Bejaard in Odoorn
Geplaatst op: 17 juni 2011 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenBeide portretten zijn bijna een eeuw oud, maar heel goed van kwaliteit, wat een beetje vreemd is omdat het om een arbeidersechtpaar gaat. In elk geval kan ik er lang naar kijken, naar Teunis Karst en Lammechien Veldman.
Peizer hop
Geplaatst op: 7 april 2011 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 5 reacties
“Nu nog twee vraagen Vriend ! en dan zal ik uw geduld niet meer vergen. Wordt de Hop in Drenthe alleen by u te Peise verbouwd, en is zy daar een voortbrengsel van belang?
Lukas. De eerste vraag moet ik met neen, de tweede met ja beantwoorden. Men vindt ze te Eelde, Eelderwolde, Paterwolde, Rhoden, Rhoderwolde, Foxwolde en Lieveren, doch voornaamlyk te Peise, alwaar zy een hoofdwerk, doch in de overige plaatsen, alle rondom ons gelegen, slegts een bywerk is. En of zy by ons een voortbrengsel van belang is, zult gy daar uit kunnen opmaaken, dat onze huurlieden gewoon zyn hunnen Eigenaaren niet eerder de huur te betaalen, dan, wanneer zy hunne Hop verkocht hebben, en, by een mis-gewas, hen geheel niet betaalen, zich daar mede verschoonende, dat het een ongunstig Hop-jaar geweest is.”
Bron: Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man, nr. 49 (1797), ‘Over de gedaante, aart en verbouwing der Drentsche hop’, pag. 394.
Lucas Trip en Drentse toestanden
Geplaatst op: 28 maart 2011 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactie
Als de Groninger en Eelder dichter Lucas Trip in 1751 een arcadisch gedicht wijdt aan een ophanden zijnd huwelijk binnen de familie Alting, dan voegt hij er een aantal noten aan toe, om Drentse toestanden voor buitenstaanders te verklaren. En die noten zijn soms heel interessant, omdat ze gegevens bevatten die je nergens anders aantreft.
Boerekout, zoals Trips gedicht voor het aanstaande bruidspaar heet, is een dialoog tussen Elsje en Boschman. Elsje komt van Meppel, de plaats waar de bruidegom ook vandaan komt, en zij verdwaalt in de buurt van Eelde, waar de bruid nog woont. Daar ontmoet ze Boschman die deze omgeving op zijn duimpje kent. Voor een kus wil hij haar wel op weg helpen naar de bruiloft, waar hij toevallig ook heen gaat.
Als geschenk heeft Boschman een eiken knots voor de bruidegom mee, “een stuk der oudheid met een gesneden altaar en ineengevlochten handen”, dat de “vastheid der verbonden” symboliseert. Het heeft wel honderd jaar in de kast van zijn opoe gestaan. Voordien was het in Westerbork in gebruik bij stokleggingen (notariële overdrachten van onroerend goed). Je zou dit zo kunnen duiden dat zulke stokken in de achttiende eeuw al in onbruik waren geraakt bij “stokleggingen”, maar dat een enkel fraai exemplaar nog wel bewaard werd. Toen nog wel. Ik kan me niet herinneren er ooit een te hebben gezien en vermoed daarom dat er geen enkele meer bestaat, maar misschien vergis ik me.
Bij de knots van Boschman vindt Elsje haar eigen geschenk maar mager afsteken. Het is een bolronde stoet van nieuwe rogge, zoals Drentse boeren gewoonlijk aan hun landeigenaars of familieleden geven. Dit brood zit in een lap van Meppeler beddetyk, welke ze van haar oom meekreeg voor de bruid, die er straks kussens voor in de wieg van mag maken.
Boschman vindt Elsjes geschenk wel mooi en laat blijken dat hij de bruid redelijk goed kent, althans qua uiterlijk. “Door haar fynen leest”, zegt hij, haar vurige ogen en lieftallige mond draagt Swana Francina Alting “de roem van schoone”. Ja,
“In all’ den maagden rei, die op het muurtje pryken,
heeft Vrieser kermis geen, by haar te vergelyken”
De verklarende noot hierbij:
“Het dorp Vries is by de Drenthen berugt (= beroemd HP) door zyn jaarmarkt, waar op gemeenlyk een groote toevloed is van ongehuwde boeremeiden, die veeltyds, wel opgesmukt, op den muur van het kerkhof zitten.”
