Een Drents boerderijtje in ‘De Wandelaar’
Geplaatst op: 16 maart 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger 8 reacties
Een boerderijtje met een opgelapte muur, een half versleten rietkap, een paar jonge fruitbomen in de voortuin en nauwelijks uitgebotte bessenstruiken langs het erf. Er staat een nonchalant geparkeerde fiets in de bescheiden bongerd en er wappert was aan de bovenste draden van de erfafscheiding. De fruitbomen bloeien – het is voorjaar. Als er een westenwind waait, zoals meestal, dan duiden de schaduwen erop dat de foto relatief vroeg in de ochtend werd genomen.
Van de foto is alleen bekend dat het om een Drents boerderijtje ging, dat zich in de nabijheid van hunebedden bevond. Maar de hele situatie is van dien aard, met die weg op de achtergrond ook, dat ik vermoed dat het een boerderijtje te Darp is. Het oude Darp, dat een stukje oostelijker lag dan het huidige, en dat in de oorlog moest wijken voor een Duits vliegveld.
Oorspronkelijk heette dat dorp Westerhesselen of Hesselte, maar in de late middeleeuwen verlegde het zwaartepunt van de bebouwing zich langs de eswal naar het huidige Havelte en uiteindelijk woonde er in de vroegere dorpskern, die Darp ging heten, nog slechts een armoedig gedeelte van de bevolking. Voor de oorlog had je er tientallen van zulke boerderijtjes, een beetje verspreid in het veld. Het moet er geweldig mooi zijn geweest, maar bijna niemand kwam op het idee om de pittoreske armoe hier te fotograferen, helaas.
De plaat komt uit het maandblad De Wandelaar, jaargang 1935. Dit tijdschrift, vooral gewijd aan natuur, landschap en monument, verscheen van 1929 tot 1950 onder leiding van de journalist en veldbioloog Rinke Tolman (1891-1983). De Universiteitsbibliotheek hier bezit de jaargangen tot de oorlog, het tijdschrift bevat fantastische foto’s, tekeningen en grafiek, je kan wel aan het scannen blijven.
—
Naschrift 30 juni 2017:
Inmiddels staat De Wandelaar tot 1940 online bij Delpher.
Opnieuw op zoek naar de erven Dirk Staf
Geplaatst op: 27 januari 2009 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 4 reacties
Vandaag reageerde een verslaafde aan boerenhekken uit Noord-Holland op mijn hekkentic-logje. Om het geheugen even op te frissen: dat ging onder meer over Dirk Staf, de Havelter pottenbakker die omstreeks 1970 een grote collectie dia’s van Drentse boerenhekken vertoonde. De reageerder vroeg zich af of mijn naspeuringen naar Stafs’ erfgenamen ook nog wat hadden opgeleverd.
Tot mijn spijt niet. Een naamgenoot van Dirk Staf bleek in de verste verte geen familie. Ik meende me te herinneren dat Staf een of twee dochters had, maar degenen die ik er in Havelte per mail op aansprak, konden me niet verder helpen aan informatie omtrent de huidige woon- en verblijfplaats van die vermeende dochters.
Mijn moeder had ik er indertijd niet over gesproken, en daarom belde ik haar. Volgens haar was de weduwe van Dirk Staf verhuisd naar een dorp in de omgeving en hadden ze geen kinderen. Misschien leeft de vrouw zelfs nog. Mijn moeder gaat informeren voor me. Ik ben benieuwd.
Hier een leuk radio-programma met de Noord-Hollandse boerenhekken-verslaafde, wiens boek ik inmiddels besteld heb.
Naschrift zaterdag 18 augustus 2012
De speurtocht naar de erven van Dirk Staf houdt hiermee dus op.
Spoor Stadskanaal-Emmen kan op oude spoordijk
Geplaatst op: 18 oktober 2008 Hoort bij: De actuele wereld, Drenthe, Drenthe vrogger, Geschiedenis 8 reacties
Tussen Veendam en Emmen heeft vroeger al een spoorlijn gelegen, die langs Stadskanaal, Gasselternijveen, Drouwen, Buinen, Exloo, Valthe en Weerdinge liep en deel uitmaakte van de nog veel langere Noord-Ooster Lokaal Spoorweg Maatschappij (NOLS). In 1905 kwam deze spoorlijn in gebruik, in 1945 maakte men een eind aan het personenvervoer en eind jaren zeventig werden de laatste lange stukken rails weggehaald.
Neemt niet weg dat grote delen van het tracé nog goed in het landschap te herkennen zijn. Sommige stukken van de spoordijk zijn weliswaar verdwenen in een zandafgraving, of uitgevlakt in een weiland, maar op andere delen liggen fiets-en wandelpaden en stroken bos. In elk geval zou voor een nieuwe lijn tussen Stadskanaal en Emmen vrij gemakkelijk gebruik gemaakt kunnen worden van de zandlichamen die indertijd de lijn fundeerden. Wat aanzienlijk in de aanlegkosten scheelt.
Op internet is de NOLS ruimschoots aanwezig. Wikipedia heeft er een artikel over, dat doorverwijst naar een veel uitgebreidere website. En vorig jaar nog, verkende Victor M. Lansink van Railtrash het tracé tussen Emmen en Stadskanaal in twee gedeelten. Op 19 augustus liep hij van Emmen naar Buinen, en op 9 september van Stadskanaal naar Buinen. Op die tochten fotografeerde Lansink niet alleen het tracé op zich, maar ook de nog veel vergankelijker NOLS-relicten zoals stationsgebouwen, spoorstaven, hectometerpaaltjes en stootjukken. Met zijn fotoseries heb ik me zonet kostelijk vermaakt.
Fotoseries
Geplaatst op: 11 augustus 2008 Hoort bij: Drenthe vrogger, Ommelanden, Stad toen Een reactie plaatsenDe laatste tijd weer een paar heel aardige fotoseries gezien:
- Groninger landschappen van ene Fenneke (slideshow)
- Werkers op scheepswerven door Peter van der Steege (1988, slideshow)
- Bij Borstkas: historische luchtfoto’s van de stad (vooral uit 1956)
- Bij Peter Leeuwen: Kleine Drentse boer in Darp, begin jaren zestig.
Oud citatenboek in een Norger huisarchief
Geplaatst op: 11 juni 2008 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
In het huisarchief Westervelde zit een foliant met duizenden Franse, Latijnse en Nederlandse spreekwoorden, zegswijzen, raadsels, rijmen, versjes en moppen. Volgens de inventarisator van dat archief, Frank Keverling Buisman, zou die foliant afkomstig zijn van de Norger landdagcomparant en ette Joachim Lunsche (ca. 1612-1674). Inderdaad is een deel van de stof gedagtekend op 1652, 1653. Toch acht ik het niet erg plausibel dat Lunsche de auteur is, omdat het pootje me eerder vroeg-achttiende eeuws lijkt dan zeventiende eeuws. Het is een romein en geen gotisch handschrift. Waarschijnlijk is de foliant deels overgeschreven, maar dan nog lijkt Lunsche me niet de auteur.
Veel stof in de foliant werd waarschijnlijk ontleend aan lectuur van de samensteller. Al zit er ook origineel materiaal tussen. Zo tegen folio 100 is de taal nog voornamelijk Nederlands, begint het steeds meer over man-vrouw verhoudingen te gaan, en wordt de inhoud langzamerhand ook scabreus en dubbelzinnig. Een aantal spreekwoorden etc. pende ik over tijdens mijn vervangende dienst op het Drentse Rijksarchief. Die notitie vond ik net terug. Een greep uit de inhoud:
“De Westpheelse maagden vertrecken niet uit haar landt of sij moeten eerst afgestoken syn.”
“Beschaamde vrijers maacken onbeschaamde vrijsters.”
“Vrijers leugen is een vrijsters troost.”
