Populierenkap aan de Peizerweg

Werkelijk het enige wat de Peizerweg nog een draaglijk aanzien verschafte, moest blijkbaar nodig worden opgeruimd. Zo’n mooie populierenlaan zullen we hier dus van onze levensdagen niet meer aanschouwen. Dat we voor de operatie moesten omrijden was nog het minste leed:

Takken over het pad:

Van gestripte stammen:

Lopende bandwerk, dat eindigt met het in stukken zagen van de stammen, waarna de kale troosteloosheid van bedrijfsgebouwen in het onbarmhartige daglicht treedt:

Weg schaduw op de zomeravond, weg windvang bij winterdag.


Hoe de Tolberter Tocht weer open raakte

Soms kom je in oude stukken waterlopen tegen die allang niet meer bestaan, weggepoetst als ze zijn door verlanding, ontginning, ruilverkaveling en grootschalige woning- en utiliteitsbouw. Neem de waterlopen die Haro Casper, baron van In en Kniphuizen en Heer van Nienoord, noemt in het verzoekschrift, dat hij hartje zomer 1809 inleverde bij de drost van het Westerkwartier. In dat rekest klaagt de baron

hoe dat vooral in den winter ten uitersten word geïncommodeerd door het water uit de Veensloot in het zuidelijkste gedeelte van de Tolberter Togt, welk water van daar overloopt over het Nienoordsche Veld in het Nienoordsche Molenkanaal, waardoor nadeel aan de wallen van hetzelve kanaal wordt toegebragt, welke overloop van water word veroorzaakt doordien het meer noordelijk gedeelte van opgem[el]de Tocht niet in de vereischte staat word gehouden…

De Tolberter Tocht loopt van zuid naar noord door bijna het gehele kaartbeeld, Halverwege passeert ze de Vredewoldster zandrug, met daarop de hoofdweg Tolbert-Midwolde (rode lijn). In het zuidelijke brongebied of “Bovenland” lagen het Nienoordse Veld (paarse bolletjes) en het Molenkanaal, bezittingen van Nienoord die zeer te lijden hadden onder de slechte afwatering naar het noorden. Onderlegger: http://www.hisgis.nl

Die Tolberter Tocht, een “gegraven waterloop ter ontlasting van hemelwater van venen en landen”, vormde al sinds de vroege Middeleeuwen, toen de ontginning van het Vredewold begon, de vrijwel kaarsrechte kerspelgrens tussen Tolbert en Midwolde, tevens de grens van twee verkavelingssystemen. De tochtsloot liep (zie kaart) vanaf onontgonnen Nienoordse venen even ten noorden van de Wolveschans, tussen Tolbert en Midwolde door en langs De Traan naar het Wolddiep, dat op zijn beurt weer naar het Hoendiep bij Enumatil stroomde. De Tolberter Tocht diende primair voor de afwatering van het Tolberter Veld ten zuiden van Tolbert, waar een of twee Veensloten erop afwaterden. De heer van Nienoord bezat hier nog een complex onontgonnen hoogveen, dat afwaterde op zijn eigen Molenkanaal. Blijkbaar werkte de afwatering langs de Veensloten en de Tolberter Tocht niet meer goed, waardoor ’s winters al bij een betrekkelijk geringe regenval zich hier overtollig water over het (heide)veld een weg baande naar het Molenkanaal, dat dan schade aan zijn wallen opliep.

De Heer van Nienoord zag de periodieke winterse overstromingen met lede ogen aan en wilde er graag vanaf. Vandaar dat hij de drost verzocht om een lastgeving aan de Tolberter dorpsvolmachten of “boerrichters” die het toezicht op die Tolberter Tocht hadden – wat betreft Nienoord maakten ze hun afwatering meteen weer in orde. De drost echter, verzocht de volmachten eerst om hun visie op de zaak te geven. Nadat die besproken was, hielden de drost en de volmachten in het najaar een schouw van de Tocht. Daarbij bleek in het meest noordelijke deel van de Tocht, “doorgaans genaamd de Blinksloot” – dat door Nienoord nog als bottleneck was aangewezen, totaal niets aan de hand. Er zat volop water in dat onbelemmerd zijn weg vond naar het Hoendiep en de Kommerzijl.

