrijf. Toen de brouwerijen nog bloeiden, zo rond 1700, bedroeg de impost op een mud gerst slechts 13½ stuiver, maar inmiddels moesten ze bijna 2 gulden en dus drie maal zoveeel betalen. De provincie won daar echter niets bij, want destijds bracht de impost in een half jaar meer op, dan anno 1767 in een heel jaar. Aan die dalende opbrengsten kon je goed het verval van hun bedrijfstak aflezen, aldus de brouwers.
Een reden die vaak als veel belangrijker wordt voorgesteld voor het verval van hun nering, noemden de brouwers slechts op de tweede plaats:
“Het in gebruik komen van coffij en thee heeft de brouwerijen zodanig doen verminderen, dat in ’t begin van deze eeuw in deze Stad alleen over de 80 brouwers geteld wierden, welk getal present tot op 32 verminderd is, en zo in de Provincie insgelijks…”
Trekken we de 32 stedelijke brouwers af van de bovengenoemde 72, dan houden we er 40 over in Appingedam en de beide Oldambten (inclusief veenkoloniën). Als de achteruitgang hier even sterk was als in de Stad, dan moeten dat er rond 1700 zo’n 100 geweest zijn. In totaal ging het aantal brouwers in de hele provincie dan terug van 180 rond 1700 tot 72 in 1768. Veel van die resterende brouwerijen stelden echter nog maar weinig voor, want volgens de woordvoerders was nog niet de helft in staat “dat weinige mout zo zij in de zomer nodig zijn, in voorrraad te bekomen”. Deze brouwden dus alleen nog in de warme maanden, en moesten voor elke brouwte de benodigdheden kopen, zo weinig geld hadden ze achter de hand.
Volgens de brouwers waren er in dertig jaar tijd wel 50 vakgenoten op de fles gegaan. De “neringloosheid” en geringe afzet van veel van de overige bedrijven maakte dat brouwers nogal eens een bedorven brouwte moesten weggooien, terwijl ze daar wel hun kosten aan hadden gehad. Het stak ze dat zij wel belasting over hun zure, onbruikbaar geworden bier moesten betalen, terwijl wijntappers en andere ambachtslui dat niet hoefden te doen voor hun bedorven en daarmee onverkoopbaar geworden waren.
Er kwam nog een ‘statiegeld-kwestie’ bij. Vroeger hadden de meeste klanten hun eigen vaten, waarvan ze de vervoerskosten naar en van de brouwers zelf ook betaalden. Nu kwamen de vaten louter nog voor rekening van de brouwers. Waarschijnlijk hadden brouwers in hun eigen voet geschoten, door uit concurrentieoverwegingen in een krimpende markt deze emballage-kosten van hun klandizie over te nemen: bij een voortdurend verminderende afzet en vastgestelde bierprijzen, zullen ze daarmee klanten hebben willen lokken. In elk geval hadden de brouwers zodoende anno 1768 een “menigte van vaten” onder de mensen zitten, “welke zij nooit weder te zien krijgen, schoon haar dikwijls zoveel en meerder kost als ’t bier waardig is, zo zij daarmede hebben uitgezet”. Naar raming van de rekestranten kostte dit de doorsnee- brouwer wel 400 gulden in het jaar.
Hun litanie stond ook stil bij het feit dat alle ingrediënten voor het bier dubbel zo duur waren als vroeger. Gerst deed bijna 3½ gulden de mud, waar het vroeger 1½ deed. Voorheen kwamen zulke hoge prijzen alleen voor in oorlogstijd, maar nu bij vrede. De hop, vroeger anderhalf stuiver per pond, kostte inmiddels het vier tot achtvoudige. Ook turf en hout waren duurder geworden, “ja alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs”. Dat gold zelfs voor de arbeidslonen, want waar “aanzienlijke borger kinder” voorheen betaalden voor hun opleiding in het bedrijf, was dat opgehouden nu dat bedrijf minder aantrekkelijk was. Bovendien had het stadsbestuur de leertijd tot de meesterproef met een jaar verlengd, “waar van wij dan thans den bitteren nasmaak ondervinden”.
Door de hogere belasting op mout prijsde het Groninger bier zich elders de markt uit, aldus de brouwers. Daar werd het mout immers niet belast. Dat was de reden dat de export van Gronings bier naar andere provincies geheel stilviel. Dit gold ook voor de afzet van het gist, dat de Groninger bakkers nu zelfs uit Holland en Overijssel betrokken, waar het goedkoper was omdat het mout er niet belast werd.
En dan had men nog de andere lasten die de Groninger brouwers moesten betalen, zoals over de ‘daar’ (een eest of droogoven voor het drogen van mout) en de ketel. Voor elke daar en ketel moest een brouwer 10 gulden per jaar schokken, terwijl bakkers maar een gulden hoefden te geven voor een oven, die zij dan ook nog konden gebruiken “tot een keuken en haardstede”, wat bij de brouwers niet zo was. Voor brouwers die slechts een beperkte hoogtijperiode in de zomer brouwden, was het bovendien onmogelijk geworden om hun daren en ketels tijdelijk uit het belastingregister te laten schrappen, een regeling die vroeger nog bestond. Afgezien van de bakkers waren de brouwers jaloers op de grutters, die wel drie maal zoveel gerst verwerkten als de grootste brouwer, maar helemaal niets betaalden, hoewel ze veel minder bedrijfsonkosten hadden.