Dit zeer aanschouwelijke beeld van een regionale huwelijksmarkt zag ik nergens anders. Uiteindelijk putten Elsjen en Boschman, die elkaar steeds aardiger beginnen te vinden, zich uit in zegenwensen voor het aanstaande echtpaar. Zo hoopt Boschman dat de zachte huisvrede de tent van de beide gelieven bekroont met eeuwig groene dennetakken. Opnieuw een noot:
“Schoon de eik het natuurlyk houtgewas van Drenthe is, hebben sommige liefhebbers van hofsteden en plantagiën sederd enkele jaaren denneboschjes aangelegd, met dien uitslag dat derzelver hout bekwaam gevonden wordt tot vloeren en andere timmeragie.”
Met andere woorden: medio achttiende eeuw was de denneboom nog relatief vreemd in Drenthe. In die tijd ontdekten bezitters van buitenhuizen de commerciële mogelijkheden.
Elsje wenst dat er “een school van zwaalfjes” (zwaluwen) zal vliegen en nestelen in de schuur van het bruidspaar. De hierbij horende noot verklaart. dat zwaluwen volgens de “bygelovigheid van eenige landlieden in deze gewesten” een zegen voor het huis zijn.
En terwijl Boschman het paar weiland met louter klaver wenst, en “uitgeleezen graan van volle kooren-airen” hoopt Elsje dat een “toverzang of eer een kwade hand” mag uitblijven, die het stremmen van de melk in de karn verhindert. Want, aldus noot nummer zoveel:
“De eenvoudigste gemeente pleegt veeltyds aan toveryevan oude wyven en nydige gebuuren toe te schryven, dat de melk niet wel botert in de kerne, of, zoo men zegt, de boter niet groot wil worden; ’t geen de ondervinding leert, dat door kwade kunsten, morsigheid of onoplettendheid veroorzaakt werdt.”
Dat de eer van het paar nooit gekrenkt wordt is de wens van Boschman. Waarop Elsje zegt:
“Nooit koom’ een vuile zeug’ u knorrend in den weg”
Vergelijk dit maar eens met ons spreekwoord: beren op de weg zien. “Hem zullen zwynen in den weg koomen”, de uitdrukking van indertijd, betekende dat iemand geen succes zou hebben. Zwijnen op je pad brachten ongeluk, dan kon je je weg niet vervolgen.
Bron:
Bruilofts-gedichten ter eere van den weledelen gestrengen heere Jan Alting, schoute van Meppelt, Kolder, en Nieuw-veen enz. en de weledele juffer, mejuffer Swana Francina Alting, in den egt vereenigd binnen Groningen den 18 van oogstmaand MDCCLI.
(pamflet UB Groningen, via de KB)
Ook derde Strobos was plek met potentie
Geplaatst op: 30 december 2010 Hoort bij: Drenthe vrogger, Taal 4 reactiesEn toen kwam ik een derde Strobos tegen, in een bundeltje verklaringen uit het eerste jaar van de Bataafse Vrijheid: 1795.
Die verklaringen werden allemaal te Wildervank afgelegd. Ze kwamen van Wildervanksters, en waren belastend voor Wildervanksters, te weten orangisten die hardop durfden te zeggen “dat de Paterjotten schelms waszen” en “dat de Prins weer op de troon moest”. Uiteindelijk, en dat moest het gerecht weten, gingen deze oproerkraaiers er zelfs toe over de leus “Oranje Boven” te scanderen!
Drank maakt overmoedig. Het belangrijkste van deze akkefiejes vond plaats in een herberg, waar schippersknechten een bekende patriot jenden, door orangistische liedjes te zingen en te zeggen dat alle patriotten verbrand moesten worden. Maar die herberg, hoewel druk bezocht door Wildervanksters, stond niet in Wildervank, en evenmin op Gronings territoir. Volgens de geplaagde patriot, Berend Krans, vonden de “ongeoorloofde baldadigheden” namelijk plaats in Drenthe, “ten huijse van Popke Harms op Stroobos genaamt”. Er deed zelfs een “soldaat van de Landschap” mee met het liedjeszingen. Met andere woorden: de lokale Drentse veldwachter was op de hand van de oproerkraaiers.