Zuidelijker, met name daar waar de Tocht de aanmerkelijk hogere zandrug met de hoofdweg Tolbert-Midwolde passeerde, stond de bodem van de Tocht echter “geheel droog”. Ook bleek

dat al verder op onderscheidene plaatsen dwars door dezelve droge togt van de eene wal na de andere waren geplaatst vlaken of schuttingen van rijswerk, dienende om het vee te beletten om dezen togt te gebruiken tot ene passage van het ene land naar het andere; dat daarenboven nevens meergemelte togt op onderscheidene plaatsen zoo nauw was gegraven, dat uit hoofde van deszelfs diepte de wallen nauwelijks konden worden gehouden, daardoor in deselve waren ingesakt, terwijl op andere plaatsen de wallen van deselve togt zo nauw met bomen en ruigte waren beplant, dat men niet in staat was om dezelve behoorlijk te kunnen graven, of de uitgegravene aarde te kunnen bergen.

Op het droogstaande middenstuk van haar tracé bleek de Tolberter Tocht dus gecompartimenteerd met afrasteringen van natuurlijk materiaal die moesten voorkomen dat vee aan de zwerf raakte. Op andere plaatsen was de Tocht zo smal en diep, dat haar wallen waren ingestort, terwijl de tochtsloot nog weer elders dichtgegroeid was met bomen en struweel. Ongetwijfeld was hier zeer lang geen adequaat onderhoud geweest, misschien wel enige tientallen jaren niet.

Ten zuiden van de zandrug en vlak bij de Veensloot (of Veensloten?) lag het aanzienlijk lagere terrein waarover de Heer van Nienoord klaagde. Hier stonden de Tolberter Tocht en de Veensloot (Veensloten?) weer vol water. Dat kon er niet weg naar het noorden door genoemde “beletselen” op het middenstuk van de Tocht. Vooral aan de voet van de zandrug bleek de Tocht zeer nauw en slecht onderhouden. Een en ander is ook wel enigszins begrijpelijk: op het hoge middenstuk moest de Tocht immers het diepst ingegraven worden en was het onderhoud bijgevolg het duurst.

De Tolberter Tocht was de enige schouwbare afwatering van Tolbert. Iedere ingezetene die er belang bij had, kon “onwedersprekelijk” eisen dat de Tocht aan dat doel voldeed en dus in een goede staat van onderhoud werd gehouden. De drost gaf daarom de Tolberter volmachten bevel om in het vervolg te voorkomen dat iemand nog eens een “rijswerk of schutting” dwars in de Tocht zou zetten, als “strekkende notoir, vooral als enige ruigte met water afstroomt, van deselve tocht te stoppen en de vrije loop van het water te beletten”. Wel mocht iedereen “bijlangs de togt zijn wal bevredigen naar zijn rade” – aan de Tocht parallelle afrastering was dus wèl toegestaan.

Daarnaast moest op het problematische middenstuk van de Tocht en dan vooral aan de zuidkant van de zandrug de slootbodem zoveel mogelijk worden opgeschoond en verdiept, zodat “de bovenste of meest zuidelijk gelegen landen” niet meer zouden overstromen. Bomen en houtgewas die de afwatering hinderden moesten worden weggehaald door de eigenaars van de tochtslootwallen. Als zo’n eigenaar weigerde, moesten de volmachten dit melden bij de drost, die de aangeklaagde dan een proces zou aandoen. Als de volmachten er geen werk van maakten, of anderszins in gebreke bleven, kregen ze zelf de boetes die ze de nalatigen hadden moeten opleggen. Mogelijk is hier impliciet sprake van nog een andere oorzaak van de overstromingen: de laksheid, jaren en jaren aaneen, van de Tolberter volmachten.

