Een briefje van Daisy Stork

img569

10-12-‘53

Lieve Bruid,

Zo graag had ik je vanmiddag even persoonlijk de hand gedrukt, maar de jaarvergadering van het bestuur der Volkshogeschool waarvan ik lid ben, maakt dat ik vanmiddag niet in Havelte kan ontbreken. Datum en agenda waren al weken tevoren in onderling overleg vastgesteld; mijn man moet in Wapserveen zijn. Mag ik je nu schriftelijk bij je vertrek uit onze gemeente van ganser harte het allerbeste wensen?
Moge het huwelijksleven je dàt geven, wat je je ervan voorstelt…
  Veel heil en weinig
  zorg of druk
  Veel zon en zegen,
  veel geluk!
Je zult zelf wel ervaren dat gedeelde vreugde inderdaad dubbele vreugde is, eigenlijk driedubbel, en dat de kleine en grote zorgen samen zoveel gemakkelijker worden gedragen dan wanneer je het ooit alleen zoudt moeten doen.
Ik hoop dat je je spoedig in je nieuwe woonplaats zult thuis voelen, het is overàl goed wonen, als je maar jezelf voor honderd procent begint te geven en aan te passen aan je nieuwe omgeving. Dan duurt het niet lang of die omgeving komt ook in vertrouwen naar jou toe.
Wil je de heer Perton ook namens ons gelukwensen? Heb een heerlijke dag en geniet van de wittebroodsweken in je eigen home.
Met de beste wensen, vooral ook voor je ouders, en een vriendelijke groet van

D. M. E. A. J. Stork-v.d. Kuyl

Dwingeloo
10-12-1953

Dit briefje van Daisy Stork (1912-2000), die het getuige het wat hanepoterige handschrift en de bijgevoegde correcties in haast schreef, zat tussen de paperassen van mijn moeder. Natuurlijk bevat het wat frasen, die de burgemeestersvrouw van Dwingeloo wel vaker zal hebben gebezigd bij het feliciteren van een bruid of bruidspaar. Maar afgezien van de conventies staan er toch ook wat zaken in, die wat meer persoonlijk waren.

Zo resoneert in de passage over het samen dragen van zorgen de periode dat Daisy Stork er alleen voor stond. Van 1942 tot 1944 verbleef haar man in een gijzelaarskamp en op onderduikadressen, terwijl zij het in haar eentje moest zien te redden.

De zinsnede over het zich overal thuis voelen is eveneens een persoonlijke – Daisy Stork was immers grotendeels opgegroeid in Nederlands-Indië, waar haar vader als officier steeds weer overgeplaatst werd, zodat zij in twaalf jaar tijd elf verschillende scholen bezocht. Zoals ze in haar memoires schreef: “Je ontwikkelt als vanzelfsprekend een groot aanpassingsvermogen”. Bovendien gaf ze, toen ze zich in maart 1937 in Dwingeloo vestigde, zichzèlf meteen helemaal aan haar nieuwe omgeving, die haar ook weldra volkomen vertrouwde. In haar briefje klinken, wil ik maar zeggen, haar eigen ervaringen door.

Mijn moeder had zeer veel respect voor haar en getuigde daarvan, telkens als er iets over de voormalige burgemeestersvrouw van Dwingeloo in de krant stond. Dat ontzag hing beslist samen met de academische status van mevrouw Stork. Mijn moeder was nu eenmaal gevoelig voor status. Maar in dit geval speelde dat een ondergeschikte rol. Want wat betreft Daisy Stork vloeide mijn moeders respect voornamelijk voort uit het sociaal-culturele werk van mevrouw Stork in de gemeente Dwingeloo en wijdere omgeving.

Voor mijn moeder was Daisy Stork in de eerste plaats de voorzitter van de ‘Nederlandse Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen’, afdeling Dwingeloo, waarvan haar moeder (mijn oma) ook lid was. Let wel: afgezien van de vrouwelijke leden ging het hier niet puur om een vrouwenvereniging, want in de doelstelling stond uitdrukkelijk dat deze club de plattelandsbelangen in het algemeen wilde bevorderen. De Dwingeler afdeling gold als een van de grootste en actiefste van Drenthe, terwijl Drentse vertegenwoordigsters als Daisy Stork een buitenproportionele rol speelden op het landelijk niveau.

Al in 1938 vaardigde de afdeling Dwingeloo de jonge, 25-jarige, nog geen jaar in de gemeente woonachtige burgemeestersvrouw af naar een algemene vergadering in Groningen. Die zomer volgde ze de weduwe van de huisarts op als afdelingsvoorzitter. Soms hield ze zelf lezingen, maar er is vanaf 1939 ook sprake van de organisatie van excursies en avondcursussen over koken, naaien, kinderverzorging en opvoeding. Uit die cursussen kwam het eerste landbouwhuishoudonderwijs (overdag, voor meisjes) voort. Ook hierin speelde Daisy Stork weer een rol.

PDAC 23 sept 1940

Dat een en ander in Dwingeloo aansloeg, blijkt uit het ledental van de plaatselijke Boerinnenbond. Dit groeide in enkele jaren van 112 (in 1938) tot 145 (in 1940). In de oorlog zou dat allemaal tijdelijk ophouden. Burgemeester Stork werd eind 1941 ontslagen, wat ook betekende dat zijn vrouw haar functies neerlegde, waarna, zoals mijn moeder menigmaal memoreerde, de Dwingeler afdeling van de Boerinnenbond besloot om zichzelf op te heffen.

Na de oorlog werd ze heropgericht, met uiteraard weer als voorzitter de burgemeestersvrouw, die zich natuurlijk net als voorheen weer ontplooide als ijverige organisator. In 1952 promoveerde Daisy Stork bovendien op een studie over de Drentse boerin, die deels gebaseerd was op haar participerende observaties, incognito als dienstbode in een Oosterhesseler landbouwersgezin. In 1953 kwam ze opnieuw in het nieuws door de schilders uit de Randstad die zij en haar man naar Dwingeloo haalden, een actie waaraan mijn ouders als huwelijksgeschenk een schilderij overhielden.

In Dwingeloo belichaamden Daisy Stork en haar man als het ware de modernisering die vanaf de jaren dertig over het dorp kwam en die aanvankelijk soms maar schoorvoetend werd omarmd. Net als mijn grootouders waren ze import in het dorp, maar beide gezinnen hadden ook nog iets anders gemeenschappelijk, namelijk het gebruik van een elektrisch fornuis bij het koken. In haar memoires noemt Daisy Stork meermalen dit toestel, dat mijn grootvader als electriciën mogelijk ook wel eens naar Nijengaarde, haar huis op ’t Westeeinde van Dwingeloo, heeft gebracht. Ze leerde er zelfs op wecken en inmaken, waartoe de uitgebreide moestuin bij Nijengaarde het fruit en de groente leverde. Zo’n kooktoestel sprak allerminst vanzelf, want in de meeste Dwingeler huishoudens maakte men gebruik van petroleumstellen of kookkachels op turf. kolen of butagas, terwijl er in 1945 zelfs nog enkele boerderijen waren waar men kookte boven open vuur, in een ketel aan een haal.

Hoezeer de modernisering vat kreeg op Dwingeloo, blijkt in 1953 juist uit een bezwaar tegen de plaatsing van de roemruchte radiotelescoop. Volgens Daisy Stork was een deel van de bevolking daar mordicus tegen gekant, omdat men bang was dat het gebruik van elektrische apparaten zoals radio’s en melkmachines verboden zou worden. Uiteindelijk moest de sterrenkundige Oort eraan te pas komen, om in een hoorzitting o.a. dit bezwaar te ontzenuwen.

Presentatie van een portret door een schilder uit het westen des lands. Rechts Daisy Stork en haar man. Nieuwsblad van het Noorden 19 juni 1952.

Presentatie van een portret door een schilder uit het westen. Rechts Daisy Stork en haar man. Nieuwsblad van het Noorden 19 juni 1952.

Bronnen: 151 krantenberichten op de zoektermen Stork + Dwingeloo in Delpher en de memoires van Daisy Stork van der Kuyl: Tachtig levensjaren in twee wereldddelen (Groningen 1997).

Extraatje:

Interview met Daisy Stork, NvhN 6 november 1989.


Plaggenhutten, spitketen en hun bewoners

Beelden uit het Bioscoopjournaal van 1 februari 1926, toen langzamerhand tot de rest van Nederland doordrong welke gevolgen de crisis in de turfgraverij had voor de bewoners van de veengebieden in Zuidoost-Drenthe. Dergelijke beelden zouden destijds trouwens net zo goed gemaakt kunnen worden in sommige Friese heidedorpen of in het Westerkwartier en Westerwolde:

Als zo’n kolonie met armoedige onderkomens ook nog op het veen gebouwd was, liep deze groot gevaar bij een veenbrand. Ook hiervan toonde het Bioscoopjournaal beelden, maar dan twee jaar later. Let in het bijzonder eens op de blusmethode:


Relatief een Eldorado, anno 1944

Bij de allereerste bijeenkomst van de Historische Vereniging Havelte, voorjaar 1990, hield een voormalige verzetsman een lezing, waarbij hij de opmerking maakte dat de gemengd gehuwde joden, die in de oorlog als dwangarbeiders aan het Duitse vliegveld te Havelte moesten werken, alleen in Nijeveen en Meppel op de koffie werden uitgenodigd. Met andere woorden: in Havelte waren ze niet welkom – omdat de bewoners van dat dorp te bang waren, of misschien zelfs te meegaand met de bezetter.

Een paar weken na die bijeenkomst, namelijk op 4 mei 1990, werd op de TV een documentaire uitgezonden: Westerbork, kamp van hoop en wanhoop. Mijn vader herkende een van de getuigen die in dat programma optraden. Deze man liep op een zomerdag in ’44 min of meer verdwaasd de Havelter Dorpsstraat op en neer en was ter kalmering door mijn grootvader in huis gehaald, waar hij ook de hele middag bleef. Blijkbaar gold dat verhaal van de verzetsman toch niet iedere Havelter. Mijn vader wist er ook nog bij te vertellen dat die getuige schoenhandelaar geweest was in de Groninger Herestraat.

Naderhand las ik het boek dat Willy Lindwer naar aanleiding van genoemde documentaire maakte. De man op wie mijn vader doelde was de ooit zeer bekende violist Benny Behr, die inderdaad in 1944 enige maanden in kamp Havelte verbleef, alvorens hij naar Westerbork gestuurd werd.

Een poos later had ik een gesprek met Bennie Behr, die toen 81 was. Uiteraard vroeg ik hem hoe de omstandigheden in kamp Havelte waren, hoe het gesteld was met de gastvrijheid van de Havelters in het algemeen en of hij zich dat oponthoud in de Dorpsstraat nog kon herinneren.

Hij deed me het volgende verhaal:

“Ik speelde in de G.O.V., de Groninger Orkest Vereniging, maar ben in 1937 naar Amsterdam verhuisd, omdat je in het westen als muzikant veel meer en betere engagementen kon krijgen. Vlak na de bezetting, in juni 1940, ben ik teruggegaan, want ik zag in Amsterdam de bui al hangen. In Groningen kwam ik in de Folkingestraat te wonen, dus midden in de jodenbuurt. In ’42 hebben ze daar iedereen weggehaald, ook mijn familie. Ik heb ze weg zien gaan, dat vergeet je niet.

Gemengd gehuwde joden, dat waren hoofdzakelijk mannen, maar de Duitsers maakten daar onderscheid in. Er waren twee groepen: die zonder en die met kinderen. Die zonder kinderen werden net als de anderen weggehaald. Als je wel kinderen had, werd je gesperrt en kreeg je een persoonsbewijs met een nummer boven de 100.000.

Er waren maar weinig gemengd gehuwden met kinderen in Groningen en onderling was er niet veel contact. Wij waren zogenaamd vrij. We moesten alleen op straat wel een ster dragen en mochten ook niet veel doen. Maar de kinderen zaten wel op school.

Doordat ik niet veel te doen had, kwam ik ook niet veel op straat. Tot midden april ’43 heb ik nog wel in Hotel Baulig in de Herestraat gespeeld, in de hotelbar, die heette ’t Luifeltje. Dat hotel was gevorderd door de bezetter, er woonden daar Duitse officieren. De baas van Baulig, Frans van Rossum, was voor de oorlog zo fout als wat, maar in de oorlog volstrekt anti-Duits. Hij had mij aangenomen; ik speelde er in een trio samen met Pippi Hart op viool en Henk Klompenhouwer op gitaar. Als we speelden zaten er in die bar altijd Duitse officieren, maar ook corpsstudenten. Er heerste daar altijd een gespannen sfeer.

Op een avond komt er een NSB-er binnen, Wagenaar, die was wel drie koppen groter dan ik en zegt tegen me: “En nu is het wel genoeg geweest hè”. Ik vroeg nogal onnozel: “Hoe bedoel je?” Hij: “Nou, je hebt dat bordje toch wel gelezen? Ik geef je vijf minuten”. De Duitsers keken toe en bemoeiden zich er niet mee. Ik ging naar boven en deed Van Rossum het verhaal. Van Rossum probeerde me nog tegen te houden: “Bennie, speel door.” Maar ik had daar weinig zin in en pakte mijn koffer. Toen ik naar buiten kwam stond er een hele haag van NSB-ers. Op dezelfde avond zijn ook Erwin Sander en Claire Hegedüs, twee Hongaarse violisten die in Hotel Willems speelden, eruit geknikkerd.

Later heb ik nog illegaal ’s avonds in de kroeg van de studentensociëteit Mutua Fides aan de Grote Markt gespeeld. Dat is toen verraden, want er waren ook foute studenten. Om één uur ’s nachts stond er toen een aantal NSB-ers voor de deur, maar die kwamen niet binnen. Er was een corpswet dat burgers er niet in kwamen en als ze d’r inkwamen dan sloegen ze die er uit. Ik kreeg toen van iemand een waarschuwing: “Bennie, je moet voorlopig hier blijven.” Even later kwam er een grote jongen naar me toe: “Ben je bang?” Ik: “Nee, maar ik wil niet opgepakt worden”. Die jongen heeft toen een groepje bij elkaar geroepen. Ze zeiden: “Laat je viool maar hier en kom maar tussen ons in mee naar buiten”. Bij de deur werd er door die NSB-ers gevraagd: “Studeer je?” Het antwoord was uiteraard ja en ik ben zo tussen die jongens in over de Grote Markt thuisgekomen.

Je was een parasiet als jood zijnde, een paria, een uitgestotene. Wat ik je nou ga vertellen, daar heb ik nachten niet van geslapen, daar heb ik een een trauma van opgelopen. Een collega van me zei: “Je moet je aangeven bij het Arbeidsbureau, dan keuren ze je en krijg je dertien gulden steun. Anders word je tewerkgesteld”. Goed, ik doe dat en op een middag moet ik in een school in de Peperstraat komen. Daar zitten allemaal gewone werklozen, geen joden, en er wordt gekeurd aan de lopende band. De dokter daar, een fouterik, laat me expres tot het einde wachten; na een paar uur ben ik als allerlaatste aan de beurt. Die dokter zegt: “Alles uit”. En toen ik daar spiernaakt stond riep hij zijn ‘assistentes’ binnen. Moet je je voorstellen: twee jonge meiden die naar je kijken en maar giechelen.

Ook van bet Arbeidsbureau, in opdracht van de SD, kwam het briefje dat ik op 15 maart 1944 in Meppel verwacht werd voor een keuring. Dat briefje kwam een week van te voren. Als ik goedgekeurd werd zou ik naar Havelte gaan om op het vliegveld te werken. Nee, er stond niet bij dat ik gedwongen was om er heen te gaan; er was geen stok achter de deur. Maar het werd wel zwaar opgevat. Mijn vriend en collega Sem Nijveen kreeg ook een oproep voor Havelte, maar die is ondergedoken. En ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: “Daar ga je, Jan”.

We kregen een Reisegenehmigung, zeg maar een reisvergunning, en een gratis spoorkaartje. Onderweg werden we niet begeleid, nee. Ik had een rugzak mee met werkschoenen, een hele mooie witte overall en wat ondergoed en verder lepel, mes en vork. In Meppel zijn we dus met een hele hoop anderen, die overal vandaan kwamen, gekeurd door een dokter. Die keuring bleek een wassen neus: even naar je longen luisteren en dan was het goed.

Daarna zijn we naar Havelte vervoerd. De eerste nacht waren er geen bedden of niets en werd er stro gebracht; daar hebben we nog een paar nachten op geslapen. Later werd het beter en kwamen er bedden en matrassen.

In dat kamp zaten inderdaad gemengd gehuwde joden, maar ook bekeerde. Protestantse en katholieke, ze kwamen uit het hele land. Zo herinner ik me een dominee uit Utrecht, een man die wat ouwer was dan ik, hij zal een jaar of vijftig geweest zijn. Er was ook een groepje katholieke Duitse joden. Die wilden niet veel met ons te maken hebben en hielden zich wat afgezonderd.

Hoeveel mensen er in totaal gezeten hebben weet ik niet, want de vriend van mijn schoonzus zat er ook en die heb ik nooit gezien en hij mij niet. We lagen dus ver van elkaar. Laat bet in totaal vier à vijfhonderd man geweest zijn. Er was ook een afdeling in de Kop van Noord Holland, in dat andere kamp zaten er ook zoveel.

We moesten aan het vliegveld werken en ook aan een haven in Steenwijk. Ik meen vijf dagen in de week, dat in verband met de leiding die de weekenden vrij moest hebben. Er werden geen appels gehouden, nee. Wel werd er aangetreden in groepjes, voordat men naar het vliegveld ging. Maar er werden geen namen afgeroepen.

Op het vliegveld kwam het wel voor dat de bielzen de ene dag veertig meter verderop neergelegd moesten worden, waarna ze de volgende dag weer dan weer ergens anders heen moesten. Dat deden ze om je aan het werk te houden.

Die vriend van mijn schoonzus verzuchtte later soms: “Wat wij daar in Havelte gesappeld hebben…” Er zullen er inderdaad bij zijn geweest die hard gewerkt hebben. Vooral dat werk op die boten in Steenwijk, dat verslepen van die stenen, moet heel zwaar zijn geweest. Aan de andere kant werkte ook Benedict Silberman op die boten. Een teer mannetje met tere handen, waarvan ik me niet kan voorstellen dat die hard met die stenen gesjouwd heeft.

Nee, dwangarbeid in de strikte zin van het woord: daar heb ik niets van gemerkt. We moesten natuurlijk wel steeds werken. Als je lanterfantte en daarbij gesnapt werd moest je nog barder werken. Maar er werd pertinent niet geslagen, anders had ik dat wel geweten. Maar het was natuurlijk wel gedwongen arbeid.

Nou moet ik zeggen dat ik wat dit betreft ook niet de beste getuige ben. Ik heb zelf maar een paar dagen met bielsen hoeven lopen sjouwen. Twee jongens gingen voorop, ik liep in het midden en droeg bijna niks.

Na die paar dagen kreeg ik de kans om kamerwacht te worden. Op het kamp had je barakken, die waren gesplitst in kamertjes voor acht man en die veegde ik dan aan. Wat ik deed was meer een grapje, het was vrij gemakkelijk werk. Ik was als kamerwacht in het kamp bovendien zo vrij als een vogeltje in de lucht.

De organisatie en bet beheer van het kamp waren formeel in handen van de Organisation Todt, maar Duitsers heb ik er nauwelijks gezien. Misschien hielden twee of drie Duisters toezicht op het vliegveld, maar er waren veel meer Nederlanders: collaborateurs en bunkerbouwers die profiteerden van de goedkope arbeidskrachten. Het kamp stond zogenaamd onder leiding van een joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was voor ons tegenover de Duitsers.

 Op een keer kwam er een man of vier, vijf van Todt een uurtje langs om het kamp te inspecteren. Ze waren al in de haven wezen kijken en ook op het vliegveld. Ik was alleen met nog een kamerwacht achtergebleven, de rest werkte buiten. Als die Todt-mannen bij de ingang van een bepaalde barak stonden, dan stond ik aan de andere kant, zodat ze mij niet zouden zien. Anders zouden ze gezegd hebben: wat doet zo’n jongen hier, zet hem maar aan het echte werk. Ik heb me dus gedrukt.

Hoe de stemming in bet kamp was? Over het geheel vrij goed, maar verdeeld. Dat hing een beetje van je karakter af. De een was optimistisch en de ander zat bij de pakken neer. Een kennis van me, een fagottist, ook in het gewone leven al somber, was daar helemaal een treurwilg. Ik zelf moet toen vrolijker geweest zijn dan nu. Een neef van me was ook kamerwacht en we zongen de hele dag.

We hebben in Havelte ook geen honger geleden. Het voedsel was er niet slecht, dat ging ging wel, in aanmerking genomen dat bet voorjaar 1944 was. Maar ik moet zeggen dat ik een hele kleine eter ben, ik gaf van mijn pelkartoffeln ook nog twee weg. Wat ik me verder aan bijzonderbeden herinner? Met die neef heb ik, hoofdzakelijk op zondagen, thee rondgebracht, voor een dubbeltje per kop. Anders kon je er geen thee voor weer kopen, want die thee was ook nog zwart. Mijn neef haalde die via via uit Groningen. Het werd grif afgenomen hoor.

Als je ’s avonds door de barak liep zag je de meesten een kaartje leggen. Die zaten dan te klaverjassen of te een-en-twintigen. Sommige anderen schreven brieven.

Zelf heb ik in Havelte, net als later in Westerbork, viool gespeeld. In een  strijkkwartet, dat onder leiding stond van Benedict Silberman. Die heb ik daar in Havelte leren kennen, dat was een hele beroemde dirigent, die voor de oorlog
Bravoure en Charme leidde – een orkest dat veel voor de VARA deed – en die na de oorlog directeur van het Promenade-orkest was. Zijn broer Rudie speelde net als ik viool in dat kwartet. Die viool was door mijn vrouw meegenomen uit Groningen. De andere leden waren Joop Cantor op cello en Leo Blom op altviool. De laatste heeft net als Silberman met stenen moeten sjouwen bij die haven.

Silberman maakte ook onze arrangementen, voor die tijd hele goeie, van bestaande nummers, met name operamelodieën. Hij maakte van klassieke als het ware lichte muziek, voor ieder misschien begrijpelijk, maar heel erg moeilijk om te spelen. Silberman ging niets uit de weg. Dat loog er niet om, daar moest je fiks aan werken, dat was wel even de mouwen opstropen.

Nee, we hebben nooit buiten het kamp gespeeld. We speelden zoals op samenkomsten in een particulier huis. Als we repeteerden kwamen kampgenoten luisteren. Geweldig dat we dat konden doen ’s avonds. Niemand had daar wat op tegen, daar is nooit iets van gezegd.

De afspraak was dat we redelijk vrij konden rondlopen. We liepen ook zonder ster. Genoeg jongens maakten op zaterdag een wandelingetje naar het dorp, om een pakje sigaretten of een rolletje drop te halen. Verder had je een paar honderd meter van het kamp een soort muziektempeltje (Theehuis Faken, HP), waar je limonade en versnaperingen kon kopen. Daar is toen een bom opgevallen (13/5/1944 HP). Die sloeg een hele diepe krater van wel tien meter omvang.

Met de Havelters hadden we gewoon contact. Ik weet nog dat ik wel bij een boer De Jong kwam, hij woonde niet zo ver van bet vliegveld, aan een landweg. Ook een paar anderen kwamen daar wel over de vloer. De Jong en zijn vrouw, dat waren schatten van mensen, die hadden maling aan de Duitsers. Ze gaven ons koffie en boterhammen. Mijn vrouw is er ook een paar keer op bezoek geweest, ’s zondags. Normaliter stuurde ik elke week de boel op en kreeg het dan gewassen terug, maar die keren kwam ze langs. Ze heeft op haar manier een keer meegeholpen met het hooien op die boerderij, laten we zeggen dat ze een vorkje beeft meegeprikt. Ik zelf zal er een keer of vier geweest zijn.

Ik kwam dus wel bij mensen in Havelte op bezoek. Maar misschien hebben andere mensen andere ondervindingen gehad.

Die bezoeker bij je grootvader thuis, dat was ik niet. Dat was een neef van mij: Simon de Beer. Die had inderdaad een schoenenzaak aan het begin van de Herestraat.

Wij wisten alles. Nieuws van de buitenwereld, dat kwam allemaal heel snel door. Met de Invasie, op 6 juni, dachten we: “Nou is het in een paar dagen gebeurd.” Als ik dat vergelijk met later in Westerbork: daar hoorden we niet veel van de buitenwereld. Dat was gesloten. Wat je daar hoorde waren geruchten, verhaaltjes, praatjes.

Het vliegveld werd overdag wel eens aangevallen door gevechtsvliegtuigen, maar het kamp zelf alleen bij donker. Ze schoten dan met hun boordmitrailleurs: rekttektektektek. .. dat was een heel angstig gehoor. Als onze barakken onder vuur lagen vluchten we eruit en doken we in sloten en greppels om dekking te zoeken.

Na zo’n beschieting sta ik weer op en zie een man naast me zo achterover vallen. Dat was een dokter uit Tilburg, hij had een kogel door het hoofd gekregen en was op slag dood. Ik was helemaal in paniek (23/4/1944 HP).

Wat voor effect die aanvallen op onze stemming hadden? Och, als we juichend hoera hadden kunnen roepen, dan hadden we het gedaan. Prachtig vonden we dat, schitterend, ondanks het gevaar. Het kon ons niet hard genoeg gaan. Logisch, we dachten aan de bevrijding.

Op een keer moest ik de kamer schoonmaken van de joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was onder de Duitse leiding – zijn naam weet ik niet meer. Ik heb toen daar wat laatjes opengetrokken en in een daarvan vond ik Reisegenehmigungen. Daar heb ik toen een bosje van gepikt en ik heb daar krabbels onder gezet. Zo kon een behoorlijk aantal van ons elk weekend naar de familie.

Ik zal het nooit vergeten. Op vrijdag 27 juli was ik op die manier met de bus naar Groningen gegaan en op zaterdagavond werd ik opgehaald, thuis in de Folkingstraat. Er was een avondklok, voor achten moest je binnen wezen, en mijn vrouw was nog even boodschappen gaan doen. Mijn dochter wilde nog even op straat spelen en liet de voordeur openstaan. Ik wist niet dat er buiten een overvalwagen stond. Opeens kwamen er een stuk of vijf SD-ers naar boven met een Grüne Polizei. Die grüne zei: “Ah, wieder eine“. En toen was ik de pineut. De buren vertelden mijn vrouw even later: “Uw man is weggehaald”.

Het kwam zo. Eén van de jongens vond toen hij vrijdags thuiskwam zijn vrouw met de groenteboer in bed. Die groenteboer was NSB-er en heeft hem verraden, gezegd dat die jongen gevlucht was uit Havelte. Ze hebben hem toen in de namiddag opgepakt en hij is doorgeslagen: op Sirnon Berkelo, dat was een sorteerder in een lompenpakhuis; op Daantje Guikema, die een fruitstal had op de markt; op Mo Kisch, op mij en op nog een paar anderen. Eén kreeg er op tijd lucht van, en is diezelfde avond nog op de fiets naar Havelte gegaan. Die konden ze niet vinden en de kampcommandant had nergens wat van gemerkt.

Toen ze boven kwamen droeg ik een jasje zonder ster, maar dat mocht, want ik zat binnen. Ik moest toen naar de achterkamer om een ander jasje aan te trekken. Ik heb me daar helemaal blindgestaard en in de zenuwen nog die Genehmigungen overgepakt naar het jasje met de ster.

Toen ik in de overvalwagen kwam, zaten er al drie man in. Met in totaal vijf anderen ben ik toen naar het Scholtenshuis gebracht, het hoofdkwartier van de SD aan de Grote Markt. Daar zwaaide de beruchte Lehnhof de scepter – die eens gezegd heeft pas gelukkig te zijn als hij uitzicht had op een rivier van jodenbloed. Op de zolder van het Scholtenshuis heb ik die Genehmigungen versnipperd en in de pot gegooid. We hebben daar de hele zondag doorgebracht. Er lagen ook twee marechaussees. Ik hoorde ze zeggen dat als er vliegtuigen zouden komen bombarderen, dat wij dan doodgeschoten zouden worden.

’s Maandags werden we overgeplaatst naar het politiebureau aan het Martinikerkbof en de woensdag daarop gingen we alle vijf naar Westerbork. We werden geboeid en wel door gewone agenten naar de trein gebracht. Die zeiden op het station: “Jongens we willen jullie wellos laten, maar spring asjeblieft niet uit de trein want dan zijn wij verantwoordelijk”.

Op 1 augustus werden we om elf uur ’s morgens door een Unterfeldwebel in een truck vanaf Assen naar Westerbork gebracht. Wat daar gebeurd is, heb je in dat boek van Lindwer kunnen lezen. Ik kwam daar in de strafbarak terecht en op een gegeven moment was er die rechtzitting met Aus der Fünten, waarop ik moest komen vertellen waarom ik uit dat kamp in Havelte naar Groningen was gegaan. Een Groninger inspecteur van politie die speciaal voor mijn geval was gekomen, fluisterde me in dat ik moest zeggen: “lch hatte so eine tiefe Sehnsucht nach meine Frau und Kinder” (ik had zo’n verlangen naar mijn vrouw en kinderen). Dat zei ik ook, en zo werd ik bis auf weiteres vrijgesteld van transport naar Polen.

Later hoorde ik dat met Dolle Dinsdag iedereen die in kamp Havelte zat naar huis mocht gaan, naar de familie. Verscheidene zijn er toen ondergedoken. Die dat in Groningen niet deden werden een maand later, in oktober 1944 weer gearresteerd en naar Westerbork gebracht.

Net als de vijf anderen die op die avond werden opgepakt heb ik in Westerbork de bevrijding meegemaakt.

Ik moet dus zeggen: het was daar in Havelte niet vreselijk. Helemaal niet toen je na de oorlog de verhalen uit het oosten hoorde. Havelte, nadat je alles te weten was gekomen, als je het vergelijkt met dat daar, dan was Havelte een Eldorado. Nee, een concentratiekamp was het niet.”

Tot zover het relaas van Bennie Behr, een van de laatste mannen die uit eigen ervaring kon vertellen over kamp Havelte. We mogen uit dat verbaal opmaken dat de omstandigheden voor de dwangarbeiders aan bet Duitse vliegveld relatief gunstig waren, dat hun bewegingsvrijheid relatief groot was en dat er wel degelijk contacten bestonden met Havelter ingezetenen. Wat dat laatste betreft had die verzetsman het bij bet verkeerde eind.

Harry Perton

Dit interview is eerder in een iets andere vorm verschenen in Onsen Spieker, het blad van de Historische Vereniging Havelte, jaargang 1993 nummer 1.

Samenvatting in het NvhN.


‘Had je dat wel gedacht van zo’n vrouw?‘

Onze oude buurvrouw, over wie ik hier al eens schreef, had eind jaren vijftig, begin jaren zestig achter elkaar enkele verloofdes. Een van hen stuurde, nadat in zijn geval de verkering met haar uitging, brieven naar de oude buren, niet alleen mijn ouders, maar ook de buren van de andere kant. Hierin meldde hij het verlies van vele goederen. Hoewel de brieven in het Nederlands gesteld waren, is de Groningse achtergrond van schrijver onmiskenbaar:

 

Tolbert 19 Aug. ‘60

 

Geachte vrienden!

 

Ik dacht jullie ook maar eens te schrijven. Ik heb A. Willems ook een geschreven en kan het ook wel wachten. Ik heb hier ook wel afleiding, ik heb de tuin wat opgeknapt van mijn zwager, die zit de laatste tijd ook altijd onder doktershanden, hartkwaal en aan de rug (bonen plukken en planten verpoot enz.).

Ik heb een paar neefs hier, zoons van H. Pol geholpen met graskuilen en nu moet ik hun moeder ook de tuin opknappen en ga ook nog wel eens bij de een en ander op bezoek.

Het gaat met mij nog wel hier goed en ik hoop dat het jullie en de kinderen ook nog goed moge gaan.

Ik heb vanmorgen nog een aangetekende brief uit Havelte gehad en wel een van smid Faber om de haardkachel binnen 4 dagen te betalen, staat op mijn naam te boek bij Faber.

Aal heeft mij opgedragen om de kachel te bestellen en zij is zelf mee naar Meppel geweest en heeft de kachel ook uitgezocht. Zij is zelf ook mee naar smid Faber geweest om de prijscouranten in te zien. Ik wou anders eerst mijn eigen kachel daar geprobeerd hebben, dat zullen jullie ook wel weten, maar als het er op aankomt zal ik hem eerst wel moeten betalen dunkt mij, en dan zal ik het later wel op haar verhalen moeten. Maar zal ook wel moeilijk worden, als zij beweert dat ze de kachel ook van mij gekregen heeft, net als met de vloerbedekking. Ik heb de zaak bij de deurwaarder aanhangig gemaakt, maar die had niet veel hoop, als zij beweert dat zij van mij gekregen heeft en een vrouw heeft een sterke arm als zij beweert het gekregen heeft voor bewezen diensten. U begrijpt het wel, want zij heeft dubbel vel voor haar hoofd. De rekening van Jan Weening zal ook nog wel bij mij komen.

Nu ik mist nu nog heel wat goederen, o.a. 2 zilveren lepeltjes, 1 theelepeltje (ik heb ook 2 verkeerde lepels, 2 verkeerde vorken en 2 theelepels gekregen), eetlepelbakje met lepels en vorken, 2 karaffen en bitterfles, 2 grote kommen, 1 diep plat groot bord, 2 etensborden, 10 broodbordjes, koekschaal, puddingvorm, asbakje (Drachenfels, stond vaak op de kleine tafel), bloemen en potten met omhulsels, 1 loper, 1 veger met lange stok, kopstubber met lange stok, soep- en vetlepels, koffiekan met daags theegoed, tuinhandklauwtje, electrische strijkijzer, theetrommel, eenige vazen, sokken, verbandmiddelen, wasblik, uit mijn lade gehaald een blok schrijfpapier, couverten, brief- en anzichtkaarten en postzegels, vitrage, bretels, 2 badhanddoeken, suikerpot, klontjepot en zoutvaatje, warmwaterkruik, eenige kapstokken, 3 kussenslopen en de gouden verlovingsring die door mij zijn betaald, allebei en er zullen nog wel meer goederen zijn, want nu en dan schiet je weer iets te binnen.

Had je dat wel gedacht van zo’n vrouw die beweert de ze goed gesitueerd is? Als zij het uit armoede deed, was het nog daar aan toe en dan was het nog niet eerbaar, maar het is bij haar zoo: als ik het maar heb en hoe ze eraan komt is maar bijzaak. En ze kon wel riaal doen, Piet die betaalde wel.

Ik heb nog geen woning, ben al doende geweest in Roden, maar niet aangegaan: te hoge prijs. Ik heb nog aanbiedingen. Mocht jullie eens wat nieuws van Aal weten, dan had ik gaarne bericht. Ik eindig nu maar en de hartelijke groeten

van je oud buurman P.Pol

adres Dr. Mansholtweg 4 Tolbert

 

Deze Pieter Pol werd in 1898 geboren te Doezum, als zoon van een “karreman”. Vlak voor de oorlog was hij landbouwer in Boerakker en commissaris van een nieuwe landbouwcoöperatie voor het zuidelijk Westerkwartier. Destijds handelde hij ook in Duitse fokzeugen, afkomstig uit Twente. Na de oorlog woonachtig in Tolbert, moest hij voorkomen voor een tribunaal, maar van een veroordeling is me niets bekend. Wel vond ik nog dat hij knap oud is geworden, ruim honderd jaar, want pas in 1998 overleed hij in een bejaardenhuis te Leek. Sindsdien ligt hij begraven in Tolbert.


High Noon in Emmen

“In 1926 ontstonden moeilijkheden van grote omvang met de veenarbeiders. Van burgemeester Kootstra werd verteld dat hij toen niet veel anders deed dan zenuwachtig door het dorp fietsen, de hand in de zak waarin een Mauser pistool verborgen zat.

Het was een warme, griezelige dag die ik mij nauwkeurig herinner. Wandelende bij het station zag ik daar de procureur-generaal uit Leeuwarden met andere dignitarissen uit de trein stappen. Gevolgd door een paar honderd man militaire politie en vrijwillige landstorm, die direct begonnen machinegeweren en munitie uit te laden.

Intussen waren enkele duizenden trekkende veenarbeiders met hun vrouwen in Emmen gearriveerd. Uiteindelijk bleken twaalf marechaussees op de fiets, onder leiding van opperwachtmeester Stop, voldoende om de gehele menigte tot omkeren te bewegen. Er vielen weinig klappen, laat staan een schot, en alles liep met een sisser af. Maar het leek wel dreigend.”

Harm van Riel in De Noordooster van 29 juli 1972.


Op de fiets bij de vaart, na de TT

Mijn vader is eind jaren veertig wel een keer of vier fietsend gekiekt en bovendien minstens zo vaak staande naast zijn fiets. Vermoedelijk kocht hij ’t rijwiel – een Fongers? – van zijn eerst verdiende centen. Meestal is de omgeving op zulke portretjes vrij non-descript; de interessantste van die fietsfoto’s is deze:

img535 nog x

Hij rijdt richting fotograaf op een pad en achter hem komen er nog veel meer mensen deze kant op. Blijkbaar is er iets te doen geweest. Er zit een bloem, zo te zien een anjer, op zijn ene revèr, Links ligt een olievat in de berm, binnen de omheining staan een ouwerwetse benzinepomp en een reclamepaal van Esso en aan de andere kant van de opgang zie je een bord met de aanduiding: “Bushalte D.A.B.O.” (Drentse Auto Bus Onderneming).

Het moest Havelte zijn, maar in eerste instantie kon ik de omgeving niet thuisbrengen. De Beeldbank van het Drents Archief bracht echter uitkomst. Die bevat een foto die vanaf bijna dezelfde plek en in grotendeels dezelfde richting genomen is, en verklaart daarbij dat het hier gaat om de “ESSO benzine pomp van de familie Faken aan de Rijksweg Nz. 4 te Havelte”.

Later zat hier, bij de Drentse Hoofdvaart, het garagebedrijf van Bart de Groot, totdat die populaire BOVAG-vakman rond 1970 leraar werd aan de LTS. Achter het bushaltebordje zien we dan het brugwachtershuisje bij de Havelterbrug. En achter mijn vaders andere schouder en al dat volk in aantocht zien we de voorgevel van het café Kassies dat schuin tegenover de Havelterbrug pal op de rijksweg stond:

Café Kassies bij de Havelterbrug

Dat café dateerde van ongeveer 1850 en gold sindsdien als

“een belangrijke pleisterplaats voor de boeren in Drente (…), die het op hun weg naar de markten te Meppel of te Assen bij voorkeur aandeden, eerst in de tijd van de trekschuit en later, toen de tram de voornaamste verbinding tussen deze beide grote Drentse plaatsen was geworden.”

Met de ontwikkeling van het autoverkeer werd het café hier echter een gevaarlijk object. Tussen het brugwachtershuisje en het café kwam namelijk de Dorpsstraat op de Rijksweg uit, menigeen moest hier oversteken naar Ruinerwold en er zijn hier enkele zware ongelukken gebeurd, doordat je vanuit de Dorpsstraat naar links nauwelijks zicht had op de Rijksweg. Vandaar dat Rijkswaterstaat café Kassies begin 1954 opkocht en liet slopen.

Maar waarom was hier op de foto van mijn pa zoveel volk bij de weg? De plek stond toch niet bekend om zijn publieke festiviteiten. Welnu, ik denk dat de anjer op het jasje van mijn vader duidt op de verjaardag van prins Bernhard, eind juni. De Prins landde in de zomer van 1949 ook eens met zijn vliegtuig in Havelte, maar dat zal aan de andere kant van het dorp geweest zijn, want hier op de oostkant was het land daarvoor te drassig, terwijl op de westkant nog het voormalige Duitse vliegveld lag. Verder was er bij de Rijksweg en Hoofdvaart maar één gebeurtenis die telkenjare veel volk trok, en dat was de doortocht van alle motorrijders na afloop van de TT in Assen, ook steeds aan het begin van de zomer. Waarschijnlijk heeft mijn vader, net als al die mensen achter hem bij café Kassies, dus naar die motorrijders staan kijken, juist op de verjaardag van de prins.

Nu vierde men die verjaardag op 29 juni, behalve als dat een zondag was, want dan werd het zaterdag 28 juni. Kijken we nu naar de data waarop in de periode 1947-1953 de TT gehouden werd, dan is dat geen enkele keer op 29 juni en alleen in 1947 en 1952 op 28 juni geweest. De foto van mijn vader moet dus in een van deze beide jaren gemaakt zijn. Vergelijking met gedateerde foto’s van hem uit 1948 en 1951 leert dan, dat hij er in die jaren wel iets ouder uitzag. Ergo: de foto dateert van 1947, toen hij twintig jaar oud was.


Hoe mijn grootvader zijn motor voor de moffen verstopte

img402a blog

Mijn grootvader Harm Perton op zijn motor, met mijn vader achterop en diens jongere broer Geert voorop, ca. 1940. Gezien de moestuin en het roggeveld op de achtergrond is de foto gemaakt aan de Dorpsstraat in Havelte, waar ze in het najaar van 1939 vanuit Uffelte naar toe waren verhuisd omdat mijn opa er een nieuwe “ambtenaarswoning” kon huren voor ƒ 270,- per jaar. Achter het achtererf van dat huis begon toen nog de Havelter es, met bouwland.

Volgens de kentekenwebsite van het Drents Archief had mijn grootvader de motor gekocht in 1927, het geboortejaar van mijn vader. Het was een Ariel, destijds een zéér populair merk, made in Birmingham, Engeland.

Er zit nog een verhaal aan vast. In de oorlog waren de Duitsers sterk aanwezig in Havelte vanwege een militair vliegveld dat ze er aanlegden. Toen ze allerlei voertuigen gingen vorderen, verstopte mijn grootvader de motor in het schuurtje bij huis. Maar mijn grootmoeder was bang dat ze hem daar zouden vinden en dus verborg opa zijn motor toen achter in zijn bijenstal tussen Uffelte en Havelte. Volgens zijn taxatie durfden de Duitsers daar toch niet te komen, wat inderdaad bleek te kloppen. Althans, de hele oorlog heeft het ding daar, mede dankzij een afdoende camouflage, onaangeroerd gestaan.

Na de Bevrijding echter, kreeg de plaatselijke afdeling van de BS er lucht van dat Perton nog over een motor beschikte. Mijn grootvader wilde hem echter ook niet voor dit doel afstaan: “Ik heb gien motor om um deur de BS aof te loaten raggen” (of een motivatie van soortgelijke strekking). Razendsnel heeft hij hem toen verkocht. Tegen de BS zei hij dat de motor hem afgestolen was. Tenminste, zo vertelde mijn moeder het verhaal – via de Drentse kentekenwebsite is dit natuurlijk niet verifieerbaar.

Naschrift 14 mei 2016:

Van Michiel Huisman, archeoloog en secretaris van de Veteraan Motoren Club kreeg ik via andere weg de volgende reactie:

“Het provinciale kenteken is inderdaad in 1927 afgegeven, maar ik denk niet dat dat voor deze motorfiets was. In die tijd waren kentekens persoonlijk (ipv voertuiggebonden) en kon je ze dus meenemen naar een volgend voertuig.

De motor op de foto dateert niet uit 1927, maar eerder uit de periode 1932-1934. Het is een snelle en in die tijd dure motorfiets (kopklepper, met dubbele uitlaat). Ariel had in die tijd nogal wat modellen in verschillende uitvoeringen. Daardoor is het lastig van een foto exact het model te bepalen. De motorfiets lijkt op het beroemde Red Hunter model, maar die hadden meestal omhoog gebogen uitlaten. Maar niet altijd, zoals ook blijkt uit dit vergelijkbare exemplaar.

De Red Hunter en afgeleiden bestonden in versies van 250 tot 500 cc, ik denk dat opa een 350 of (waarschijnlijk) een 500 had. Vanaf 1935 werden andere remmen gebruikt met een chromen randje. Dat ontbreekt op de foto, dus het model is van ’34 of eerder.”


Eikels veel gezocht in oorlogstijd

eikelinzameling oorlog blog

Kwam dit affiche weer tegen. Het plaatje scande ik uit het een of andere oorlogsboek, alleen kon ik niet terugvinden welk. Het trof me, omdat het aansluit op een herinnering: begin jaren zestig zamelden Havelter kinderen van mijn leeftijd nog eikels in, die ze voor een grijpstuiver verkochten. Getuige het affiche werd dat inzamelen in de oorlog gestimuleerd, niet alleen qua eikels, maar ook voor wat betreft beukenootjes en kastanjes.

De hernieuwde kennismaking met de poster vormde aanleiding tot een klein historisch onderzoekje in de krantendatabank Delpher en Staten- Generaal Digitaal. En als zo vaak: je trekt aan een draadje en er gaat een wereld voor je open.

Uit mijn onderzoekje kwam ten eerste, dat er in de negentiende eeuw al wel eikels werden ingezameld in Drenthe, maar dat dat nog voornamelijk gebeurde voor de aanplant van eiken. Berichten in de Drentsche Courant dat Gelderse en Brabantse boeren eikels aan varkens en schapen voerden, doen vermoeden dat die praktijk in Drenthe minder in zwang was. Het gebruik van eikels, kastanjes en beukenootjes als veevoer bleef hier marginaal, in vredestijd tenminste. Of er uit beukenootjes bakolie werd geperst, zoals in Friesland, heb ik voor Drenthe niet gevonden. Wel kregen ook hier in oorlogstijd al deze boomvruchten veel meer waarde. Krachtvoer, veekoeken, en ook vetten schoten in prijs omhoog, terwijl de wegvallende koffie-import maakte dat eikels opeens veel waard werden als grondstof voor een koffiesurrogaat: eikelkoffie. Die toepassing van eikels was in beide wereldoorlogen zelfs vele malen belangrijker dan de aanwending als veevoer.

Dat de vraag naar eikels, kastanjes en beukenootjes in de Eerste Wereldoorlog enorm toenam, zie je vooral aan het sterk groeiende aantal ‘te koop gevraagd’-advertenties van allerlei opkopers in de diverse kranten. Van het ingezamelde verdween echter eerst nog veel over de Duitse grens. Daarom kwam er op 25 oktober 1916 een uitvoerverbod. Om nog meer greep op de eikelhandel te krijgen, verleende de rijkoverheid in 1918 zelfs een aankoopmonopolie aan de Nederlandse Vereeniging van Eikelhandelaren. Alleen die mocht nog eikels leveren aan het Rijkskantoor voor Thee en Koffie, dat de fabrieken voor koffiesurrogaten bediende. De Vereeniging van Eikelhandelkaren was het, die her en der Rijkseikelinzamelaars als opkopers aanstelde:

Nieuwsblad van het Noorden 12 oktober 1918.

Nieuwsblad van het Noorden 12 oktober 1918.

Eikelrapers kregen een garantieprijs van 16 cent per kilo eikels. De opkopers beurden 18 cent de kilo van de eikelhandelarenclub en maakten dus 2 cent per kilo winst. Het Rijkskantoor betaalde de eikelhandelaren 22 cent de kilo, zodat die op hun beurt dus 4 cent de kilo verdienden. Hun vereniging maakte zodoende in het laatste oorlogsjaar ruim 283.000 gulden winst. Elk van de zes leden (3 van de Veluwe, 1 uit Zwolle, 1 uit Brabant en 1 uit Zwijndrecht) kon ruim 47.000 gulden in de zak steken, iets waar na de oorlog kamervragen over werden gesteld. Uiteraard kwam na de wapenstilstand van november 1918 de koffie-import weer op gang, zodat hele voorraden eikels waardeloos werden. Op de Veluwe zijn die deels opgevoerd aan groot wild.

In 1940, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, schoten de vraag naar en de prijzen van eikels, kastanjes en beukenootjes opnieuw omhoog. Dat jaar bleef de handel nog vrij, maar in 1941 kwam er een regeling tot stand voor de inzameling, die voortaan onder auspiciën van de Nederlandsche InkoopCentrale van Akkerbouwproducten (N.I.C.A.) zou geschieden. Het land werd daartoe in acht (later tien) districten verdeeld. Aan het hoofd van elk district stond een Hoofdagent – vaak een bosbouwer, boomkweker of zaadteler – die er de inzameling moest organiseren via agenten of opkopers. De laatsten moesten in elk geval over voldoende opslagruimte beschikken. Bij hen moesten de rapers van het district hun ingezamelde eikels, kastanjes en beukenootjes inleveren. In 1942 en 1943 bleef deze regeling bestaan, met dien verstande dat schoolkinderen voortaan onder leiding van onderwijzers naar beukenootjes zouden gaan zoeken.

Bij deze regeling werden de prijzen van ingezamelde eikels, kastanjes en beukenootjes van bovenaf vastgesteld. Voor eikels werd de vaste prijs 10 cent per kilo, waar ze in 1940 nog 12 cent per kilo deden, tegen 1 of 2 cent voor de oorlog (en 16 cent in WO I). Voor de volumineuzer kastanjes kregen de rapers voortaan 4 cent per kilo. Bleven de prijzen wat betreft deze twee boomvruchten in 1942 en 1943 op hetzelfde niveau, die van beukenootjes, nog goed voor 40 cent per kilo in 1941, werd toen verlaagd tot 30 cent, nog aanzienlijk hoger dan de vrije prijzen van 1940 toen de beukenootjes 10 tot 22 cent per kilo deden (waaraan je aardig de groeiende vetschaarste kunt aflezen).

Overigens vielen de opbrengsten van de aldus geregelde inzameling danig tegen. Volgens het Drentsch Dagblad van 20 oktober 1942 kon er in een normaal jaar wel 500 ton eikels in Drenthe worden verzameld. In 1941 kwam er echter slechts 12 ton binnen bij de Hoofdagent in Assen, terwijl er in 1942 maar 9 à 10 ton werd ingeleverd, dus ongeveer 2 % van een potentiële oogst. In 1943 groeide dit weliswaar tot 50 ton, maar ook dat was niet meer dan 10 % van wat er binnen had kunnen komen.

Voor de niet zoveel in Drenthe voorkomende kastanjes bleef de oogst van 1941 op 1942 stabiel op zo’n 15 ton – in 1943 kwam hiervan een derde meer binnen: 20 ton. Ondanks de verplichte inzameling door schoolkinderen (vanaf 1942), stelde de oogst aan beukenootjes nog het meest teleur. Was er in 1941 een 50 kilo ingeleverd, in 1942 ging het om 1 enkele ton en in 1943 om helemaal niets.

Volgens de Drentsche Courant lag de tegenvallende eikel-opbrengst zowel in 1942 als 1943 voornamelijk aan rupsen die in het voorjaar de eikebloesems opvraten. In 1943 merkt de krant echter op:

“Ook is een groote hoeveelheid niet ingeleverd, maar rechtstreeks aan de varkens opgevoerd.”

Iets soortgelijks was er in 1942 al aan de hand met de beukenootjes (1942):

“De oogst aan beukenootjes is moeilijk vast te stellen, omdat alles wat opgeraapt wordt lang niet wordt afgeleverd. In vele huisgezinnen wordt deze oliehoudende vrucht even geroosterd en dan als een lekkernij opgepeuzeld.”

De Drenten konden de eikels en beukenootjes, kortom, veel beter voor hun eigen gerief gebruiken. Elders zal het niet anders zijn geweest. Vandaar wellicht, dat de inzameling van de diverse boomvruchten na 1943 niet meer in de kranten ter sprake komt. Mogelijk bestond de regeling nog wel, maar werd die bekend verondersteld en kon de ruimte in de steeds dunner wordende kranten veel beter worden benut dan voor deze zaak. Ik vermoed evenwel, dat de kosten van de regeling niet meer opwogen tegen de opbrengsten, zodat de inzameling stilzwijgend weer geheel en al werd overgelaten aan de vrije markt.

Daarmee was het dus nog niet gedaan met de inzameling, alleen onttrekt die zich aan onze waarneming, Een sfeerbeeld als dat van oktober 1942 bleef voorlopig nog actueel:

“Als men in den namiddag over den Brink in Assen wandelt, bemerkt men daar onder het statig geboomte een ongewone bedrijvigheid, die een scherp contrast vormt met de rust, welke er van deze ‘historische’ plek uitgaat. Een krioelende kinderschare is er, bukkend en kruipend, ijverig in de weer om de vruchten, welke de hooge eiken, de massieve beuken en de weelderige kastanjeboomen hebben afgeworpen, te vergaren in de meegebrachte linnen of papieren zakjes of zoo maar in de broekzak.

Dit gaat nu al eenige weken zoo en de gazons vertoonen door al dit gesjouw reeds het beeld van het kaalgetreden doelgebied van een voetbalveld. Maar de kinderen hebben, nuttig werk als ze verrichten, vrij mandaat. Dit tafereel van rapende kinderen kan men tegenwoordig overal ontdekken, waar de boomen hun dracht aan vruchten aan de aarde afgeven, in de allereerste plaats natuurlijk in de bosschen, maar ook in de particuliere tuinen, waar een kastanje of beuk zijn takken ter hemel spreidt, doemt de jeugd op om de vruchten te rapen. Zoo is het in Assen, zoo is het in Drenthe, zoo is het in het geheele land.”


Toltarieven Meppel-Staphorst, 1827

2015-07-20 021

(Gezien in het Diaconessenziekenhuis te Meppel.)


Moddergat af

Havelte. 18 Februarij.
Onze gemeente gaat, met den stroom des tijds, vooruit.
Wegen, en vooral voetpaden, worden meer en meer, zelfs in den regentijd, bruikbaar gemaakt. Op sommige plaatsen, waar men vroeger zonder laarzen bijna niet droogvoets kon doorkomen, wordt thans geen modder meer gevonden. Zoo voortgaande, zal men Havelte spoedig geen moddergat meer noemen.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant van 20 februari 1866.


Vliegfeesten Eelde, 1931

Het programmaboekje:
2015-07-02 056
Met toepasselijke reclame (ondanks de automatisering extra werkgelegenheid):
2015-07-02 058
Het evenement duurde drie dagen. Hier de orde van dienst op de zondag, met onder meer de jonge Duitse pilote Luise Hoffmann, die vier jaar later zou omkomen:
2015-07-02 065
Je kon ook meedoen met rondvluchten boven Groningen van de KLM. Daar was zoveel animo voor, dat de KLM er een week later nog mee bezig was. Iedere deelnemer kreeg na afloop van de vlucht een “vliegbewijs”:
2015-07-02 066 was 054

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 inv.nr. 4161/2


Schandaal in Vries

In de gemeente Vries had de 17-jarige dochter van een kastelein teedere betrekkingen aangeknoopt met een gehuwd koetsier van den diligence-ondernemer H. De ouders wisten daar niet van en van hunne afwezigheid maakten de beiden gebruik, om naar Harlingen en vandaar naar Engeland te vertrekken, nadat de voerman eerst te Groningen zijne paarden had verkocht. Hun plan was zich te zamen naar Amerika le begeven.

Toen de vader te huis kwam en zijne dochter miste, wendde hij zich tot het expeditie-kantoor te Groningen. Daar vernam hij dat zijne dochter en haar geleider een plaatsbiljet naar Amerika hadden genomen. Onmiddellijk werd door het expeditiekantoor naar Liverpool geseind tot terugzending der minderjarige en na twee dagen was zij dan ook reeds weder in het ouderlijk huis terug.

Bron: Utrechts Dagblad 17 mei 1869.


Tol van Eelderwolde was aardige melkkoe

RHC Groninger Archieven 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).

RHC Groninger Archieven Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).

Die tol van Eelderwolde was niet zo erg oud. Net als veel andere tollen werd ze ingesteld om de onderhoudskosten van een verharde weg terug te halen bij degenen die er gebruik van maakten. In dit geval kwam zo’n weg, en daarmee de tol, er in 1867.

Dat gebeurde nadat bewoners en passanten al decennia hadden geklaagd over de slechte staat waarin de zandweg door Eelderwolde verkeerde. ’s Winters, maar ook in natte zomers, was deze nauwelijks begaanbaar. De nieuwe klinkerweg tussen Eelde en  de Groninger provinciegrens werd betaald door de gemeente Eelde.  Terwijl de gemeente Groningen voor het noordelijke vervolg van die weg afzag van zijn tolrecht, plaatste Eelde een tolhuis en tolhek in de bocht van Eelderwolde (waar je nu een rotonde hebt).

De tarieven van die tol zijn nooit in een krant gepubliceerd, maar in 1899 werden die van de rijkstollen maatgevend, zodat er na de eerstvolgende tolverpachting 2 cent van elke passserende wielrijder geheven werd. Dat bleek in 1940 nog steeds het tarief voor fietsers. Zo’n abonnement als op bovenstaande foto kon dus alleen maar uit, als je minstens honderd maal de tol passeerde.

De eerste tolpachter die de 2 cent per fiets inde, was eind 1899 ene Hoogeboom, afkomstig uit Eerde/Wapenveld. Voor tolhek en tolhuis betaalde hij 1803 gulden per jaar.  Een verpachting van een  kwart eeuw later bracht 5017 gulden op. Als de tarieven niet verhoogd zijn – en daar lijkt het op – dan duidt deze vermeerdering van de pachtopbrengst op een vertwee- tot verdrievoudiging van het verkeer. En de toename ging maar door. In 1929, het jaar van de mondiale beurskrach, bleek de tolopbrengst voor de gemeente zo’n ƒ 17.000 gulden op jaarbasis: een ruime verdrievoudiging, maar dan in slechts vijf jaar tijd. Daarna liet de crisis zich gelden en was er een terugval, want bij de verpachting van 1936 bleek L. Tijhuis uit Rijssen – de man die het bovenstaande abonnement verkocht – de hoogste bieder met ƒ 12.457,-. Deze Tijhuis was al langer pachter van de tol in Eelderwolde en hij pachtte ook de tol aan de Meerweg. Zou het verkeer in Eelderwolde louter uit wielrijders bestaan, dan moesten er, om de laatste pachtsom terug te verdienen, dat jaar bijna 623.000 fietsers het tolhek passeren.

Maar er waren ook vrijstellingen. In 1911 besloot de gemeenteraad van Eelde bij de bespreking van de pachtvoorwaarden dat Eelderwoldenaren die ten noorden van het tolhek woonden, dus op het korte eindje naar de provinciegrens, hier geen tol hoefden te betalen. Verder golden uitzonderingen voor vervoerders van groente, fruit en zuivel. Arbeiders die er voor langer dan een werkweek dagelijks langs moesten, werden eveneens vrijgesteld, terwijl boderijders met de halve tol  konden volstaan. In 1927 kregen trams en bussen eveneens vrijstelling, maar bussen uit Friesland moesten dus wel betalen. Tot slot gold er vanaf 1936 een uitzondering voor venters uit de gemeente Eelde.

Mensen die de tol moesten betalen, ontdoken deze nogal eens. Zo fietsten veel stadjers in 1933 via achterafweggetjes langs het Stadspark en het Zandmeertje (nu Piccardthofplas) richting Paterswolde, waarbij ze dan pal achter het tolhek uitkwamen, wat de tolgaarder uiteraard met lede ogen aanzag.  Daarom werd er een tweede tolhek bijgeplaatst, aan welk nieuwsfeit we een mooie krantenfoto van de situatie ter plaatse te danken hebben:

Op de voorgrond het nieuwe tolhek van 1933. Verder naar achter in het midden het oude tolhek, met rechts het tolhuis. De blik is dus naar het noorden gericht. Op het tolhuis, dat sterk lijkt op de exemplaren die nog steeds in Peizerwolde en Foxwolde aanwezig zijn, hangt het kastje met de tarieven.

Op de voorgrond het nieuwe tolhek van 1933. Verder naar achter in het midden het oude tolhek, met rechts het tolhuis. De blik is dus naar het noorden gericht. Op het tolhuis, dat sterk lijkt op de exemplaren die nog steeds in Peizerwolde en Foxwolde aanwezig zijn, hangt het kastje met de tarieven.

De tolmeester van Eelderwolde was ook wel eens al te streng. In 1929 meldde een lezer een “tolschandaal” aan het Nieuwsblad van het Noorden:

“Vrijdagmiddag j.l. waren 2 kinderen te Paterswolde achtergebleven in den speeltuin van „De Twee Provinciën”. Moeder moest vroeg naar huis en zij zouden een uurtje later volgen. Toen zij bij den tol te Eelderwolde waren gekomen, kwamen zij tot de ontdekking dat zij de 2 maal 2 centen „wegenbelasting” niet konden voldoen, daar moeder hun beursje had meegenomen, omdat zij bang was dat de kinderen die bij het spelen zouden verliezen. Na lang aarzelen — het was al tamelijk laat geworden — besloten zij te vragen, of ze zoo mochten passeeren. Dit werd hun geweigerd met de opmerking: „Als elkeen er zonder centen door moest, konden wy niet leven”.

De kinderen moesten toen via de Vosbergen, Harendermolen naar huis. Ze wilden graag vóór donker thuis zijn, doch door hun haast raakten zij bij „De Braak” met elkaar in botsing. Hierbij werd een der fietsen zoo goed als onberijdbaar. De kinderen wisten nog tot achter het tolhek aan den Meerweg door te rijden, doch toen gaf de gehavende fiets het op. Van Haren, waar de fiets in reparatie werd gegeven, moesten de kinderen loopen. De inzender wijst erop, dat het aan den tolgaarder aan den Meerweg te danken is geweest, dat de ouders niet tot midden in den nacht in angst hebben gezeten. Hij hoopt dat diens collega te Eelderwolde een volgende keer in dergelijke omstandigheden evenals hij zal handelen.”

Op het steeds drukkere verkeer van fietsen, naast vooral vracht- en luxe auto’s, was de oude, smalle klinkerweg steeds minder berekend. In 1935 legde Eelde op zijn grondgebied daarom een betonweg aan van 5 meter breed, met parallelle voet- en fietspaden. Verbetering van het Groninger gedeelte liet echter vooralsnog op zich wachten.

Intussen klonk de roep om opheffing van de tol steeds luider. In 1925 verzocht het raadslid Luinge, zelf woonachtig in Eelderwolde, hier al eens om. Vier jaar later liet zelfs een afschaffingsbeweging zich horen, al leek die vooral gericht tegen de tol bij de Meerweg. De verpachting ging desalniettemin gewoon door, want de gemeente Eelde kon de opbrengst niet missen, vond ze, en ze kreeg daarin gelijk van de provincie Drenthe. In 1937 fulmineerde wethouder Rugge van Groningen (SDAP) nog eens tegen de tol in Eelderwolde, omdat Eelde volgens hem rijk genoeg was en de revenuën “grootendeels” werden opgebracht door Groningers. De tol bleef echter bestaan tot 1947  – pas toen brak de dag aan, dat men hem vrolijk ten grave droeg. Het bericht over de uitvaart bevestigt nog eens, dat Eelde er een heel aardige melkkoe aan had.

Bronnen van papier:
RHC Groninger Archieven 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).
C. Schaafsma e.a (red.), Een nieuwe kijk op het oude Eelde (Bedum 1989) 126-127.


Roden contra Peize op Waterloodag

Ook in Peize werd op zondag 18 juni 1865 de Slag bij Waterloo herdacht. ’s Morgens gebeurde dat in de kerk met een speciale preek, ’s avonds was er in hetzelfde gebouw declamatie, koorzang en orgelspel, waarbij uiteraard toepasselijke stukken ten gehore werden gebracht.  De spil van dit alles, de onderwijzer Swartwold, viel daarna nog een serenade te beurt.

’s Middags echter, was het een poosje erg stil in het dorp. Zo’n dertig boerenjongens kwamen te paard bij elkaar,

“die met standaard en vaandels voorzien, een wandelrid door ’t dorp deden naar Roden.”

Juist dit onderdeel van de Peizer festiviteiten zou drie weken later leiden tot een venijnige anonieme briefwisseling in de Provinciale Drentse en Asser Courant. De redactie had de eerste brief wel even op de plank laten liggen, want die was al gedagtekend op 20 juni. Blijkbaar kon de krant na weken talmen de kopij opeens erg goed gebruiken. Terwijl de brief  afkomstig heette uit Roden, hekelde hij de inactiviteit daar ter plaatse op Waterloodag. Daarentegen stelde hij de Peizenaren wegens hun activiteiten juist aan de Rodenaren ten voorbeeld:

“De 18 Junij is voor Roden’s ingezetenen stilzwijgend voorbijgegaan. ’t Was alles stil in ’t dorp — ja het scheen er nog stiller dan op andere dagen. Geen nationale noch Oranje vlag zag men op dien dag van den toren wapperen. De geheele gemeente scheen te dommelen. In den namiddag hoorden we op eens het getrappel van paarden en het: “Wien Neerlands bloed” drong tot ons oor door. ’t Was een veertigtal jongelingen uit onze meer levendige zuster-gemeente Peize, die ons met dit bezoek vereerden en ons herinnerden aan ’t gebeurde voor vijftig jaar.

Versierd met Oranjestrikken, kokarden en bandeliers en voorafgegaan door standaards en vlag, zag dit 40tal er werkelijk aardig uit. In een der logementen hebben ze een weinig vertoefd. De orde, welke onder hen heerschte, was opmerkelijk; het afstijgen, opzitten, op hunne plaats gaan. ’t voorwaarts, halt, stap, galop. enz., alles werd op commando en zeer goed ten uitvoer gebragt. Dat de jongelui van Peize goed zingen, hiervan was hun gezang hier ter plaatse een bewijs.

Maar welken geest heerscht er in Roden? Waarom ook zoo iets niet eens begonnen, om de jongelui een pleizierigen dag te bezorgen? Waarom steken de jongelui zelve de handen niet uit den mouw? ’t Scheen evenwel, dat er jaloerschheid onder Rodens jongelui heerschte, toen zij zagen, dat hunne naburen zich zoo vermaakten. Wij mogen dit te meer denken, daar de Peizer jongelui, vooral zij die in de achterste gelederen reden, klaagden dat Roden’s jeugd hen en hunne paarden, bij ’t verlaten van het dorp, met steenen, kluiten, stokken, enz. hadden gegooid. “

Een paar dagen eerder had de Roder jeugd, waaronder  zich “zonen van de gegoedste ingezetenen” bevonden, ook al een bruiloftsgezelschap uit Steenbergen met zand bekogeld. Retorisch vroeg de briefschrijver of vreemden Roden niet meer ongehinderd mochten passeren, wie er de schuld had aan dit wangedrag en of er niets aan te doen viel. De jeugd van Peize was wel klaar met Roden, zo schreef hij:

“Dat de Peizer jongelingen verontwaardigd waren over dat slechte onthaal, behoeft niemand te verwonderen, en, naar wij vernemen, zijn zij hierdoor tot het besluit gekomen, om hare zuster-gemeente, die naar het schijnt liefst in afzondering leeft, nooit of nimmer weder met dergelijk bezoek te vereeren.“

Tot besluit van zijn epistel uitte briefschrijver nog een vrome wens voor Roden:

“Moge de geestelijke en zedelijke beschaving ook hier meer en meer doordringen!”

Er kwam een antwoord van een andere anonymus uit Roden. Deze plaatsgenoot billijkte juist de Roder rust op Waterloodag, terwijl hij veel afdong op de activiteit der Peizenaren:

“Stilheid heerschte in ons dorp op 18 Junij, dit was met onze Burgerlijke wet in overeenstemming, die wil dat onder de godsdienstoefening hoegenaamd niets mag plaats vinden. Het verwonderde onze ingezetenen dan ook zeer, dat Peizer jongelieden den zondag uitkozen om in Roden le komen en ergernis en aanstoot aan onze godsdienstoefening te geven. (…) Wel is waar geschiedden te Roden dien dag geene openbare vertooningen , maar dit werd vervangen door eene indrukwekkende rede in de kerk. waarbij werd aangetoond, hoe God Nederland voor 50 jaar heeft bijgestaan, waardoor allen werden opgewekt om tot God eene bede te rigten voor den dierbaren Vorst en het geliefde vaderland.“

Deze tweede briefschrijver liet onvermeld dat het om de middagdienst ging, die gewoonlijk veel slechter werd bijgewoond dan de ochtenddienst. Als je hem moest geloven, dommelde de godsdienst in Peize of waren de Peizenaren althans veel minder kerks dan de Rodenaren:

“Door een ooggetuige werd ons uit Peize medegedeeld, dat de godsdienstoefening aldaar slechts door 12 menschen werd bijgewoond.“

De Peizer paardendressuur en zangkunst kraakte hij af:

“De orde en het gezang en hun rijden liet wel iets te wenschen over, alhoewel het kommando werd uitgevoerd door iemand, die zijn tijd meest in de school verslijt en in den waan verkeert, om zelf nog baas te worden. (…) Opgewondenheid. veroorzaakt door het gebruik van sterken drank, scheen onder hen te heerschen, daar eenigen, na hier omstreeks een half uur vertoefd te hebben, bij het commando “Voorwaarts!” van hunne paarden vielen… “

Je reinste slapstick. Volgens briefschrijver hadden de Peizenaren hun smadelijke afgang uit Roden aan zichzelf te wijten:

“Van het werpen met kluiten waren zij zelve de aanleiding. daar de commandant de onachtzaamheid had, zijn bandelier in Roden te vergeten, dat hij zelf terughaalde, gevolgd door eenige rijders. Bij deze gelegenheid zouden zij de kinderen, die hen nazagen, bijna overreden hebben. Deze het hazepad niet kunnende kiezen, verweerden zich door met steenen, stokken en kluiten te werpen.“


Jeugdvermaak veroorzaakt miskraam? Een treurige historie ontzenuwd

Het was een “treurige geschiedenis” volgens de Utrechtse en de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 14. respectievelijk 19 maart 1856. In Havelte was ’s avonds bij een jong en pas getrouwd boerenstel op het venster gebonsd door opgeschoten jongelui, “gelijk zulks op de dorpen dezer omstreken dikwijls gebeurt”. Daarna was dat venster plotseling opengetrokken. Omdat zijn vrouw hoogzwanger was, en schrik in die toestand volgens de gangbare opvattingen heel gemakkelijk tot een miskraam kon leiden, liep de man des huizes woedend zijn woning uit, op zoek naar de daders. Buiten op de weg voor zijn huis wist hij een overbuurjongen, zoon van een dikke boer, bij de lurven te grijpen en begon op hem in te slaan. Die jongen verweerde zich, er ontstond een geweldige matpartij, en toen die eindelijk afgelopen was, liep de jonge boer zijn huis weer in met een gezicht vol schrammen, wonden en bloed, “zoodat hij er monsterachtig uitzag en bijna niet te kennen was”. Wat hij had gevreesd, gebeurde nu:

“Zijne jeugdige vrouw in hoogst zwangeren toestand verkeerende, is daarop onmiddelyk van een levenloos kind bevallen en daarna weldra overleden.”

De suggestie dat de kloppartij tot de miskraam en de dood van de vrouw leidde, bleek echter onjuist.  In een volgende editie van de Drentsche en Asser Courant stond namelijk een ingezonden stuk van ‘Een vriend van waarheid en orde’ (mogelijk ds. Swiers van Havelte),  die meldde dat de meeste feiten op zich misschien wel klopten, maar dat er geen oorzakelijk verband tussen bestond.

Ten eerste kon de boerin volgens briefschrijver niet geschrokken zijn door de aanblik van haar bebloede man. Want haar echtgenoot had uit voorzorg een doek om zijn hoofd gewikkeld, voordat hij de kamer binnenkwam. Ook waren zijn wonden binnen een paar dagen al genezen en niet of nauwelijk meer te zien – ze stelden dus maar weinig voor. Ook was de vrouw niet meteen, maar pas de volgende dag, “na eene allermoeijelijksie verlossing” bevallen. Haar eigen overlijden volgde weer enkele dagen later:

“Wy meenen dus te mogen beweren, dat er tusschen die schermutseling en de ongelukkige bevalling der jeugdige vrouw niet het minste verband bestaat.“

Interessant is wat de briefschrijver zegt over het vermaak van de jeugd, om mensen de stuipen op het lijf te jagen door het onverwacht kloppen op vensters en het opengooien daarvan:

“Van het openen van eene deur of venster door jongelieden schrikt eene Havelter boerin niet, dewijl men daaraan wel gewend is. “

Toch maakt de briefschrijver duidelijk dat hij niets van dit vermaak moet hebben:

“Hartelijk is het intusschen te wenschen, dat deze veel besprokene gebeurtenis aanleiding mogt geven, dat onze jongelieden betamelijker uitspanningen zoeken, dan het zwerven bij avond door wegen en stegen, dikwerf onder woest gezang, en het gluren door deuren of vensters.“