Havelter veldwachter overleefde Slag bij Waterloo
Geplaatst op: 15 juni 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenAls de Provinciale Drentsche en Asser Courant in 1863 een kort lijstje publiceert van nog levende Drenten die in 1815 in de Slag bij Waterloo mee hadden gevochten, staat daarop de Havelter Albert ter Haar:
“Deze is in 1814 uit Frankrijk teruggekeerd en dadelijk ingelijfd bij het 5e bataillon jagers; hij heeft den slag bij Waterloo bijgewoond en is daarna weder mede Frankrijk ingetrokken.”
Voordat Napoleon naar Elba werd verscheept, maakte deze Ter Haar dus net als zoveel andere Nederlandse mannen en jongens deel uit van Napoleons armee. Bij zijn terugkeer in Nederland kon hij meteen in dienst bij een Nederlands legeronderdeel, waarmee hij in Waterloo vocht, waarna dat onderdeel van hem de vluchtende Franse troepen tot in Frankrijk achtervolgde.
Ongetwijfeld kon Ter Haar veel vertellen, als hij dat wilde. Na zijn militaire loopbaan werd hij veldwachter in Havelte, zo blijkt uit een bericht van 2 september 1865 in dezelfde krant. Een paar maanden eerder herdacht men dat de Slag bij Waterloo voor vijftig jaar plaatsvond en de gemeente Havelte zette haar veteraan daarom alsnog in het zonnetje:
“Havelte, 29 Aug. Heden was ‘t voor onzen oud-brigadier-veldwachter Albert ter Haar een ware gedenkdag. De Burgemeester dezer gemeente reikte hem, onder hartelijke toespraak, in tegenwoordigheid van den vollen raad en anderen, het eereteeken uit voor de oud-strijders van Waterloo, 1813-1815, ook aan hem toegekend. Het bijbehoorende certificaat was in eene sierlijke lijst vervat. De lijst werd aan A. ter Haar door den Burgemeester, namens de gemeente, uit achting ter hand gesteld. De toespraak van den Burgemeester maakte op de aanwezigen een diepen indruk. A. ter Haar kon ternaauwernood zijnen dank betuigen; ’t gemoed was hem vol. Dat dit eereteeken nog langen tijd de borst van den oud-strijder, onzen immer ijverigen veldwachter, moge versieren, is onzer aller wensch.”
Ter Haar heeft nog bijna negen jaar van zijn medaille en het bijbehorende ingelijste diploma kunnen genieten. In 1874 overleed hij op 77-jarige leeftijd, hij was dus 18 toen hij Waterloo meemaakte.
Bij zijn overlijden was hij al weduwnaar. Oorspronkelijk kwam hij van Meppel, waar hij in 1824 ook was getrouwd. Van beroep was hij destijds nog hoedemakersknecht, terwijl zijn drie jaar oudere vrouw, van Oldemarkt afkomstig, als dienstmeid had gewerkt. Het was een moetje, want hun oudste zoon Berend werd vier maanden na het huwelijk geboren. Ook zoon Derk kwam in Meppel ter wereld (1827). Bij de geboorte van de derde zoon, Jan (1830), bleek Albert ter Haar echter veldwachter te Havelte. Hij moet hier dus tussen 1827 en 1830 door de gemeente in dienst zijn genomen. In 1860, bij het huwelijk van zijn zoon Jan, werd Albert ter Haar echter kleermaker genoemd, terwijl hij in 1861 bij het trouwen van zijn zoon Berend “zonder beroep” heette te zijn. Puur afgaande op de akten burgerlijke stand liep zijn aanstelling als veldwachter dus voor 1860 af , terwijl het krantenbericht over zijn huldiging daarover ambigu is, want dat noemt hem zowel “oud-brigadier-veldwachter” als “immer ijverigen veldwachter”. Mogelijk dat gemeentelijke stukken hierover wat meer duidelijkheid kunnen verschaffen.
Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was
Geplaatst op: 2 juni 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie, Kunsten 5 reacties
Nee, mooi kan ik het nog steeds niet vinden. De schilder, een J.O. Verduijn of J. Overduijn, had weinig kaas gegeten van perspectief en bracht zijn verf nogal dun op, maar dat is nog het minste verwijt, want Ploeg-schilders nemen we zoiets ook niet kwalijk. In dit geval lijkt het er echter op dat er meer een tekenaar dan een schilder aan het werk is geweest. Hij heeft alle objecten keurig omlijnd: de boerderij, de hooibulten, de boomstammen en de paaltjes langs en in het weiland. Terwijl hij het gras tamelijk liefdeloos met snelle horizontale vegen aanbracht, net alsof er zojuist een storm overheen ging.
Mooi vind ik het doek dus absoluut niet, maar er zitten wel verhalen aan vast. Mijn ouders kregen het bij hun huwelijk, eind 1952, van de heer en mevrouw Benus. Zij waren de buren van mijn grootouders in Dwingeloo, d.w.z. zij bewoonden de andere helft van de twee-onder-een-kap als huurders van mijn grootouders. Meneer Benus, afgaande op zijn naam waarschijnlijk afkomstig uit de Veenkoloniën, was onderwijzer in Dwingeloo, later hoofdonderwijzer in Geeuwenbrug. Van hem en zijn vrouw heet het dat ze bijzondere liefhebbers waren van mijn grootmoeders groentesoep. Zij hadden het schilderij gekocht van een van de kunstenaars uit het westen, die ’s zomers op uitnodiging van het burgemeestersechtpaar Stork naar Dwingeloo kwamen, althans, zo weet mijn moeder er altijd bij te vertellen.
Het werkje stelt voor een boerderij op de Weijert bij Dwingeloo. Later is deze boerderij verbrand en sinds de jaren 70 of 80 ligt er een nieuwbouwbuurt. Toen er een paar jaar geleden een tentoonstelling van Dwingeler dorpsgezichten was in het voormalige gemeentehuis van Dwingeloo, stuurde mijn moeder dit schilderij niet in. Wel liep daar een vroegere bewoner van de boerderij rond, die er navraag naar deed en zo viavia bij mijn moeder terechtkwam. Met tranen in de ogen aanschouwde hij zijn ouderlijke huis. Hij wilde het doek heel graag kopen. Maar mijn moeder wilde het niet kwijt. Wel stond ze toe dat er een kopie van gemaakt werd, waarmee de voormalige bewoner ook heel gelukkig was. Zodat er nu twee versies van het wangedrocht bestaan.
Overigens klopt het dat destijds kunstenaars uit het Westen naar Dwingeloo kwamen. Dat was tenminste zo in de zomers van 1951 en 1952. Er ging de mare rond dat ze met schilderijen voor hun logies moesten betalen, maar dat bleek onwaar. Desondanks was het zoeken naar onderdak voor ze meegevallen, aldus de vrouw van burgemeester Stork:
“Je doet natuurlijk, als altijd, de ervaring op, dat je niet steeds het meeste succes hebt bij degenen, die er materieel het beste toe in staat zijn. Mijn man en ik doen ons best de mensen ervan te overtuigen, dat kunstenaars gewone mensen zijn als zijzelf, dat ze voor hen niet de minste omslag behoeven te maken en dat er niets anders van hen verwacht wordt, dan dat ze bij de vier, vijf of meer borden er één bijschuiven.”
Volgens mevrouw Stork viel er eerst wel enig “wanbegrip” te overwinnen:
“Kunstenaar is niet alleen voor eenvoudige lieden nog al te vaak het synoniem voor iemand, die onmaatschappelijk is en het zo nauw niet neemt.”