Naast de koffie en thee deed de wijn het bier concurrentie aan. Daarvan werd, “tot ruïne der brouwers” wel zes maal zoveel geconsumeerd als veertig jaar eerder. En dan had je nog de zogenaamde ‘knap’, dat was fijn gemalen, verbrande korst van zoete koek die met koffie werd vermengd tot een goedkoop koffiesurrogaat voor armelui. De brouwers meenden dat er jaarlijks in Stad & Lande wel 200.000 pond van dit goedje werd geconsumeerd. Juist wijn en knap maakten het verval van hun nering uiterst zichtbaar, want waar er
“tevoren kluinherbergen waren, ben nu in wijntappers veranderd en siet men op andere huisen en kelders zo in vroeger jaaren dun bier- en lekseltappers waren nu meede verandert in koffy-, thee- en knapwinkels”.
Tot besluit van hun klaagzang roerden de brouwers nog de fiscale rechtsongelijkheid tussen gerstemout enerzijds en anderzijds koffie en thee aan. Een pond goede thee kostte evenveel als een mud mout. Van die hoeveelheid thee konden evenveel mensen hun dorst lessen als dat er bier van die mout gebrouwen kon worden. Toch was die pond thee slechts belast met 6 stuivers (koffie deed de helft), terwijl van een mud mout maar liefst 2 gulden moest worden betaald, waarbij het ook nog eens zo was dat de teler van de gerst al belasting aan de provincie had betaald. Die gerst kwam bovendien uit “ons eigen land”, terwijl er honderdduizenden guldens het land uitvloeiden voor de koffie en de thee.
Om al deze redenen hoopten de brouwers de Staten ertoe te kunnen bewegen de belasting op het mout te verlagen, zodat hun “in vorige tijden ze zeer gerenomeerde, dog nu zo deerlijk vervallene brouwerijen” weer konden renderen.
Kregen ze gelijk van de statencommissie die meermalen met ze sprak? In het advies van die commissie aan de Staten lijkt het er eerst wel op. Zo erkende ze dat de exportpositie van de Groninger brouwers finaal ondergraven was door de verhoogde imposten tot 34 stuivers voor een mud gerstemout, 17 stuivers voor een mud havermout en 50 stuivers voor een mud weitemout (waaruit impliciet blijkt dat de brouwers ook wel haver of tarwe voor hun bieren gebruikten). Volgens het commissierapport belette deze impost immers “alle versendinge nae buiten dewelke bevoorens sterk hadde gevigeert”. Ook voor hun klacht over het niet kwijtschelden van belasting voor bedorven bier vonden de brouwers gehoor. Verder erkende de commissie de duurte van de ingrediënten en dat “de natie sodaenig was ontaert dat [ze] voor gesonde bieren slegte coffij, thee, genever, ja zelvs knap praefereerde”. Geen wonder dat het gemaal voor het bier de provincie in 1767 nog maar 51.000 gulden opbracht, waar dat vijf jaar eerder nog 61.000 gulden was geweest.
Blijkbaar stelden de brouwers in het overleg met de commissie voor, de imposten voor gerste-en weitemout met 12 stuivers per mud te verminderen en die voor havermout met 6. De commissie stelde dat dit de provincie hiermee weliswaar 17.000 gulden per jaar aan inkomsten zou derven, maar dat dit verlies mogelijk zou worden goedgemaakt doordat de brouwers dan wellicht weer een groter aantal mudden zouden aangeven. De provinciale Landdag zou deze stimulerende maatregel op proef kunnen aannemen.
Alleen pleitte daar ook veel tegen. Zo achtte de commissie de voorstelling van zaken, als zou de brouwersnering voornamelijk achteruit zijn gegaan vanwege de belasting, “ten eenemaal abusijf”. De impost op het mout was namelijk in 1716 voor het laatst verhoogd en sindsdien altijd gelijk gebleven. In Holland, waar die impost niet bestond, was het aantal brouwerijen in die periode eveneens sterk gekrompen. Het verval van de brouwersnering kon volgens de commissie dan ook
“nergens anders aan toegeschreven worden als aan een al te groot aantal van brouwers die nog in wesen sijn en hare brouwerijen gedenken voort te setten, niet tegenstaande de sterke consumtie van coffij, thee, wijnen en gedistilleerde wateren tijdelijks toeneemd en het debijt en vertier van de bieren nootsaakelijk doet verminderen…”
De provincie kon niet voor dat verval opdraaien. Aan brouwers stond het vrij om een andere kostwinning te kiezen, zoals dat ook in Holland en elders gebeurde. Om koffie en thee zwaarder te belasten, wat de brouwers eveneens voorstelden, zou een onvoorzichtige stap zijn, juist omdat de inkomsten daaruit voor de provincie nu zozeer van belang waren dat ze niet in gevaar moesten worden gebracht. Verlaging van de impost op mout was evenmin raadzaam, omdat de inkomsten van de provincie al achteruitgingen, terwijl de uitgaven vermeerderden. Ook betekende een concessie aan de brouwers dat de provincie andere belastingplichtigen eveneens tegemoet moest komen. De provincie zou haar zaken dan helemaal niet meer op orde hebben.
Uiteindelijk kwam de commissie in haar stuk niet tot een advies, en liet ze de zaak aan de Staten over. De heren van de Stad en de stadsjurisdicties, die veel meer belang bij de brouwerijen hadden, wilden nog wel graag doorpraten over het rapport. Die van de drie Ommelanden, waar met uitzondering van Appingedam geen brouwerij bestond, waren echter vastberaden – zij wezen het verzoek van de brouwers af. En omdat de Staten verdeeld waren, werd de kwestie van de agenda gevoerd. De brouwers konden dus fluiten naar hun begeerde lastenverlichting.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nrs 58 en 59 (resoluties Landdag) en 457 (rekesten in originali).

Recente reacties