Er zou ook overigens ook nog wel eens een derde oorzaak geweest kunnen zijn, een oorzaak die men destijds echter niet onderkende. Mogelijk was het Tolberter en Nienoordse Veld in kwestie allang begruppeld en voorzien van sloten, waardoor het veen oxydeerde en het maaiveld ter plaatse daalde. Is dat inderdaad gebeurd, dan moet dat de afwatering mede hebben bemoeilijkt. Uiteindelijk heeft men hier ook de handdoek in de ring gegooid, want de Tolberter Tocht ten zuiden van de zandrug verloor weldra haar functie nadat men hier in de negentiende eeuw de afwatering anders ging regelen.

BRONNEN:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr.727: rekestboek. 26 hooimaand (juli) 1809 met op zich ongedateerde apostille (van 9 oogstmaand 1809); idem inv.nr. 729: protocol van notificaties en publicaties door de drost van het Westerkwartier, die van donderdag 16 Slagtmaand 1809.
  • Groninger Archieven Tg. 2137, inv.nr. 40-2: Kaart van de Leek, de Nienoort, Tolberter Togt &c. door Pieter Buwama Aardenburg, gedateerd op 1790-1805, maar mogelijk iets later gemaakt en dan samenhangend met (een vervolg op) de hier weergegeven verzoekschriftprocedure.

Tevens verschenen in: Historisch Leek. – 34 (2020), nr: 2, p. 22-27 


Merc for the Boegies

Vanmiddag, ergens in Friesland:

Meh!


Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte

Dick de Bray, Ganzen, 1662. Collectie Rijksmuseum.

Boeren willen vandaag de dag nog wel eens klagen over de troepen wilde ganzen die neerstrijken op land met kort eiwitrijk gras. Naast gras doen die ganzen zich wel tegoed aan jong wintergraan en andere gewassen. Een beetje gans vreet zo’n halve tot een hele kilo per dag en bij een troep van enkele honderden ganzen loopt dat dus behoorlijk in de papieren.

Maar ook hun mest moet je niet uitvlakken. Een gans produceert om de vier minuten een keutel en nog afgezien van de ongewenste gevolgen voor de bodem, zoals een ongelijke vruchtbaarheid, wil je dat spul niet in het voer van je beesten. Geen wonder dat er allerlei middelen worden ingezet om grazende ganzen van het land te weren. Ook hebben boeren met “faunaschade”, aangericht door ganzen, recht op een vergoeding.

Klachten over ganzenschade zijn echter niet nieuw. Getuige een resolutie door het Groninger stadsbestuur van 13 maart 1685 hadden “ingesetenen en intresseerden van Nieuwolda, Oostwold, Scheembder Hamrick en Wagenborgen” een poosje eerder geklaagd over

het groot getal van ganssen, denwelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden waerdoor het gewas wierde afgegeten en de landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen.

Ook destijds al vraten ganzen dus het gras op en maakten ze akkers met hun uitwerpselen onvruchtbaar. Het is alsof we de boeren van nu horen, met dit verschil dat de ganzen van toen tàmme ganzen waren en géén wilde. Destijds werden die ganzen ook gehouden door “huislieden”, een term waarmee gewoonlijk boeren werden aangeduid, streekgenoten dus van de klagers en net als deze woonachtig in de kerspelen op de rand van het Oud-Nieuwland, de Dollardpolder die twintig jaar eerder, in 1665, was ingedijkt.

Het stadsbestuur, dat de baas was over het Oldambt en er de drost als zetbaas aanstelde, besloot op advies van een commissie die de klagers aanhoorde, paal en perk te stellen aan het aantal ganzen bij de Dollarddijk. Niemand mocht hier nog ganzen houden, tenzij

hij sestien deimbten landt in eigendom, possessie of gebruick was hebbende en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven en op sijn eigen landen te weiden en waeren.