Maar achteraf was alles reuze meegevallen:
“Gelukkig wel. De vier kunstenaars, die verleden jaar hier zijn geweest en de eersten van de minstens twaalf, die dit jaar zullen komen, kwamen uitstekend terecht. Er is algemene tevredenheid van weerszijden.”
Dat achtte mevrouw Stork ook in kunstpedagogisch opzicht van groot belang, want
“Als je ziet wat de mensen nog altijd aan hun wanden hangen aan „schilderstukken”, waarvoor ze soms nog heel wat betalen, dan begrijp je, dat er op dit gebied nog heel wat te verbeteren is, al heeft de actie van de Bond van Plattelandsvrouwen en het werk der Landbouwhuishoudscholen inzake woninginrichting al veel goeds gedaan.“
Er hing dus voor het zegenrijke logies kwalitatief nog heel wat inferieurder spul in de Dwingeler huiskamers, dan dit schilderij van mijn ouders!
De Dwingeler regeling voorzag ook bij de kunstenaars zeker in een behoefte, want in totaal kwamen er in de zomer van 1952 achttien uit westelijke steden naar Dwingeloo. Bij de Dwingeler landbouwtentoonstelling van 1953 zou er een expositie van hun werk zijn, maar daarover vond ik geen bericht.
Wat je langs de Dorpsstraat zag
Geplaatst op: 1 juni 2015 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 2 reacties
Zo’n twintig jaar geleden deed ik nogal eens lange interviews met oudere buurtgenoten voor De Oosterpoorter en vaak wisten die nog precies wat voor winkels er voor (ruim) een halve eeuw aan de Oosterweg en Meeuwerderweg waren geweest. Van pand tot pand konden ze die opnoemen. Als ze er dan verder geen bijzonderheden bij wisten te vertellen, nam ik zo’n opsomming niet op in de uitwerking van het interview. De namen alleen boeiden me niet – daarvoor kan je immers ook wel in de Groninger adresboeken en telefoongidsen terecht.
Het grappige is, dat een dergelijke opsomming bij de Havelter herinneringen van Tjalling Waterbolk me helemaal niet verveelt. Daarin beschrijft hij – nota bene zonder namen te noemen – de panden die hij begin jaren 30 vanaf de Raadhuislaan op weg naar school (nu Piet Soerplein) passeerde:
“Onderweg kwamen we eerst langs een groep grote en kleine boerderijen en schuren rondom een onregelmatige, deels met bomen beplante open ruimte, de Oosterbrink. Daar stond ook een nieuw café-pension. Vervolgens liepen we langs het bedrijf van een schilder, een paar burgerwoningen, een kruidenierswinkel, een smederij, het huis van de gemeenteveldwachter, het huis van de huisarts en een oude boerderij met een klopper op de deur van het voorhuis. Zo kwamen we dan bij de ook weer met eiken beplante Westerbrink, met daaraan een café, een timmerbedrijf, en een grote oude boerderij met een wit geverfd voorhuis. Langs een grote open weide bereikten we ten slotte de school.”
Dat die opsomming me niet verveelt, komt uiteraard door de herkenning die ze oproept. Veel functies waren ruim dertig jaar later nog precies gelijk. Alleen is de school medio jaren 50 verhuisd. Om de omgekeerde tocht van het Piet Soerplein naar de Raadhuislaan te maken:
In die grote open weide tussen de Dorpsstraat en de Kosterijstraat lag een diepe sloot, door ons ook wel de Kikkersloot genoemd. Hierin vingen we salamanders, die dan na een paar dagen onvermijdelijk het loodje legden in onze jampotjes. Het was dan zaak de boel heel vlug weg te gooien, voordat ze begon te stinken.
In het grote vierkante witte huis met het blauwwitte monumentenschildje woonde – dacht ik – een Kassies, in de boerderij erachter zat de pottenbakker Dirk Staf. Van het timmerbedrijf ben ik de naam kwijt (iets als Waning, Waarsing o.i.d?), maar er stond een stellage naast, waarmee men bomen op een zaagstelling takelde, zodat er planken uit gezaagd konden worden. Dat heb ik echter nooit gezien – volgens mij ‘sliep’ dit bedrijf al in mijn tijd. Het café, nu weer deels in oude Jugendstil-gedaante hersteld, was toen van de familie Scholtmeijer. Er hing een kastje met veel geraadpleegde voetbalberichten aan de voorgevel. Achter het café was er met Pasen een keer een kermis met een draaimolen touwtjestrek- en schiettent e.d., later kwam er een grote zaal voor feesten en partijen.
De boerderij met de klopper op de deur heette het Schultehuis, omdat de schulten (zeg maar burgemeesters) er in de achttiende eeuw hadden gewoond. De huisarts, aan de overkant van de Dorpsstraat, moet in Waterbolks tijd dokter Miedema geweest zijn, die in de oorlog zwaar fout was en daarom na de Bevrijding een beroepsverbod opgelegd kreeg. In mijn tijd woonde er diens schoonzoon dokter Landeweer, die door de sneeuwduinen te laat kwam bij mijn geboorte.
Naast de de smederij, even verderop, had je een winkel in huishoudelijke benodigdheden en speelgoed – beide zaken waren van de familie Kwint, dacht ik. Een grote attractie in de herfst vormde de kastanjeboom voor de smederij, het was meen ik de enige kastanje van heel Havelte. Naast de smederij grensde een stukje es (bouwland) aan de Dorpsstraat, hiervoor stond een bord met plaats voor een drietal reclameposters (Martini, jenever uit Sappemeer, Mascotte etc.).
De schilder die Waterbolk noemt, heette in mijn tijd Daleman – deze was tevens drogist en er hing een email bord aan de muur met reclame voor het verfmerk Ripolin, met drie mannetjes in dezelfde verfhouding achter elkaar die elkaars ruggen beschreven.
Tot slot het nieuwe café-pension: dat was in 1930 opgericht door de brugwachterszoon H.J. Götz, wiens voorvader zich in de jaren 1820 vanuit Den Haag in de weldadigheidskolonie Frederiksoord had gevestigd. In mijn tijd werd het horecabedrijf uitgebaat door zoon Bertus Götz, die het in 1980 verkocht – sindsdien heet het Hoffmann’s Vertellingen.
De balder- of ballebusse: vermaak van Drentse kwajongens
Geplaatst op: 29 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
Vanmiddag was de presentatie van Werk van eeuwen, een boek gebaseerd op gesprekken met Tjalling Waterbolk, de bekende archeoloog en landschapsbeschermer.
Hij is van de generatie van mijn vader, en we komen allebei uit hetzelfde dorp: Havelte. Volgens het eerste hoofdstuk in het nieuwe boek groeide Waterbolk er tussen 1924 en 1942 op, in mijn geval gebeurde dat ruim dertig jaar later.
Dan ga je vergelijken en daar komen overeenkomsten en verschillen uit. Een overeenkomst is dat we beide ons vertier vonden in de overvloedig aanwezige natuur, het zwerven in het veld, het hele einden fietsen. De huppies of primitieve blaasinstrumentjes die hij in het voorjaar van jonge lijsterbesscheuten maakte, leerde ik ook maken van een buurman, alleen noemden wij ze uppies, zonder h. We zongen er min of meer hetzelfde klopliedje bij. Nog iets wat we gemeen hebben: het ’s zomers logeren bij Groninger familie, waardoor je verschillen in landschap en geuren op gingen vallen: voor zowel Waterbolk als mij is kamille typisch Gronings, ook in mijn tijd zag je dat spul nauwelijks in Zuidwest-Drenthe.