“Vrouwen ooren hebben geern smeeckende galm van strijckende monden.”
“De jonge maagden moeten van geen schaapshoofden”, haanekammen, hasekoppen, ofte vette palingen eten, anders worden sij quaataardig, ende vallen ligt op den rugge, of stooten sich swaarlijck, of lijden heijmelijck gebreck. Dat waar jamer!”
“Vrijsters liegen, als sij neen voor jaa seggen.”
“De man is eerst van de aarde geschaapen, daarom hij deftig, gestadig en gronthoudend is. De vrouw is van been gemaackt uyt den man, waarom sij lichter blijft genegen ’t kakebeen te rammelen.””
“Ick heb in mijn broeck een Cardinaal met een roode kappe, indien gij daar dichte bijkoomt, hij sal opstaan ende doen sijn reverentie.”
“Cierlijck in de kaamer. Reinlijck in de keucken, Zedig op de straat. Schamich in ’t spreecken. Is prijswaardig int vrou geslacht.”
“Leent mij u ruige mutse wat mevrouw, opdat ick se over mijn kale kop treck.”
“Drie dingen moet men doen, of sij doen haar selven: staat maaken, dochter uithylken, en aars veegen.”
“Dree vroedvrouwen, 3 besteedsters, 3 waschters sijn 9 coppelersen.”
“Sij is so puriteins, al waar sij om d gesintheit uit Engelant geweken.””
“Sulke edele tijdverdrijff sei de maagt en had bij d knechten gelegen.”
“Een schoone juffrou is het paradijs van het ooge, de hel van het gemoet, het vegevier van de buil.”
“Trouwen int hoy is moy, maar in de kerck is euwig werck.”
“De liefde die is uit mijn hert in de broeck gekropen, en die wijsheit uit mijn hooft gelopen.”
“Daar is geen lieffelycker spel voor jongelieden als het spel van schuiftrompet, het ticktackbort dient men nochtans niet te vergeten.”
“Ick ben lang geweest te Parys
En heb daar gestudeert als Scholaris
En veel gelesen in Libris
En weet dat het waar is
Dat een meisjen de boven vijftien jaar is
Op de buick niet sonder haar is”
Man verhangt vrouw, of de functie van een gerucht
Geplaatst op: 1 februari 2008 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenOp 19 februari 1760 schreef schulte Rudolf Steenbergen van Havelte aan D.G. baron van Dongen, hoe hem “gerugtswijse” ter ore kwam
“dat eenen Reynt Coops woonende aan de Havelder Koedijk syn vrou sou hebben opgehangen, dog dat het tou sou zijn gebroken”.
Baron Van Dongen, Assessor bij de Etstoel, de rechtbank van Drenthe, stuurde het briefje van de schulte terug naar Havelte, om precies te zijn naar huize Overcinge, waarvan de bewoner, Landschrijver (officier van justitie) Jan Kymmel, het verzoek kreeg om een onderzoek in te stellen. Ook verwittigde Van Dongen de allerhoogste justitiële en politieke autoriteit van Drenthe, Drost Van Heiden, die op dat moment in ’s Gravenhage verblijf hield. De Drost drong in een schrijven d.d. de 23ste februari eveneens bij Landschrijver Kymmel aan op een onderzoek.
Het was nog winter, de wegen waren bijna onbegaanbaar, maar Kymmel hoefde dit keer niet ver van huis en haard. De plaats waar de verdachte Reind Coops woonde, de Koedijk, bevindt zich immers tussen Overcinge en het Lok. Binnen een paar dagen had de Landschrijver dan ook een lijstje van maar liefst vijftien getuigen opgesteld. Dertien woonden in het kerspel Havelte en twee onder de klokslag van Nijeveen. Deze getuigen kregen allemaal de plaatselijke schulte of pander aan de deur, die ze aanzegde dat ze zich op zaterdag 1 maart om twaalf uur ’s middags in de herberg van R.J. Eppinge te Havelte moesten laten vinden om getuigenis der waarheid te geven.
Die bewuste zaterdagmiddag kwamen vijf van de vijftien getuigen niet opdagen. Maar geen nood, vijf andere mensen bleken bereid om voor de afwezigen in te springen. Waaruit we mogen opmnaken dat veel mensen op de hoogte waren van het ophangingsgerucht. Waarschijnlijk ging het als een lopend vuurtje rond in de omgeving.
Bij de verhoren wilde de Landschrijver uiteraard aan de weet komen of Reind Coops – op de heerdstedenlijst van 1754 nog een tweepaardsboer met de toenaam Vos – inderdaad geprobeerd had om zijn vrouw Margien op te hangen. Maar de getuigenissen werpen licht op veel meer dan dat. Ze laten ons zien wat een vrouw in het oude Drenthe kon ondernemen tegen mishandeling door haar man. Om die reden citeer ik de getuigen ook niet in de tamelijk willekeurige volgorde van opkomst, maar in de chronologie van een ontsporend en naar het schijnt weer helend huwelijk.
De getuige die tegenover de Landschrijver op de proppen kwam met de oudste herinnering aan de problemen tussen Reind en Margien was Andries Monies (37), een snijder (kleermaker) uit de omgeving. Hij herinnerde zich dat Margien twee jaar eerder al eens tegen hem klaagde over het gedrag van Reind. Toen al had Reind de gewoonte om brood en boter van merkjes te voorzien als hij het huis uitging. Blijkbaar was Reind, misschien omdat ze het niet al te breed hadden, bang dat Margien in zijn afwezigheid teveel van de gezamenlijke provisie zou verorberen. Maar bij dat wantrouwen bleef het niet – Reind had ook al eens een bot naar Margiens’ hoofd geslingerd, of haar ermee om de oren geslagen, zo precies wist Monies dat niet meer. In elk geval hadden Reind en Margien het nog wel zo breed dat er vlees op tafel kwam.
Jan Pieters Eppinge (ca. 60), een eenpaardsboer die in de directe omgeving van het echtpaar woonde, was net als Monies al langere tijd op de hoogte van de problemen tussen Reind en Margien. Ten tijde van de laatste Ruiner najaarsmarkt had Margien hem ’s nachts eens wakker gemaakt met het verzoek om met haar mee te komen, dan zou hij bij haar thuis kunnen zien hoe Reind daar “meester speelde”. Eppinge ging inderdaad met haar mee. In huize Coops bleek een broer van Reind, Jacob, al aanwezig. Een onhandelbare Reind sloeg Eppinge de muts van het hoofd, waarop de onfortuinlijke buurman maar weer wegging. Hij kreeg zijn hoofddeksel de volgende dag terug.
Maakten Monies en Eppinge melding van een langere voorgeschiedenis, de andere getuigen gingen louter in op de periode van ongeveer half januari tot half februari 1760. Albert Wolters Doot (53), een driepaardsboer, was met andere mensen op 18 januari op visite bij Reind en Margien. Margien tikte hem bij die gelegenheid steeds op de schouder, iets wat Doot ging irriteren. Uiteindelijk had hij gezegd: “Margyn, dat mag ik niet hebben”. Toen ze het achterhuis in ging was hij haar gevolgd en had hij haar gevraagd waarom ze dat eigenlijk deed, dat tikken op zijn schouder. Ze zei:
“Mag ik u bidden, gaat dog weg, en maakt dat het ander volk ook weg komt, anders kan ik bij Reynd niet verkeren”.
Hij vertelde haar wat voor praatje er rondging over haar ziekelijk jaloerse echtgenoot: dat die haar in de schoorsteen zou hebben opgehangen en nog een vuurtje onder haar zou hebben gestookt ook. Margien wist er niets op te antwoorden en had alleen maar stil geschreid.