Met andere woorden: er kwam een verbod op het houden van ganzen voor landeigenaars en beklemde meiers die minder dan 16 deimt (7,2 ha) grond in bezit of gebruik hadden. Zelfs de meeste koop- en ambachtslui of ‘burgers’ hadden niet zoveel grond tot hun beschikking – het ging dus uitsluitend om boeren en misschien enkele brouwers en predikanten. Maar ook zo iemand mocht slechts een beperkt aantal volwassen ganzen houden, namelijk 1 mannelijke (gent) en 2 vrouwelijke (geusen). Deze moesten dan wel gekortwiekt worden en ook op het eigen of gehuurde land blijven van hun bezitter, die er ook op moest blijven letten.

Voor ganzen die het eigen territorium verlieten, gold bij voorbaat de doodstraf, want iedere landeigenaar of –gebruiker kreeg toestemming

…om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, en dat de eigenaers van sodane ganssen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] ganssen veroorsaeckt te vergoeden en te betalen… 

De ganzendoder hoefde dus geen boete of schadevergoeding te betalen. Het was juist de eigenaar van zulke ganzen die schadevergoeding moest betalen aan iemand die ze op zijn land aangetroffen had.

Het stadsbestuur maakte er aardig wat werk van om deze “Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte” bekend te maken, Het gaf de streekbewoners opdracht

om sigh hiernae strictelijck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.

Het reglementje werd dus op strategische plekken aangeplakt in de vorm van plakkaten en bovendien werd het afgekondigd vanaf de kansels in de kerken van Nieuwolda, Oostwold, Nieuw-Scheemda en Wagenborgen.

Helaas heb ik niet meer over deze maatregelen kunnen vinden. Ook weet ik niet of ze hebben geholpen. Je zou denken van wel, want het verbod is niet nog eens afgekondigd, zoals zo vaak gebeurde met allerlei verboden.

Wat sowieso opvalt is dat het reglementje vlak voor het voorjaar werd vastgesteld en afgekondigd. Zo aan het eind van de winterperiode zijn ganzen zeker niet vet, en al helemaal niet als het flink heeft gevroren en/of gesneeuwd. Waarschijnlijk zijn de vogels dan juist extra hongerig.


‘Kip, kap kogel, Sinte-Maartens vogel’ – een beschrijving van de Groningse Sint-Maartensviering uit 1898

Nergens is van de feestviering op Sint-Martinusdag (11 november) zooveel overgebleven als in de provincie Groningen. Weliswaar moet een hoofdnummer van het program, het eten van een gebraden gans, achterwege blijven omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen, maar overigens wordt het feest met vollen luister herdacht. (…)

Op straat is het voornamelijk feest voor de kinderen. Allen zijn des avonds gewapend met een lampion, in de wandeling een Sinte Martinus genoemd. De kinderen der burgerij gaan bij vrienden en bloedverwanten, die der armen huis aan huis. En terwijl de bonte rij van lampions een schilderachtig effect maken en iets warms geven aan den guren, somberen herfstavond, klinkt het uit de kelen der kleinen:

Sinte Martinus bisschop, patroon van stad en lande,
Dat wij hier met lichtjs loopen, is voor ons geen schande.
Hier woont de rijke man, die ons wel wat geven kan.
Veel zal hij geven, lang zal hij leven,
Zalig zal hij sterven, den hemel zal hij erven.
God zal hem loonen met honderdduizend kronen.
Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sint-Martinus weer aan.
Geef ons maar een appel of een peer, dan komen we ’t hele jaar niet meer.

De lezer zal wel begrijpen dat het liedje, dat ik zoo nauwkeurig mogelijk heb weergegeven, in den mond der kleinen niet altijd tot zijn vollen recht komt. Heel vaak hoort men: “Zalig zal hij leven en lang zal hij sterven” en andere afwijkingen.