Een getuige, Lammert Pieters, die Berend Krans later naar huis had begeleid, bevestigde wat er die zaterdag 19 december aan het eind van de middag was gebeurd. Hij had gehoord dat een koopman van de Gasselternijveen doeken zou gaan verloten in de herberg, en nam zelf een paar laarzen mee, dat hem te krap zat, met de bedoeling om dat als extra prijs bij de verloting in te zetten.
Pieters preciseert de positie van Popke Harms’ herberg als “vooraan op het Landschap Drenthe staande”. Dat moet dan vlakbij Wildervank geweest zijn, even over de Semslinie, oftewel de grens tussen Stad en Lande en Drenthe. De enige Popke Harms in de Drentse heerdstedenregisters is inderdaad een keuter met nering te Gieterveen (1804). Wat in 1841 ook de plaats van diens overlijden blijkt. Dan draagt hij inmiddels de achternaam Strobos, die hij nog niet droeg bij zijn doop (1764, Veendam) en huwelijk (1789, Wildervank). De herberg heet dus niet naar de familie, maar de famiilie naar de herberg, wil ik maar zeggen. Bij het eerste kadaster van 1832 bezit Popke Harms Strobos Sectie B nummer 79. Dat is anno 1795, ten tijde van de akkefietjes, inderdaad vlakbij Wildervank en Bareveld aan het uiteinde van het in 1780 gereedgekomen Grevelingskanaal, waarop in 1800 het Nieuwediep aan zou takken.
Business was booming op deze lokatie. En daarmee voldoet ook dit derde Strobos aan de overeenkomst die ik al tussen de eerste twee Strobossen constateerde. Het was:
“een strategische plek aan een nieuw vaarwater. Een plek die kansen bood, een plek waar mensen zich graag als pioniers vestigden.”
Doordat de geplaagde patriot Krans zegt dat het huis van Popke Harms “op Stroobos” heet, wordt de naamsverklaring die ik anderhalve maand geleden opperde, nog wat plausibeler. Popke was er vlak voor 1795 als het ware “op een stroobos komen aandrijven”, maar maakte zijn kansen meer dan waar. Toen hij er kwam, was hij een armoedzaaier, maar eind 1795 was hij een man in bonis, mede dankzij al die Wildervanksters die even over de provinciegrens hun politieke gemoed kwamen luchten.
Bron: Groninger Archieven, toegang 731 Gerechten in het Oldambt inv. nr. 5971: Stukken betreffende het vooronderzoek naar politiek onwelgevallige uitlatingen in herberg ‘Het Strobos’ op de grens van Drenthe en Groningen, 1795.
Het El Dorado onder de kerkvloer
Geplaatst op: 10 september 2010 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 2 reactiesMooi dat ik dit gevalletje terugvond.
De destijds twee eeuwen oude Koepelkerk van Smilde werd in 1981 gerestaureerd. De banken en de vloeren moesten er uit en dat gaf aanleiding tot een gerucht. Dat ongeveer als volgt op gang moet zijn gekomen. “Misschien ligt er geld onder die vloer”, opperde de eerste. De tweede maakte daar al een zekerheid van en een derde dikte het verhaal nog verder aan door te stellen dat er vast wel gouden ducaten zouden liggen.
De muntenverzamelaars van het dorp werden wakker en boden tegen elkaar op om die schat maar in huis te krijgen. Het hoogste bod, 1300 gulden, kwam van een slager.
Toen de banken en vloeren uit de kerk waren, vond men inderdaad zo’n 80 munten. Maar gouden ducaten zaten er niet bij en wat er wel tevoorschijn kwam, was lang geen 1300 gulden waard. Hoe kon dat? Een wellicht uit cognitieve dissonantie voortkomende vraag die aanleiding gaf tot een nieuw gerucht: er waren veel meer munten gevonden, maar de vrijwilligers die het sloopwerk hadden verricht, zouden minstens de helft van de munten voor zichzelf hebben gehouden.