Het gerucht ging dus midden januari al rond, en het zou nog een maand duren voordat de Havelter schulte er werk van maakte. Jan Geugies Eppinge (60), een vierpaardsboer, kwam op de avond van 24 januari samen met Reind en diens broer Roelof van Meppel. Reind, die dronken was, begon na aankomst in zijn huis meteen op Margien te schelden: “Blixemsche hoer”. Ook dreigde hij haar te slaan, maar daar kwam het niet van, wellicht dankzij tussenkomst van zijn beide metgezellen. Toen Reind weer enigszins bedaard was hield Jan hem voor “hoe hij 10 duivels wesen kon”, iets wat Reind als belediging opvatte, waarvoor hij Jan een blauw oog sloeg. Maar de volgende dag toonde Reind hierover “groot berouw” en verzocht hij Jan het geval stil te houden. Reind wilde blijkbaar niet aangebracht worden op de goorspraak, iets wat hem hem ook een lieve duit had kunnen kosten. Overigens hoorde Eppinge pas acht dagen later van Evert de Boer dat het “al slimmer” werd met Reind, en dat Reind zijn vrouw in de schoorsteen had opgehangen en onder haar een bos stro op het vuur had gelegd.
De getuigenissen van Arent Coops Woltman (40), die op de Galgekamp onder Meppel woonde, Albert Wolters jr. (23), de zoëven al ter sprake gekomen Evert Arends de Boer (28) en Pouwel Gerrits (30) betroffen alle een dag op het eind van januari. Woltman, tegen wie Margien eerder al eens klaagde dat Reind haar had willen verdrinken, kwam die bewuste avond op zijn paard van Diever, samen met de Nijevener Hindrik Hoekman. Om een uur of acht à negen passeerden ze huize Coops, waaruit ze “gekrijt en geschreeuw” hoorden komen. Woltman sprong van zijn paard en liep het huis in. Daar zag hij dat Reind Margien tegen de grond had geslagen. Woltman greep Reind bij de lurven en zette hem tegen de deur, waarop Reind “agter in de bulte” de benen nam. Na een poosje vroeg Margien Woltman of hij Reind weer in huis wilde halen,
“om reden dat sij, wanneer getuige en Hoekman wegwaren bij hem niet verkeeren konde”.
Zo gezegd, zo gedaan, Woltman haalde Reind weer in huis en vertrok toen die geheel bedaard leek te zijn.
Dezelfde avond kwamen Albert Wolters jr. en Evert Arends de Boer uit de tegenovergestelde richting, van de Nijentap. Ter hoogte van huize Coops hoorden beide geruzie en waren ze gaan luisteren. Ze hoorden Reind roepen “dat hij liever bij het bonte peerd in de stal wilde liggen als bij haar op bedde”, “dat wanneer Margyn dood was hij beter de kost kon winnen als nu”, “dat het er so niet langs sou of souden sij elkander ophangen”, “dat het hem niet scheelen kon al hingense elk in een hoek van het huis” en uiteindelijk “dat hij hadde een goed wijf en hoopte dat hij den Hemel mogt krijgen en sij ook”. Op het moment dat Reind begon te zingen, dropen de luistervinken af.
Uit veel verhoren laat zich opmaken dat Margien hulp zocht bij mannelijke schoonfamilie en mensen uit de directe omgeving. Dat de informele zwager- en naberhulp in dit geval weinig uithaalde en dat er de dreiging van een zwaardere en formele sanctie aan te pas moest komen, blijkt uit het volgende getuigenis.
Albert Harms Vrind (45), tweepaardsboer, kwam samen met Jan Sol (50), die zijn boerenwerk met één paard deed, begin februari in huize Coops. Reind was afwezig en Margien begon meteen tegen beide mannen over de “quade behandelinge, die sij van haar man moest uitstaan”. Reind gunde haar het eten niet en merkte brood en boter als hij uitging. En als hij daarna dronken weer thuiskwam moest ze altijd zorgen dat ze de messen en de “asschenschuppe” (asschop) verborgen hield. Ze had Reind wel eens moeten ontvluchten in de hooihoek of op de balken, waar hij haar met mooie praatjes van af kreeg, maar haar dan desondanks om de oren sloeg met een builtje geld. Ze vertelde erbij dat Reind haar eens “de verborgene delen des Lighaams an den onderbuik hadde willen opscheuren of opsnijden”. En die bewuste morgen nog had Reint haar zo geslagen dat haar billen er bont en blauw van waren. Albert en Jan moesten dan ook niet raar opkijken als ze eerdaags te horen kregen dat ze dood was, maar dan was dat niet op een natuurlijke manier gebeurd.
Net als Doot eerder, hield Sol haar het gerucht voor, als zou Reind haar in de schoorsteen hebben opgehangen. Margien gaf hier niet direct sjoege op, maar vroeg Sol wel om Coert de scheper (een broer van Reind) eens bang te maken door Coert te vertellen dat de Landschrijver al kennis van dat gerucht had. Sol praatte inderdaad met Coert, maar of die het er met zijn broer over had gehad, wist hij niet.
Nog voordat justitie werkelijk weet kreeg van het ophangingsgerucht, wilde Margien Reind al door derden laten bedreigen met justitie. Dat deze dreiging effectief was, blijkt uit de rest van het verhaal, maar ook dat het succes ongewenste vormen dreigde aan te nemen.
De al eerder aangehaalde Andries Monies kwam omstreeks 8 februari langs huize Coops. Hij bracht een schepel rogge naar Meppel en Margien riep hem binnen om de nieuwe koe in het achterhuis eens te komen bekijken. Toen het beest van alle kanten gemonsterd was, begon ze over de “gerugten die in het Carspel omgingen van dat Reynd haar hadde opgehangen”. Monies vroeg laconiek of die geruchten dan niet op waarheid berustten en Margien ontkende. Ze voegde er echter aan toe “dat Reynd anders hard genoeg over haar was”.
Een week later kwam Margien bij Femme Freriks (47) buurten. Ze verzuchtte: “Wat er nu gesegt wierde dat haar man haar in de schoorsteen sou hebben opgehangen”. Femme hield zich een beetje op de vlakte en antwoordde dat ze daar wel van had horen spreken, waarop Margien zei: “Ik hebbe het quaad genoeg bij mijn man, maar ik mag wel versinken so mijn man mij heeft willen ophangen…”. Ze gaf evenwel toe dat Reind haar meermalen gedreigd had “de hals te willen uitsnijden, en dat sij altijd moest oppassen om de messen te verbergen”.
De dag voordat de schulte Steenbergen zijn meldingsbrief aan baron Van Dongen schreef was Roelof Jacobs Smit (ca. 44) nog bij Reind en Margien over de vloer geweest. Beide echtelieden hadden bij die gelegenheid het gerucht ter sprake gebracht en beide hadden ze de ophanging ontkend, Reind zelfs met de opmerking, dat als het waar zou zijn, “dat hij als dan op de Berg wel in een voer stro mogte werden verbrand”.
De vreedzame coëxistentie tussen de beide echtelieden scheen dus al enigermate hersteld te zijn voordat het bevoegd gezag in actie kwam. De laatste twee getuigen die ik wil citeren zijn Jantien (45), de vrouw van driepaardsboer Bartelt Wolters en Anne, de vrouw van Coop Borgers (44).
Tegen Jantien had Margien vaak geklaagd over het merken van brood en boter door Reind en over Reinds’ losse handen, waardoor ze meermalen een blauw oog opliep. Ook wist Jantien van Margien dat Reind haar wel eens in het vuur had willen gooien, “maar hadde geen nood gekregen dewijl het ontkomen was”. Toen het gerucht rondging dat Reind haar in de schoorsteen had opgehangen, kwam Margien nog bij Jantien thuis om het te ontzenuwen. Ze vroeg Jantien om de schulte eens te ontbieden om die te zeggen dat het gerucht vals was. Maar Jantien was daar niet aan toegekomen.
