Ome Geert had hoofdrol in Havelter dorpsrevue

Vond bij toeval in de Steenwijker Courant een verslagje uit 1951 van de ‘Eerste Havelter Revue’, waarbij mijn oom Geert Perton (1931-2009) een hoofdrol speelde. Verderop in het stukje is nog eens sprake van een Perton. maar dat kan ook mijn grootvader geweest zijn, die schilder Hogeveen hielp met de decors. Mijn grootvader was in zijn jonge jaren namelijk huissschilder geweest en mocht op zijn ouwe dag nog steeds graag dingen opschilderen. Zo verfde hij de vlaggemast voor zijn huis aan de Molenweideweg (nu Hofweg) spiraalsgewijs in de kleuren van de nationale vlag, nogal een secuur karwei.

Het verslag in de Steenwieker over de dorpsrevue

Oom Geert zat destijds op de Meppeler kweekschool (p.a.), waar hij ook een akte handenarbeid haalde. Hij begon meteen na het halen van zijn eindexamen in augustus 1954 als onderwijzer in Wanneperveen, waar hij zijn hoofdakte erbij haalde, en hij vervolgde zijn loopbaan als hoofd van openbare scholen in vaak christelijke plaatsen als Hogeveen (1960), IJsselmuiden bij Kampen (ca. 1965), en Emst bij Epe op de Veluwe (ca. 1967). Eigenlijk had hij meer met muziek, maar toneel ging hem dus ook best af. Zo kreeg hij in april 1952 een goede recensie in de Meppeler Courant voor zijn vertolking van Sancho Panza, de metgezel van Don Quichot:


De Werdegang van de Palestijnensjaal

Hoorde onlangs dat er in Duitsland voorstellen waren gedaan om de palestijnen-, Palestina-, Arafat- of PLO-sjaal (kefiah) te verbieden.

In België vroeg de politie al aan demonstranten om dit kledingstuk af te doen, dan wel te bedekken..

Het kan raar gaan: midden jaren zeventig kwam de kefiah in de mode bij linksradicale, maar nauwelijks partijgebonden types zoals je die zag bij derdewereldsolidariteitsmanifestaties en -demonstraties. Echt veel waren het er nog niet. Een impuls kreeg het gebruik, toen de sjaal rond tachtig ingang vond bij krakers en hun sympathisanten. Langzamerhand verdween echter de politieke symboolfunctie en kwam het kledingstuk in de mode bij mensen die er geen enkele politieke bedoeling mee wilden uitdragen en voor wie de kefiah slechts een commerciële commoditeit als alle andere mode-artikelen was.

Aan dit ’neutrale’ gebruik is nu dan ook een eind gekomen. Hoewel de zwartwitte versie minder met Hamas, dan met de nationalistische PLO te maken had  (islamistische types droegen, meen ik, een groene versie, terwijl de rode weer in gebruik was bij socialistische volksfronters), lijken zulke subtiele verschillen nog niet doorgedrongen tot de tegenstanders die er hoe dan ook van gruwen en al die sjaals, van welke kleur dan ook, over één kam scheren.

Zelf heb ik een zwartwitexemplaar uit 1987, dus al 36 jaar. Duurzaam dingetje!

Ik kreeg hem van mijn broer die naar Israël was geweest, en hem in Oost-Jeruzalem  had gekocht. Niet bij een Palestijnse neringdoende  hoor, maar nota bene bij een joodse koopman. Die daarmee dus Palestijnse symboolpolitiek bevorderde. Hij is nog helemaal intact, er zit geen scheur of gat in. Al is de stof door alle wasbeurten sindsdien hier en daar wel wat dunner geworden. Maar door de laagjes zit hij in gevouwen toestand nog steeds erg lekker, en al zie ik mij er niet zo gauw mee demonstreren, ik blijf hem, mede vanwege de curieuze herkomst, gewoon dragen. Zij het niet diagonaal gevouwen, zoals meestal bij kefiahs, maar gewoon rechttoe-rechtaan, zoals je bij een Nederlandse sjaal van zo’n formaat zou doen.