Dit gerucht kwam ook de verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden ter ore, die de slager belde. Volgens de verslaggever bevestigde de slager het verhaal. Nu ontaardde het gerucht in een schandaal. In een ingezonden brief kwam de predikant op voor de kerkvoogdij, die volgens hem eerst alle munten aan de slager had laten zien, om de man vervolgens voor de keus te stellen of hij ze wilde kopen voor zijn bod of niet. Ook de slager zelf stuurde een ingezonden brief naar de krant. “Met boosheid en afschuw” had hij het artikel gelezen. Hij was verkeerd geciteerd:
“Het moet mij van het hart dat hiermee de leden van het bestuur van de hervormde kerk en helpers, die de munten wel allemaal hebben afgedragen, in het verkeerde daglicht zijn gesteld.”
Achteraf was het ook wel logisch dat die tachtig munten niet zoveel waard waren. Het moet voornamelijk om veel voorkomend kopergeld zijn gegaan: duiten, centen, halve en hele stuivers. Zilvergeld gooiden de kerkgangers veel minder in de zondaagse buil.
Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (1821)
Geplaatst op: 10 augustus 2010 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 7 reacties
“Dingsdag den 7 Augustus met de groene wagen van Bras en met Marringh om vijf uren des morgens uit Groningen gereden zijnde door Haren naar de Punt en zoo vervolgens naar Assen. Van waar wij, na aldaar Koffij gedronken te hebben, langs de Smildervaart naar de Smilde en mede over de Dieverderbrug waar wij ons middagmaal hielden over Huffelte, een zeer fraai Drentsch dorp en door Havelte, alwaar het niet minder mooi is, wederom bijlangs de Smildervaart naar Meppel reden. Havelte is een bij uitstek boschrijk dorp met een fraaije kerk en tooren. Ook bevinden zich mede aldaar twee schoone buitenplaatsen toebehorende de eene aan den Heer Kymmell, de andere, die nader bij Meppel is, aan de Heer van Riemsdijck.
Te Meppel zijn wij afgestapt aan het Logement van de Weduwe Bontekoe. Na aldaar ons nachtverblijf besteld te hebben, begaven wij ons naar Dominé Hein met wien wij het vlek bezigtigd hebben als mede de kerk, het nut van het algemeen en de Concertzaal.”
Aldus de eerste dagnotitie uit een reisdagboekje, dat zich bevindt in het familie-archief Modderman (RHC Groninger Archieven). Een later familielid, dat dit archief ordende, dateerde dit reisboekje op 1810, maar dat is onmogelijk, want de schrijfster en haar gezelschap bezochten de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid. En dus is het in elk geval van 1818 of later. Een nadere sleutel voor datering biedt de aan het eind van het citaat genoemde ds. Hein. Hij stond van 15 juni 1817 tot 30 september 1821 op de kansel in Meppel. Het reisdagboekje valt daarmee te pinnen op die periode minus 1817 wegens de Weldadigheid. Als we dan de jaren 1818 tot en met 1821 aan de hand van de Groninger Courant checken op het voorkomen van een dindag 7 augustus, blijkt het enige jaar met die combinatie 1821 te zijn. Dat was dus het jaar van dit reisje.
Het latere familielid meende ook, dat Angelica Catharina Modderman het dagboekje schreef. Dat kan evenmin kloppen, omdat het handschrift in haar brieven anders is. Bovendien komt er een Naatje voor in de tekst, als aanduiding voor iemand in het reisgezelschap. Waarschijnlijk schreef dus niet Angelica Catharina Moddermanj, maar een jongere zuster van haar de notities. Qua achtergrond maakt dat niet uit, de gezusters waren telgen uit een welgestelde, doopsgezinde en zeer verlichte familie in de stad Groningen.
Hun reis ging naar het Instituut van Reckenburg, een soort kostschool waar jongedames uit de betere standen een verlichte opvoeding ontvingen. Ofwel ze brachten een andere zuster weg, ofwel was er sprake van een sentimental journey om het Instituut nog eens terug te zien. In elk geval gingen de zusters en hun eventuele mannelijke begeleiding vrij recht op hun doel af: hun route liep strak naar het zuiden, al kende deze een lus aan het uiteind, want heen ging het over de Veluwe en terug door de Liemers en de Achterhoek.
Ondanks die doelgerichtheid, was er toch ook sprake van toeristische uitstapjes. Onderweg stapten de gezusters Modderman menigmaal af in dorpen en steden, waar ze ook wel rondkeken. Dat leverde korte karakteriseringen op , maar ook langere uitwijdingen over bezienswaardigheden. Vooral de bovenstaande passages over Havelte en Meppel, en verder die over Zwartsluis, Hasselt, Zwolle, Het Loo, de Woeste Hoeve, Roozendaal, Beekhuizen, Nijmegen, Kleef, Elten, ’s Heerenberg, Frederiksoord, Steenwijk en Smilde bevatten aardige bijzonderheden.