Het verschil: bij mij bleef de natuurbeleving veel meer in het globale steken. Hij viste bijvoorbeeld veel vaker, krijg ik de indruk, wat ook kwam door zijn vader – de mijne viste niet. Zowel met zijn vader als later zelfstandig zocht hij eieren. Ik heb wel eens zitten vissen, maar vond er eigenlijk geen zak aan, en ben ook wel eens met buurjongens meegeweest om kievietseieren te zoeken, maar dacht al gauw dat ik wel wat beters te doen had. De jonge Waterbolk was ook veel beter op de hoogte van fauna en vooral flora, dan ik. Ik spaarde dan wel vogelpostzegels, maar zoals de jonge Waterbolk vogels in de natuur aan hun zang kon herkennen, dat was mij absoluut niet gegeven, helaas.
Een grappige overeenkomst betreft de specifiek Drentse proppenschieters. Waterbolk noemt ze “balderbussen”, een naam die inderdaad ook voorkomt in de Drentse woordenboeken van Bergsma (1906) en Kocks (2000). Balderbussen werden in de herfst gemaakt – in Waterbolks jeugd gebeurde dat nog met een uitgeholde vliertak, waarin een stempelstok van eikenhout paste, die eikels of elzenproppen met een knal wegschoot.
In mijn tijd heetten die balderbussen ballebussen – de d en de r waren er dus in die drie decennia uitgesleten. Ook maakten wij als kinderen van de Wederopbouw niet louter meer gebruik van natuurlijke materialen: het vlierhout had bij ons afgedaan. Wij gebruikten plastic buis, om precies te zijn eindjes van een centimeter of 20-25 zoals je ze vinden kon bij een van de vele woningbouwprojecten. Vaak ging het om nogal snel en ruw afgezaagde stukjes. Met een schuurpapiertje haalde je de braampjes af van de buiseinden, die je zo glad mogelijk maakte. Vervolgens nam je een rechte stok die nèt wat dikker en ruim een handbreedte langer was dan de buis. Je sneed er een handvat aan, door met een mesje de rest van de stok af te schillen tot hij soepel door de buis paste. De stempel of kwast aan het andere uiteind van de stok maakte je door met dat uiteind op een straatsteen, stoep of muur te bonken, net zolang tot het voldoende ging rafelen. In beide uiteinden van de buis sloeg of propte je vervolgens eikels. Je plaatste de stempel op het ene uiteind van de buis, zette het handvat van de stempelstok tegen je buik, nam de buis in beide handen en vuurde af door de buis naar je toe te trekken waardoor de stempelstok door de buis ging: vanwege de luchtdruk in de buis schoot de eikel aan de andere kant er met een beste knal uit, terwijl de andere eikel dankzij de stempelstok diens positie innam. Met dit vervaarlijke instrument schoot een buurjongen eens een vogel uit de boom, iets waar niet iedereen even goed over te spreken was. Ik meen dat we aan het maken van deze ballebussen deden tot we een jaar of tien elf oud waren, daarna werd het collectief afgedaan als te kinderachtig.
“Men sil my vast met ontank wol betelje”
Geplaatst op: 17 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Als een politieke eendagsvlieg, zo valt Gerrit Tietema (1742 – 1818) van Norg te typeren. Begin 1797 dook hij op als Landdagcomparant en correspondent van de Onverwachte Courier, om een jaar later uit beeld te verdwijnen. Waar kwam hij vandaan, wat was zijn positie te Norg, welke opvattingen verkondigde hij, met wie maakte hij ruzie en waaruit bestond zijn achterban?
Een van de tientallen ‘opinieweekbladen’ die na de Bataafse revolutie nationale eenwording en democratisering bepleitten was de Onverwachte Courier. Van oktober 1795 tot juni 1798 verscheen dit geruchtmakende ‘Jacobijnse’ periodiek in Groningen. De uitgever en drukker zorgde voor een ruime verspreiding; bij boekhandelaren in geheel Noordoost Nederland was het blad te koop, bijvoorbeeld bij Van Buuren-Lensink in Meppel. Ook liepen er venters mee rond. De verkoopprijs bedroeg een stuiver, wat voor een arbeider of kleine ambachtsman aan de hoge kant was, maar een sterke afzet toch niet in de weg stond.
De redactie van de Onverwachte Courier, die voortkwam uit enkele radicaal-democratische Groninger clubs, vroeg meteen in het eerste nummer al om bijdragen van “alle ware Vaderlanders en fraaye vernuften”. Deze inzendingen moesten dan wel “naar den vatbaarheid van den middenstand geschikt” zijn. Het blad bevatte zo ook stukken van Drentse correspondenten. Meestal bedienden deze zich van schuilnamen, soms van initialen. Een uitzondering vormde Gerrit Johannes Tietema uit Norg, die vijf maal een bijdrage leverde, waarvan twee maal onder zijn volledige naam, twee keer onder initialen, en één maal onder vermelding van louter de plaatsnaam, maar daarbij wel zijn hand verradend. In vergelijking met andere correspondenten was deze Tietema dus niet bang uitgevallen. In de tijd dat hij zijn bijdragen schreef (1797/1798) bleek hij ook nog eens lid van de Drentse Landdag (= provinciale staten) namens Norg. En omdat er over radicale Drentse patriotten maar weinig bekend is, maken deze feiten hem een biografietje waard.
Gerrit Johannes Tietema was een nieuwkomer in Norg. In 1742 werd hij geboren te Donkerbroek, Friesland, als zoon van een weinig bemiddelde koopman. In de tweede helft van de jaren 1760 vestigde Gerrit zich in het Drentse kerspel, waar hij anno 1771 trouwde. Hij en zijn vrouw betrokken op het Norger oosteinde een huis en kregen er twee zoons, waarvan alleen de oudste bleef leven.
Net als zijn vader en zoon was Gerrit Tietema koopman, winkelier en “kremer”. Hij handelde in van alles en nog wat: blauwbontgoed, doeken, garen en band, klompen, gespen, mesjes, spijkers, dakstro, zout, zeep, kruiden, haver en gort. Ook leverde hij “bonte steentys” voor de kosterij. Naast het magazijn, waarin deze goederen opgetast lagen, had hij een tapperij. Soms trad hij bovendien op als heelmeester. Zo genas hij eens een “zwullen dum” van een bedeelde.
Van al zijn verdiensten hield Tietema genoeg over om met een zekere regelmaat in vastgoed te kunnen investeren. Meestal ging het om lapjes bouwland, die hij verpachtte. In elk geval schatte men zijn vermogen in zijn politieke hoogtijdagen op 5100 gulden, zodat hij nog net op een lijst van de 34 rijkste ingezetenen van het kerspel Norg terecht kwam. Een heer als Joachim Lunsingh Tonckens van Westervelde stond natuurlijk ver boven hem, evenals bekende eigenerfde boeren als Egbert Pelinck en Roelof Hofsteenge. Wat betreft de middenstand sloeg Tietema echter geen gek figuur, getuige bijvoorbeeld het vermogen van de grootste timmermansbaas Abel Karst, eveneens 5100 gulden. Het gros van de bevolking keek in elk geval tegen hem op, tenminste, als het om vermogen ging.
De opvattingen waarvan Tietema in de Onverwachte Courier blijk gaf, stempelen hem tot een volksdemocraat, een aanhanger van de leer der volkssouvereiniteit. Naar Tietema’s mening hoorde de oppermacht toe aan het volk. Het volk moest tot zijn vertegenwoordigers kunnen kiezen wie het maar wenste, en ook bezat het volk het recht die vertegenwoordigers op te dragen wat het maar wilde. Week een representant van zijn lastgeving af, dan was hij strafbaar.