Hoe Coco spel afdwingt

Elke ochtend, als ik mijn eerste koppen koffie gedronken heb en het getwitter alweer een beetje beu begin te worden, knikt er gekrabbel aan de deur van mijn studeerkamer. Het is Coco, die haar bedoeling kracht bijzet met klaaglijk gemieuw. Ze mag daar niet binnen komen, maar wacht rustig tot ik naar buiten kom, en trippelt dan naar het poezenspeeltje van haar keuze. De bedoeling is dat ik haar volg. Als ik bij het epeeltje van haar keuze arriveer, gaat haar kop omhoog: of ik met haar spelen wil. Haar zus Mimi, anders haantje de voorste, voegt zich meestal bij ons als we al even aan de gang zijn, bijvoorbeeld met een prop zilverpapier of met de touwtjes:


Bie ol scheerboas ien Tolbert

Op de zolder van museumboerderij Cazemier annex Oudheidkamer Fredewalda in Tolbert staat een fors ‘kappersmeubel’, dat in de vorige eeuw dienst heeft gedaan in opeenvolgende Tolberter kapperszaken. Oorspronkelijk was het van een familie Boersma, die viavia van Vierverlaten bij Hoogkerk kwam waar ze het stationskoffiehuis uitbaatte, een établissement dat op zijn inventarris in 1927 nog steeds een kappersstoel had staan. De neringen van kapper en tapper gingen destijds niet alleen daar samen. Ook in Tolbert bleken het niches.

Het kappersmeubel zal van ongeveer 1900 dateren:

Bij die vierkante laadjes vroeg ik me af wat erin heeft gezeten; kappersblaadjes zoals in de jaren 60 De Lach? Of ‘kapotjes’ die onder de toonbank werden verkocht?

Heuker was zowel dames-als herenkapper. Bijbehoren zoals deze – iets waarmee je droogkappen aanstuurt, dunkt me:

Scheerbekken:

Onderdeel van droogkap:

Het kappersmeubel van opzij. Vooraan ligt een föhn? Het ding boezemde sommige kinderen nogal vrees in.:

Haarsnijmachinetje of tondeuse op handkracht van een degelijk Duits merk uit de befaamde messenstad Solingen:

Het briefje dat kapper Heuker ophing als zijn aanwezigheid even buiten de zaak gewenst was:

Het kappersmeubel van Heuker en zijn voorgangers vormde gisteren de aanleiding voor een goed bezochte donateursmiddag van Fredewalda. Deze lokaal-historische stichting had onder de titel ‘Bie de scheerboas’ een soort van bonte avond in elkaar gezet, met een historische, deels autobiografische lezing over ontwikkelingen in het kappersvak, lokale zangeressen, een schetsje van Max Douwes uit de RONO-serie Mans Tierelier en zien dwaellicht deur Drenthe, en een tweedelige film van Tjerk Bekius over het Tolberter kapperswezen. Tot besluit van dit programma zongen de ruim honderd aanwezigen staande enige coupletten van het Tolberter volkslied.

Na de Boersma’s was het kappersmeubel dus het eigendom van kapper Gerrit Heuker. Hij  kwam in 1943 als jongmaatje/kappersbediende in de zaak van Boersma en leerde daar het vak, om midden jaren 50 als theoretisch en practisch volleerd grootknecht de zaak over te nemen. Meermalen verhuisde Heuker  binnen Tolbert, om uiteindelijk tegenover de hervormde kerk terecht te komen. Toen hij er in 1993 mee ophield, had hij geen bedrijfsopvolger en dreigde het kappersmeubel verloren te gaan, maar kwam het via dorpsgenoten bij Fredewalda terecht. Als ik het goed begrijp was zelfs het eerste object in haar collectie.

Vroeger lieten arbeiders zich twee keer per week scheren, leerde ik uit de lezing. De openingstijden van de kapsalon waren tegen het weekend wat ruimer dan nu, begreep ik ook.  Formeel was Heuker nog tot 9 uur op zaterdagavond open. Dan ging de deur op slot, maar de mannen die dan al binnen waren, konden zich nog tot ver na die sluitingstijd laten scheren. Als allerlaatste kwam dan de dominee aan de beurt, die er zondagochtend bij de preek immers piekfijn uit moest zien.

In Tolbert waren er voor en in de oorlog zeker drie  kapperszaken: namelijk die van de families Hovinga, Wagenaar en Boersma. Drie kappers op een bevolking van ruim 3000 zielen, dat lijkt veel (1 kapper op ruim 1000 inwoners) en in dit verband vroeg ik mij af, of de verzuiling ook nog een rol speelde. Bediende elke kapper misschien de eigen zuil – hervormd, gereformeerd  of vrijgemaakt? En kon je aan de kapsels dan de gezindheid zien? Helaas bleven die vragen onbeantwoord.