De komende dagen zet ik mijn transcriptie van dit reisdagboekje hier neer. De in werkelijkheid doorlopende tekst heb ik onderverdeeld in de dagen dat er gereisd werd. Ook heb ik alinea’s aangebracht. De schrijfster was maar matig bekwaam in interpunctie, die heb ik dus naar eigen hand gezet. Bovendien staan er nu hoofdletters voor geografische termen. Mochten er vragen zijn, stel ze gerust.
NB: deze serie is naderhand verwerkt tot een artikel in Stad & Lande jrg. 2013.
Verklaringen bij het bovenstaande citaat:
- Bras – rijtuigverhuurder
- Marring – de voerman op de bok
- Huffelte – Uffelte
- Kymmell – de eigenaar van Overcinge
- Van Riemsdijck – Veenrust? aan de Veendijk
Drenthenieren bestaat al eeuwen
Geplaatst op: 2 april 2010 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger Een reactie plaatsenEen jaar of vijftien, twintig geleden was er opeens de term drenthenieren (even vaak gespeld als drentenieren). Bedoeld werd dat rijke westerlingen huizen in Drenthe opkochten, om hier rustig van hun ouwe dag te gaan genieten. Het fenomeen, zo was de angst, zou voor extra vergrijzing zorgen, met alle problemen van dien.
Maar, zoals wel vaker, blijkt ook hier weer niets nieuws onder de zon. Zo geeft de Friese hovenier en veelschrijver Johann Hermann Knoop in zijn Tegenwoordige Staat van Friesland uit 1763 en passant (pag. 136-138) een beknopte beschrijving van het buurgewest, waaruit blijkt dat het verschijnsel ook toen al bestond:
“De meeste Menschen leven hier (in Drenthe HP) byna als in Westphalen, daar dit Land aan grenst; te weten in slegte Huizen van Hout en Leem opgemaakt, of wonende in geringe Hutten, waarin de Vuur-haard in ’t midden is, en de Koeijen, Ossen, Schapen, Verkens &c, benevens haar Huisgeraadje en Waaren rondom haar, in byna een vertrek zyn. Dog ze zyn geen onvriendelyke Menschen, nog ook Rovers of Dieven, die men anders wel in Boschagtige en schrale Landstreken te vrezen heeft. En het is in dit Landschap bovenmaten goedkoop leven; om dat er geen zware Impositiën op de Waren zyn, en ’t Land genoegzaam opbrengt, van allerley Noodruftigheden tot ’s Menschen Leven. Weshalven ook vele Menschen, als Renteniers, Officiers &c, veeltyds daarheen, inzonderheid naar Meppel, gaan wonen, wordende voor weinig Geld aldaar zeer wel en aangenaam bedient…”
Van die goedkope bediening in Meppel weet Knoop uit eigen ervaring. Hij en een vriend kwamen eens met paard en sjees van Zwolle. Het was hun bedoeling om over Steenwijk naar Leeuwarden te reizen. Buiten Zwolle echter, namen ze de verkeerde afslag en zo kwamen ze in Meppel terecht:
“Zulks op den Middag zynde en wy ook wat Appetyt verkregen hebbende,. vroegen we daar naar een goede Herberg, die ons aangewezen wierd. Alwaar wy wat Eeten gevraagt hebbende, met verscheiderhande spyzen, waaronder inzonderheid ook een goede welgekookte Ham was, getracteert wierden, benevens twee vlesschen Wyn. Vervolgens onze Reis weer na Steenwyk willende vervolgen en den Hospes vragende wat wy verteert hadden, moesten wy verstelt staan over ’t weinige dat hy eischte. Dit bestond in 24 Stuivers voor ons beide, waar onder ’t Voer en Stalling voor ’t Paard mede begrepen was. Wy beklaagden ons dan niet dat wy, schoon tegen onze mening, misgereden waren, te meer omdat onze Rydweg niet heel verre uit de weg was, en wy mogelyk te Steenwyk niet zo goedkoop ’t middagmaal zouden hebben gehouden “
Agrarisch Havelte
Geplaatst op: 17 maart 2010 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger, Familie 7 reactiesEen hondekar met drie blinkende bussen vol gepasteuriseerde melk, karnemelk en karnemelksepap rijdt de oprijlaan van Overcinge op. De melkboer heeft een witte pet met een zwarte klep, snit jaren twintig. Hij komt uit de richting van de coöperatieve melkfabriek en zal in dienst van dat bedrijf zijn:

Vermoedelijk is de volgende van de Boskampbrugweg. Zo ja dan is het halverwege de ochtend. Langs de weg staan nog fraaie hagedoornen heggen. Een boer komt net met een koe uit een weiland:

De volgende heb ik bijgesneden en ontdaan van een koffievlek. Tegen de voorgevel zie je een enorm uitgestoelde klimroos, de electricteit komt nog bovengronds, rechts achter die geopende schuurdeur liggen wat balen hooi, en zo’n kar heb ik niet meer zien gebruiken:

Uit de jaren zestig komt deze met het opgelapte dak, die vermoedelijk genomen is aan het oosteind van de Dorpsstraat. Dat grote rad kan wel eens van een rosmolen geweest zijn. Hoorde het hier thuis, dan zat er wellicht een grutterij:

Deze boerderij is vaker gefotografeerd, vanuit verschillende hoeken. Het achtereind was met elkaar overlappende planken dichtgespijkerd:

Voorbij de es staat de Havelter kerk. Dit godshuis werd door twee dorpen gedeeld en ligt dan ook precies midden tussen die dorpen: het oude Darp (de voormalige kern van Westerhesselen of Hesselte) en Uffelte:

Het monumentale keuterijtje aan de Uffelter kant van de kerk – vroeger een smederij – is geheel uit elkaar genomen en schijnt nog steeds niet weer te zijn opgebouwd:

Er woonden klanten van mijn vader, die de boekhouding voor boeren en middenstanders deed. Tot in de jaren zestig zaten er praktiserende boeren op zulke boerderijtjes. Vaak hadden ze niet meer dan vijf à tien koeien. Hier liggen er wat meer vlakbij de Nieuwe Ruiterweg. Die zullen dan wel van een rijkere boer zijn:

Havelter horeca in de jaren zestig
Geplaatst op: 6 januari 2010 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 2 reactiesBij de Boskampbrug over de Drentse Hoofdvaart, op de hoek van de Van Helomaweg had je hotel Buter. Een zoon des huizes zat bij mij in de klas op de lagere school. Hier werd gegeten bij het 45- of 50-jarig huwelijksfeest van mijn grootouders. Mijn opa was toen al wat dement. Mijn jongste broer speelde er later als student, toen het bedrijf in andere handen overgegaan was, met de kerstdagen altijd voor kerstman – johojoho – en haalde daar enorme bedragen aan fooi mee op. Ik dacht dat er ook een zaal bij zat voor opvoeringen, maar dat weet ik niet meer zeker.

Gek genoeg vond ik geen zakje van Scholtmeijer, een café met een zaal in het hart van het dorp aan de Brink, met een terrein erachter waar de paaskermis altijd plaatsvond. Belangrijk: op de pui hing het kastje met mededelingen van de plaatselijke voetbalclub (uitslagen, ranglijsten, opstellingen etc.).
Wel is er een puutje van het hotel dat H.J. Götz in 1930 eigenhandig opbouwde bij het mooiste stuk van de Dorpsstraat. Het terras gaf zicht op de ouwe saksische boerderij van de familie De Wit. Hoewel het ging om het jongste horecabedijf in het dorp, bleek zoon Bertus in de keuze van het lettertype uiterst behoudend.

Aan de andere kant van het dorp, bij de Ruiterweg naar Uffelte, had je huisjes en een camping van het NVV De vakbondsleden waren zuinig, want ze hadden een gezamenlijk suikerzakje met de rooien van de PvdA:

Bij de Van Helomaweg en tegenover de weg naar de hunebedden had je dan nog theehuis Faken. Er zat een speeltuin achter, maar volgens mij was het er alleen met echt heel mooi weer druk. Ik meen me te herinneren dat er zo’n automaat hing met kauwgumballen en prullaria in van die halfdoorzichtige plastic ‘eieren’:

‘De wereld lijkt nu zo onwaarschijnlijk ver’
Geplaatst op: 30 december 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
’s Avonds zit boer Oostendijk bij het geurend houtvuur; dan gaan de handen bij ’t vuur en de voeten op de stookplaat. Geen comfort. Een gemis? Oostendijk vindt van niet!