Hoe die ideologie in de praktijk uitwerkte, blijkt uit de twee stukken, die Tietema schreef naar aanleiding van het nationale referendum van 8 augustus 1797, waarbij een eerste ontwerp-constitutie aan de stemgerechtigden in de grondvergaderingen voorgelegd werd. Dit ontwerp, bijgenaamd ‘het dikke boek’, was een moeizaam compromis, waarbij federalistische uitgangspunten de doorslag hadden gegeven, hoewel er op het punt der ineensmelting van de nationale schulden een concessie was gedaan aan het democratische eisers van een eenheidsstaat.
Tietema nu, laakte in een stuk, dat op de dag van het referendum voorop de Onverwachte Courier stond, vooral het tijdstip waarop het referendum werd gehouden. Daarbij suggereerde hij dat de Nationale Vergadering (het Bataafse parlement) de datum zo gekozen had omdat
“…den nijvre landman in al dien tijd genoegzaam van zijne noodzakelijke bezigheden niets kan aftrekken”.
Op de inhoud van het dikke boek ging Tietema kort in. Volgens hem respecteerde het de rechten van de mens en burger niet en gaf het evenmin aanleiding tot bezuinigingen en lastenverlichting. “Zo kan ydereen ligt begrijpen geen ja te moeten zeggen”, luidde zijn stemadvies.
Voor het referendum bood de burger te Norg op dat uiterste moment nog een alternatief: democratie van onderop. Weliswaar was het ontwerpen van een grondwet aan de Nationale Vergadering (het parlement van de Bataafse Republiek) opgedragen, maar op de dag van het referendum vormden de grondvergaderingen van stemgerechtigde burgers gezamenlijk de souverein. Als de stemgerechtigden in elke grondvergadering de koppen bij elkaar staken, het ontwerp naar hun eigen inzichten aanpasten, vervolgens vertegenwoordigers kozen die per provincie bij elkaar kwamen, en daarna de vertegenwoordigers van de gewesten in nationaal verband een compromis bewerkstelligden, kon men dat compromis uiteindelijk alsnog aan de grondvergaderingen aanbieden, met wellicht een positieve uitslag:
“Mooglijk denken veel dat werk is te omslagtig, dat moet veel te veel kosten, maar medeburgers! weest verzekert dat zit een veel zekerder, korter en min kostbaarder weg is, of dezelve door een Commissie uit de Nationale Vergadering gemaakt zal worden. En dan nog onzeker of dezelve werd aangenomen.”
Uiteraard kwam hier niets van. Wel verwierpen de stemgerechtigden het voorliggende grondwetsontwerp met een overweldigende meerderheid. De tegenstemmen kwamen vooral van democraten, en daarnaast, maar in veel mindere mate, van aartsfederalisten. Alleen gematigde federalisten stemden voor, omdat de oorlogsvoering huns insziens om een krachtdadig bestuur vroeg.
Drie maanden later kwam Tietema nog eens op het referendum terug. Juist in die periode (oktober 1797) bestookte men een nieuwe constitutiecommissie met allerlei petities. In Drenthe circuleerde er voornamelijk een federalistische tekst, waarvan copieën door de Gecommiteerde Representanten (de rechtsopvolgers van Drost en Gedeputeerden) via de schulten naar alle grondvergaderingen waren gezonden. Volgens de landschapsbestuurders hadden de Drenten op 8 augustus juist vanwege de voorgestelde nationale ineensmelting van alle gewestelijke schulden een massaal nee laten horen. De nieuwe constitutie-commissie moest huns insziens daarom niet opnieuw toegeven aan unitarische eisen.
Deze voorstelling van zaken bestreed Tietema. Volgens hem was het eerste grondwetsontwerp verworpen, omdat het de oppermacht van het volk niet eerbiedigde, het de uitvoerende macht te grote zeggenschap gaf, en het niets bepaalde inzake financiële gelijkheid. Op doorreis on Zwolle had hij een unitarisch verzoekschrift aangetroffen, waarvan hij de tekst bij zijn stuk voegde. De bedoeling was duidelijk: het te laten kopiëren en tekenen door gelijkgezinden.
Tietema’s collega’s, de Drentse representanten, bijeenkomend in wat nog steeds de Landdag heette, namen in meerderheid hetzelfde standpunt in als hun bestuurders, de Gecommiteerde Representanten. Enerzijds lippendienst bewijzend aan de nationale eenheid, anderzijds grote bezwaren koesterend tegen alles wat indruiste tegen de oude belastingregeling, waarbij de gewesten ieder op hun eigen wijze hun pappenheimers mochten belasten. Ongetwijfeld had de weerzin tegen fiscale hervormingen ook te maken met angst voor belasting naar draagkracht.
De vertegenwoordigers in de Drentse Landdag werden ook na 1795 nog steeds kerspelgewijs gekozen, zij het niet langer door de eigenerfde grondbezitters, maar door de stemgerechtigden, dat wil zeggen de mannen van 25 jaar en ouder die het Drentse Déclaratoir van 24 september 1795 tekenden, en zich zodoende loyaal verklaarden aan het nieuwe bewind. Toch schortte er in democratisch opzicht nogal wat aan de vernieuwde Landdag. Meppel en Hoogeveen bleven zwaar ondervertegenwoordigd. Meermalen stelden deze “volkrijke” kerspelen voor om tot een evenredige vertegenwoordiging te komen. In april 1797 besloot de Landdag het echter te laten zoals het was, totdat een nieuwe constitutie het binnenlandse bestuur definitief zou regelen.
Over deze perikelen vernemen we merkwaardigerwijs niets van Tietema, die wat betreft de Drentse politiek louter melding lijkt te maken van minder substantiële zaken. Zo bijvoorbeeld “de treflijke resolutie”, genomen door de Landdag van april 1797, die bepaalde dat er voortaan een agenda met de uitnodiging mee moest naar de kerspelen. Kerspelen moesten agenda-voorstellen daarom voor Lichtmis (2 februari) naar Assen opsturen. Het betreft hier een minder ondergeschikt punt dan het misschien lijkt. De oude gewoonte om de agenda pas op de Landdag bekend te maken, gaf immers de mannen in het centrum van de macht, degenen die zich dagelijks met bestuurszaken bezighielden, dat wil zeggen voorheen de Gedeputeerden en nu de Gecommiteerde Representanten, een enorme informatie-voorsprong, die ook maakte dat ze zaken gemakkelijk naar hun hand konden zetten. Kerspelvolmachten kregen op de Landdag onverwachte punten voor hun kiezen en spraken en stemden er naar eigen goeddunken, zonder last en ruggespraak. Achteraf raakte de achterban dan nog eens op de hoogte. Al eeuwen rees er zo nu en dan bezwaar tegen deze gang van zaken, anno 1797 lukte het dan eindelijk om de agenda vooraf bekend te laten zijn, zodat de stemgerechtigden in de kerspelen hun representanten in de Landdag aan een instructie konden binden. Voortaan zou er niets verhandeld worden “dan met voorweten van het gehele Drentsche Volk”.
Toch kwam Tietema naderhand nog met een bedenking. “Doordien de meesten onzer medeburgeren het wezentlijk heil van den lande nog als met een onverschillig oog koomen te beschouwen”, bleven belangrijke zaken liggen. Ook konden er in de zes weken tussen Lichtmis en de gewone Landdag nog dingen voorvallen. Daarom wilde Tietema de nieuwe regeling oprekken, in die zin dat er ook op de eerste vergaderdag nog zaken moesten kunnen worden ingebracht. De representanten dienden deze dan alsnog ter kennis van hun achterban te brengen, voor een nadere instructie.
Stond de correspondent van de Onverwachte Courier te Norg positief tegenover de agenda-resolutie, dat was ook het enige waarover hij zich verheugde. In het algemeen getuigen zijn stukken van een groot wantrouwen jegens bestuurders en ambtenaren.
Zo maakte hij zich in zijn allereerste brief aan de Courier, gedagtekend 6 maart 1797 – op dat moment was hij nog net geen Landdagcomparant – vrolijk over de titels waarmee de nieuwe Drentse machthebbers zich opsierden. Heette De Vos van Steenwijk als voorzitter van de Gecommiteerde Representanten “president van Drenthe”, diens rechterhand Van Rossen gold als “vice-president”. Als goed vaderlander had Tietema een grote hekel aan deze “onduitsche woorden”. Daarom schreef hij zijn bijdrage ook in zijn moerstaal, het Fries. Andere nieuwe heren nam hij eveneens flink op de korrel. Zo gaf hij door dat de Etten (rechters van de Etstoel) er sinds de revolutie behoorlijk in salaris op vooruit gingen:
“…Ik zey: is dat gelijkheit? Ik hab nou al om de twaa jier munisipaal west, en ik krig gin ortsen, en sa nog mier als te vooren? Is dat goed patriotsch? Dan wyt ik het net, en hab dog wel tzien jier de namme van patriot droegen, en mien eek dat ik ien byn. Ik kan jou nog wel meer van dit of dat vertelje, mar ik tink men sil my vast met ontank wol betelje…”
Met die ondank viel het mee. Bij de verschijning van zijn tweede, al wat serieuzere stuk in de Onverwachte Courier (23 mei 1797) was onze Municipaal of vrijwillige kerspelbestuurder inmiddels lid van de Landdag. Hij meldde dat zijn achterban hem een instructie ter hand stelde om daar te helpen bevorderen dat er een onderzoek kwam naar het gedrag van alle Drentse ambtenaren, ook lokale, die vanaf 1748 werkzaam waren geweest. Omdat dit voorstel mede de ambtenaren van het nieuwe bewind gold, was het verstrekkend. In werkelijkheid werd alleen het gedrag van enkele zeer vooraanstaande orangisten vanaf 1780 onderzocht, zonder dat het nieuwe bestuur ze ook maar één haar krenkte. De Landdag van 1797 negeerde het voorstel van Tietema en zijn partij, dat bleef liggen zonder zelfs maar een vermelding in de notulen.
In zijn laatste stuk voor de Courier, getiteld ‘Ronde gedagten over de Drentsche propositieën’ (4 januari 1798), maakte Tietema nog gewag van zeven voorstellen die hij alle zelf in de Landdag ter tafel bracht, en die allemaal “door daartoe expres benoemde Carspels volmagten getekent” waren. Ook deze minderheidsvoorstellen werden grotendeels niet eens in overweging genomen. In plaats van vice-president Van Rossen wilde Tietema de landdag laten voorzitten door een kerspelrepresentant. Van Rossen kon weinig goed doen in democratische ogen, want Tietema vroeg ook om een onderzoek naar diens gedrag, en dat van ambtenaren die hij van malversaties verdacht. Van alle Drentse ambtenaren en hun traktementen moest er zijns inziens een gedrukte lijst komen. De rentmeesters bleven niet buiten schot. Ook hier ging het om oud zeer: de Drenten verbaasden zich er vaker over dat niet één man tegelijkertijd de administraties van domeinen, Dickninge en Assen kon verzorgen. De laatste, maar niet de minste wens die Tietema uitte, betrof de aanstelling van geregelde kerspelmunicipalen, anders gezegd een definitieve regeling voor het plaatselijk bestuur.
Gegeven zijn opvattingen en zijn positie in de dorpsgemeenschap hoeven we niet te verwachten dat Tietema’s leven rustig verliep. Inderdaad was de ene aanvaring met een kerspelkopstuk nog niet voorbij of de volgende diende zich alweer aan. Niet dat we over elke zaak even uitvoerig worden ingelicht, we krijgen alleen zicht op het topje van de ijsberg.
Anno 1797 schreef Tietema, dat hij al wel tien jaar als patriot bekend stond. Hij kwam derhalve voor zijn politieke overtuiging uit in 1787, het jaar dat allerlei burgers zich in hun vrije tijd oefenden in het gebruik van wapens, wat niet verhinderde dat ze als kaf in de wind verstoven toen Pruisische beroepssoldaten orde op zaken kwamen stellen voor Oranje en diens zetbazen, wier positie in Drenthe overigens nauwelijks bedreigd was geweest. Of Tietema zich in die tijd militair bekwaamde is onbekend, maar de Norger kerkeraad weerde hem wel van het avondmaal wegens “openbaare en buitenspoorige dronkenschap en ongehoorzaamheid aan de kerkelijke vermaaningen”. “Tot voorkooming van verdere moeijelijkheeden” kreeg hij een uitgebreide schuldbekentenis voorgelegd, maar die weigerde hij te tekenen, zodat hij nog elf jaar als lidmaat geschorst bleef.
Twee jaar na de kerkelijke bestraffing, in 1789, waren de patriotten politiek monddood. Misschien dat een enkeling zich nog wel eens liet horen, maar die liep dan risico. Welnu, tijdens de Norgermarkt van dat najaar raapte de pander, Albert Willems, een briefje op van straat. “Vieva paterjotten boven” stond er op de ene zijde en op de andere een wraak-aanzegging aan de Oranjeklanten:
“De besste kraajer is niet te goet
al smoort hij in zijn eigen bloed
De paterjot sal weer op staan
de krajers sullen nu vergaan
de kraajers nu weer onder
de krajers na de donder”
Bij deze en gene informeerde de plichtsgetrouwe gerechtsdienaar naar de herkomst van het oproerige vers. En zo kreeg hij te horen dat de tekst die dag gezongen was in de tapperij van Tietema. Ook waren daar “meer andere honende woorden” gesproken. De pander besloot het briefje naar zijn superieur te brengen, schulte Homan te Vries, die het zaakje vervolgens aanbracht op de Goorspraak. Merkwaardig was, dat Tietema daar na de schulte het woord nam, om te melden dat twee onbekende soldaten hem op diezelfde Norgermarktdag met getrokken sabels bedreigden. Geen van beide meldingen kreeg gevolgen, waarschijnlijk omdat bewijzen moeilijk te leveren waren. In elk geval hoeven we noch de hoge, noch de lage gerechtsambtenaar tot de vrienden van Tietema te rekenen.
Na de Bataafse Revolutie bleven schulte Homan en de pander Willems in functie. Dat de oude dorpsverhoudingen nog een tijd ongeschokt bleven, toonde een relletje van november en december 1796. De pander onderschepte toen een verzegeld pakje met papieren, geadresseerd aan “de grondvergadering of municipaliteit te Norgh”, waarvan Tietema lid was. Het pakje bracht de pander naar schulte Homan, die in Vries woonde en dus geen lid kon zijn van genoemd bestuursorgaan. Toch opende Homan het, om de inhoud door te neuzen. Die inhoud beviel hem niet. Zowel hij als de pander zweeg over de schending van het briefgeheim, tot er na zes weken toch enige spraak van kwam en Homan wel gedwongen was om een gedeelte van de papieren met de pander mee naar Norg te geven. De pander bezorgde ze echter niet bij de de grondvergadering, de municipaliteit of het plaatselijke bestuur, maar bij Egbert Pelinck, de eigenerfde die het kerspel nog steeds in de Landdag vertegenwoordigde. Maar Pelinck, erop aangesproken, weigerde de papieren uit handen te geven. Zelfs al zou hij ze in het “secreet” willen gooien, dan moest hij dat weten, zoals hij zei.
Een en ander bleef niet zonder gevolgen. In maart 1797 kozen de stemgerechtigden van Norg immers Tietema in plaats van Pelinck tot hun representant. Tietema kwam vervolgens aan de weet, dat schulte Homan nog steeds een gedeelte van de papieren achterhield en bracht zijn mede-kerspelbestuurders van dat feit op de hoogte. Deze droegen hem op nog eens bij Homan aan te dringen. De schulte bleef echter weigerachtig, zodat Tietema zich na de democratisch-unitarische revolutie van januari 1798 geroepen voelde, het zaakje te melden bij het dan aangetreden landschapsbestuur.
Per maart 1797 was Tietema dus representant van Norg in de Drentse Landdag. In mei en augustus woonde hij zittingen bij, zonder al te veel succes, want de meeste van zijn voorstellen nam men niet eens in behandeling. Ook bij de allerlaatste vergadering van de Landdag, eind januari 1798, bleek hij van de partij. Uiterst merkwaardig is dat in de belangrijke tussentijdse Landdag van 12 januari 1798 opeens Joachim Lunsingh Tonckens aanspraak maakte op zitting namens Norg. Volgens de Onverwachte Courier was Tonckens – oud-Gecommiteerde Representant en lid van de Nationale Vergadering – een “tweederangs federalist”. Zijn Drentse partijgenoten konden Tonckens, die tussen zijn Haagse bedrijven door even overkwam, blijkbaar niet missen. Zonder slag of stoot ging de vervanging van Tietema door Tonckens echter niet, getuige de notulen:
“voorts in deliberatie gebragt zijnde of J.L. Tonckens van Westervelde representant van Norg als nieuw aangestelde volmagt op dese recesvergadering zijne geloofsbriev zou moeten produzeren, is na ingenomene stemmen verstaan dat de Burger J.L. Tonckens sessie sal mogen neemen.”
Tonckens had dus niet eens een geloofsbrief en zijn mandaat was daarmee kwestieus, maar de federalistische meerderheid in de Drentse Landdag wist het wel te plooien.
Intussen weten we door deze voorvallen, dat Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck de belangrijkste Norger tegenstrevers van Tietema waren. De vraag naar Tietema’s achterban blijft echter nog open. Welke Norgers voelden zich het meest aangetrokken tot zijn gedachtengoed?
Het antwoord op deze vraag laat zich bij benadering bepalen.
Najaar 1795 tekenden te Norg 101 mannen van 25 jaar en ouder het Drentse Déclaratoir met de rechten van de mens en burger, waardoor ze stemrecht verkregen bij de verkiezing van een kerspelrepresentant. Nog eens drie, te weten Gecommiteerde Representant Joachim Lunsingh Tonckens, Landdagcomparant Egbert Pelinck en Ette Roelf Hofsteenge presteerden de eed uit hoofde van hun functies. In totaal betuigden dus 104 volwassen mannen hun loyaliteit jegens de nieuwe orde.
Een eerste vergelijking met de lijst van 34 meest vermogende Norgers (1797), levert dan op, dat daarvan maar liefst 27 het Déclaratoir tekenden. Een overtuigende meerderheid van zo’n 80 %. Qua vermogen stonden de patriotten bijzonder sterk te Norg. Ook blijkt uit confrontatie van de Déclaratoir-tekenaars met het heerdstedenregister (1794) dat iets meer dan de helft van de hoofden van huishoudens die heerdstedengeld opbrachten, de nieuwe orde onderschreven.
Maar als we de Gewapende Burgermachtslijst (1798) hier weer naast nemen, dan blijkt er per stand was een duidelijk verschil. Het loyalisme was het grootst bij de kleine groep van ambtsdragers in het kerspel. Predikant, koster, schatbeurder, pander, en kerspelsoldaat, ze tekenden allemaal. Maar voor deze mannen stond er ook veel op het spel – menigeen tekende waarschijnlijk uit angst voor baanverlies.
Van de boeren opteerde een ruime meerderheid voor de nieuwe orde, terwijl regelrechte keuters, schepers, arbeiders en knechten de rechten van de mens en burger amper onderschreven. Een patroon dat zich herhaalde bij de koop- en ambachtslui. In het algemeen waren die zeer loyaal aan de nieuwe orde, alleen kleine ondernemertjes als wevers en schoenmakers lieten in meerderheid verstek gaan. De Bataafse Revolutie was in Norg, kortom, vooral een zaak van de wat beter gesitueerden.
Hiermee zijn we er nog niet. Onder de loyalisten scholen immers onverschilligen, federalisten, democraten en mannen die uit angst voor positieverlies het Déclaratoir tekenden. In augustus 1797 vond het referendum plaats over het Plan van Constititutie, waardoor de partijen zich enigszins laten meten. Welnu, van de 104 Norger patriotten stemden er toen slechts 58. Een flink deel van de stemgerechtigden bemoeide zich dus niet met de politiek. Vier die dat wel deden, dachten dat ‘het dikke boek’ ermee door kon. Dit waren derhalve de moderate federalisten. Daarentegen verzetten 54 zich met Tietema tegen de invoering van het grondwetsontwerp. Hierbij zullen heus wel wat verstokte federalisten hebben gezeten, maar het algemeen-landelijke beeld volgend, waren deze 54 overwegend democratisch-unitarische opvattingen toegedaan, zodat we mogen concluderen dat Landdagcomparant Tietema dat jaar een kleine meerderheid van alle stemgerechtigde Norgers achter zich had.
Na de unitarische revolutie van januari 1798 werden de grondvergaderingen gezuiverd van Tietema’s politieke vijanden. In het voormalige gewest Drenthe was deze zuivering de taak van een commissie, waarvan enkele redacteuren van de Onverwachte Courier deel uitmaakten. Dus politieke vrienden van Tietema! Mannen die nog in aanmerking wilden komen voor stemrecht, dienden een eed af te leggen, waarbij ze een afkeer betuigden van stadhouderschap, federalisme, aristocratie en regeringsloosheid. Ook de gezuiverde lijst van Norg is bewaard. En daaruit blijkt dat van de 104 Norger loyalisten anno 1795 drie jaar later nog slechts 67 het stemrecht bezaten.
Vergelijken we de nieuwe, gezuiverde lijst met de lijsten van grote vermogens, heerdsteden en beroepen, dan blijken allereerst enkele van de machtigste kerspelbewoners geschrapt te zijn, met name Joachim Lunsingh Tonckens en Egbert Pelinck, maar ook enige anderen. Van de 27 grote patriottische vermogens waren zo nog 21 in handen van politiek betrouwbaar geachte figuren, min of meer medestanders van Tietema. Nog wel een meerderheid onder alle 34 vermogenden, maar een stuk minder dominant.
Van de mannelijke heerdstedengeld-betalers uit 1794 had nu nog maar een minderheid toegang tot de grondvergaderingen. Maar ook deze minderheid was weer niet gelijk verdeeld over alle categorieën. Onder de vier- en driepaardsboeren en koop- en ambachtslui met twee paarden werden slechts enkele individuen van ’t stemrecht beroofd. Maar bij de tweepaardsboeren en de kleinere ambachtslui hakte de zuivering er goed in. De meerderheid sloeg bij deze categorieën om in een minderheid.
Onder de kleinere boeren en middenstanders hun stemrecht kwijtraakten, bevonden zich wellicht nogal wat afhankelijken van de zeer vermogende ingezetenen die werden geroyeerd. Het effect van de zuivering was in elk geval, dat het lokale patriottisme van boven en van onder afkalfde. Het raakte zogezegd zijn hoofden en voetvolk kwijt. De romp die van de grondvergadering resteerde – en dan doel ik vooral op de grotere boeren en middenstanders – mogen we tot Tietema’s achterban rekenen.
De volksdemocratische koopman, tapper en genezer apelleerde met zijn opvattingen dus vooral aan aan een middenlaag van bovenmodale agrariërs en middenstanders, die zich door kerspelkopstukken niet de wet hoefden te laten voorschrijven. En daarmee voldeed de Norger correspondent van de Onverwachte Courier precies aan de instructie van zijn redacteuren. Zijn opvattingen waren inderdaad “naar den vatbaarheid van den middenstand” geschikt.
Harry Perton
—
Dit verhaal verscheen eerder in een wat andere en geannoteerde vorm in Het Waardeel, jaargang 2000 nr. 4, pag 1-9.
Vroege Drentse dorpsgezichten in een Gronings familiearchief
Geplaatst op: 6 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis, Kunsten 3 reactiesIk had de portefeuille met tekeningen, prenten en foto’s, nagelaten door de familie Wolthers al vaker door mijn handen laten gaan, deed dat vandaag weer, en besloot nu maar eens om enkele tekeningen, die door de map heen verspreid waren geraakt, bij elkaar te leggen. Reden: het betreft Drentse topografica. Hele vroege ook nog, want uit de zomer van 1812. Soortgelijk werk is er niet veel. Niet alleen zijn deze tekeningen stijlverwant, wat in de context van de map wijst op een en dezelfde maker, ook gaat het in alle gevallen om pentekeningen, ingekleurd met waterverf, die ook nog eens door dezelfde soort vlekken zijn ontsierd.
Een gezicht te Eext is gesigneerd. Een herder hoedt enkele koeien bij ene drinkplaats. De weg erlangs voert naar de es (bouwland) die met wallen en een houten hek voor het vee afgesloten is:

“Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers”
Een gezicht te Gieten draagt dezelfde signatuur aan de achterkant. Bij een tweesprong staat een (boeren)huis met een put. Langs de weg zie je onder meer wilgen, wat net als het water in de sloot wijst op een wat lagere ligging:

“Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers”
Ook de jaartalloze nummer 3 is weer getekend met die naam. In de verte ligt het dorp Anloo met zijn karakteristieke kerktorentje. Op de voorgrond is de rogge-oogst op de es aan de gang:

“Anlo, JD Wolters”
Nummer vier draagt naam, plaatsnaam noch jaartal, maar hoort duidelijk in de serie thuis. De dakruiter op het kerkdak dat boven de bomen uitsteekt deed mij aanvankelijk met het belendende hoge pand een wat meer stedelijke omgeving vermoeden, maar Lars Sanders wees hier in een reactie op Ter Apel, en vergelijking met schilderijen in de collectie van het Groninger Museum leerde vervolgens dat hij gelijk heeft. De dakruiter en het kruis op het dak zijn praktisch identiek, bovendien staat daar ook een vrij hoog gebouw naast het klooster:

Verklarende tekst ontbreekt.
De tekeningen zijn dus in juli 1812 gemaakt door – voluit – Johan Diederik Wolthers, die op dat moment nog vrijgezel was, maar een jaar later als 34-jarige rentenier zou trouwen. Hij stamde uit een Gronings regentengeslacht – bij zijn huwelijk heet zijn vader “vroedschap”, en voorvaderen fungeerden meermalen als Burgemeester van de Stad.
Johan Diederiks beduidend jongere vrouw tekende eveneens, en dat verdienstelijk. Eind 1825 beloonde een Gronings kunstgenootschap namelijk een fruitstukje van haar met vijf ducaten. In hun artistieke voetsporen trad zoon Wolter, later burgemeester van meerdere Groninger gemeenten. Kurend in Bentheim tekende hij in de jaren 1840 honderden portretten van mede-badgasten (volgens een artikel dat eind vorig jaar in Stad & Lande verscheen). Het ging dus al met al om een tamelijk kunstlievende familie.
Naschrift 9 mei 2015:
Dit stukje is wat betreft de vierde tekening herschreven, omdat Lars Sanders de lokatie identificeerde als Ter Apel.
Paterswoldse aardbeien
Geplaatst op: 18 april 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Stad toen Een reactie plaatsen
“EELDE, 21 Aug. Sedert de groententuinen bij de stad Groningen meestal tot bouwterrein zijn gebruikt hebben vele arbeiders in deze gemeente en vooral te Paterswolde zich met kracht op de groenten- en vruchtenteelt toegelegd. Velen hebben hun bestaan daardoor vrij wat verbeterd en zijn daardoor in vrij wat beter conditie dan vroeger. De grond schijnt hier voor de cultuur van deze vruchten uitstekend geschikt te zijn en vooral levert het kweeken van aardbeien aanzienlijke voordeelen op. Een der kweekers van deze plant verkocht in dit seizoen van 11 Are land voor ruim ƒ 200, dit zou van een H.A. dus ongeveer eene opbrengst van ƒ 1800 worden.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 22 augustus 1898.
Commentaar: zoals wel vaker, berichtte de krant hier vrij laat over een zich langzaam voltrekkende ontwikkeling. De moeskerijen buiten de wallen van de stad die eerder groente en fruit leverden aan de stadjers, werden immers al vanaf 1875 bestemd voor woningbouw. Zo stamt de Warmoesstraat in de Oosterpoortwijk van 1879, terwijl de Jacobstraat van 1877 is en de Frederikstraat van 1878. Rond 1880 stegen de stedelijke groenteprijzen dus al en moeten de arbeiders van Paterswolde, die steeds minder emplooi in de turfgraverij vonden, hun kans hebben geroken.
Paterswoldse aardbeien waren al gauw een begrip in Groningen. Ze werden in “groote hoeveelheden” verbouwd op “enorme aardbeienvelden” die vooral tijdens de bloei een “magnifiek gezicht” opleverden. Eind jaren 20 echter, zat er even een dip in de teelt. Misschien hing deze dip samen met de economische crisis? Maar de vraag naar de luxe lekkernij herstelde zich vlug en in mei 1934 kondigde het Nieuwsblad van het Noorden zelfs de aankomst van de eerste aardbeien in de stad Groningen aan, alsof het een equivalent van de Hollandse Nieuwe betrof.
Paterswoldse aardbeien werden ook een exportproduct. In juni 1936 gingen ze al eens per vliegtuig naar de Nederlandse ambassadeurs in Brussel en Londen, beide oud-Groningers. Dit gebeurde door de veilingvereniging van Eelde/Paterswolde op verzoek van de gemeenter Eelde. Vanaf 1947 kwam een export per vliegtuig naar Londen tot stand, waar ze dan misschien ook wel op Wimbledon zijn verorberd.
Intussen kwamen ze in Groningen vooral door venters aan de man. Zo maakte ik er ook kennis mee, omstreeks 1977. Dat was nog net op tijd, want in 1980 bleek de teelt al “nagenoeg verdwenen”. Al met al heeft ze dus een eeuw bestaan.
Waarom de Spijkerboor meer opbracht dan het Vlonust
Geplaatst op: 27 maart 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Fragment boekhouding verlaatsgelden Spijkerboor en Vlonust, met ontvangsten uit 1706. Bijzonder is de post van 5 gulden en 12 stuivers die schippers betaalden wegens het breken van de verlaatsdeur van het Vlonestverlaat. Mogelijk was het een droge tijd, waarin de boeren het water graag ophielden. Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 587 (archief familie Trip) inv.nr. 257.