Buurvrouw Anne tenslotte, maakte gewag van een voorval dat nog heel vers in het geheugen lag. Dominee Dekker was met de twee ouderlingen het erf van Margien en Reind opgestapt. De kerkeraad wilde eens een hartig woordje wisselen met Reind, maar Reind noch Margien gaf thuis. Nadat de consistorialen onverrichterzake uit zicht waren verdwenen ging Margien bij buurvrouw Anne langs om te vragen wie daar toch aan de deur waren geweest. Margien verklaarde dat Reind bij het horen van vreemde voetstappen op het erf behoorlijk in de piepzak had gezeten; hij dacht dat hij gevankelijk naar Assen zou worden gevoerd. Mocht Anne bijgeval horen dat Reind inderdaad naar Assen zou worden gebracht, dan moest ze Margien maar gauw komen waarschuwen.
Kortom, Margien stak de mishandelingen door Reind niet onder stoelen of banken. Toen de bemoeienissen van zwagers, nabers en verdere kennisen op zich geen blijvend effect sorteerden, wist ze het voor elkaar te krijgen dat Reind via-via met justitie zou worden bedreigd. Hij zou wel eens naar het hondegat in Assen gestuurd kunnen worden en vervolgens op een schip naar Oost- of West-Indië(dat waren sancties in dit soort gevallen). Maar dat justitie zich werkelijk met Reinds geval ging bemoeien, daar had Margien ook weer weinig belang bij. Per slot van rekening verdiende Reind het grootste deel van hun brood, boter en vlees.
Laten we tot slot Margien zelf aan het woord – want ook zij werd door Landschrijver Kymmel aan de tand gevoeld, zij het niet onder ede. Ook tegenover mr. Kymmel verklaarde Margien dat het gerucht voor ophanging ten ene male vals was,
“maar dat het egter waar was dat sij sedert twe jaren herwaarts veel van haar man hadde moeten lijden en uitstaan, als hebbende haar menigmaal gestoten en geslagen, ook wel gedreygd de keel uit te snijden, maar dat sedert het gerugte in het caspel gekomen was van het ophangen, Reynd haar nog met woorden of daden qualyck hadde bejegend of mishandelt, maar dat hij geduirig sedert die tijd niet anders gedaan als krijten en lamenteren dat hij so onschuldig beschuldigt wierde. Gepasseerde donderdag en vandage hadde Reynd tegen haar gesegt: Margyn, laten wij in vrede leven, ik belove u, ik zal u noyt weer uitschelden of anroeren om te slaan, en haar daar de hand op gegeven”.
Met andere woorden: Reind was na het vernemen van het gerucht dat over hem rondging bang en klagerig geworden en zo mak als een lammetje. Hij beloofde Margien plechtig beterschap. Margien had haar doel bereikt. En zo liep het geval met een sisser af…
—
Dit verhaal is gebaseerd op een dossier in het archief van de Etstoel, “Informatiën genomen tot Havelte den 1 maart 1760 over de quade behandelinge so Reynd Coops an de Havelder koedijk wonende an syn vrouw sou hebben gedaan.” Aanvullende gegevens kwamen uit de Havelter heerdstedenlijsten van 1754 en 1764.
Ap sap siepie, wanneer bin ie riepie…
Geplaatst op: 24 juni 2007 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 5 reacties
Zat ik maandagavond nog te mopperen dat de webontsluiting van het nationale volksliedarchief bij een schoon voornemen bleef, ik werd op mijn wenken bediend, want vrijdagavond was het zover en ging de Nederlandse Liederenbank online.
Als jarenlang trouwe luisteraar van ‘Onder de Groene Linde’, tussen 1957 en 1994 het radioprogramma over Nederlandse volksliedjes van Ate Doornbosch, heb ik uren in de Liederenbank zitten grasduinen en al heel wat noordelijk materiaal gebookmarked. Wat mij betreft de grootste schat evenwel, goed voor een paar hevige kippevelmomenten, kwam in 1959 van Hendrik van der Zweerde.
Deze Van der Zweerde was in 1916 geboren in Uffelte, elf jaar later ook de geboorteplaats van mijn vader. Op het moment dat hij de bandjes van Doornbosch’ assistente inzong, werkte hij bij het Rijkslandbouwproefstation in Wageningen, en als gepensioneerde schreef hij later meerdere boeken over zijn jeugd (o.a. ‘k Mag sterven als het niet waar is). Bij zijn oudere vrijgezelle broer, die in in een eenvoudig keuterijtje op de Havelter Schapendrift woonde, gingen wij als kinderen wel eens langs voor authentieke, roodgele en zuurzoete Drentse appelties. Die kwamen uit de boomgaard voor zijn huis en bewaarde hij in een lage houten kist op de welvende lemen deel.
Bij het repertoire van de Wageningse Van der Zweerde trof ik onder meer twee opnames aan van een heel primitief instrumentje, dat ook rond 1960 nog door Zuidwest-Drentse schooljongens werd gemaakt. Van der Zweerde noemde het de ‘huppe’, maar ik ken het als ‘uppe’ of ‘uppie’. In het voorjaar sneed je daarvoor een jonge, nog zachte tak van een lijsterbes. Het gedeelte dat minder dan ongeveer 2 à 3 milimeter dik was, haalde je daar weer af, en dan beklopte je het uiteind van de loot met het handvat van een zakmes, net zolang tot de nog groene bast los zat. Vervolgens sneed je op ongeveer 3 centimeter van het uiteind een ringetje, en schoof je de zich daarboven bevindende bast van de loot. Het bastpijpje drukte je plat, en door er met wat spuug doorheen te blazen kreeg je dat typische voorjaarsgeluid.
Ik weet nog hoe een buurman, Appe Lefferts, ons het maken van uppies en wat meer geavanceerde fluitjes uit lijsterbeshout leerde. Appe was opperman en metselaar, en ik herinner me hem als een bonk van een kerel, met een paar beste handen aan zijn lijf waarvoor ik flink ontzag had. Appe kwam vaak een beetje nors over, al moet ik er meteen bijvertellen dat hij ook zijn kwetsbare momenten had. Zo was hij de eerste man die ik zag schreien. Nadat zijn jongste zoontje Jacob een ongeluk overkwam, zat hij aan zijn huiskamertafel te huilen met zijn handen ter weerszijden van zijn gezicht, iets wat diepe indruk op mij maakte. Wat betreft de uppies zong Appe bij het bekloppen van de lijsterbes-loten altijd een liedje, dat wij van hem overnamen, en van dat liedje – ‘Ap sap siepie, wanneer bin ie riepie’ – heeft Van der Zweerde in 1959 twee versies ingezongen, waar ik dus geweldig mee in mijn sas ben.
Van der Zweerde leverde het Volksliedarchief eveneens Haantie op de stokkie, het versje dat in mijn kindertijd nog bij de optocht met Palmpasen werd gezongen. En hij vertelde hoe de paasvuren en volksfeesten op het dorp Uffelte tot stand kwamen. Gek genoeg vielen zijn bijdragen aan de Liederenbank niet op te snorren door het trefwoord Uffelte in het zoeksysteem in te kloppen, en ook krijg ik de indruk, dat er nog veel meer materiaal van hem in het Volksliedarchief moet berusten. Qua content en zoekmogelijkheden is de Liederenbank nog niet helemaal af, blijkt ook elders. Neemt niet weg dat we hier een geweldig cadeau in de schoot geworpen kregen, een cadeau waarvoor ik geweldig dankbaar ben. Te zijner tijd zal ik nog eens ingaan op andere noordelijke bijdragen.
Souvenirs uit de grondzee
Geplaatst op: 25 mei 2007 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen

Hans heeft een paar vierkante meter voor zichzelf, verder zie je een grondzee van tweedehands boeken in zijn woning. Je moet er letterlijk door de stapels heen waden. Hij handelt erin, wat tegenwoordig niet meevalt als je geen etalage op internet hebt.