Het “Kip,. Kap, kogel, Sinte-Maartens vogel” hoort men, als ik wel ben ingelicht, nog in enkele dorpen van de provincie, maar het lopen met luchtjes is zeer algemeen. Zoo las ik in de Nieuwe Groninger Ct het volgend berichtje uit Pieterburen , een dorpje in het noorden onzer provincie:

“Eén gebruik handhaaft zich hier echter met succes, en wel het loopen met lichtjes op St-Maartensavond. Van alle gezindten komen de kinderen in grooten getale opzetten, of liever (…): van alle rangen en standen. Aristocraatjes en democraatjes heffen broederlijk en zusterlijk in alle grondtonen het “Alse-Sunte Meerten, de koeien dragen steerten” aan, sommige dreumesjes, die pas kunnen loopen, onder moeders geleide. Reeds dagen te voren worden sigarenkistjes, mangelwortels, kalebassen enz. opgevraagd, uitgesneden en beplakt met allerlei graden van kunstvaardigheid. Pas begint het te donkeren, of bij de omliggende boerderijen neemt de feestelijke tocht een aanvang, om later in het dorp zelf voortgezet te worden en zoo de rechtse dorpsstraat een alleraardigst aanzien te geven.

Een 170-tal bewogen zich op straat. Appels en peren, anders ook wel de “gave” van den “rieken man”, zijn schaarsch, ofschoon de boomen bij verscheiden twee maal gebloeid hebben, tot zelfs in november.”

Naschrift: opvallend is een verschil tussen stad en land in deze beschrijving. In de stad gaan de kinderen van de gezeten burgerij slechts bij familie en goede kennissen langs, terwijl de armen huis aan huis afgaan; op het platteland daarentegen gaan de kinderen van alle rangen en standen gezamenlijk op pad.

Bron: De Tijd 23 november 1898, Binnenland, Brieven uit Groningen IX.


Rondje Schilligeham

Leegkerk:

Bij de ingang tot het erf van de boerderij Gravenburg – hun moeder zat achter mij in het weiland te jagen, ze wachtten haar op. Ik denk dat deze kittens een week of vijf, zes oud zijn:

Schutting met koeien bij Oostum:

Dijkcoupure bij Schaphalsterzijl:

Mosterdzaad bij Schouwen (het Groningse, zonder Duiveland):

Rijenteelt maakt micro-reliëf zichtbaar:

Arbeiderswoningen en de gewezen boerderij van Guikema aan de Onnesweg in Feerwerd:

Watermolen in de buurt van Steentil:


Smidsdiploma


De handgeschreven invulteksten op dit smidsdiploma zijn aanzienlijk verbleekt en nauwelijks meer leesbaar, maar het werd op 4 augustus 1956 uitgereikt aan een Jacob Hofstee, dan bijna 30 jaar oud en geboren te Uithuizermeeden.

Linksonder een soldeerbout en rechtsonder een aanbeeld, met een hamer en oplaaiend vuur. De stijl doet jaren 30 aan. Wellicht had de vakopleiding nog een stapeltje vooroorlogse diploma’s liggen.

Het drukwerkje tikte ik op de kop bij de veiling van Boekito’s schilderijen, begin deze maand in het Poortershoes, het buurthuis van de Oosterpoort waar Boekito vlakbij woonde en ook redelijk vaak kwam. Hij heeft in maart een hersenbloeding gehad en kan nauwelijks meer praten. Zijn huis is ontruimd en bijna al zijn boeken zijn naar de stort gegaan: een drama voor de boekenverzamelaar.

Voor zover ik zag, werd er op zijn schilderijenveiling redelijk wat verkocht, meest romantische werken. Was wel een komisch gezicht in de buurt, om jongelui met zulk werk door de straten te zien lopen. Boekito zelf zag ik niet bij de veiling, op de deur van het buurthuis hing een briefje dat die pas ’s middags zou komen.

 


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Graffiti op het hoekje van de Westerhaven


Tamelijk hagiografisch, maar tevens erg mooi

Lied over de man die vaak bij Harm Boukje logeerde:


Opkomst en ondergang van Dikke Trui

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis werd gister een beeld opgeroepen van het eerste vrouwencafé in Groningen, zoals dat tussen 1979 en 1982 bestond. In die periode veranderde de doelgroep nogal, net als het muziekaanbod. Hier mijn verhaal voor de programmakrant.

