Ik moest er eigenlijk in Stedum al uit, maar de machinist maakte zoveel haast, dat ik te weinig tijd had om mijn fiets uit de trein te kunnen halen. Dus stelde ik dat maar uit tot Loppersum om zo zonder verder tijdverlies Westeremden van de andere kant te kunnen bereiken. Vanaf station Loppersum fietste ik naar Westeremden terug over de Badweg, die me onder andere langs een zoutwaterbad voerde. Uiteindelijk liep de Badweg echter dood bij een groot boerenerf met een fraaie peerdjessteen of -plaquette op de achtergevel van de boerderij die daar stond.
Het jaartal stond waarschijnlijk voor het bouwjaar. Maar de plaquette kan ook afkomstig zijn van een eerdere versie van de huidige boerderij die qua bouw vrij nieuw oogt.. Op de topografische kaarten vanaf 1992 heet die de Hijbelsmaheerd (zie links op de kaart, iets buiten het loeg of de dorspskern van Loppersum. Waarom de naamgevers voor deze naam hebben gekozen, is op basis van publicaties en archiefontsluitingen ten ene male onduidelijk. In beschrijvingen van inventarisnummers in archieftoegangen komt hij niet voor, ook ontbreekt de naam in de boeken, tijdschriften en kranten die je digitaal via Delpher kunt raadplagen. Hybelsmaheerd lijkt me zo sterk op een verzonnen spooknaam, iets voor mensen die fictie prefereren boven realiteit, al heb ik natuurlijk ook lang niet alle huisnamen en toponiemen gezien.
“In 1764 werd boerderij Hijbelsmaheerd (later ook wel De Wier(de) genoemd) gebouwd op de wierde. Vanwege aardbevingsschade als gevolg van gaswinning werd in 2016 het voorhuis van deze boerderij (Sjuxumerweg 54) afgebroken en in 2017 vervangen door een nieuw woonhuis in de stijl van het oude Hijbelsmaheerd.”
In 1764 lag hier dus nog een wierde, die zich anno 2024 ter plaatse lijkt te hebben verstopt onder een platte betonnen erfplaat op maaiveldhoogte. De wierde die hier pal ten westen van Loppersum lag (zie bovenstaand kaartje uit de gemeente-atlas van Kuypers, 1868) was volgens de Atlas van Acker Stratingh (tabel op p. 187) met zijn 3,6 meter hoogte na die van Eekwerd de op een na hoogste van de gemeente Loppersum. Voordat zij in 1962 De Wierde ging heten in de topografische atlassen, heette ze al eeuwenlang nog simpelweg op zijn Gronings De Wier. Maar die wier(de) had nog veel oudere, nu totaal vergeten naam: Siuksum of Sjuxum. Een naam van al voorkomt op een lijst met vastgoedeigendommen van het klooster Fulda in het Duitse Hessen, uit circa 1000.
Hoewel de wierde in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog is afgegraven, ligt er deels nog steeds (of opnieuw?) een winkelhaakvormige weg omheen, in een iets veranderde spelling de Sjuxumerweg:
Kijken we naar de voorganger van die weg, dan lijkt die zich als een ossengang om de wierde heen te hebben geplooid. Zowel aan de noordoost- als aan de zuidwestkant vallen de meebuigende vormen op (de zwarte cirkel heb ik zelf toegevoegd).
Het Wikipedia-artikel over Siuksum maakt ook melding van een muntschat, die in 1884 op de lokatie van de wierde is gedaan. Destijds haalde dat al meerdere kranten, onder andere de Nieuwe Groninger, die wellicht wat dichter op het vuur zat dan andere kranten en misschien daarom wat meer details kon geven:
“Voor omstreeks twee a drie weken hebben de werklieden aan de Wier van mejuffr. de wed. D. S. Huizinga, te Loppersum, een niet onaardige vondst gedaan. Na voor-en-na wel een geraamte gevonden te hebben en andere voorwerpen, voor hen van mindere waarde, is voor een paar jaar ongeveer een gouden muntje gevonden, dat wij echter niet gezien hebben , maar toentertijd aan een oudheidkundige of verzamelaar van oude munten te Groningen opgezonden was.