Af en toe komt hij bij me met exemplaren, waarvan hij vermoedt dat ze zeldzaam zijn. Dan zoek ik op internet, wat voor prijs zo’n boek doet. Ook komt hij wel eens bij me met een schilderij, waarvan de maker niet in Scheens Lexicon staat. Dan google ik de naam van de maker, en soms blijkt het doek inderdaad redelijk wat waard.
De laatste tijd heeft Hans de neiging om de diensten – die ik graag verleen, omdat ik zelf ook wat van opsteek – te belonen met souvenirs die hij tegenkomt op dezelfde plaatsen als waar hij zijn boeken en schilderijen inkoopt. Zo ontving ik een koekblik, een fruitschaaltje, een wandtegeltje en een pastel-achtige prent achter glas met beeltenissen van de Meppeler toren, omdat hij wist dat ik in Meppel op school had gezeten. Maar onlangs vertelde ik hem dat ik in Havelte opgroeide, en nu komt hij dan aanzetten met galanterieën uit deze ‘Parel van Drenthe’. Zo ben ik inmiddels een zwaar verzilverd theelepeltje van het Hunehuis rijker.
Veel mooier nog vind ik de twee prenten uit het ‘Jaarboek voor den boekhandel 1903’, dat hij me ter scanning leende. Het zijn houtsneden, die, ook secundair via kalenders en ander drukwerk, weliswaar een zekere oplage gehad moeten hebben, maar voor zover mij bekend in Havelte en omgeving ten ene male onbekend zijn. Helaas is de maker dat ook. Er zijn zelfs geen initialen die een sleutel tot zijn identiteit geven. Maar dat zijn werk verdienstelijk is, staat buiten kijf.
Het stiertje van Beilen
Geplaatst op: 13 maart 2007 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Dit stiertje kwam tevoorschijn bij het aardappelrooien, ergens tussen Beilen en Hooghalen, op een herfstdag midden in de oorlog. Het heeft drie hoorns, net als een Keltische stiergod, en kwam waarschijnlijk in een van de eerste eeuwen van onze jaartelling uit Oost-Gallië, waar de Romeinen toen nog heer en meester waren.
Net als wel meer bodemvondsten uit Noord-Nederland, zoals de bronzen arm van Leermens en het schrijfplankje van Dokkum, behoort het stiertje tot de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Een groot deel van die collectie is afgebeeld bij Het Geheugen van Nederland, een site waar jammer genoeg niets meer aan wordt toegevoegd.
Het GvN zegt er nog bij dat op luttele afstand van de vindplaats “een belangrijke inheems-Romeinse nederzetting” lag. Wat schromelijk overdreven is, al zijn er bij Wijster aardig wat scherven van ‘Romeins’ importglas en -aardewerk aangetroffen. Dat het stiertje een “betaalmiddel of geschenk aan een bevriend hoofdman” van die nederzetting was, greep het Geheugen uit de lucht. Misschien, maar dan speculeer ik net zo hard, heeft er op de plek van dat Beiler aardappelveld ook wel een geschikt veenmoerasje gelegen, waar dit stiertje ingegooid is als zoenoffer aan een soortgelijke god als de Keltische.
‘Ie bint nog maar een snotneuze!’
Geplaatst op: 18 februari 2007 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Bij het doornemen van oude jaargangen Nieuwsblad van het Noorden stuitte ik jaren geleden bij toeval eens op een stukje misdaadverslaggeving uit Drenthe. Het bericht had ‘De doodslag in Uffelte’ als kop en stond op 18 februari 1922 in het Nieuwsblad, dat als bron de Meppeler Courant had. Ik heb die lokale krant, die helaas niet gedigitaliseerd is, er niet op nageslagen, maar de ervaring leert dat kranten zulke berichten letterlijk van elkaar overnamen, zodat ik me vergenoeg met het stuk zoals dat in het Nieuwsblad stond. Hierna wordt dat in zijn geheel geciteerd, gevolgd door wat commentaar en aanvullende gegevens over de rechtszaak, die ik naderhand vond via de Historische Krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek.1
Het bericht:
De doodslag in Uffelte
“In het café Schenkel te Uffelte hedden de bewoners reeds geruimen tijd veel last van ratten. Toen de wed. Demmink dit hoorde, zeide zij tot den café-houder, dat haar zoon Roelof er den slag van had om dat ongedierte te vangen. Er werd afgesproken dat de 22-jarige Roelof eens zou komen met een rattestap. Dit geschiedde donderdagavond. De jongeling ging op de vangst en in een weinig tijds had hij al een vijftal ratten gevangen. Inmiddels had de vrouw van den kastelein koffie gezet en toen zij nog bezig was met het bakken van nieuwjaarskoeken, werd Roelof binnen genoodigd.
Nauwelijks was hij gezeten, of daar kwam ook de 62-jarige varkenskoopman Albert Been binnen. Mede aanwezig was de brugwachter Jan Hoogeveen Kzn. Been kwam van de markt te Meppel en had onderweg al eens ‘opgestoken’. In nuchteren toestand was hij een goedige kerel, maar als de man ‘n borrel op had, was hij van een driftige en opvliegende natuur. In dien toestand mocht hij gaarne iemand sarren, zegt de ‘Mepp. Crt’. Dat geschiedde ook nu.
Toen Roelof nog een kleine jongen was, had hij eens een stok gestoken in het rijwiel, waarop Been reed. Deze was gevallen, had Roelof gegrepen en hem een aframmeling gegeven. Aan dat voorval herinnerde Been Roelof, er aan toevoegende, dat hij zich ook nu nog wel in staat voelde, hem van hetzelfde laken een pak te geven.
Plotseling vroeg Been aan Roelof: ”Ie wordt veldwachter, heur ik?”
”Dat wee’k nog niet”, antwoordde Roelof.
”Now”, dreigde B. daarop, ”ik hebbe sch… an oe. Ie bint ‘t in alle geval nog niet en ak oe ‘n klap geve, ku’j nog gien verbaal opmaken. En zoo gauw as ie veldwachter bint, dan bin ik streuper en ak oe dan in ‘t veld zie, schiet ik oe dood.”
Op die manier ging B. voort en de kastelein en diens vrouw en ook Hoogeveen trachtten tevergeefs den opgewonden koopman te kalmeeren. Toen ging Roelof opstaan, om buiten even een kleine, hoogst noodige boodschap te verrichten.
”Hoe laat is ‘t?”, vroeg Been toen.
”Al negen ure”, zei de kastelein, ofschoon het nauwelijks half negen was. Maar men wilde gaarne sluiten.
Been, in de meening verkeerende, dat het inderdaad reeds over negen was, en zich herinnerende, dat den volgenden dag een verkooping voor hem zou worden gehouden, ging nu heen. Maar enkele minuten later kwam hij doodsbleek de herberg weer binnen en riep: ”O, wat bin ik doar estöken.” Het bloed stroomde uit zijn kleeren.
Eerst dacht men dat er geen levensgevaar mee gemoeid was, en men besloot hem naar huis te brengen. Doch men was nog maar ongeveer 50 meter van de herberg, of daar zakte Been neer. Hij kon niet verder, uitroepende: ”Ik sterve, ik kan niet meer!” Nu namen de mannen hem op en droegen hem naar zijn woning, vanwaar ze ook nog ca. 50 meter verwijderd waren. Hij werd te bed gelegd.
Inmiddels was Roelof naar den veldwachter Van den Berg gegaan; hij deelde dezen mede, dat het er bij Schenkel geducht toeging en dat Been danig er van langs kreeg. De veldwachter maakte zich gereed om dadelijk mee te gaan. Maar toen hij Roelof aankeek, zag hij hoe deze bloed aan het gezicht en de handen had. ”Wat zit ie vol bloed”, riep hij verbaasd. ”O”, zeide Roelof, ”ik bin zoo even mit de kop tegen ‘n mure eloopen.” En meteen waschte hij zich schoon.