De Dikke Trui, het allereerste vrouwencafé van de stad Groningen, had regelmatig last van ongewenst mannenbezoek. Zo trok een man in oktober 1979 een mes en beroofde vier bezoeksters omdat hij geen pilsje kreeg. Twee maanden later herhaalde zich dit, waarbij dezelfde dader opnieuw honderden guldens buitmaakte. Begin ’80 pleegde een andere man bovendien vernielingen in het café. De vrouwen hielden hem vast, maar hij ontkwam dwars door het raam. In oktober ‘80 stopte de politie nog zo’n bezoek. “De agressie van mannen is in de afgelopen jaren nauwelijks veranderd, aldus een Trui-medewerkster in mei ’81: “Als het volle maan is, dan lijkt het weer toe te nemen”.

Het vrouwencafé was juist opgericht, omdat vrouwen niet rustig in een café konden zitten zonder mannelijke opdringerigheid. Weliswaar bestond er vanaf 1975 een Vrouwenhuis in Groningen, maar dat was meer sociaal-politiek gericht en bood geen ruimte voor ontspanning en cultuur. Daarom hielden twaalf vrouwen – vooral babyboomers, werkzaam in onderwijs en kunst – in augustus ’77 een brainstormweekend op Schiermonnikoog, waar de naam ‘Vrouwen van Trui’ ontstond.

Na enige mislukte pogingen om een café te beginnen, leek de animo weg, tot zich in augustus ‘78 een andere initiatiefgroep aandiende met een plan voor een vrouwenboekhandel. Beide groepen besloten samen te gaan werken aan een vrouwencultuurcentrum. Hun stichting ‘Vrouwen van Trui’ kreeg weldra statuten met als drieledige doelstelling:

  1. Een ontmoetingsplaats bieden voor alle vrouwen;
  2. Het bevorderen van de emancipatie van de vrouw;
  3. Het bevorderen van vrouwencultuur.

Leestafel met vrouwenbladen
Zowel het vrouwencafé als de -boekhandel ging, vooruitlopend op dat veel bredere cultuurcentrum, ‘De Dikke Trui’ heten. Het was echter de boekhandel die als eerste een pand kreeg: begin maart 1979 opende deze aan de Visserstraat. Bijna drie maanden later, op 28 mei, ging het café los in het pand Oude Ebbingestraat 82, dat al eerder verbouwd was door de eigenaar, de Hengelosche Bierbrouwerij (Stella Artois), tevens leverancier van het bier. De Vrouwen van Trui pachtten dit pand, dat boven een expositieruimte en crèche kreeg, terwijl de benedenverdieping ingericht werd met een bar, dansvloer, zithoek, flipperkast en leestafel met vrouwenbladen.

Vrijwilligers, uiteindelijk zo’n 150, runden café Dikke Trui. Er waren werkgroepen voor alle voorkomende klussen en iedereen kreeg evenveel zeggenschap in de medewerkersraad die het laatste woord had. Alleen in zeer urgente gevallen kon een kleine coördinatiecommissie iets besluiten, maar dat gebeurde zelden.

Zoals gezegd vormde het café een opstap naar een breed vrouwencultuurcentrum en dat was in de feestweek na de stampvolle opening al goed te merken met optredens van clowns, een vrouwenband en een huisvrouwenorkest. Ook later waren de activiteiten in De Dikke Trui deels sociaal-cultureel van aard, met kindermiddagen, klaverjasavonden en open podia. Terwijl er aanvankelijk nog stijldansavonden plaatsvonden, werden dat in ’80 en ’81 echter swingavonden met onder andere new wavemuziek.