Nu is de vondst werkelijk van meer belang en grooter. Niet minder dan twee honderd drie-en-veertig muntjes van fijn zilver weiden in een aarden, gesloten pot gevonden; de pot was zéér goed gesloten, hetzij door kunst of wel door oxydeering, dat hij door de werklieden, om den inhoud na te gaan, stuk geslagen moest worden. Al deze muntjes, waarvan zes stuks welke wij hebben gezien de zwaarte van een Nederl. gulden hebben, waren alle vrij goed geconserveerd.
Op de voorzijde vond men een kruis en een krans, waarom de inscriptie, Ludovicus Pius, dan eens Ludovicus II en dan eens Ludovicus II Pius imp., waar wij derhalve uit opmaken , dat deze muntsoort behoort uit den tijd van Ludovicus den tweede, Duitschen Keizer , zoon van Karel den Groote en derhalve uit het begin der negende eeuw. Ook de keerzijden van deze muntjes waren bijna alle gelijk , n.l. een tempel, voorzien met een kruis, en tot randschrift, althans de duidelijkste , welke wij gezien hebben , de woorden: Chistiana Felicio.
Hoe ’t ook zij, wij kunnen naar onze zienswijze de wierde van mejuffr. de wed. Huizinga tot een der grootste en der oudste in onze provincie rekenen. Uit de Kroniek is het bekend dat reeds inde zesde eeuw de terpen en wierden al zijn aangelegd onder den Koning Adgit in dit ons Fries land. Ten slotte houden wij het er voor, dat de muntjes welke zoovele eeuwen eendrachtelijk bij elkander hebben gezeten in den aarden pot, voor-en-na de reis naar den smeltkroes zullen maken, om schooner dan ooit, onder andere gedaanten te voorschijn te komen.””
De 243 muntjes vertegenwoordigden een enorm kapitaal. Waarvoor ze precies dienden, is onbekend. De zoon van Karel de Grote, oftewel Duits keizer Lodewijk de Vrome, zal er zijn aanhang op de wierde in deze Friese contreien vast heel tevreden mee hebben gestemd.
Of de doopsgezinde boerenfamilie Huizinga, tevens verwant aan de wereldberoemde, van originde Groningerhistoricus Johan Huizinga, er als landeigenaars ook iets van de muntschat hebben meegekregen, is onbekend, maar lijkt voor de hand te liggen. De drie klaverbladen die ze als prominente boeren op hun achtergevel lieten plaatsen waren overigens verre van origineel. Van de ongeveer 75 grafzerken die Pathuis voor de zeventiende en achttiende eeuw in de kerk van Loppersum noteerde, bleken er immers 29, dus een kleine 40 %, zo’n setje van een drietal klaverblaadjes te dragen (ook zonder klavertjes vier kreeg je wel eens geluk).
Wat achteraf verbaast, is hoe je in Groningerland zomaar, per ongeluk terecht kunt komen op een plek met aaneengersloten zo’n 1200 jaar geschiedenis. Een plek waar aardbevingen overheen zijn gegaan, waar ruim een eeuw geleden een prominente wierde is afgegraven en een zilverschat verdween zondar dat er een haan naar kraaide.
Hoewel, we moeten niet overdrijven: van die schat zijn nog een paar muntjes bewaard, waarschijnlijk ooit eens afgedaald van de bulk en toen als geschenk terechtgekomen in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis. Maar misschien liggen er elders ook nog wat.
Zo’n muntje van Lodewijk de Vrome, de Eerlijke en Joviale (778-840) zag er zo ongeveer uit:
Loppersum was in die tijd natuurlijk al een belangrijk regionaal centrum, anders had Liudger daar geen moederkerk gesticht, maar als je langs die hoeve op de bult Loppersum binnenkomt, dan krijg ik altijd de indruk dat daar de grote baas gewoond moet hebben. Maar dan zien we Merum later weer als muntplaats opduiken. Een andere grote baas?
Dag Harry,
Weer leuk verhaal.
PS verbaast, lees: verbaasd.
Groet,
JP
<
div dir=”ltr”>
<
blockquote type=”cite”>
Over de spelling hebben we het nog wel eens, intussen bedankt voor het compliment!
Loppersum was in die tijd natuurlijk al een belangrijk regionaal centrum, anders had Liudger daar geen moederkerk gesticht, maar als je langs die hoeve op de bult Loppersum binnenkomt, dan krijg ik altijd de indruk dat daar de grote baas gewoond moet hebben. Maar dan zien we Merum later weer als muntplaats opduiken. Een andere grote baas?
Ik weet practisch niets van die Karolingische tijd, die daarom des te intrigerender is.
Mooi verhaal!