‘Portretten als door tooverij vervaardigd’
Geplaatst op: 7 juli 2005 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsenEr dook een ouwe bekende op.
“De Heer Kiek, Potografist”, schreef de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 9 mei 1861,
“heeft hier in een paar dagen tijds menige proef geleverd dat hij de kunst verstaat om fraaije, sprekend gelijke portretten te vervaardigen. Hij neme dit getuigenis mede naar andere plaatsen en als het hem tot voordeel is, zal het ook in menig huisgezin een sieraad brengen en er de herinnering aan afwezigen levend doen blijven.”
Bij dit redactionele getuigschrift gaat het om de man wiens naam in ons woord ‘kiekje’ vereeuwigd is. Deze Israël David Kiek (1811-1899) bewoog zich in het noorden niet op helemaal onbekend terrein, want hij zag het levenslicht in Groningen als zoon van een horlogemaker, en verdiende hier tot zijn 44-ste nog zijn brood als schrijnwerker-kistenmaker en loterij-agent.
Toen echter, was hij met zijn gezin verhuisd. Naar Leiden, de grotere academiestad, waar hij een sigarenzaak begon, maar zich weldra ontwikkelde tot full-time portretfotograaf met een eigen atelier en studio. Vooral studenten vormden zijn cliëntèle. Zij waren het die zijn portretten liefkozend ‘kiekjes’ gingen noemen, een term die nu dus algemeen-Nederlands is. Om die reden richtte Leiden een paar jaar terug zelfs een monument voor Kiek op.
Kennelijk reisde Israël David Kiek in slappere maanden ook wel het land af, en kwam hij op zulke reizen in Drenthe. Maar in dit oord van heide en struikgewas bleek hij evenmin een volstrekte pionier. Volgens het Drents Archief is de oudst bekende foto van Drenthe namelijk een portret uit 1858, en wel van Maria, de dochter van Jan Albert Willinge Gratama, toevallig de uitgever-redacteur van dezelfde Provinciale Drentsche en Asser Courant, die ik van de week door zit te lezen.
Uit de Groninger Courant weet ik dat de bewierroking van één vakgenoot de jaloerse reactie van een ander uit kon lokken. In dit geval maakte de publiciteit voor Kiek een fotograaf wakker, die al langer op losvaste basis in Assen bivakkeerde. En dat leidde twee nummers later niet alleen tot een advertentie van deze A.K. Ringler in de Drentsche en Asser Courant, maar ook opnieuw tot een stukje redactionele reclame, waarbij de redacteur nu Ringler prees en hem uitdaagde om zijn kunnen eens op bosgezichten te beproeven.
Juist deze tweede fotografische advertorial bevat een iets uitvoeriger beschouwing. Enerzijds laat die zien hoe populair de fotografie dan al is, anderzijds blijkt er uit dat de fotografen niet altijd de juiste chemicaliën of doseringen gebruikten, waardoor het uiteindelijke resultaat nogal eens tegenviel en er dus heel wat van zulke portretten moeten zijn weggegooid. De krant schreef:
“Sedert de daguerrotype in de wereld verscheen, is men met kracht begonnen het menschdom te portretteren en zelfs in de woningen van landlieden en handwerkslieden hangt de familie aan de muur. Wie zal het getal portretten begrooten, in de laatste 10 jaaren als door tooverij vervaardigd, maar wie zal ze tellen, die door de tijd ook weder werden geéclipseerd? Er zijn bovendien ontzettend veel lelijke daguerrotypen gemaakt, heel flauw- en zeer zwartkijkers, die bijkans niemand in zijne familie wilde erkennen. Maar in de kunst is het voorwaarts en zoo ging het ook. De portretten door enkele photographisten vervaardigd, zijn treffend door gelijkenis en uitmuntend door bewerking.”
Nog wat info over Kiek:
Wikipedia
Leiden

Recente reacties