Een ander publiek
De expositieruimte boven was geen lang leven beschoren. Binnen een jaar na de opening verhuisde de beeldende kunst naar boekhandel Trui, die wel mannen toeliet. Van het café waren vooral de literaire activiteiten spraakmakend. Zo traden in ’80 en ’81 bekende feministische auteurs als Hannes Meinkema, Andreas Burnier en Elly de Waard op in De Dikke Trui, met een gehoor van zo’n 150 vrouwen. Voor grootschalig theater was de ruimte ongeschikt, maar er waren wel kleine projecten, bijvoorbeeld over “de lusten en lasten van het vrouwenlijf”. Bovendien vertoonde Trui regelmatig “roldoorbrekende” films. De ontwikkeling die het vrouwencafé doormaakte, is echter het best af te lezen aan de muziekoptredens. Aanvankelijk vallen nog klassieke ensembles en koren met strijdliederen op, terwijl in ’80- en ’81 meidenformaties als Vendetta, The Real Insects en The Bitch Band in het oog lopen met hun semi-punk en new wave.

Met het muziekaanbod veranderde ook het publiek van Dikke Trui. Volgens de statuten moest ze een ontmoetingsplaats zijn “voor alle vrouwen”, maar de praktijk week hier gaandeweg van af. In ‘80, ’81 hielden ettelijke vrouwen van het eerste uur het café voor gezien. De babyboomsters maakten zogezegd plaats voor een wat jongere, ‘verloren generatie’. Voor de buitenwacht ging het om “lesbische, geëmancipeerde wijven” en “mannenhaatsters”, iets wat Dikke Trui zelf in de pers ontkende, maar toch ook intern als verwijt klonk. Sommige medewerksters stoorden zich aan de vaste, anarcho-feministische kern die andere vrouwen zou afstoten – deze werd deze ook wel “de New Wave groep” genoemd, met als kenmerken: “kort, geverfd haar, alles zwart, grote oorbellen, grote bek en last but not least, new wave muziek”.

Bij het bovendrijven van deze bezoekstersgroep, kwamen er ook klachten over verruwde omgangsvormen. Bovendien zou Trui minder vrouwen trekken. Aan de omzet was dat echter niet merkbaar. Dat het café per 1 januari 1982 dichtging, lag dan ook niet aan het veranderende publiek, maar aan de brouwer.

Vier fusten per week
Volgens het pachtcontract uit mei ’79 moest Dikke Trui jaarlijks 100 hectoliter bier moest afnemen, zo’n 4 standaardfusten per week. Een een geringere bierafname gold als ontbindende voorwaarde. Alleen dronken de bezoeksters van Trui veel liever wijn en sterkedrank dan bier. Nadat de Keuringsdienst van Waren al eens teveel schimmels in een monster tapbier aantrof, constateerde de brouwerij in maart ‘81 dat Dikke Trui in een jaar tijd slechts 62 hectoliter bier afnam:

U zult begrijpen dat wij thans gerechtigd zijn de huur op te zeggen, hetgeen wij hierbij doen en wel met onmiddellijke ingang.

Dikke Trui wist haar bestaan nog wel te rekken, maar bouwde haar activiteiten af en zocht onderwijl naar een andere locatie. Die bleek nog niet gevonden toen op 1 januari ’82 zo’n 200 vrouwen het afscheidsfeest bijwoonden. In april maakte de harde kern een doorstart in het gekraakte Oude Politiebureau, in een nieuw vrouwencafé: ‘De Del’.

Na het vertrek van Dikke Trui werd het pand weer een gewoon café. De nu mannelijke klandizie trapte in het Nieuwsblad nog even na en hekelde de buitensluiting van mannen. “Dit was vroeger een feministisch café, zo’n enge club”, lichtte er een toe: “Maar als je ziet wat er boven op de wc geschreven staat, dan kunnen ze er toch niet zonder.”

Bronnen: dit artikel is vooral gebaseerd op Nieuwsblad-artikelen en archiefstukken van De Dikke Trui, vooral inv.nr. 142: correspondentie.