In elk geval mocht bij Heuker niet over geloof of politiek gesproken worden, onderwerpen die immers ook bij uitstek geschikt zijn om twist en tweedracht te veroorzaken. Verder was het de bedoeling dat de meer persoonlijke zaken niet buiten de salon kwamen en sub rosa bleven. De kinderen van de kapper kregen dit ook al vroeg ingeprent.

Zie ook.


Nieuw uithangbord uit oude tabakszak

De mensen van Stoer Staal & Hout hebben voor mij het beeldmerk en uithangbord (ca. 1800) van tabakskoopman Jan A. Oosterhoff uit de Oosterstraat geëmuleerd uit zwart gecoat plaatstaal van 2 mm dik. Ben bijzonder ingenomen met het resultaat:


Rijk dorp, arm dorp in het Westerkwartier

Bij toeval stuitte ik op een lijst van kerspelen in het Westerkwartier, met de bedragen die deze in 1808 dienden te leveren bij een landelijke “repartitie” van 3 miljoen gulden.

Hoe deze bedragen tot stand kwamen, is me onbekend. Waarschijnlijk ging het – zoals meestal in de Napoleontische era – top-down en is er landelijk eerst een bedrag per departement bepaald, waarna men binnen het departement een verdeling over de landschappen en hun kerspelen opstelde. Er zal veel over geredekaveld zijn in achterafkamertjes. Bestuurders die onder het Ancien Régime al ervaring opdeden met vergelijkbare fiscale verdelingsvraagstukken (“quotisaties”) zullen hun invloed hebben doen gelden.

De sommen die ze voor het Westerkwartier per kerspel bepaalden, heb ik gerangschikt van laag naar hoog en vervolgens gedeeld op het aantal inwoners naar de volkstelling van 1795, om aan een gemiddeld bedrag per kerspelbewoner te komen. :

Som in repartitie 1808KerspelInwoners Vt 1795Gemiddeld/inwoner
150Opende1910,79
175Nuis1920,91
175Noordwijk + Lucasw.2160,81
200Sebaldeburen2190,91
200Oostum633,17
200Lagemeeden1011,98
225Lettelbert1821,23
250Oostwold1062,36
250Leek10700,23
250Niebert2411,04
250Faan723,52
275Marum3510,78
300Niekerk2731,10
300Dorkwerd1192,52
300Aduard3600.83
325Niezijl3251,00
350Saaksum1482,36
350Oldekerk2691,30
350Leegkerk2031,72
450Wierum1832,46
425Feerwerd2311,84
425Grootegast5820,90
450Fransum1273,54
450Tolbert4760,95
475Midwolde2172,19
550Garnwerd4431.24
550Doezum4361,26
700Lutjegast3961,77
750Hoogkerk2902,59
800Hogemeeden1954,10
900Ezinge4162,16
900Den Ham2373,80
1000Visvliet + Pieterzijl5012,00
1050Zuidhorn5851,79
1100Noordhorn5502,00
1200Niehove5192,31
1800Oldehove5873,07
2500Grijpskerk + 3 Waarden6603,79

De belastingdruk bij deze repartitie liep dus nogal uiteen van kerspel tot kerspel. De laagste sommen beurde het Koninkrijk van de kerspelen in het zuidelijk Westerkwartier nabij de grens met Friesland: Opende, Nuis, Noordwijk en Lucaswolde en Sebaldeburen. De hoogste sommen kwamen van Grijpskerk, Oldehove en Niehove. De gemiddelden per inwoner in de laatste kolom, vielen eenvoudig te klasseren:

  • laag: minder dan een gulden.
  • middelmatig: van één tot drie gulden
  • hoog: drie gulden of meer.

De middelmatige bijdragen buiten beschouwing latend, heb ik de kerspelen met lage gemiddelden op het volgende kaartje groen gemerkt en de relatief rijke goudgeel:

De kerspelen met lage gemiddelde bijdragen, zaten op één na allemaal in het zuidelijke Westerkwartier (“onder het Hoendiep”): zand en veen, met gemengde bedrijven van relatief kleine boeren en nog vrij veel woeste grond. De hoge gemiddelde bijdragen per inwoner kwamen van de klei, waar de boerderijen in doorsnee wat groter waren en de boeren een stuk rijker.