Roelof vroeg den veldwachter om een stok. ”Waarom?”, vroeg deze. “Wel”, zei Roelof, ”je kunt nooit weten wat Been wil.” Zoo gewapend gingen beiden naar ‘t café Schenkel. Daar hoorden ze van den kastelein, wat er gebeurd was, terwijl deze het vermoeden uitsprak dat Been wel al overleden zou zijn. Veldwachter Van den Berg ging daarop direct naar het huis van den verslagene, en toen hij daar aankwam, bleek Been inderdaad reeds gestorven te zijn.
Nu werd de politie van Havelte gewaarschuwd. En toen veldwachter Vierhoven ter plaatse was gekomen, zeide hem v. d. Berg dat, hoewel Roelof Demmink een goed vriend van hem was, hij toch niet mocht verzwijgen, dat deze bloedvlekken op zich had, toen hij bij hem was om aangifte van de ruzie te doen.
Daarop werd Roelof gearresteerd en naar het arrestantenlokaaltje naast het brandspuitenhuisje gebracht. Eerst ontkende hij alle schuld. Hij werd daarop geleid naar het lijk van Been. Ook hier toonde hij zich uiterst kalm. Hij vatte het lijk bij den pols en zei: ”Ja, hij is dood”.
Maar toen hij weer in het arrestantenlokaal was gebracht, duurde het niet heel lang, of hij legde aan de beide politiemannen een volledige bekentenis af. Hij vertelde dat, toen hij buiten het café was, Been naar hem toe was gekomen, hem bij den arm gegrepen had en hem gedreigd had een klap te zullen geven, waarbij hij riep: ”Ie bint nog maar een snotneuze!” Toen sloeg Been er met zijn stok er maar op los en Roelof lag aldra op den grond. Al worstelende wist hij toen zijn mes uit den zak te krijgen, en terwijl Been hem met den stok bewerkte, stak hij zijn aanvaller in het been, zoolang tot hij uit zijn benarde positie bevrijd was.
Been had vijf steken gekregen, waarvan één, in de rechterdij, doodelijk was. Het mes van Roelof werd later in het kippenhok van den veldwachter teruggevonden. De jongen had het daar verstopt.
Zooals wij reeds zeiden, stond B. als hij sterken drank had gebruikt, bekend als een opvliegend en driftig man, waardoor ook de huiselijke vrede dikwijls verstoord werd. Hij moet enige weken geleden zelfs gedreigd hebben zijn zoon te zullen doodschieten.”
Tot zover het relaas in het Nieuwsblad. Merkwaardig is dat de naam van de dader geen enkele keer met initialen aangeduid wordt en dat de naam van het slachtoffer in de loop van het artikel juist van Been tot B. is afgekort. Dat lijkt een gevolg van ‘s mans kwaaie dronk. Van slachtoffer wordt hij bijna dader in het artikel, dat duidelijk sympathiseert met de echte dader.
Het negatieve oordeel over Been staat niet op zichzelf, want het sloot aan bij een algemeen gevoelen in de kranten. Zo plaatste De Telegraaf op 19 februari een achtergrondverhaaltje, afkomstig van een plaatselijke correspondent. Volgens dit bericht stond Been “ongunstig bekend”:
“Hij maakte, vooral op marktdagen, die hij.als varkenskoopman trouw bezocht, veel misbruik van sterken drank en was dan buitengewoon lastig, zoo zelfs, dat zijn vrouw menigmaal voor zijn thuiskomst vreesde, daar het meermalen gebeurde dat hij, dreigende met zijn mes, alles van de tafel sloeg. Doch niet alleen thuis, ook op andere plaatsen nam bij vaak een tartende en uitdagende houding aan.”
Wat verder nog aan de berichten opvalt, is het onhandige thuisbrengen van de varkenskoopman door de kastelein en de brugwachter. Met een beetje meer kennis van EHBO zou Been het geval wellicht hebben overleefd.
En dan is er nog die zwijgzaamheid. Been noemde niet de naam van Roelof en Roelof liep naar de veldwachter met het verhaal dat Been belaagd werd, alsof hij er zelf niets mee te maken had.
Het is juist dat afschermen en onder elkaar willen houden waardoor soortgelijke, minder fataal aflopende gevallen van messentrekkerij – een delict waar Zuidwest-Drenthe indertijd om bekend stond – menigmaal onbestraft zullen zijn gebleven.
De rechtszaak
Hoewel bijna alle kranten in den lande over het geval in Uffelte berichtten en sommige net als het Nieuwsblad van het Noorden het uitgebreidere stuk van de Meppeler Courant overnamen, was er opvallend weinig aandacht voor de rechtszaak. De dan “smidsknecht” genoemde Roelof Demmink stond op 1 mei 1922 terecht voor de rechtbank in Assen. Hem werd geen moord, en ook ook geen doodslag ten laste gelegd, maar slechts een mishandeling die de dood ten gevolge had. Roelof bekende “al snikkende” dit delict, maar beriep zich op noodweer. Been zou hem hebben aangevallen en met een stok in het gezicht hebben geslagen, hij had Been uit zelfverdediging één keer met zijn mes geraakt. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie echter, had Roelof veel te snel zijn mes getrokken:
“Hij heeft volgens Drentsche gewoonte maar met het mes rondgeslagen en thans blijkt het dat één uur van onbedachtzaamheid maakt, dat men langen tijd schreit.”
De officier woog verzachtende omstandigheden mee en eiste daarom slechts anderhalf jaar gevangenisstraf. De advocaat van Roelof, die “een zeer gunstigen brief” voorlas van Roelofs ouwe baas, drong aan op een nog lichtere straf. Maar daarin ging de rechter niet mee – die veroordeelde op 15 mei 1922 Roelof Demmink conform de eis tot anderhalf jaar cel.3
Overigens was Roelof Demmink in 1899 geboren als zoon van Frederik Demmink, een rijksveldwachter en jachtopziener, die drie jaar eerder van Haule naar Uffelte verhuisde. Roelofs vader overleed een half jaar voor dit geval. De familie Demmink kwam dus uit de Stellingwerven, en daar ging Roelof ook heen na het uitzitten van zijn straf. Toen hij in 1926 trouwde, woonde hij in Ter Idzard. In 1962 overleed hij te Wolvega.4
Harry Perton
NOTEN:
2) Telegraaf 19 febr 1922, naderhand geciteerd door De Tijd van en Het Volk van 20 februari 1922
3) Nieuwsblad van het Noorden 1, 2 en 15 mei 1922; Drenlias; Het Nieuws van de Dag 6 mei 1896; Telegraaf 19 februari 1922; Hepkema’s Courant 2 februari 1926; Friese Koerier 5 en 9 juni 1962.
—
Dit verhaal is eind oktober 2013 herzien en vervolgens gepubliceerd in het blad Onsen Spieker van de Historische Vereniging Havelte.
Roggebrood met hagedis
Geplaatst op: 31 januari 2007 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsen
Grote schrik op de broodafdeling van een Brabantse Albert Heijn, vorige week. Er scharrelde een hamster rond. En dat uitgerekend in de ‘hamsterweken’.
