De hooiers en hun liederenrepertoire

De hooiersmarkt in Sneek blijkt niet de enige te zijn geweest. Ook kwamen lang niet alle Groninger maaiers en hooiers via zo’n hooiersmarkt aan het werk. Een ander artikel over hun vorm van trekarbeid in Vereenigt U, maakt immers onderscheid tussen enerzijds de maaiers en hooiers die voorafgaand aan hun tocht, waarschijnlijk per brief of via een koppelbaas of besteder, met een Friese boer afspraken hadden gemaakt over hun werk en beloning, en anderzijds hun collega’s die op de bonnefooi naar Friesland afreisden, waar zij op een hooiersmarkt aan werk hoopten te komen:

Bij honderden en honderden zijn de mannen uit de provincie Groningen weer van honk gegaan. Naar de greidhoek van Friesland trokken ze vanuit het Oldambt en Westerwolde. Velen waren reeds verzekerd van daar hooiers- en maaierswerk te zullen vinden, maar er waren toch ook niet weinig, die op goed geluk naar de markten te Sneek, Bolsward en Leeuwarden trokken. (…) Kenbaar zijn ze aan hun witte of blauwe bultzak, waarin moeder de vrouw, naast wat schoon goed, enkele andere gerieflijkheden heeft gestopt. Bij heele drommen zag je ze soms passeeren.

Na deze algemene inleiding is het stuk, dat duidelijk geschreven werd door een vestokte geheelonthouder, gewijd aan de “jeneverellende” onder deze trekarbeiders. Want onderweg naar Friesland nam menige hooier behoorlijk wat “proppies” in, zo merkte de auteur in de overbezette en ronduit smerige, stinkende trein op zondagavond van Groningen naar Leeuwarden. Door hun drankmisbruik leken de Groninger trekarbeiders zelfs op de losgeslagen Engelse toeristen van tegenwoordig. In Friesland althans, hadden ze een dergelijk imago:

Minachtend keken de voorbijgangers op deze anders zoo rustige en kalme dorpsmenschen, die nu door de jenever tot wilden waren gemaakt, neer.

De auteur zette hun alcoholgebruik nogal zwaar aan en repte zelfs van “beestialiteiten”. Uiteraard kwam hij ook op de proppen met het bekende geheelonthoudersadagium:

Drinkende menschen denken niet,
Denkende menschen drinken niet.

Interessanter dan zijn moralistische filippica tegen de drankzucht, die je elders in ontelbaar veel variaties kunt aantreffen, vind ik echter de liederen die hij de hooiers in de trein hoorde zingen. Hij noemt er drie, waarvan ik de titels hierna gelinkt heb naar audio-opnamen op de Nederlandse Liederenbank.

Het eerste, een regelrechte smartlap, werd in 1903 door Van Duyse uit mondelinge overlevering opgetekend, maar staat ook in een vaderlands schoolliederenboekje uit 1891, en gaat terug op een Duitse oerversie uit 1781:

Op banken achter ons en inde bagagenetten zagen we de bekende bultzakken liggen. De respectievelijke eigenaars ontpopten zich door hun „Grönneger toaltje” al gauw als maaiers die ook naar „Fraisland” gingen. Ternauwernood waren we in beweging of het hartroerende lied „Aan den oever van een snelle vliet” klonk in de coupé.

Het tweede lied was een eeuwenoude ballade die een flink deel van de reis te horen moet zijn geweest:

Allen dronken na met de hand telkens de hals te hebben afgeveegd, „broederschap”. Na zoo’n hartversterking kon er weer een moppie ten beste worden gegeven. Nu begon men met het lied-zonder-eind: „Toen ik op Neêrlands bergen stond”. Voor begeleiding zorgden de schoenhakken, die op de vloer neerdonderden alsof men er door wilde.

En een derde, vrijwel onverstaanbaar lied, betrof Vrijheid u mijn leven, een fraai socialistisch vers van Piet de Ruijter, dat in 1973 nog op LP werd gezet door de ‘Oproerkraaiers’, een plaat die overigens – veelzeggend genoeg – niet eens op YouTube te vinden is:

Een van de mannen, vrij bejaard reeds, had naar het scheen z’n portie. Zijn gebrul ontaarde langzamerhand in allerlei wanklanken. De laatste woorden die we nog zoo’n beetje ontcijferen konden, waren zooiets als . . . Vrijheid . . . leven. Hij zakte brommend en onverstaanbare geluiden uitstootend ineen.

Kortom, het repertoire dat de Oost-Groninger hooiers ten gehore brachten bestond uit smartlappen, traditionals en strijdliederen, alle drie genres die de laatste dertig, veertig jaar niet of nauwelijks hebben overleefd.


One Comment on “De hooiers en hun liederenrepertoire”

  1. Mijn oude vriend Berend Koning uit Nieuw-Scheemda ging voor het laatst in 1963 of 1964 naar Friesland. Hij liet later nog altijd foto’s zien van de Friese boer, met wie hij sporadisch nog contact had. “Die Friese boeren, dat waren tenminste mensen”, zei hij. Dat was natuurlijk honderd jaar geleden toen de Friese boeren het op de “mensenmarkt” nog voor het uitkiezen hadden, wel anders.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.