De partij die haar bestaansreden ontkent

De vertegenwoordigende democratie is bedoeld om via politieke wedijver tot een zo eerlijk mogelijke distributie van macht over partijen te komen, zonder welke partijstrijd een systeem uiteindelijk zal ontaarden in eindeloos bloedvergieten. Een middel om tot zo’n machtsdistributie te komen zijn de verkiezingen als wedlopen tussen min of meer ideologisch geïnspireerde politieke partijen die op voorhand elkaars bestaan respecteren. Jaren geleden beweerde de geschiedsfilosoof Frank Ankersmit politieke partijen eigenlijk overbodig te vinden, omdat er nog maar zeer weinig mensen lid van werden – waarmee partijen inderdaad hun legitimiteit kwijtraakten – maar hoe hij ze dan eigenlijk had willen vervangen, daarover hebben we hem nooit mogen horen. Het vervangen van partijen zonder er een serieus alternatief voor te bieden, lijkt me eerlijk gezegd onverantwoord en komt neer op vrij baan voor persoonsverheerlijking en machtswellust zonder weerga.

Inmiddels heeft onze vertegenwoordigende democratie een partij zonder leden mogelijk gemaakt, een partij die dus op voorhand ook niet meer kan of wil voldoen als recruteringsinstrument voor vertegenwoordigende en bestuurlijke functies. Maar als een partij deze rol weigert, en weigert de bestuurders te leveren, waar wij de vertegenwoordigende democratie om vragen, waarom zouden wij het bestaan van zo’n partij dan nog langer moeten erkennen? Volgens mij kunnen we wel zonder zo’n partij die haar wezenlijke functie ontkent.


Westerwoldse landschappen bij het Museum Oude Wolden

Het Museum Oude Wolden in het ook dit voorjaar weer prachtige Bellingwolde richt zich onder de noemer ‘Ons laand‘ momenteel op oudere en nieuwere landschapskunst. Dat gebeurt allereerst in een lint door het hele museum heen met werk van allerlei (amateur)kunstenaars die reageerden op een oproep. Veelal richtten die zich op de natuur in hun omgeving, maar ook dorpsgezichten en nog beperktere omgevingen komen in dat lint aan bod:

Omdat het vierkante formaat blijkbaar voorgeschreven werd, bekroop me bij de bezichtiging het idee dat de afbeeldingen zich uitstekend zouden kunnen lenen voor een Memory-spel. Bij sommige stemmige afbeeldingen rook je als het ware een venige lucht:

De wat meer bekende, professionele schilders kregen gelukkig meer de ruimte. Zoals Geert Schreuders, mij vooral bekend van historische voorstellingen, met dit rationele agrarische landschap en diens genuanceerde tinten van bluiend eerappellaand:

Een ontdekking, voor mij althans, vormde het werk van Johan Hemkes (1894-1988). Hij was werkzaam als tekenleraar in Ter Apel en legde de wijde omgeving daarvan vast in honderden etsen. Met steun van het Hesse Fonds en de provincie Grooningen zijn deze gedigitaliseerd en – als de belanghebbenden daar toestemming voor geven – verschijnen deze straks allemaal online:

Westerwoldse turfschuur of vervallen hut, 1940:

In het veen, 1928: enkele veenarbeiders steken met hun petten boven de afgraving uit, evenals een jacobsladder die de kluiten naar een malerij op stoomkracht vervoert, die ze tot hoog-calorische baggels voor huisbrand plat:

In een afzonderlijk kabinet hangt het werk van Ploeg-kunstenaars, zoals deze veenarbeiders van Johan Dijkstra. Uit hun put met hoogveen is de bovenste laag (bonkveen) al verwijderd – die gaat straks weer door het onderliggende zand dat ermee tot dalgrond verwerkt word. Naar onderen toe wordt de turf steeds donkerder en beter voor huisbrand:

Of die veenarbeiders net als hun collega’s op de klei, ook aan éénschaftsarbeid deden, weet ik niet, maar misschien hadden ze bij hun woning ook wel zo’n grote moestuin, waarop ze dan vooral ’s middags werkten. Van Johan Dijkstra is dit kleurige doek van het huis bij de Rhederbrug (oostkant Bellingwolde), bewoond door de landarbeider of dagloner Geert Sandjer:


In het vestingmuseum van de Bellingwolderschans

Vanuit de lucht bekeken, zijn twee of drie van de vier oude bolwerken nog nog steeds goed herkenbaar:

De schans diende oorspronkelijk ter bescherming van de Bellingwolderzijl, de uitwateringssluis van de Westerwoldse A richting de Dollard. Op een kaart van ca. 1650:

Steenhouwerswerk- de voetstukken (?) van een poort anno 1635:

Leeuw die de eventueel naderende vijanden van ’s Lands erf ontzag moest inboezemen:

Het vestingmuseum dankt zijn ontstaan aan een serie opgravingen, geëntameerd door de lokaal wonende archeoloog Ko Lenting, die daarbij hulp kreeg van vrijwilligers. Ze brachten tal van bodemvondsten aan het licht. Vele scherven aardewerk, bijvoorbeeld:

En met die scherven gaf de bodem een hele microkosmos prijs. Zoals dit fragment van een kruik met scènes uit een bruiloft:

Op een ander kruikfragment de portretjes van Duitse keurvorsten:

Een van de vele baardmannen die uit de modder kwamen::

Oorlog betekende vooral verveling, die je als soldaat dan bestreed met allerlei spelletjes – zoals klootschieten. In zo’n bal werden gaten geboord, die je volgoot met metaal, als het hout verging, bleef het vulmateriaal over:

Bikkels van een bikkelspel:

Snorrebotjes: door de gaatjes midden op de gekartelde schijfjes of staafjes ging draad, dat je zo ver vermogelijk opwond. Uiteindelijk trok je aan de lange einden en zo ontstond een zoemend, snorrend geluid:

Rammelaar van koperdraad en kralen, zoals er ook elders wel gevonden zijn bij opgravingen:

Pijpaarden beeldjes, die meegebakken werden met koeken:

Fragment van een majolica-schotel:

Eveneens majolica, dit appeltje van Oranje::

Engel blazend op een bazuin:

Amor met pijl en schild:

Topstuk, deze gerestaureerde beker van dun Boheems glas, met een vrouwenportretje naar een prent van Heirich Vogtherr uit 1538:

Drinkbeker van kobaltblauw boheems glas uit 1608, met fragment van een voorstelling waarop een jongen bij wijze van tuchtiging met een roe voor zijn blote bibs krijgt:

Ook een fraai ding, zomaar uit de bodem – deksel van een ovaalvormig tabaksdoosje uit een vroege periode van het nicotinegebruik (1625-1640), met een weergave van Abrahams’ offer van zijn zoon Isaac (Genesis 22). Isaac voelt aan zijn ontblote nekje dat zijn laatste ure geslagen is, Abraham kijkt omhoog en vraagt zijn God of dat nou echt nodig is, en de engel duwt het zwaard nog net op tijd opzij:

Duits Werra-aardewerk uit 1616:

Er is veel meer van dat spul inOudeschans gevonden: schaal met duif, die vast bedoeld zal zijn geweest voor vogelgebraad:

Poppenserviesgoed van rond 1600:

Ongetwijfeld afkomstig van een Engelse offiier – draagpenning, verbonden aan de koninklijk-Britse Orde van de Kousenband, bekend van de zinspreuk Honni Soit Qui Mal Y Pense (die er kwaad van denkt, moet zich schamen):.

Materiaal om bivoorbeeld degens aan sjerpen te bevestigen:

Avondmaalsbeker, in 1758 door de Raad van State geschonken aan de hervormde gemeente Oudeschans:

Crucifix gevonden onder de vloer van het commandeurshuis. Blijkbaar afkomstig van een crypto-katholiek, wiens geloofsovertuiging vooral bij de strengere, bevindelijke calvinsiten minder welkom was:

Gezien hun liefhebberij voor Trijntje (Mutter Courage?) , wijntje en kaartspel gaven de meeste officieren weinig om. het geloof


Sappemeer, Stootshorn enz.

Zondag had ik nogal een off-day. Wilde in Nieuweschans uit de trein stappen om dan voor museumbezoek peddelend af te zakken naar Oudeschans en Bellingwolde. Kwam om iets over half twaalf aan op het station. Hangt er een briefje bij het Arriva-kantoor: gesloten van half twaalf tot twaalf uur. Dus met de pest in het lijf de fiets zonder vervoersbewijs (treinkaartje) op de trein gezet. Durfde die gok wel te nemen: vaak is er in het weekend geen controle in de regiotreinen, maar dit keer wel. Bleek dat ik niet alleen geen fietskaartje had, maar ook dat ik aangemonsterd was zonder voldoende saldo op mijn ov-chipkaart. Gelukkig was de conducteur bereid me te matsen. Leve de conducteur! Hij waarschuwde nog wel dat dit geen tweede keer moest gebeuren. Nee meneer.

Goed, in Nieuwschans eruit en eerst naar Nieuw-Beerta. Wil ik daar een foto van een curieus plompe boerenschuur maken, blijkt dat ik thuis vergeten ben de kaart in mijn camera te doen. Dus geen foto’s kunnen maken – wat voor mij de hele fietstocht al waardeloos maakt. Ter plaatse dus meteen maar besloten de ruim 60 kilometer naar Groningen terug te rijden. Gelukkig hadden we er mooi weer bij. Onthouden: volgende keer een extra kaart voor mijn camera meenemen.