Maar het kan altijd nog gekker. Mij deed het bericht denken aan een stukje dat ik eens aantrof in een oude Provinciale Drentsche en Asser Courant. Ik heb er even naar moeten zoeken, maar inmiddels is het boven water. Het stond op dinsdag 19 juli 1870 in die krant en het gaat over een incident in Wapserveen:
“Voor eenige dagen had er bij een onzer ingezetenen een zeldzaam voorval plaats. De vrouw des huizes sneed volgens gewoonte eenige sneeden roggenbrood tot morgenontbijt, maar werd door den kleermaker, die tegenwoordig was, er opmerkzaam op gemaakt, dat er zich iets bijzonders in het brood bevond. Bij onderzoek bleek het een hagedis of evertast te zijn. Hoe dit dier in het brood gekomen is weet men niet, maar dit is zeker, dat ze er niet van gebruikt hebben. Het brood was niet op deze plaats gebakken, maar van elders gekomen.”
Wat dit bericht extra curieus maakt, is de term ‘evertast’ voor hagedis. Googelen op dat woord levert niet veel soeps op, en het WNT geeft rechtstreeks ook geen verklaring. Maar bij het lemma hagedis noemt het WNT de term wel, zij het in iets andere vorm. Volgens het woordenboek is er een soort stamlijn van hagedis naar oudere woorden als hagetisse en egetisse, waarmee we al aardig dicht bij dat evertast zitten. En verder noemt het WNT varianten uit de Nedersaksische streektalen, waarmee de term definitief thuisgebracht is:
- Gronings: evertaske, heveltaske
- Drents: eve(r)dassche
- Twents: eveltasse
- Gelders: everdesse, everdes, everdis
Evertaske geldt bovendien als een van de mooiste woorden in het Stellingwerfs, en het is de naam van een pension in het Groningse Noordhorn, blijkt bij nader googelen. De meervoudsvorm staat zelfs in de Nedersaksische Wikipedie.
Met dat evertast zal de Wapserveense correspondent van de Drentse krant een zandhagedis bedoeld hebben, want dat beestje kwam veel in heidegebieden voor. Weliswaar is het een bodembewoner, maar het klimt ook wel langs muren en zolderingen, en zo moet het in de bakkerstrog beland zijn.
Of een bakker zulke beesten in zijn werkplaats duldde, is onzeker. De Statenbijbel noemt in Leviticus 11:30 de “egdisse” een “onreyn gedierte”. Een gereformeerde bakker joeg een evertast dus weg, mag je aannemen. Anderzijds bestond er een volksgeloof dat de hagedis de mens goed gezind was. Om die reden kwamen ze veel rond woningen voor, en hield men ze soms in huis, ook omdat ze zich gemakkelijk lieten temmen. Vondel dichtte:
“Dit merckte een wackere Haeghedis,
Die vrouw Natuur in stilheit dient,
Den mensch bemint, en gunstigh is,
En gadeslaet, en houdt te vrient.”
In elk geval kwam de Keuringsdienst van Waren er niet aan te pas, daar in Wapserveen. Want zo’n dienst bestond anno 1870 nog nergens, en apart toezicht op de bakkers was er evenmin. Nederland was überhaupt nogal achterlijk op dit gebied. Pas tegen 1900 kregen Amsterdam en Rotterdam zo’n “verzekering tegen diefstal van volksgezondheid en volkskracht”, waarna in 1905 de stad Groningen volgde. Hier werd vooral melk gekeurd, omdat daar nogal eens typhusbacillen in voorkwamen. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen schaarste de verleiding om slechte voeding te debiteren stimuleerde, kregen de drie noordelijke provincies hun levensmiddelen-verordeningen en Keuringsdiensten van Waren, en in de jaren 1919 – 1922 kwamen er eindelijk landelijke regelingen tot stand.
Bevroren spoor bij flauw maanlicht
Geplaatst op: 20 december 2006 Hoort bij: Drenthe vrogger, Stad toen Een reactie plaatsen
Als de jonge Groninger arts en verloskundige Jacob van Geuns op 20 december 1798 ’s middags rond theetijd terugkeert van zijn visiteronde door de stad Groningen, treft hij in zijn huurkamer aan de Steentilstraat een boer van de Peizerhorst aan. De man vertelt dat een buurvrouw van hem al twee dagen in barensnood verkeert en verzoekt dokter Van Geuns om hulp. Hoewel Van Geuns ’s avonds eigenlijk naar een bijeenkomst van het Nut zou, kan hij niet weigeren.
Naderhand doet hij zijn vader, hoogleraar genees- en verloskunde Matthias van Geuns in Utrecht, verslag van zijn reisje naar de Peizerhorst. Opvallend aan dat verslag is, dat Van Geuns niet de kortste weg nam, maar over Haren, Glimmen, De Punt en Eelde ging. Kennelijk was de hoge weg over de Hondsrug bij donker en vrieskou betrouwbaarder dan de laaggelegen veenlanen naar Paterswolde en Peize. Toch verliep ook de omweg niet zonder horten en stoten, en vanaf Eelde moest Van Geuns zelfs te voet verder.
Maar het was de moeite waard, de verlossing van de veertigjarige en tot dan toe kinderloze boerin verliep voorspoedig, tot vreugde van haar tweede man, voorheen haar knecht, die nu via zijn kind bepaalde rechten op het erfgoed verkreeg en de dokter op de traditionele brandewijn met rozijnen tracteerde.
Op de terugweg ’s nachts nam Van Geuns dezelfde route en sliep hij in de herberg op De Punt. Zijn verslag is vooral informatief over de barre winterse reisomstandigheden van weleer:
“Zedert mijne laaste brief (…) heb ik weer een avontuurlijk togje moeten doen. Om half vier aan huis eeven aangaande, vond ik aldaar een Boer, die mij al een uur met verlangen wagtte. Het dringend verzoek was nae Peijzerhorst, een uur agter Eelde, te willen reijzen, ten einde een vrouw, zedert twee etmaalen in nood, te helpen. Ik kon mij hier niet wel van ontslaan, en in plaats van onze gewoone maandel[ijkse] Departem[ents] verg[adering] van ’t Nut bij te woonen, maakte ik mij reijsvaerdig, en reed met een fourgon om half vijf de poort uit.
Het eerste half uur ging alles wel, doch het flaauwer maanligt liet niet toe dat wij duidelijk het bereeden spoor konden onderkennen. De weg was hart en stijf bevrooren, en niet bereeden. Wij kwaamen toch met hommelen en stooten om 6 uur goed en wel op De Punt. De voerman maakte zwarigheid verder te gaan, dewijl de weg niet beter werd en hij bevreest was dat de raaden, in de felle vorst bros zijnde, en de spooren diep en hart, soms mogten breeken, dewijl men niet goed zien konde om er altijd in te blijven. Ook zoude de reijs dan toch langsaam vorderen.
De Casteleijn en 2 Boeren die aldaar waren, raden liever te voet te gaan dan met de Fourgon te rijden. Ik besloot ook hier toe en nam de voerman mede, egter ging ik tot aan Oosterbroek* op eene verdekte boerewagen zitten, zijnde de knegt en wagen van Tonko Modderman**, en verder ging ik met de voerman en de beladene wagen nae Eelde. Het was eene drooge en frisse koude, doch al wandelende en omhangen met mijne dikke jas kon ik de warmte beet houden.
Te Eelde ging ik bij de Brouwer*** aan met wien ik nu een Jaer geleden kennis gemaakt had doordien ik bij eene soortgelijke expeditie, doch in veel slegter weer, aldaar een nagt geslapen had. Deeze gaf mij op mijn verzoek 2 sufficante Drenten mede met een schijnvat of lantaarn. Zoo stapten wij sneedig en wel door langs het voetpad, en kwam dus warm geloopen om 8 uur bij de Boerin.
Alles liep gunstig en spoedig af. Er was groote blijdschap dat er eene levendig en zwaar kind geboren werd. Te meer had de Boer hier reden toe, dewijl hij voor een jaar met de vrouw, weduw zijnde, en bij de eerste man geene kinderen gehad hebbende, getrouwt was. Hij had te vooren als knegt bij de Boerin gewoont, en daar de vrouw 40 Jaren oud was, was er niet veel kans meer nog kinderen te krijgen, intusschen scheelde het hem veel in de keur [?], dat er een leevendig kind gebooren werd, daar dit het uitzigt op zijn fortuin veel vaster maakte.