Geschiedenisdag in teken van zij/hij

Een vroeg rondje over de informatiemarkt – zij en hij en de deconstructie van een archiefdoos:

Nee, deze lijken toch niet op elkaar:

Stand historische vereniging Hoogezand – programmaboekje van de grote tentoonstelling aldaar in ’35:

Stand historische vereniging Loppersum. Bij een verbouwing wegens aardbevingsschade kwam dit stuk karton achter een plafond vandaan. Het was daar op 22 maart ’39 verstopt door de maker van het plafond, de timmerman J. Hagenouw uit  Zeerijp. Deze gelovige en politiek meelevende man spreekt van “het jaar van ellende”:

Duitschland wil de heele wereld veroveren. Het is nog geen oorlog, maar het zal er wel op aangaan. Hopende dat God ons zal bewaren, in Hem is nog ons enigste vertrouwen.”

Volgt de datum. En als een pardoes PS: “Het weer is ook slecht”:

De illegaliteit was ook weer aanwezig:

Zij en hij in een genealogisch onderonsje:

Hé, een breiwerkje in de Dikke Trui Lounge:

In die Lounge (de archiefkantine) was het de hele dag lekker druk – Sanne Meijer van het Verhaal van Groningen interviewde de oprichtsters van Dikke Trui, indertijd (1979) het eerste en meest roemruchte vrouwencafé van de Stad:

Zij en hij gaven de Grote Markt een ander aanzien:

Glunderende archivaris:

Zo’n stempelmolen had mijn vader ook, alleen was die van hem een paar maten kleiner:

Zij (rechts) won de publieksprijs en hij ernaast de hoofdprijs van de scriptiewedstrijd:

Ook de Groninger Geschiedeniskwizz en de Verkiezing van de Grootste Groninger werden gewonnen door vrouwen, dus qua competities klopte alles met het thema.


Groeten uit de Witlattensteeg

Rond 1700 was dat de Lattensteeg, waaraan hoven (siertuinen) lagen. Dankzij een witbeurt ca 1730 kwam de naam Witlattensteeg in zwang. Waarschijnlijk ging het vanaf toen dus om een steeg tussen erfafscheidingen van witte latten die de hofeigenaren gezamenlijk hadden aangeschaft. In de twintigste eeuw werd dat met een wat netter gevonden naam, maar even intrigerend, de Witlattenstraat.


Fietstunnel Peizerwold nadert oplevering

Op het oog ligt er een prima wegdek in de nieuwe fietstunnel bij het tolhuis van Peizerwold. Toch staan er nog allemaal hekken omheen en de conclusie is dan al gauw dat dat komt doordat het schilderwerk nog niet af is:

De ondergrond is wel zo’n beetje aangebracht, maar er komen nog diverse figuren op. Deze Hooglander staat er al:

Net als deze vrouwen waarvan de ene lijkt te vliegeren, als ze niet aan tai chi doet:

En deze hooibalen moeten wellicht nog wat geler:

De kunstenaar bleek druk aan het werk in het westelijke deel, dat naast het tolhuis uitkomt:

Even een vlekje weghalend:

Op dit gedeelte staat een kip van het soort zoals de tolhuisbewoners ook hebben:

Alles dichtbij de hand – volgens hem ging de tunnel in november open, ik meen op de zesde:

Weer bij de Groningerweg om over te steken, bleek het inmiddels razend druk op de weg, met files vanuit beide richtingen. Bij de oversteek verzamelden zich dan ook behoorlijk wat fietsers. Een oudere man wilde het erop wagen en kon nog net aan zijn arm worden tegengehouden. Kortom: deze tunnel voorziet in een grote behoefte.


Rondje Peize – Eelde – Haren

Slenk in de Onlanden, gezien vanaf de brug in de Groningerweg naar Peize:

Huppelpaaltjes, Achterstewold:

Rustend blaarkopkalf:

Hooglanders in het laagland:

Bij het Eelderdiep tussen Peize en Eelde:

Een foeragerende zilverreiger tussen de koeien:

Bij Winde, pony met vlechtjes en in zebrapak:

Winde, open stal:

Insect met lange antennes op stuw in het Eelderdiep:

Hoornsedijk – het huisje staat er nog:

Paterswoldsemeer:

Stadspark – ballonopstijging: