Doopvont onder afdak

doodsbaarhuisje kerkhof Roderwolde

Zij is van Bentheimer zandsteen, middeleeuws en het enige restant van de katholieke eredienst in Roderwolde. Over haar exacte ouderdom verschillen de meningen.  Deskundigen houden het erop dat ze uit de vijftiende eeuw dateert.  Maar dat lijkt voornamelijk gebaseerd op het dunne voetstuk – terwijl dat er los onder lijkt te zitten, dus ook een vervanging kan zijn. Zijn die ineengestrengelde kabels op de kuip echt niet romaans?

Romaans of vijftiende-eeuws, dat scheelt nogal in het aantal gedoopte kinderen. In het eerste geval waren dat er duizenden, in het tweede honderden.

Met de Reformatie, omstreeks 1600,  werd het nul, want toen verloor de vont haar functie. Maar zoals alle Drenten hechtten de Roderwoldigers aan antiek als dat een prijs heeft, en de vont bleef daarom staan waar ze stond, ondanks de vrome drijvers die het ding de kerk uit wilden bonjouren.

Probleem was wel: het dorp verhuisde langzamerhand. Op de plek van de oorspronkelijke nederzetting, daar bij dat romanogotische kerkje van baksteen, daalde het maaiveld en werd het veel te nat. De Roderwoldigers trokken hun nieuwe boerderijen een eindje zuidelijker op. ’s Zondags liepen ze dan altijd terug naar het oude en verlaten lint, naar dat kerkje.

Maar zoveel zicht hadden ze niet meer op hun kerk en ze lieten die ook vervallen. In 1828 viel het besluit tot nieuwbouw bij het nieuwe lint. Het oude kerkje zou worden gesloopt, en van het nog bruikbare materiaal zou men het torentje bouwen van de nieuwe kerk, die in 1831 klaar kwam.

De doopvont bleef moederziel alleen achter op het oude kerkhof. Alleen door bomen beschut tegen weer en wind. Tot er in 1874 een lijkenhuisje kwam, en het kerkbestuur besloot aan dat pandje  een afdakje te laten maken voor het oude doopvont.

Zoals op bovenstaande prentbriefkaart heeft zij er, getuige de soort letters op die kaart, zeker nog tot diep in de twintigste eeuw gestaan. Tot men het tijd vond voor haar opname in de nieuwe kerk, die intussen ook al behoorlijk oud was.

Sindsdien heeft het lijkenhuisje op het kerkhof van Roderwolde een afdakje, waarvan menig bezoeker zich afvraagt wat de functie ervan is.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De verzonken klok in het Zuidlaardermeer

Die nacht vroor het dat het knapte. Daarom besloten de mannen van Kropswolde het erop te wagen. Over het bevroren Zuidlaardermeer trokken ze met een slee naar Noordlaren. Ze forceerden stilletjes de deur van de kerktoren, haalden de klok van de balk en lieten die aan de meegebrachte touwen naar beneden vieren, om haar op hun slee te zetten. Via dezelfde weg gingen ze met de klok terug naar Kropswolde. Maar ze hadden pech. Halverwege het meer, zo’n beetje bij de vaargeul, zakten ze met klok en al door het ijs. Ze konden er zelf nog wel uitkomen, ze hadden immers touw bij zich. Maar de klok moesten ze achterlaten. Daar konden ze niet meer bij. En sindsdien kan je altijd, als je tenminste goed luistert, ‘s nachts bij oostenwind een klok horen luiden vanuit het bevroren Zuidlaardermeer.

Dat is de legende die omstreeks 1930 is vastgelegd uit de mond van enkele ouden, die het weer uit de overlevering van ouder tot ouder hadden.

H.M. Luning, de historicus van Noordlaren, onderzocht in 1988 wat er aan was van dit verhaal. De klok van 1712 hing nog steeds in de kerk, constateerde hij, en die klok was weer vergoten van een klok, die in 1628 gekocht was van meester Nicolaes te Groningen.  Het verhaal moest dan van voor 1628 stammen. Een eerdere klok, vond Luning uit, was van 1589 geweest. Maar geen spoor van de Kropswoldiger euveldaad.

Wel hadden de Noordlaarders vanaf 1598 ruzie over de klok gehad, maar dan met die van Farmsum. Dat kwam zo. In 1578 nam de stad Groningen overal in de Ommelanden klokken in beslag om er kanonnen van te kunnen gieten. Zo verdwenen ook drie stuks uit Farmsum richting stad. Een van die klokken bleef echter voor de geschutgieter gespaard en ging in 1589 naar Noordlaren, in ruil voor een zwaardere gescheurde klok.

Zeven jaar later kregen de Farmsumers er lucht van dat een van hun klokken in Noordlaren hing. Omdat de stad vond dat de twee dorpen er onderling maar uit moesten komen, probeerden de Farmsumers met die van Noordlaren te overleggen. Maar de Noordlaarders hielden zich jarenlang oostindisch doof. Toen het toch tot een afspraak kwam, in 1605, bleek de jonker van Farmsum ziek. Zodoende zat er weinig schot in de zaak. Pas in 1609 kwam er een oplossing. De stad wees de klok toen aan Farmsum toe. De Farmsumers vervoerden de klok vervolgens per schip over het Zuidlaardermeer en dat zou dan wel eens de kern van waarheid kunnen zijn van het latere Noordlaarder verhaal.

Aldus Luning. Die indertijd nog geen gebruik kon maken van de Volksverhalenbank, anders zou hij vast wel hebben gezien dat er in Nederlandse volksverhalen bijna net zo vaak verzonken klokken voorkomen als onderaardse gangen.

Grosso modo hebben die verzonken klokverhalen twee motieven. Of er is een groter geheel naar de diepte gezakt dat zich kenbaar maakt door klokgelui. Of de duivel en zijn trawanten hebben een ongewijde klok in het water gesmeten, een klok die dan meestal met kerstmis nog luidt.

Wat noordelijke voorbeelden. In het Tjeukemeer ligt er een verzonken kerkhof, waar  wel eens een klok luidt. Bij Wartena horen schippers en vissers af en toe nog de klokken van een verzonken stad.

Mooier nog, vind ik het verhaal over de klok van het klooster Sint Odolfus  te Stavoren. De lokale bevolking had kosten nog moeite gespaard om het klooster een fraaie klok te bezorgen. Op een kwade dag echter, kwam de bisschop langs, die merkte dat de klok niet was gewijd. Hij vervloekte haar daarom en duivels kwamen haar dezelfde nacht nog halen. Ze vlogen door de lucht en gooiden haar in de Fluessen. Schippers horen daar die klok nog wel eens. Het geluid lijkt op dat van een roerdomp.

Toegegeven: geen van beide motieven – verdronken nederzetting, duivel – speelt bij het Zuidlaardermeer. Of het moest zijn dat de Kropswoldigers bij de Noordlaarders de plaats van de duivels innamen. Wat vanuit het perspectief van de Noordlaarders zeer begrijpelijk is, al waren ze daarin dan volstrekt abuis.

Bron: H.M.Luning, De legende van een klok, Groningse Volksalmanak 1988, 60-63.


Zult, ’s lands lekkernij van Drenthe (1791)

Het Vaderland (1791), door de Hollandse notaris Gerrit van der Jagt,  is een geografisch-historisch leerboek, gegoten in de vorm van een dialoog tussen een vader en een zoon, waarbij de vader bijna voortdurend aan het woord is.

Het werk bevat vele plichtmatige lesjes, waar niets origineels aan te ontdekken valt. Ook schiet Van der Jagt nogal eens van de hak op de tak. Kennelijk was het hem niet gegeven om wat gestructureerder te werken dan hij deed.

Allemaal redenen om je schouders op te halen over zijn werk, ware het niet dat daar passages in voorkomen die erop duiden dat hij daadwerkelijk ons land bereisd had. De authentieke brokjes reisbeschrijving haal ik nu even voor wat betreft Drenthe uit Van der Jagt zijn didactische brij.

Van der Jagt benaderde Drenthe vanuit Zwolle. Over de Vecht werden de wegen en de landerijen minder van kwaliteit, bij Rouveen en Staphorst waren ze weer wat beter, om helemaal slecht te worden tot aan het Drentse tolhek, op de Werkhorst bij Meppel. Vanaf die plek werd het rijden met een rijtuig wat comfortabeler:

Daar ryst het land weer aanmerkelyk, bevrydt ons van schokken en inslorping, wanneer het geregent heeft; want hier zyn geen watermolens.

In Van der Jagts beschrijving van Drenthe in het algemeen vinden we weer eens de venen en de turfgraverij, de onvruchtbare heiden en de schapen, die bijna in elke beschrijving van de Olde Landschap voorkomen. Wel heeft de notaris misschien wat meer oog dan andere reizigers voor het gemeenschappelijke eigendom en werk van de Drenten:

De oogsttyd begint en eindigt op een vastgestelden dag, met het luiden der klokken. (… ) de heiden, met gras begroeit, zyn in gemeen gebruik.

Van de Jagt stipt de afwatering door beken, de nieuwe Drentse Hoofdvaart (1769 – 1783) en de nieuwe nederzetting Smilde aan en werpt zich na een passage over de hunebedden op de Middeleeuwen en de staatsinrichting van Drenthe, om dan weer terug te keren bij het tolhek op de Werkhorst:

Wy namen den langsten, maar vermaaklyksten weg en zagen reeds van verre den zwaren stompen toren van Meppelt, met een lagen kap gedekt. Wy zyn dit vlek of open steedje, welks grond weer lager en met water doorsneden is, by het dalen der zon, langs een beplantten weg, nevens schoon weiland genadert. Hier is de samenvloeijing van verscheiden beken en de doortogt der Drentsche turffschepen. Er wordt veel vlas gesponnen en linnen geweven; men maakt er ook zeildoek en gestreepte wollen stoffen. De straten zyn zeer wel geregelt, de huizen welgebouwd en er heerscht die zinlykheid die met welvaart zich ligtelyk vereenigt. De plaats is volkryk, naar hare grootte. Men zeide my daar dat er 3000 leden der hervormde gemeente zyn; omtrent het jaar 1776 waren er, volgens eene aantekening, tusschen de 15 en 1500.

Van der Jagt bezocht die avond de Meppeler kerk, en bezichtigde ook een totaal gesloopt pand, het onderkomen van de patriotse sociëteit, voordat de Orangistische contrarevolutie van september 1787 er radicaal een eind aan maakte. De Hollandse notaris zou gaan slapen in een herberg bij de kerk:

Hier namen wy onze nachtrust en zagen de schoorsteenmantel in de herberg (…) met groote drinkglazen bezet; ‘t geen wy meer zullen ontmoeten.

Kennelijk ging het om een Drentse of noordelijke horeca-gewoonte? Over Meppel verklaart hij:

Zoo welvarent als Meppelt is, kan men er een goed huis huren  voor vyftig guldens in ’t jaar. Er zyn duizend huizen. Voor twee guldens en tien stuivers ’s weeks, kan men zeer goed in den kost.

Met een voerman verliet zijn gezelschap de volgende ochtend Meppel, om langs de Hoofdvaart noordwaarts te gaan. Onderweg constateerde de notaris dat de Drenten grote “liefhebbers van de vetweidery” waren, die “met het meeste genoegen in hunne speelhuisjes in de weiden hun pyp [zaten] te rooken.” Aan de sluizen die zijn rijtuig passeerde, merkte hij dat het land steeds hoger lag.

Links en rechts doemden Diever en en Dwingeloo op,  beide “fraai in ‘t geboomte”. Tussen deze plaatsen in pleisterden Van der Jagt en zijn reisgezelschap in ’t Wapen van Drenthe, zoals de herberg bij de Dieverbrug nog heette. Ze vonden er “goede boter, fyn en grof roggebrood, beide inlandsch” en luisterden er naar de verhalen van de lokalo’s:

Als de baars hier duur is, kost die twee stuivers het pond. Met duizend guldens inkomen in ’t jaar, kan men hier rytuig houden, jagen en vissen.

Met andere woorden: in Drenthe kon je ook toen al heerlijk goedkoop drentenieren.

Het gewoone ontbyt in deze landstreek is pannekoeken. De luiden leven hier gezond, worden oud, en bemoeien zich weinig of niet met geneesheeren en rechtsgeleerden.  De levensmiddelen zyn hier nog beter koop, dan in de wingewesten, of in Gelderland en Overyssel.

Over de inwoners heet het:

De Drenten zyn welmeenend, goedhartig, beminnaars der goede trouw.

Alleen de Meppelers vormden een uitzondering. Die waren nogal zelfgenoegzaam, wat vast door de handel kwam. Op de Smilde bekeek Van der Jagt de nieuwe koepelkerk (1780), zag vanaf de toren Groningen liggen  en gaf een algemene indruk van de veenkolonie:

Alle de huizen, geregelt langs de Nieuwe Vaart gebouwt, geven welvaart te kennen.

De oorzaak van die voorspoed viel goed te zien langs de weg naar Assen:

Tot welk eene hoogte zagen wy de Turfaarde, op de heide! aan beide zyden van den gebaanden weg recht afgestoken.

Ook Assen beviel de notaris al op het eerste gezicht goed:

De aankomst by dit vlek is zeer bevallig, by een uitgestrekt bosch, langs de Nieuwe Vaart en den breeden hier rechten weg; ten einde van welken men, achter de huizen, het spitsjen der kerk ziet ryzen.

De reizigers legden hun bagage neer in een herberg bij de kop van de vaart, en maakten net als in Meppel een avondwandeling:

Er zyn hier eenige schoone en deftige, meest nieuw gebouwde huizen langs de vaart en op het groote driekante plein, ’t geen wy langs een breede straat genadert zyn, en aan de noordzyde met twee ryen boomen beplant is.

Van der Jagt kwam terecht bij de overheidsgebouwen aan de Brink, en bewandelde met zijn gezelschap de “breede geregelde singels, met hooge boomen, rustbankjes en byliggende tuinen” van het ongeveer 300 huizen tellende Assen. Bij terugkeer in de herberg koos hij in de opkamer met uitzicht voor een opmerkelijke regionale specialiteit:

Wy verkiezen, by ’t smaaklyk brood en bier, ’s lands lekkerny, zult, of spek met wyn-azyn doorweekt, met een glaasjen goeden wyn. In onze zinryke herberg, gezeten, zien wy naar beneden over het ruime breede voorplein. Steenen palen en yzeren leuningen, waar mee de vaart is afgeperkt, langs de nieuwe huizen, daaraan gebouwt, terwyl ’t gezicht door geboomte en eenen nieuwen zaagmolen bepaalt wordt.

Na een aantal clichématige passages over maar al te bekende zaken in de rest van Drenthe, keerde Van der Jagt terug naar de twee Drentse plaatsen die hij nu het beste kende:

Er zyn zeer welgestelde landlieden omstreeks Assen en Meppelt, die ’t ook in Holland zouden zyn.

Net als  Meppel, verliet hij Assen bij het krieken van de dag:

Met klimmende zon ryden wy weer van Assen, ’t welk door Friezen en Groningers bezocht wordt. Wy zien veel wei- en zaailand nevens den landweg en komen in t dorp Vries in ’t dingspil  Noordeveld, bevallig, ruim, met geboomte en verscheiden schoone huizen. Wy vonden de herberg zeer zinlyk, in den landsmaak. En wie zou hier, in ’t uithangbord, het Wapen van Leiden verwachten?

Hoewel Van der Jagt Eelde, “omringt met veele fraaie lusthuizen” wel even noemt, reisde hij over Zuidlaren naar De Punt:

Wy zagen nog meerder zaailand, tot aan de grenzen, by de brug en het tolhuis van Groningen. Bevallig was ook het gezicht van een gezelschap Groninger jonge lieden in een speelwagentje, waaronder de vrouwelyke hulsels, beknopter dan die der Friesche meisjes, my bevielen; hoedanige hulsels ik ook in  Overyssel en Drente opgemerkt heb.

Met een oud rijmpje over de weelde, ontleend aan Tydeman, sloot hij het hoofdstuk Drenthe af:

Uit hetgeen gy zaagt en hoordet, kunt gy opmaken dat men in dit Landschap by eenvouwigheid orde kent.

Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 553 – 568.

Morgen Van der Jagt over Groningen.


Havelter eiken en de turftheorie

Twyffelt iemand of zig veenstoffe zoude zetten over op den grond liggende boomen, hy gaa naar het reeds gemelde Havelthe in Drenth. Daar liggen verscheide eiken stammen op den grond, die ter dikte van één voet of meer met eene viltagtige veenige korst overdekt zyn; egter hadden dezelve daar niet boven de 40 à 50 jaar gelegen, ja verscheidene oude lieden hadden aan den Drentschen Landmeter L. Grevelink, uit wiens mond ik deeze waarneming hebbe, verzeekert veele derzelver nog op stam staande, gekent te hebben.

In zijn Vertoog over de veenen (Verhandelingen Pro Excolendo IV-1, 199-346) huldigt A.J. de Sitter, oud-rentmeester der Stad-Groninger venen, de nieuwe opvatting dat veen langzaam aangegroeid is. Daarmee bestrijdt hij de indertijd (1796) nog vrij gangbare theorie dat het veen ooit door een buitengewone storm, met onderliggende bomen en al, vanuit Noorwegen over zee was komen aandrijven. In dit kader noemt hij meermalen Havelte. Aan de ene kant (pag. 260) lagen daar eiken op de grond, die in een kleine halve eeuw met minstens 30 centimeter mos overgroeid waren geraakt, aan de andere kant (pag. 247) had je daar stervende eiken die alleen nog maar takkenstompen hadden, terwijl je bij aangepoelde bomen ook kleinere takken en bladeren zou verwachten:

…men gaa naar het naburìg Havelte in het Landschap Drenthe, aldaar vindt men veele schoone en zwaare eikenboomen, doch die onverkoopbaar zyn geweest om de verafgelegenheid van het Water; deeze boomen eindelyk stervende, is niets overgebleeven, dan de opgaande stam met de korte einden der takken…

Jammer dat de exacte lokatie van dit stervende eikenbos onbekend bleef. Overigens noemt De Sitter nog wel meer merkwaardigheden, zoals (op pag. 232/232) een vuistbijl, die aangetroffen was onder het veen in het oosten van Stad en Lande:

Dus is my zelven voor ettelyke jaaren in de Pekel geworden eene steene beitel, naar het zeggen der arbeiders op het zand gevonden, van dat zoort van steenen, die men dondersteenen noemt, zijnde ruim ¾ voet lang; deeze is door my vereerd aan den wydberoemden Van Doeveren, in wiens uitmuntende verzameling dezelve nog bewaard wordt.

Zou die steen er nog zijn, vraag je je dan af. Zo ja, in Leiden, want de universiteit aldaar kocht na Van Doeverens dood (1783) diens kabinet met delfstoffen en preparaten.

Onder het hoogveen, op het onderliggende zand, aldus De Sitter, was nog nooit wat gevonden dat wees op de aanwezigheid van de zee aldaar, zoals zeewier, schelpen, visgraten etc., “wat hier van de ligt gelovende Piccard beuzelen mag”.


Een smokkelbakkerij tussen Leek en Nietap

Op 27 januari 1682 vaardigden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande twee heren uit hun midden af naar Leek. Daar moeten ze onderzoek doen naar “een huijs daer omtrent in ’t Landtschap Drenthe staende waer uijt veele sluijckerijen soude geschien”.

Elke provincie had nog een eigen belastingregime, en dus waren goederen in de ene provincie goedkoper dan in de andere, wat smokkel in de hand werkte. Dat zou ook hier in Leek het geval zijn. Vanuit het huis dat de heren op de korrel hadden, zouden waren in de provincie Stad & Lande zijn gebracht, zonder dat er de vereiste belasting over was betaald.

Op 3 februari rapporteerden de heren die naar Leek waren geweest. Ze hadden er “in oogenschijn genomen” de behuizing van een Jan Heres bakker, en een schuur die niet ver van diens huis in diens hof stond. Het huis bevond zich in de provincie Stad & Lande en de schuur in de landschap Drenthe. Zowel in het huis als in de schuur zag de commissie een oven. Zowel in het huis als in de schuur troffen de heren brood aan “gemaeckt nae de forme ende het gewichte in dese provincie (Stad & Lande HP) gebruijkelijck”. In de schuur lagen bovendien kleine vaatjes, die normaliter werden gebruikt voor het smokkelen van brandewijn.

De heren namen in overweging, dat de bewuste bakker aan de overkant van de provinciegrens nauwelijks brood kon verkopen, aangezien “de Ingezetenen van het Landtschap Drenthe (…) doorgaens haer eigen broodt waeren backende”. Ook verklaarde de belastinggaarder “op de Leecke” dat de belasting op het gemaal nog maar de helft opbracht, van wat er eerder bij hem binnenkwam. En dat kwam dus door die bakker, dat kon haast niet anders. Er moest wat gebeuren, want als de situatie zo bleef als ze was, bleef het voor de belastinggaarder onmogelijk om bij Jan Heres te controleren.

Op dit rapport besloten Gedeputeerde Staten dat de bakker op de grens van Leek en Nietap “tot voorkominge van frauden” zou moeten toestaan dat de belastinggaarder zowel in zijn huis als in zijn schuur controleerde. Ook mocht de bakker in zijn huis, schuur en hof, afgezien van de spullen die hij voor zijn ambacht nodig had, geen voorraden hebben van spullen waarover in Stad & Lande impost betaald moest worden. Zouden ze hem daar toch op betrappen, dan gaven de heren hem een beroepsverbod.

Bron: RHC Groninger Archieven, archief Staten van Stad en Lande inv. nr. 140 Actenboek GS 27.1 en 3.2.1682


Om en in de kerk van Peize

Gevelsteentje in de toren, met de namen van de kerspelvolmachten die in 1803 de bouwcommissie van deze toren vormden:

Luinge is in Peizer contreien een bekende naam, Ebbinga lijkt me de vergroningste vorm van Ebbinge.

Romaans doopvont (13e eeuw), het pronkstuk van het interieur, ooit verkocht aan het Drents Museum, maar teruggekeerd in bruikleen:

Plaquette, aangeboden door de Limburgse evacuees van 1945:

Bovenkant van het offerblok, een soort holle, met ijzerwerk gezekerde paal die als kluis voor collectegeld diende. Periodiek gingen de sloten open en werd het geld geteld, dat je dan in diaconierekeningen verantwoord vindt:

Een kritische noot: ik vind dat er op de Open Monumentendagen hier en daar te weinig gelet wordt op de zichtbaarheid van het monument zelf en wat daarbij hoort. In Peize onttrok een ‘kunstexpositie’ sommige dingen aan het zicht, in Tolbert lag er een groot kleed over de grafstenen op het koor. Ik weet natuurlijk dat de openstelling een kwestie van vrijwilligerswerk is, waarvoor we dankbaar mogen zijn, maar dat neemt niet weg dat er soms best wel wat meer op de bedoeling van de dag gelet mag worden.

Zie ook.


Turfmakerstent, turfmakerswoning

(De Wandelaar, 1936)

(Nieuwsblad van het Noorden 8 april 1952)


Maai- en hooitijd in de Onlanden (1912)

Een eeuw geleden stond de waarschijnlijk uit Hoogkerk afkomstige Vredewoldius uitvoerig stil bij de economie van de lage madelanden ten noorden van Roderwolde en Sandebuur die we tegenwoordig de Onlanden plegen te noemen. Hij deed dat  in een aflevering uit zijn serie over  het Vredewold en omgeving, die helaas nooit als boek is uitgegeven. Omdat het stuk zo buitengewoon informatief is, laat ik het vrijwel integraal volgen met een paar aanvullingen.

“De bodem bestaat hier voornamelijk uit laagveen van een aanzienlijke dikte, ten deele ook uit moerasveen en is week en moerassig. Sommige stukken land hebben nog zoogenaamde drijftillen. Op die plaatsen kan men niet met paard en wagen verkeeren zonder gevaar te loopen van in de diepte te verzinken met een uiterst geringe kans om ooit weer boven te komen, want de zode sluit zich van boven terstond weer aaneen. Die lage landen zijn natuurlijk onbewoond en dienen alleen voor het winnen van hooi, enkele ook voor weiland. Door er een laagje klei over te brengen heeft men de kwaliteit van het gras van vele stukken verbeterd; voor een kwart eeuw leverden deze landerijen alleen het zoogenaamde ‘blauwgras‘ wat voor veevoer niet aan te bevelen is zonder krachtvoeder, omdat wegens gebrek aan phosphorzure kalk in dat gras en hooi de dieren een ziekte krijgen, die beenverweeking heet. Voor ettelijke jaren bad men van deze ziekte, die zich vooral in het voorjaar tegen het kalven der koeien openbaarde, veel last, omdat de meeste landbouwers niet met de zaak op de hoogte waren. Tegenwoordig, nu er beter en oordeelkundiger gevoederd wordt en het hooi van de lage landen door dat overkleien verbeterd is, hoort men er niet zooveel meer van.

”De hooilanden van Roderwolde’ zijn in handen van verschillende eigenaars, die soms ver weg wonen en die ze vroeger meestal voor een appel of een ei hebben gekregen, maar die er thans ontzettende winsten mee maken. Ofwel ze behooren tot de kerkelijke goederen van de omliggende hervormde gemeenten. De eigenaars verkoopen het ‘topgras’ op publieke verkoopingen die te Roden en Roderwolde worden gehouden. Zoo’n topgrasverkooping is een gewichtige zaak voor de boeren uit den omtrek, omdat zij er zich van hooi moeten voorzien voor hun vee. Als een eigenaardigheid van de topgrasverkooping te Roderwolde, die de voornaamste is van alle verkoopingen van dien aard en die dan ook met den naam ‘groote’ wordt betiteld, moet vermeld worden, dat eenigen tijd voor het begin der veiling de torenklok wordt geluid om zoodoende aan de personen, die ergens in het hooiland omzwerven om de verschillende perceelen, waarop zij wel oog hebben, te bekijken, gelegenheid te geven om op tijd te komen.

Als het maai- en hooitijd is, wordt de anders eenzame vlakte plotseling een tooneel van groote bedrijvigheid en gezellige drukte. Van heinde en verre komen de maaiers en hooiers opdagen om hunne werkzaamheden te verrichten. Dan slaan ze hier en daar witte linnen tenten op; want ook des nachts blijven de mannen in het hooiland om toch vooral maar geen lijd verloren te laten gaan. Ze slapen in den korten zomernacht enkele uren onder die linnen tenten, ook kruipen ze soms in de reeds gereedstaande hooioppers. Maar al lang voor zonsopgang

Slaat de maaier al weer reede,
Om met zijn zeisen, scherp van snede,
Door ’t gras te gaan. ’t welk versch geveld,
Een rozengeur spreidt over ’t veld.

Zoo’n rozengeur is dat nu eigenlijk niet, zooals de dichter ervan maakt, maar lekker ruikt het pasgemaaide gras toch wel. Maar daar moet men eigenlijk boer voor wezen! Natuurlijk wordt het benoodigde proviand voor al de dagen, die men in die ruime wereld moet doorbrengen, van huis meegenomen: stoet, eieren, pannekoeken en ‘soepenbrij’, het laatste vooral in ruime hoeveelheid omdal het niet zuur wordt, wijl het dit reeds is, en dus veel langer goed blijft dan de pannekoeken. die al gauw een zuur smaakje krijgen, vooral bij warm weder. Duurt hel werk langer dan men verwacht had, dan wordt de eetvoorraad door een afgezant weer aangevuld uit huis.

Indien het weer meewerkt, d.w.z. als de drie factoren warmte, zonneschijn en wind voldoende aanwezig zijn, is de geheele campagne in een 14 dagen afgeloopen. Van heinde en verre komen schippers om het hooi naar. de boerderijen te vervoeren, Daarna blijft de nu kale grasvlakte in treurige eenzaamheid achter, al haar tooi van gras en bloemen is verdwenen. Maar als het regent in den hooitijd, gebeurt er dagen soms niets. Dan zijn de boeren niet best te spreken, dat is gemakkelijk te begrijpen, want meermalen krijgen ze dan het dure hooi half bedorven te huis.”

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold en omgeving XXX, Nieuwsblad van het Noorden 23 november 1912.

Aantekeningen:

Uit een bericht over de topgrasverkopingen de dato 26 juni 1912 blijkt, dat de madelanden ook dan al steeds meer drooggelegd worden. Daardoor verschuift de hooitijd van juli naar juni. Ook worden gronden dichtbij vaarwater (Peizerdiep, Leekstermeer, Matsloot) vaak voorzien van een laag terpaarde, terwijl meer afgelegen stukken het moeten doen met kunstmest. Op die manier valt de opbrengst aan hooi steeds groter uit en kunnen de boeren meer vee aanhouden.

Een voorbeeld van het kamperen op of bij hooiland tijdens de hooitijd komt uit Zevenhuizen. De boer Lammert Slofstra die zijn bouwland omzette in weiland, maar toen te weinig voer had voor zijn groeiende veestapel, pachtte er “bij Hoogkerk”, op twintig kilometer vanaf zijn boerderij, hooiland bij:

“Bij Hoogkerk kampeert het hele gezin in juli dan twee weken in een tent op het land om te hooien. Ze nemen proviand en turf mee, koken in een eenvoudige pot en werken hard. Kinderen herinneren zich dat hooien als een feestelijk gebeuren”,

aldus een historisch stukje op een dorpswebsite van Zevenhuizen.


Busboekjes en vormgeving

Begin jaren vijftig twistten Drentse en Groninger busmaatschappijen om de verbinding Assen-Groningen en zo komt het dat dit antieke busboekje van de Drentse Auto-Bus Onderneming (DABO) bewaard is gebleven in een collectie documentatie bedrijven en instellingen bij de Groninger Archieven.

Het aardige van zulke dienstregelingen is de zeer tijdgevoelige vormgeving, niet alleen van de boekjes zelf, maar ook van het afgebeelde materieel. Vergelijk je deze omslag met die van een BraBeNa-dienstregeling uit hetzelfde jaar, dan vallen bijvoorbeeld de afgeronde vormen van de bussen op. Vijf jaar eerder waren de voorruitjes nog rechthoekig en liepen ze niet in elkaar over.

In 1963 fuseerden de DABO en de EDS tot DVM, en het mooie is dat de vormgever dat ook in beeld bracht op de DVM-dienstregeling van dat jaar. De oude naam DABO stierf overigens maar zo niet uit, zoals blijkt uit een bericht over de busstaking van zes maanden later.  Ook van de DVM-busboekje uit 1982 is er nog een plaatje.

De gelinkte covers zitten in een serie dienstregelingen van Arthur-A op Flickr. Hier heb je deze collectie als slideshow.  Van de verzameling maken tevens busboekjes van de Groninger Autobus-Dienst Onderneming (GADO) deel uit, zoals die van 1965 en 1981, de eerste met een modern-gestyleerd stadswapen, de tweede met een nostalgisch beeld van de Grote Markt noordzijde in Groningen.


Een nikstaart over Peizermade

Zoekend met de term ‘nikstaart’ in de krantenbank van de KB vind ik slechts zeven resultaten, waaronder een paar die slaan op het stukje land bij Glimmen. De mooiste melding echter, betreft een bericht dat zowel het Algemeen Handelsblad van 7 augustus, als De Tijd van 8 augustus 1891 haalde.  Beide kranten namen het over uit de Nieuwe Groninger Courant, die het op zijn beurt weer ontving van een correspondent in Peize:

“Tal van personen hebben hier Vrijdag jl. ongeveer halfzeven des avonds een eigenaardig luchtverschijnsel waargenomen. Van het noorden bewoog zich in oostelijke richting eene groote windhoos, die langzaam voortschoof en daarbij zich kronkelde als eene slang. De personen, die een half uurtje ten N.O. van ons dorp vóór op de Peizermade in het hooiland bezig waren, hebben van meer nabij met het angstwekkend natuurverschijnsel kennis gemaakt. De hoos maakte een geluid, alsof men uit een stoommachine den stoom liet ontsnappen, zweepte het water uit de Gouw en de „baggerpetten” in het Broek met kracht in de hoogte, joeg het hooi uit het „zwat” al dwarlend opwaarts tot in de boomen, nam eene wring (landhek) op en wierp die op korten afstand weer neder, rukte een „tuin- of vredigingpaal” (een paal uit do omheiniog van het land) ter dikte van een arm uit den grond en smeet dien op ongeveer 50 M. afstand neer, en scheurde zelfs onder een geweldig gekraak een der stevig bevestigde „zwaarden” (schuine latten of planken) van eene nieuwe wring af. Paarden en koeien stoven verschrikt door het land, en verscheidene menschen vluchtten in de naastbijzijnde boerenwoning.

Een maaier, die in eenen hooiopper lag te rusten, zag ook het vreemde verschijnsel, hier algemeen „nikstaart” genoemd, naderen en besloot eerst te blijven liggen. Weldra veranderde hij echter van besluit. In allerijl staat hij op, neemt jas en vest, die naast hem liggen, op, en gaat de hoos uit den weg, zijne zeis en zijn etensaker met een lepel er in latende liggen. Onmiddellijk daarna wordt de zeis opgenomen, doch spoedig weer losgelaten; de aker echter verdwijnt voor zijne oogen. Het deksel en de lepel zijn teruggevonden, de aker is nog zoek. lemand, die op 10 min. afstands zich bevond, had die hoog in de lucht zien blinken.

Er zijn hier in de laatste dagen meer hoozen waargenomen; geene echter heeft zich zoo duchtig doen gevoelen als die van Vrijdagavond. Ook had geene zulke reusachtige afmetingen.”

Het Drentse woord nikstaart was dus tot op de grens van Groningen bekend.


Café van Lunzen, Havelte

Deze ontbrak in mijn verzameling Havelter horeca. En dat terwijl ik hier op mijn vierde eens aan dat terrastafeltje aan de rechter kant zat. Mijn vader tracteerde me op ranja, terwijl hij iets besprak met meneer Van Lunzen, zijn klant. Beide waren vrolijk, het was een mooie voorjaarsdag, met misschien iets teveel wind. Mijn broertje Bert was er niet bij. De bont gekleurde vlaggen wapperden er lustig op los. Op die vlaggen en de parasols stond: ‘ Hero Perl, vloeibaar fruit ‘.

Het café ging begin jaren zestig dicht. Eind jaren zestig, op mijn veertiende, vijftiende, woonde er een vriend van me in het gebouw, de kleinzoon van meneer Van Lunzen. Diens vader, de schoonzoon van meneer Van Lunzen, was sergeant in de legerplaats even verderop. Mijn vriend kon veel beter voetballen dan ik, veel beter schaatsen en veel beter meisjes versieren, maar zwijmelde tot mijn afgrijzen weg bij Du, hoewel hij Paranoid toch ook super vond. Hij ging in Steenwijk naar school, ik in Meppel. In Steenwijk was hij bevriend met een wat oudere Indische jongen, waar ik ook wel eens thuis geweest ben. Die jongen zijn vader was een hoge ome: majoor. Die jongen trok een kastdeur en daar hing een uzi. Zoiets maakte wel indruk.

Om op Café van Lunzen terug te komen, tot mijn grote verrassing staat het gebouw op de provinciale monumentenlijst van Drenthe. Het wordt van belang geacht om de kwaliteit van het ontwerp in de relatie met zijn omgeving, en als gaaf voorbeeld van wederopbouw-architectuur, in het bijzonder voor horeca.

Op de net gelinkte pagina over het pand staat een uitgebreid stuk over de voorgeschiedenis, waar ik als jongen nauwelijks benul van had. Eerder stond op deze plek een boerderij-café, met een veranda ertegenaan, waar meneer Van Lunzens ouders vanaf begin 20e eeuw de uitbaters van waren. Er bevond zich toen nog een heel dorp omheen: Darp, de kern van het oude Westerhesselte. Het boerderij-café moest net als de rest van  dit dorp in 1944 wijken voor een Duits vliegveld. Terwijl het oude Darp na de oorlog niet mocht herrijzen, was Van Lunzen zo eigenwijs om een Duitse barak op zijn grond neer te zetten, eerst een exemplaar van de luchtafweer (FLAK), en later een exemplaar waarin een bunkerbouwer zijn personeel in had ondergebracht. Het stuk rept in beide gevallen van “keet”, en inderdaad kan je Café van Lunzen in de eerste na-oorlogse jaren het beste nog vergelijken met een hedendaagse zuipkeet, qua verschijning..

Door de komst van de legerplaats, even verderop,  begon meneer Van Lunzen goed te boeren. Eind 1952 besloot hij tot nieuwbouw, in de anderhalf jaar daarna maakte de Duitse barak plaats voor het ontwerp van Piet de Groot, tevens de gemeentearchitect van Havelte. Het gebouw (zie het suikerzakje) doet met zijn grote en hoge raampartijen, die veel licht toelieten, sterk denken aan scholen uit die periode, maar door zijn hoog oplopende lessenaarsdak ook wel aan benzinestations van toen. Door het stuk herinner ik me nu weer dat het terras inderdaad een halve meter boven het gazon lag, en dat het muurtje dat de terrasgrond tegenhield bestond uit veldkeien.

Volgens het stuk sloot Café van Lunzen in 1962 zijn deuren. Het noemt geen oorzaak of reden, maar ik heb zo’n vermoeden dat de concurrentie van de militaire tehuizen het café de das om heeft gedaan. Meneer Van Lunzen werd kantonnier. Ik denk dat hij net iets te vroeg zijn horeca-handdoek in de ring gooide, De loongolf kwam eraan. Hero zou het als merk nog goed doen.


Stichters veenbrand gezocht

Willem de Lille, advocaat, patriots politicus, grootgrondbezitter en een van de rijkste ingezetenen van Drenthe, woonachtig in het pas door hem opgeknapte landhuis Terheijl onder de klokslag van Roden, was niet bepaald blij op vrijdag de 5e  juli 1799. Die ochtend stak een groep kerels  uit de richting van Een een groot perceel turf in brand op zijn Zevenhuister veenlanden. Ook richtte de groep vernielingen aan. Er was grote schade, en er bestond zelfs even de vrees dat de brand Zevenhuizen zou bereiken.

Waarschijnlijk ging het om een grenskwestie, zoals wel vaker in de venen. In elk geval kreeg de invloedrijke De Lille niet vanzelf te horen wie de daders waren, zodat hij zich vijf dagen later gedwongen voelde om een beloning uit te loven. Zijn advertentie stond alleen in de Ommelander Courant, die in deze regio kennelijk meer lezers had dan de Groninger:

“Alzo moedwillige Lieden, gekoomen van de kant van Een uit het voormalig Landschap DRENTHE, ten getaale van 12, 13, of meerdere persoonen, op vrydag den 5den july ll. des voor de middags tussen 10 en 11 uuren zig hebben onderstaan, in een groot perceel turf, gegraaven uit de verkogte en verhuurde Ter Heylsche Veenen, en staande op des ondergetekende’s eygendommelyker grond op Zevenhuyzen ten westen van de zogenaamde Drentsche gruppel in de jurisdictie van VREDEWOLD, in den brand te steeken, en twee andere kleyner perceelen aan stukken te houwen en te vernielen, zig na het pleegen van deeze brandstigting en geweld wederom derwaards begeeven hebbende van waar zy onverhoeds gekoomen waaren, zonder zig eenigzins meer aan de gevolgen deezer daad te bekreunen, laatende het door hun ontstooken vuur voortbranden, en zig wyd en zyd verspreyden, zodanig, dat niet alleen de oppervlakte eener groote uitgestrektheid van veen daardoor is weggebrand, maar dat ook de korts bezaayde boekweytenveenen, rypende rogge, gestuikte turf en brandzooden, ja de bosschen en wooningen der Zevenhuyster ingezeetenen een ogenschynelyk gevaar geloopen hebben, van by voortduurende droogte, en het omloopen van den wind, te worden aangestookcn, en in de assche gelegd – om welke brandstigters en geweldenaars te kennen niet alleen der JUSTITIE, maar ook den ondergeteekenden, als daar door een enorme schaade lydende, ten hoogsten aangeleegen legt – zo beloofd dezelve by deezen een praemie van VYFENTWINTIG ZILVERE DUCATONS aan den geenen, welke de daaders van dit feyt aan hem zal weeten naamagtlg te maaken, zodanig dat zy daarvan in regten overtuygd, na verdiensten gestraft, en tot schaade-vergoeding aangesprooken zullen kunnen worden. Actum. TER HEYL den 10 july 1799. W. DE LILLE.”

Omgerekend kwamen die 25 zilveren ducatons neer op een kleine 80 gulden, een bedrag waar iemand een half jaar kost en inwoning voor kon hebben. De Lille was dus niet krenterig in zijn premie.

Veenbranden konden dan ook enorme verwoestingen aanrichten   In Zevenhuizen zouden ze daar in 1833 eens mee te maken krijgen, maar eerder hadden de meeste veenstreken in het noorden er wel eens mee van doen.

Wat er trouwens gebeurde als zo’n brandstichter gepakt werd, en het gerecht zijn schuld bewezen achtte, heb ik hier al eens beschreven.

In dit geval bleven de daders hoogstwaarschijnlijk buiten schot. Het zwijgen was sterker dan de premie van de havezathebezitter.


Winter te Peelo

Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 8 januari 1932.


Vogeltjesland en andere matten en maden

”De stukken, waarin het lage land verdeeld is, zijn zeer ongelijk van grootte en vorm. Om ze uit elkaar te houden, heeft men voor ieder perceel een eigennaam bedacht, die nu eens ontleend is aan de grootte, dan weer aan den aard van den grond of de vruchtbaarheid, soms aan den vorm of aan den prijs waarvoor een stuk gekocht is, enkele malen aan bloemen, of wel aan dieren: paarden, of koeien enz. Het is eigenaardig die namen eens te hooren:

  • Aan den vorm: Langema, Zwanenhals, Hoekstuk, Lange Zeven (nl. zeven mat);
  • Aan de grootte: De Zestien, De Acht-, De Tien-, De Drie(mat), Het Grootstuk, De Twee-en-veertig (mat);
  • Aan den prijs: Het Drie-Schellingsland (omdat het voor 3 Schellingen zou gekocht zijn);
  • Aan bloemen: Het Viooltjeland;
  • Aan dieren: Aalloop, Hingstkamp, Koeven;
  • Aan de geaardheid enz.: Onland (nietswaardig land), Ossenweide (heel best land; zoodat men er wel ossen kan vet weiden), Hoogemat, De Lage stukken, Hoogstuk;
  • Verder heeft men nog: Gouwland, Botersloot, Molenstuk, Padstuk, Bakkerswinne, Riesvin, Stokersland, Blauwven, Stoetenland, enz.;
  • Zelfs heeft men de namen van steden niet vergeten, als: Groningerland, Dresden, en Bremerland.

De boeren kennen al deze stukken op een prikje en weten precies, wat soort gras er wast, of ze „overkleid” zijn of niet, enz., wat natuurlijk lang niet min is.

Het Peizerdiep met zijn zijstroompjes doorkronkelt deze onafzienbare grasvlakte, Deze streek is het land der vogels, bepaaldelijk van de watervogels en steltloopers: kieviten, kemphanen, sterretjes, pluvieren en derge[lijke] en in het voorjaar is zij het „Beloofde Land” van de zoekers naar kievitseieren om in den herfst hetzelfde te worden van de jagers op waterwild: snippen, wilde eenden en zelfs wilde ganzen. Het is de vraag, of vele stukken niet konden worden gebruikt voor bouwland, waardoor zij bij een oordeelkundige bemesting veel meer zouden opleveren dan thans. Maar daarvoor zou het noodig zijn het geheele terrein in te polderen en het dus ook des winters boven water te houden. Zooals de toestand tegenwoordig is, vormt de geheele streek van den laten herfst tot het vroege voorjaar één groote watervlakte, kortheidshalve „de Vlakte” genoemd.”

(…)

“Van Roderwolde loopt door het bovengenoemde lageland een weg naar Vierverlaten, in de wandeling „Roderwolder-dijk” genoemd. Deze weg, die op sommige plaatsen zeer week en los is, zoodat men in de wagensporen hier en daar vroeger takkebossen moest leggen, omdat de wagenraden anders te diep wegzakten, kan alleen in den zomer gebruikt worden. In den winter staat hij onder water.”

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold en omgeving, deel XXXI, NvhN 7.12.1912.

De serie artikelen van Vredewoldius schijnt nooit verboekt te zijn. Ik zou er voor willen pleiten om dat alsnog te doen. Nog een opmerking over dat Osseweide: zo heette de boerderij op de Dijkstreek ook, waar mijn overgrootouders Kroeze woonden. Dat was dus “heel best land”.

Nog een pagina met veilingen van topgras en naweide op de hooilanden tussen Matsloot en Roderwolde.


Drentse weersvoorspeller

De scheper, die in het Drenthe van voor 1900 de zorg had voor een collectieve buurtkudde van rond de duizend schapen, was ook  wel de lokale vorm van het KNMI:

“Wat hij vaak nog boven zijn diensten als schapenhouder en schurftziektebestrijder bij het wolvee verrichtte, of waarvoor hij zich spontaan aanbeval, was de taak van weervoorspeller, door hem ontleend aan de handeling der schapen in het heideveld, waarbij de weerschapen of hamels vaak hevig hunne koppen tegen elkander stootten, waardoor de scheper regen voorspellen kon.”

Aldus Harm Tiesing in het Nederlandsch Landbouwblad van 4 October 1928. Wat ‘de diensten, verdiensten en bijverdiensten van een scheper verder waren, legt hij hier uit.