Liefdesdrama in Roderwolde
Geplaatst op: 9 december 2017 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reacties
Politie aan het werk bij de fiets van het slachtoffer. In het midden hoofdinspecteur Kraaijenga. NvhN 3 september 1940.
“Een afschuwelijk drama”, aldus het Nieuwsblad van het Noorden van maandagmiddag 2 september 1940,
“heeft hedenmorgen het stille Roderwolde, dat in landelijke eenzaamheid onder de rook van Groningen ligt, opgeschrikt”.
Ten westen van het Roderwolder gehucht Sandebuur, nabij de Rodervaart, woonden daar vlak bij elkaar de families Meijer en Brink,
“ver van den grooten weg, diep het land in, slechts te bereiken langs een zandweg, die door de voortdurende regens van de afgeloopen weken herschapen is in modderpoelen…”
Twee kinderen uit deze gezinnen, Alberdina Meijer (22) en Hillebrand Brink (32) hadden zeven jaar lang verkering met elkaar gehad. Maar begin augustus maakte Dina het uit.
‘s Zondagavonds om half zeven verliet zij de ouderlijke woning. Ze ging in Roden dansen, zei ze. Maandagochtend vroeg was ze nog steeds niet terug.
Bij de familie Brink was hetzelfde aan de hand met Hillebrand. Hij ging die zondagavond om negen uur de deur uit, mogelijk om nog iets te doen in zijn fietsenzaakje te Roderwolde, want hij trok oude kleren aan. Ook hij bleek ’s ochtends nog niet thuis.
Beide families gingen samen op zoek.
“Deze speurtocht door het land, langs boschjes en wallen, eindigde met een verschrikkelijke ontdekking. De oude baas Brink zag op een gegeven oogenblik, het was omstreeks acht uur, op een kamp bouwland het meisje in het struikgewas, achter een walletje ter zijde van den zandweg, op enkele honderden meters van de ouderlijke woning, liggen. Zij bleek dood te zijn.”
Honderd meter verderop stond haar fiets in het struikgewas bij een zijpad van de zandweg. De veldwachter werd gewaarschuwd, die de burgemeester belde. Ze kwamen meteen naar Sandebuur, net als de majoor van de Rijksveldwacht, de huisarts uit Roden, de officier van justitie en diens substituut uit Groningen en hoofdinspecteur Kraaijenga van de Groninger recherche.
De laatste nam de zaak in onderzoek.
“Als eerste voorloopige indruk kwam daarbij wel vast te staan, dat het meisje geworgd is. Lichte verwondingen bij de keel duidden duidden daar op. (…)“
Dina was inderdaad in Roden wezen dansen. Bij café Busscher. Ze was er om ongeveer tien uur weggegaan. Een van haar vriendinnen had nog aangeboden om een eind mee te rijden, maar Dina sloeg dat af: „Welnee, ik kan het alleen best vinden”.
“Daarop is zij weggereden….
Wat er daarna gebeurd is, hoe het trieste gebeuren op dien stikdonkeren eenzamen landweg dien het meisje moest nemen om haar huis te bereiken, zich heeft afgespeeld, dat alles ligt volkomen in het duister.”
De verslaggever die het Nieuwsblad erop afstuurde, constateerde “groote ontsteltenis” in het anders zo rustige Sandebuur.
“Enkele groepjes bewoners stonden daar op den zandweg het gebeuren te bespreken en onder hen bevonden zich de beide vaders van de betrokkenen, van wie één daarbij een dochter had verloren, terwijl de andere in ongerustheid omtrent het lot van zijn zoon verkeerde.
Op het vermoeden, dat deze de hand aan zich zelf heeft geslagen, werd hedenmorgen met dreggen begonnen in het Roder kanaal… “
De vermiste buurjongen, Hillebrand Brink, stond bekend als een binnenvetter die nooit overlast gaf, maar wel altijd deed wat hij in de kop had. Dat Dina het uitgemaakt had, was zeer tegen zijn zin geweest. Sindsdien waren er enkele onaangename ontmoetingen geweest. Hij zat vol wrok en had gezegd,
“dat hij geen andere jongens bij het meisje moest zien”.
Die maandagmiddag al werd hij gevonden in een hakbosje, ongeveer een kilometer verderop.
“Hij bleek door ophanging een einde aan zijn leven te hebben gemaakt.”
Bij de begrafenis van Dina, op donderdag 5 september, wemelde het van de mensen op het kerkhof van Roderwolde, middenin het land. De dominee sprak er over Romeinen 14 : 17:
„Want niemand van ons leeft zichzelven en niemand van ons sterft zichzelven”.
Naar de beweegredenen, waarvan beide partijen het slachtoffer zijn geworden, behoeft niet te worden gevraagd. Vast staat, dat voor Egberdina de keus der liefde zeer moeilijk is geweest. Of zij de voor haar goede heeft gedaan, heeft niet den mensch te beoordeelen.”
Kennelijk waren er mensen, die het slachtoffer de schuld gaven van het gebeurde.
Dina was lid van hervormde meisjesvereniging van Roderwolde. Haar clubgenoten bewezen haar de laatste eer,
“terwijl ook de familie van den dader van den moord aan de groeve was.
Anderzijds was de familie Meijer bij de begrafenis van Hilbrand Brink aanwezig.”
—
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 2, 3 en 6 september 1940.

Wat erg. Jaloezie is een verschrikkelijke aandoening. Toch vind ik het wel heel bijzonder dat de wederzijdse families bij de beide begrafenissen aanwezig waren. Je zou zeggen dat ze niets meer met elkaar te maken wilden hebben. Mooi gebaar dus.
Wat een treurigheid.
Vriendelijke groet,