Ik had mijn plan gemaakt om ’s nagts op De Punt te slaapen, dus mijne zaaken verrigt hebbende, en de vrouw redelijk welvaarende te bed gebragt zijnde, ging ik om 10 uur weer op reijs, welgemoed en opgeruimd over mijne welgeslaagde hulp. Ik nam vooraf egter nog het gewoone tractement bij die gelegenheden, t.w. Brandewijn met rosijnen.
Twee Boeren met een lantaarn escorteerden mij tot Eelde, alwaar ik mijn voerman in het hoekje der haart in eene geruste slaap vond. Schoon ik wel geen dringende honger had, nam ik egter een goede Drentsche boterham met een glas genever. Dit was dagt mij goed, voor eene wandeling in de koude, ten minste de geeuwhonger zoude mij dan niet ligt overvallen.
Nu ging ik met de voerman op reijs nae De Punt, hij met de lantaarn voor aan en ik een pijp tabak rookende en goed doorstappende agter aan. En schoon het bij middernagt was, dat wij de wandeling over de Heijde deeden en de oostewind vrij fijn blaasde hinderde mij de koude niets. Wij kwaamen om 12 uur ’s nagts gezond en wel op De Punt. Hier dronk ik een half kroes heet bier, en sliep zeer gerust tot 6 uur ’s morgens, half 7 zat ik in de fourgon, en was weer om 8 uur op mijn kamer.”
Notities:
* Oosterbroek, havezathe bij de Drentsche A onder Eelde.
** Tonco Modderman (1745 – 1802), groot-ondernemer, mede-eigenaar van scheepswerven, een oliemolen en een papiermolen, advocaat, veelzijdig amateurgeleerde en letterkundige te Groningen, sinds 1784 Heer van Oosterbroek en in 1796 lid van de Nationale Vergadering (het parlement van de Bataafse Republiek).
*** Hermannus Hilbrants (1755 -1831), uit het bekende Eelder brouwersgeslacht Hillebrands/Hilbrants.
Andere reisjes van Jacob van Geuns:
Luinges doldranken
Geplaatst op: 27 oktober 2006 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenWaar de wieken van de Oude Molen gaan, zo heet de serie Drentse verhalen die de vergrijsde schoolmeester Crone van Oudemolen in 1919 schreef. Voor zijn vertellingen putte Crone uit zijn geheugen – ze bestrijken met name de periode rond 1870.
Ergens achterin de herdruk staat ‘Doldranken’. Er heerst weer eens hondsdolheid in de omgeving en de schepershond wordt gebeten door een vreemde hond. Van een naber krijgt de scheper raad:
“Goa gauw noar Oosting of naor mui Jantien, dat is een van ’t Lunnings geslacht en moakt doldranken of geft er te minste goed veur.”
De scheper volgt die raad op, maar Jantien escuseert zich:
“Och Henderk, dat wol ik ans wel, moar ik zin stok old en doe ’t leever neet, as ’t ans ken en dat ken, gao maor even noar ’t Lieversche Nijland, daor woont ook ’n Jantien Lunning, dij ’t net zoo goed doet as ik, gao daor maor hen.”
De scheper vindt bij Lieveren die andere Jantien Lunning en krijgt van haar het gevraagde gratis mee. Hij moet het spul met wat meel tot een pannekoek verbakken, die hij aan zijn hond dient te geven. Na enig vasten schrokt het beest de pannekoek op en houdt deze nog binnen ook, wat een goed teken is:
“De hond speit neet en de doldranken van Lunnings hef zien goeie naam weer alle eer bewezen”.
Dat er inderdaad een Noord-Drentse familie was met een overerfd recept voor doldranken, blijkt uit een artikel in een Drentsche Courant van begin 1850. Alleen heet de familie niet Lunning/Oosting, maar Luinge/Schuring. (Er komt zelfs een naamgenoot van de voetbalscheidsrechter in voor.)
Dit ‘Belangrijk berigt voor denzulken, die door dolle honden mogten gebeten zijn of worden’ kwam van iemand uit Peize. In dat dorp, schrijft deze inzender,
“worden sedert onheugelijke tijden dranken voor menschen en dieren tegen de hondsdolheid bereid, en van heinde en ver, bij voorkomende gelegenheden, gehaald. Elke drank is nagenoeg eene gewone wijnflesch vol. Die dranken, (…) kan men bekomen bij ROELOF LUINGE Az., timmerman, en ook bij ROELOF SCHURING, leerlooijer en schoenmaker alhier. Overal waar men van deze dranken gebruik maakt, schijnen dezelve met een gewenscht gevolg te worden bekroond.”
Vervolgens haalt inzender de overlevering aan, hoe de familie Luinge/Schuring “voor overlangen tijd” aan haar recept tegen hondsdolheid kwam. Ze kreeg het van
“enen vreemdeling, die op zekeren avond te Lieveren, een gehucht onder de gemeente Roden, aan huis was gekomen, en aldaar nachtverblijf had verzocht. Uit dankbaarheid voor die herbergzaamheid had de vreemdeling bij zijn vertrek gemeld recept aan die familie afgegeven, om daarmede nut te doen, en dat onder belofte van geheimhouding van het recept zelf.”
In elk geval betoonden de afstammelingen zich “steeds bereid, om aan elk, die het verzoekt, een drank af te geven”. De schrijver voegde er nog “met zekerheid” aan toe,
“dat deze dranken ook meer dan eens met een gewenscht gevolg zijn toegediend aan menschen, die aan eene zekere soort van krankzinnigheid laboreerden”.
Op het idee om ruchtbaarheid te geven aan de Peizer doldranken kwam hij
“door het treurig berigt van het overlijden van een meisje te Utrecht ten gevolge van de beet van een dol hondje, in de hoop dat men des noodig van voormeld geneesmiddel zich moge bedienen met de beste gevolgen.”
De Drentsche Courant schreef er zelf nog een naschrift bij. Ook andere mensen dan de inzender gaven een goed getuigenis van het geneesmiddel. Daarom had de redactie het stuk niet in de prullebak willen gooien. Wel ried ze een ieder aan,
“die het ongeluk heeft door een dollen hond of een dol mensch gebeten te worden, zich zoo spoedig mogelijk naar den naastbijzijnden geneeskundige te begeven en de wond te laten uitbranden. Wellicht zou men bij deze uitwendige behandeling het geneesmiddel uit Peize met vrucht inwendig kunnen gebruiken.”
Getwijfeld werd er dus al wel, aan de doldranken van de Luinges. Vooral bij de opkomende veeartsenij. Zo staat er in 1872 een artikeltje in de Groninger Courant, dat er bij met hondsdolheid besmette schapen in Noorddijk doldranken van Peize waren gebruikt, wat zeer tegen de zin was van de opperveearts Billroth.
Prikkeldraad om onderduikershol
Geplaatst op: 8 november 2005 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenJeugdige vandalen houden dermate huis in het Onderduikershol op landgoed Berkenheuvel in Diever, dat er een concentratiekamp-achtige prikkeldraadversperring omheen komt, om de zaak te beschermen.
Het Onderduikershol, in de oorlog een van de vele in Drentse bossen, was indertijd het toevluchtsoord van het lokale verzet. Nadat een al weken bij de Sicherheitsdienst gevangen zittende verzetsman doorsloeg, omsingelden de Duitsers het hol op 22 november 1944. Uiteindelijk voerden ze elf mannen uit de schuilplek en de omgeving af, onder meer de drie gebroeders Eggink uit Dwingeloo. Slechts een van de elf, politieman Temmingh, overleefde de concentratiekampen.



Recente reacties