“De Drentse bodem is schraal; hij schenkt de boeren slechts een krap bestaan. De opbrengst van het stukje grond en de enkele beesten verschaft hun noch een breed comfort, noch een rijk maal. Velen moeten het stellen zonder het gemak van waterleiding en electriciteit.
We waren die avond bij boer Oostendijk, een eenzame, die zonder vrouw of familie leeft op zijn kleine erf. Met moeite hebben we zijn deur kunnen vinden. Buiten joeg de storm en de regen. Maar binnen wachtte ons warmte en behaaglijkheid.
De boer, met zijn doorwerkte handen boven de knapperende, geurende houtblokken, de kousevoeten op de stookplaat… Een weldadige rust is hier; de wereld lijkt nu zo onwaarschijnlijk ver. Nu en dan klinkt in het achterhuis het gestommel van een koe; buiten raast onverminderd de woedende storm…
Het vuur, het schemerig licht van de petroleumlamp, en het zachte zingen van de waterketel maken ons stil en vertrouwelijk. We praten wat met elkaar, of eigenlijk …. zonder dat we ’t beseffen …. raten we meer nog met ons zelf… Over vroeger en over nu.
“Wat is er veranderd?!” zegt de boer kalm.
Hij heeft gelijk om het zo te stellen. Wij kunnen ons niet meer voorstellen een huis zonder vloerkleed, zonder uitgebreid meubilair, zonder electrisch comfort, zonder radio, stofzuiger en straks televisie… Toch kan Oostendijk buiten dit alles.
Wat is er veranderd? De wereld, de mensheid, die jaagt naar de nieuwwste uitkomsten der techniek. Is zij er beter en gelukkiger door?
Boer Oostendijk zal u glimlachend aanstaren bij deze vraag en slechts wijzen op de grote koppen in de krant.”
In december 1951 zond het blad De Spiegel zijn verslaggever v. C. naar mijn geboortedorp Havelte voor een sfeerreportage over oudere boeren. Bovenstaande citaten maken deel uit van deze reportage. Hoewel mijn vader de boekhouding deed voor veel kleine boeren in de omgeving, komt de familienaam Oostendijk mij absoluut niet bekend voor. Ook zit de naam niet in de Familienamendatabank. Ik neem dus maar aan dat de verslaggever de naam verkeerd verstond.
Muizen sterven als ratten in kwakkelwinters
Geplaatst op: 22 december 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger 3 reacties“De natuur is de beste muizenverdelgster als het bij sneeuwdooi bij afwisseling vriest, zoodat het water bij dooi op den dag in de muizengangen trekt, die dan des nachts dichtvriezen. Dan sterven de veldmuizen bij menigten en als het afwisselend proces twee of drie weken geduurd heeft, is het muizengeslacht soms totaal uitgeroeid, zoodat men er dan in jaren geen last meer van heeft.”
Harm Tiesing – ’t korengewas in den winter’, Landbouwcourant voor de Veenkoloniën, 19 januari 1923
Eega CdK gaf cursus rolpens
Geplaatst op: 6 oktober 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsenIn 1918, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, moesten boeren al hun graan aan de overheid leveren, zonder dat ze er iets van mochten achterhouden. En dus konden ze geen varkens meer vetmesten. De Havelter familie Veldman, die anders in november altijd twee varkens van elk ruim 400 kilo door de huisslachter liet slachten, besloot daarom in plaats van de magere zwijnen in het voorjaar, in het najaar een vette koe te kopen. Alleen zat ze toen wel met een probleem. Hoe je zo’n rund na de slacht moest verwerken, dat wist vrouw Veldman niet. In de buurt, op Overcinge, woonde echter een reddende engel, in de persoon van mevrouw Linthorst Homan – Kymmell (1843-1918). Deze zei:
“Vrouw Veldman dan help ik oe met. Ie doet ’t wark en ik zeg ’t oe wel…”
En zo leerde vrouw Veldman van de vrouw van de oude Commissaris der Koningin hoe ze pens moest schoonmaken en met karnewelk moest verwerken tot rolpens.
