Luitenant blijkt lastpak in Termunten
Geplaatst op: 24 april 2019 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Termunten op de kaart van Beckeringh (1781).
Men zag de nationale vlag wajen, de klokken wierden drie posen geluid, de 24-ponders donderden van de batterijen, de bekende aanspraak is door den praesident aan de militairen voorgelesen en met een Hoesee! beantwoord. De uitdeling van wijn, brood en kaas is des avonds tegens 5 uuren geschied en de vergaderde leden van het Plaatselijk Bestuur met den commandeerende officier den luitenant Hombach en een bombardier zochten zich ter vieringe van dit feest te zamen vrolijk te maken, waartoe men te meer reden hadde omdat alles zonder eenig ongeluk was afgelopen.
Aldus secretaris Schuuringh namens het gloednieuwe Plaatselijk Bestuur van Termunten in een brief aan het eveneens net aangetreden, radicaal-patriotse provinciebestuur. Het feest waarover Schuuringh schrijft, was georganiseerd “wegens de aanneming van de Staatsregeling voor de Bataafsche Republiek”. Na de radicale staatsgreep van 22 januari 1798 waren eerst alle federalisten hun stemrecht kwijtgeraakt, vervolgens had het gezuiverde stemvee de constitutie aangenomen waarbij Nederland definitief een eenheidsstaat werd – dat was de aanleiding voor het feest.
Al kwam het verslag van Schuuringh daarvoor wel wat laat – zijn brief verzond hij op 29 mei, terwijl het constitutiefeest al op de 19e plaatvond – zijn verslag voldeed geheel aan de conventies in krantenberichten over dergelijke politieke festiviteiten. Maar er was ook een verschil. Zelden of nooit bevatten zulke krantenverslagen een wanklank; Schuuringh echter, berichtte dat de vreugde in Termunten “eenigzints” verstoord was geweest. Luitenant Hombach, de commandant van de lokale kustbatterijen, had het plaatselijk bestuur namelijk gemeld,
dat er, bij gelegenheid dat het Plaatselijk Bestuur met de militairen uitging naar een stuk lands om aldaar de aanspraak te doen, in ’t voorbijgaan van het huis van Symon Tiddes bij Termunterzijl, zeeker perzoon van Wagenborgen, in den wandel Harm Orange genaamd, tegenswoordig zijnde, gevraagd of hij niet wilde mede gaan om die aanspraak te horen, zou gezegd hebben, “Liever te willen dat zijn beenen verlamden dat ze hem nimmer weder naar Wagenborgen konden dragen, dan te gaan om dese aanspraak te hooren!”
De luitenant zou de brutale prinsman natuurlijk ingerekend hebben, ware het niet dat deze hem ontvlucht was “met agterlating van een zijner schoenen”. Je zou kunnen denken dat Harm Orange nog wel boet- of strafrechtelijke gevolgen van zijn dissidente uitlatingen zou ondervinden. Maar in dit verhaal zouden die een zijpad vormen – hier gaat het om luitenant Hombach en de lokale verhoudingen tussen burgerlijk bestuur en militair gezag.
Deze Willem Hombach (ca. 1761-1803) was afkomstig uit een familie van katholieke militairen in Den Haag. Als bombardier had hij waarschijnlijk al heel wat vestingen in ons land gezien, in elk geval Hulst en Bergen op Zoom. In 1787, toen hij een tijd in Vreeswijk aan de Vaart lag, was hij gepromoveerd tot onderluitenant. Hij trouwde met een hervormde vrouw uit Menkeweer bij Onderdendam en eind 1797 was hun zoontje gedoopt in de hervormde kerk Termunten, een teken dat de “luitenant van het corps artillerie van deezen staat”, daar op dat moment al leiding gaf aan de kustbewakingscompagnie, die verdeeld was over een batterij kanonnen bij de haven van Termunterzijl en een batterij op de Punt van Reide.
Hombach zou zich in Termunten ontpoppen als een lastpak voor het Plaatselijk Bestuur. Een maand later berichtten dominee J.A. Smith en koopman Syze G. Bart immers namens dat bestuur, dat de luitenant ze te kennen had gegeven,
dat de vlag voor de batterie bij Termunterzijl, door rotten of muusen doorknaagd, volstrekt onbruikbaar was geworden, en er door het Plaatslijk Bestuur van Termunten gezorgd moeste worden, dat er ten spoedigsten een nieuwe vlag kwam, teneinde in voorkomende omstandigheden daarvan tot de nodige seinen gebruik te kunnen maken…
Omdat de plaatselijke bestuurders niet zomaar tot deze uitgave wilden overgaan, verzochten ze Hombach eerst om de oude vlag eens te mogen zien. Met eigen ogen konden ze zodoende constateren dat het “allerslegtst gesteld was” met het dundoek. Toch hielden ze hun twijfels. Zo’n aanschaf hoorde immers niet voor hun rekening te komen. Vandaar dat ze het provinciebestuur om een “uitdruklijke last en order” verzochten tot het fourneren van een nieuwe vlag “op kosten van de Republiek”. Bovendien wilden ze niet aansprakelijk zijn voor de gevolgen als er “bij voorkomende omstandigheden geen seinvlag aanwezig was”.