Achteraf vond ik vooral de omgeving Stootshorn tussen Noordbroek en Sappemeer  de moeite waard. Dus vanmorgen daar maar weer heen, nu met trein- èn camerakaart, om wat dat betreft de schade in te halen.

Sappemeer – de leeuw bij het Bonte Huis, een eeuwenoude herberg ter plaatse:

De gewezen school van Aletta Jacobs staat leeg en te koop of te huur. Lijkt me een pracht-lokatie voor een vrouwenacademie of zoiets:

De kop van Aletta’s jongere zelf staat er ook nog voor:

Binnenhaven een eindje verderop in Sappemeer – die Nomadisch ken ik zowel van een ligplaats in de stad Groningen, als van vrachtjes heen en weer over de Drentse Hoofvaart

Dode roek op de Sappemeersterweg richting Noordbroek – zondag zag ik er een hele groep, maar de anderen bleken nu allemaal foetsie:

Tien jaar geleden zag ik hier onder Stootshorn op het adres Sappemeersterweg 24 een pracht van een veenkoloniaal arbeiderswoninkje. Wel was het behoorlijk vervallen. Een volger reageerde toen op mijn logje met de opmerking dat het eigenlijk een monumentenstatus verdiende…

En zie daar, de opknap is onderweg. De dakpannen, delen van de gevels en ook de kozijnen zijn al vervangen. Iemand moet hier flink wat geld in hebben gestoken – hulde voor deze weldoener van het veenkoloniale erfgoed! Benieuwd of die er zelf gaat wonen dan wel het verhuurt. Er ligt een leuke lap grond bij, er valt een mooi paradijsje van te maken, met alle vogels in de omgeving ook.

DE krimpjeswoning frontaal aan de voorkant:

Het huisje staat op de hoek van de Schoollaan, aan de overkant staat een tweemanssschool van eind jaren dertig met een onderwijzerswoning uit dezelfde bouwperiode ernaast:

Verderop aan de Schoollaan:

De nijvere arbeidsman geniet hier van veel gekwinkeleer:

Ook dit is een huis van het krimpjesmodel:

Een oase in een verderop volkomen veenkoloniale vlakte – de blik richting Sappemeer::

Eindje terug – pand aan de Dwangsweg met een plastic zitje in de berm:

Het uitzicht van dat zitje op het schoolbuurtje:

Zonder alle vogelzang mis je ruim de helft:

Van oudsher is hier veel tuinbouw. Hier kreeg de wakkere oostenwind vat op stapels groentekratten:

Nou, zoek het maar uit dan:

De volgende keer toch maar eerst vastbinden aan die staanders op de wagens?

Tuinhek met stijl:

Even buiten Kolham maakte dit gezelschap jongelieden haar opwachting in de berm bij een ree. Er zat een rouwstoet aan te komen en zij zouden de kist in ontvangst moeten nemen. Het betrof gelukkig geen leeftijdgenoot:

Kolham – dorpsgezicht met hoog verheven molen:

Pakkelarie (van wijlen Ties Dijkhuis?) bij het Euvelgunnerheem:

Bij het Nieuwe Winschoterdiep voor de brug heb ik moeten wachten op de sleepboot Y8039 Dommel van de vaderlandse marine, welk dienstvaartuig in 1957 werd gebouwd bij scheepswerf Bodewes te Millingen aan de Rijn::


Stille getuigen

Tegenover de Gabriël tekenden zich ter hoogte van het zebrapad bandensporen in het pas gemaaide gras af:

Het waarschuwingsbord lag dubbelgeklapt en sneu over de stoep heen:

Het bord zelf gaf ook geen jofele indruk meer, al liep de afgebeelde voetganger er nog best kwiek overheen:

De automobilist kwam uit het noorden, had de zebra op zijn eigen weghelft willen vermijden en kwam zo met enig kabaal via het bord in het gras terecht.

Op het terras van de Gabriël zaten een paar ouwe kerels. Ze hadden ook niets gezien, zeiden ze:: “Het was de jeugd hè”. De jeugd die altijd de schuld krijgt van ouwe kerels op terrassen die nooit wat hebben gezien.

Wat moet zo’n vent ook met zijn vragen. ’t Kön er wel iena van de plietsie wezen. “Kom Jan, ’t wordt fris, we goat weer noar binnen toe.” Op dat sein stapten beiden op van hun stoel en lieten de passant met zijn vragen zitten.

Nog geen minuut later arriveerde een rood wagentje van gemeentewerken die subiet het bord en de paal in zijn laadbakje met zich meenam. Toen was er geen enkele stille getuige meer. En kon niemand nog wat vertellen over de jeugd, die almaar woester tekeerging in het verkeer van Hoogkerk.