In 1967 deed de toen 67-jarige dochter van vrouw Veldman dit curieuze verhaal aan iemand, die streektaal-opnames maakte voor het Meertens-instituut. Sinds kort staat die opname met talloze andere op een website, en zo hoor ik dan het uitstervende dialect van mijn jeugd nog eens in ingeblikte vorm terug.
Die dochter en haar iets oudere man Geert vertellen ook over het bakken van stoet (kort) en roggebrood (lang) in het stookhok, en het koeiendrijven dat de kinderen moesten doen voor ze naar school toe gingen.
Geert en een kennis Roelf, een oud-winkelier uit de omgeving, leggen bovendien uit hoe het hooien ging. Dat werk begon pas na de langste dag, terwijl het in 1967 vaak al in mei plaatsvond, ruim een maand eerder. De madelanden waren begin twintigste eeuw lang niet zo goed als later, want ze werden nog niet bemest, hooguit bevloeid:
“Dat waren allemoal van die blauwgies, dat was blauwgras hè.”
Ook het steken van heideplaggen voor de potstal, de brandcultuur van veenboekweit, het turfgraven en -trappen, de boterbereiding en het dorsen komen ter sprake. Je raakt nog eens op de hoogte van het oude boerenbedrijf in Havelte. Jammer alleen, dat dat de respondenten hun verhaal nogal haastig doen. Voor mij hadden ze best wat meer mogen uitweiden.
Keuterij Westeinde Dwingeloo
Geplaatst op: 2 juli 2009 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger 4 reacties
Deze goed geconserveerde keuterij aan het Westeinde te Dwingeloo was nieuw voor me. En toch kwam ze me heel bekend voor. Thuis bleek al gauw waarom. Ze zit in deze diaserie die mijn oom Frans Vondeling begin jaren zestig in zijn geboorteplaats maakte, een serie die door Peter Leeuwen op het web is gezet.

Vergelijking van de beide foto’s leert, dat het huisje nauwelijks is veranderd in bijna vijftig jaar tijd. Zelfs het hekje staat nog op exact dezelfde plek. Alleen is er een dakraampje in het brede gedeelte achter verdwenen, en zijn de porceleinen isolatoren voor de bovengrondse stroomtoevoer van de voorgevel afgegaan. Waarschijnlijk mede door toedoen van mijn grootvader, die niet alleen de electriciën van het dorp was, maar ook als aannemer van kabelwerken in de wijde omgeving de stroomkabels ondergronds bracht.
Om terug te komen op ’t keuterijtje – vooral in de omgeving zitten de veranderingen. De moestuin is nu een bloementuin. De zandweg is een fietspad geworden. het open liggende achtererf met het hek, het houtschuurtje en de voederbak heeft plaats gemaakt voor een private zone met een heg waar geen fietser overheen kan kijken.
Huize ‘De Breukeboom’ te Yde
Geplaatst op: 12 juni 2009 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger, Geschiedenis 1 reactie
“Te Yde, een gehucht in Drenthe nabij de Punt, woont een hoef- of ijzersmid alias wonderdokter met name Willem Jans Smit, welke iederen vrijdag in Jelis kelder aan de Grote Markt in Groningen te spreken is en ter genezing van breuken (hernia), welke soort komt er niet op aan, spijkers verkoopt. De onnoozele lijder bekomt van dezen slinkschen bedrieger (…) drie latspijkers en slaat dezelve bijna horizontaal (…) in eenen dikken wilgenboom. Zoodra de koppen dier spijkers door de bast van den wilg overgroeid en zij onder de schors verborgen zijn, is (zoo zegt baas Smit) de breuk genezen, hetwelk vooral het geval is wanneer hij de spijkers zelf in den boom slaat, waarbij hij, na den hoed te hebben afgezet, en zich eerbiedwaardig voor den boom te hebben gebogen, onder allerlei gezigtsverdraaijingen eenig abracadabra uitspreekt.”
Uit: MD Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen, deel I (Groningen, 1843) pag. 187.
Meer informatie over de breukeboom van Yde
Ree verwekt lammetjes
Geplaatst op: 21 april 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger 11 reacties
(De nieuwe Holevoet 26.4.1966)

Recente reacties