Inderdaad kreeg het lokaal bestuur de gevraagde machtiging om de oude vlag, zo deerlijk gehavend door ratten en muizen, te vervangen door een gloednieuw exemplaar, opdat de eventuele verschijning van een Brits flottielje voor Termunterzijl tijdig zou kunnen worden doorgeseind. Luitenant Hombach echter, was hier niet mee tevreden. Hij ontpopte zich als een Rupsje Nooitgenoeg, getuige een brief die dezelfde plaatselijke bestuurders in augustus aan het provinciebestuur schreven. Opnieuw ging het ze om een toestemming voor het doen van uitgaven, waartoe ze niet zelfstandig wilden besluiten. Daarbij brachten ze het vorige contact in herinnering:
Het is ULieden bekend, dat de ondergeteekende voorheen verzogt hebben om geauctoriseerd te mogen worden tot het bezorgen van een nieuwe seinvlag voor de batterie bij Termunterzijl, welke vlag ook, naa bekomene permissie, geleverd is, en de ondergeteekende meenden, dat het daarmede gedaan zoude zijn. Dan, die vlag was nauwlijks geleverd, of de commanderende officier gaf kennis, dat er volgens nadere aanschrijvinge van den commandant te Delfzijl ook vier nieuwe seinwimpels – twee voor de batterie te Termunterzijl en twee voor die van Reide – vereischt wierden.
De plaatselijke bestuurders hadden op basis van de vorige toestemming het verzoek ingewilligd en Hombach zijn wimpels gegeven. Echter:
Daarmede was het nog niet gedaan, de luitenant W. Hombach vorderde toen een nieuwen vlaggestok op de batterie van Termunterzijl, uit hoofde dat de oude niet hoog genoeg zou zijn om daarmede de vereischte seinen te doen. De ondergetekende hebben daaraan alweer voldaan, hebbende een spier van 50 voeten (= ruim 14 meter, HP) lang tot een seinstok laaten gereed maken en oprichten.
Tot zover hadden de plaatselijke bestuurders luitenant Hombach, “die maar requireert”, steeds braaf zijn zin gegeven, zonder het provinciebestuur opnieuw lastig te vallen.
Edog, daar gemelde officier Hombach nu weer gerequireert heeft een nieuwe seinstok voor de batterie op Reide, en daarbij te kennen gegeven heeft, dat de ondergeteekende gedurig bijnaa dagelijks verwagten moesten dat er het een of ander vereischt wierd, en ook al een en andermaal gezegt heeft dat hem door de ondergeteekende een goede verrekijker zou bezorgd worden, als ook dat de ondergeteekende bij gerucht gehoort hebben dat hij commanderend officier zou gezegt hebben dat de nieuwe seinstok bij Termunterzijl nog merkelijk langer zou gemaakt worden, ’t geen niet dan met vrij veel kosten zal kunnen geschieden…
verzochten ze het provinciebestuur toch maar weer om een machtiging voor het doen van de door Hombach gevergde uitgaven, of anders om een gedragslijn, ook omdat ze hun twijfels bij Hombachs eisen hadden:
De ondergeteekende zouden minder zwarigheid maken om aan de order van gemelden officier te voldoen indien hun alles voorkwam als redelijk en dat ’s Lands financiën daarbij in acht genomen wierden…
Of er nog een vervolg is geweest weet ik niet, zo ver ben ik nog niet gevorderd in de brievenbundels, maar dat de verhoudingen tussen het burgerlijk en het militair gezag in Termunten zo langzamerhand behoorlijk verstoord raakten, moge duidelijk zijn. De militaire onvergenoegdheid botste op de lokale zuinigheid, en wellicht heeft dat ook een rol gespeeld bij de overplaatsing van Hombach naar Holwierde aan de andere kant van Delfzijl. Tenminste, hier vinden we hem in 1800 terug. In 1802 zat hij in Harlingen, en een jaar later in zijn geboorteplaats Den Haag, waar hij ook is gestorven.
In elk geval is het verhaal illustratief voor de verhoudingen in de Bataafsche Republiek. Door de permanente oorlogstoestand kregen militairen het steeds meer voor het zeggen, niet alleen nationaal, maar ook lokaal. Burgerlijke autoriteiten konden hen maar moeilijk iets ontzeggen en op het platteland ging de relatie steeds meer lijken op de parasitaire, zoals die tijdens het Ancien Regime had bestaan tussen huursoldaten op veldtocht en ‘boeren’. Ook zo raakte het revolutionaire elan allengs bekoeld.
—
Bronnen, behalve de gelinkte:
- Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv. nr. 9: brief d.d. 29 mei 1798 van G.J. Schuuringh namens PB Termunten aan het Intermediair Administratief Bestuur (IAB) van het voormalig gewest Stad en Lande.
- Idem inv.nr. 10: brief d.d. 27 juni 1798 van het PB Termunten aan het IAB.
- Idem inv.nr. 12: brief d.d. 9 augustus 1798 van het PB Termunten aan het IAB.

Recente reacties