Rond 1700 hadden de vooraanstaande Noord-Drentse families Nijsingh en Ellents het recht om verlaats- of sluisgelden te laten innen bij de ten oosten van Annen gelegen Hunzeverlaten van de Spijkerboor en het Vlonust, dat ze zelf in een bewaard gebleven fragment van hun administratie het Vlonèst noemden. Gewoonlijk droegen de verlaatsmeesters – Hein Hermens en diens zoon Hermen Koiter wegens het Vlonust en Jan Albers Plaisier vanwege de Spijkerboor – de sommen twee keer per jaar af: eenmaal in mei of juni en de tweede keer in de winter. Die wintersommen waren veel hoger, waaraan je kunt zien dat de turfvaart zich vooral in de tweede helft van het jaar voordeed – van maart tot de langste dag werd de turf immers gestoken en te drogen gelegd, terwijl na de langste dag telkens het vervoer van de turf over de Hunze of Oostermoesche Vaart naar Groningen op gang kwam.
Van de genoteerde opbrengsten waren de salarissen van de verlaatsmeesters al afgetrokken. Tenminste, wat betreft het Vlonust staat dat incidenteel genoteerd. Voor de Spijkerboor is dat niet het geval, maar je mag aannemen dat de praktijk daar niet anders was. De uitbetaalde salarissen van de verlaatsmeester daar staan namelijk evenmin bij de uitgaven. Andere kostenposten, vooral aan onderhoud, werden wèl apart verantwoord. Deze konden van het ene op het andere jaar nogal uiteenlopen, maar gemiddeld ging het om een 80 à 90 gulden. De netto opbrengsten vielen daarmee nog een stuk lager uit dan in onderstaand grafiekje:

Bron: Rekeningen van de wed. Ellents voor haar zwager Lucas Nijsingh wegens de Spijkerboor- en Vloonustverlaten, 1698-1709. RHC Groninger Archieven 587-257.
Gemiddeld droegen de verlaatsmeesters samen zo’n 300 à 350 gulden per jaar af aan de aandeelhouders Ellents-Nijsingh. Wat opvalt is dat het leeuwendeel, ruim 200 gulden of minstens tweederde, steeds van de Spijkerboor kwam. Van veel geringer belang was het Vlonust, dat meestal nog geen 100 gulden per jaar opbracht.
Aangezien je mag aannemen dat de doorvaarttarieven en de salarissen van de verlaatsmeesters niet sterk van elkaar afweken, moet er een andere oorzaak zijn geweest voor het verschil in opbrengsten tussen het Vlonust en het slechts twee kilometer stroomafwaarts gelegen Spijkerboor. Wat was die oorzaak?
Daarvoor kunnen we kijken naar de omgeving van beide verlaten. Bij het Vlonust bleef de familie Koiter de verlaatsmeesters leveren. Zo werd er bij een schouw in 1790 (pag. 108) ten onrechte geklaagd dat L. Kuiter er het water ophield, terwijl er in 1830 nog steeds een Lucas Koiter als “vallaatsmeester” fungeerde. Dankzij diens naam en het later ter plaatse nog steeds voorkomen van de veldnaam Vlonust, kunnen we ons via de Drentse versie van HisGis een beeld vormen van de situatie ter plaatse rond 1830:

Het Vlonust en zijn omgeving volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis Drenthe.
Vanaf Annen liep er een openbare weg – tegenwoordig De Bulten geheten – naar het Vlonust, welke weg doodliep op het verlaat. Achter het Vlonust ging er niet zo’n weg in de richting van (Nieuw) Annerveen. In het kadaster staat Lucas Koiter als landbouwer te boek en hij had daar inderdaad vrij veel land (zie het merkteken x). Er kan natuurlijk een particuliere landweg hebben gelegen, maar hoe aantrekkelijk zo’n wagenspoor was, mag je je afvragen. In elk geval was Spijkerboor anno 1830 veel beter voorzien van openbare wegen, het gehucht gold zelfs als een soort van knooppunt:

De Spijkerboor e.o. volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis Drenthe.
Anno 1830 lag er verhoudingsgewijs ook nog veel meer heide in het achterland van het Vlonust, terwijl je in het Annerveen ten oosten van Spijkerboor relatief veel meer percelen landbouwgrond zag. De vervening en de ontginning van de afgeveende grond voor agrarische doeleinden was hier dus verder voortgeschreden. Er werd bij Spijkerboor, met andere woorden, veel eerder en veel meer turf afgevoerd. En dat zal dan de verklaring zijn voor het feit, dat rond 1700 de opbrengsten van het verlaat aldaar veel hoger waren.
Dankzij de betere infrastructuur bleef de Spijkerboor haar voorsprong ook houden. Niet voor niets bestaat Spijkerboor nog steeds, terwijl er op de plek van het Vlonust nu een natuurgebied ligt.
Van rusthuis tot zorgcentrum tegen de vlakte
Geplaatst op: 2 maart 2015 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger, Familie 1 reactie
Ik lees hier dat de Molenhof in Havelte gesloopt wordt. In etappes, dat wel, zodat men geen Havelter bejaarden hoeft af te schuiven naar ballingsoorden als Ruinen of Dwingeloo.
In de ziekenboeg van de Molenhof is mijn grootvader Harm Perton gestorven, op 13 januari 1973. Hij had griep, kreeg er een longontsteking bij, het was binnen een week bekeken. Afgezien van de pijn was het een genadige dood, want hij dementeerde al enige jaren. Werd vaag, keerde in zichzelf, sprak nauwelijks nog een woord en zocht het lichtknopje op een plek waar het vroeger had gezeten, in een heel ander huis.
Niet lang na zijn overlijden verhuisde mijn grootmoeder van hun zelfstandige bejaardenwoning aan de Dennenlaan naar de Molenhof, waar ze, als ik afga op haar rouwbrief, een “liefdevolle verzorging” ondervond. Zij overleed op 8 mei 1978. ik weet niet meer waaraan. De weinige keren dat ik er als student op bezoek kwam, zat ze zichtbaar te genieten. Al hadden we elkaar nooit bijster veel te vertellen, want onderhand gaapte er nogal een kloof tussen onze leefwerelden.
Ik herinner me een vrij kleine kamer in de linkervleugel, misschien vier bij vijf, met uitzicht op het grasveld achter waar een miniatuurmolentje stond. Een vrij lange gang voerde erheen. Wat me nu te binnen schiet, is dat de oudjes in hun recreatiezaal niet altijd even vredelievend met elkaar omgingen. Een oude buurvrouw van ons werd er behandeld als outcast, maar daar had ze het misschien ook zelf wel naar gemaakt.
Het complex dateerde van 1964 en gold toen ongetwijfeld als reuze modern. Eerder stond er een veel kleiner “rusthuis” aan de Molenweg, waarvan de ramen nog grote blinden hadden. Dit oude rusthuis werd in het nieuwe complex geïntegreerd, ik dacht dat de keuken er zat en de kamer van de directeur. Vanuit mijn herinnering meende ik dat het ging om een negentiende-eeuws gebouw, maar getuige foto’s in de Beeldbank van het Drents Archief moeten de Duitsers het er in de oorlog hebben neergezet voor hun vliegveldpersoneel.
Achilles – Feyenoord (1971)
Geplaatst op: 16 oktober 2014 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 4 reactiesTevens kwamen tevoorschijn enige fotootjes van een oefenwedstrijd tussen een Drentse ploeg tegen Feyenoord, anno 1971. Mij stond bij dat die Drentse ploeg Hoogeveen was, maar dat klopte niet, zo bleek bij een sondering in krantendatabanken, want die zomer speelde Feyenoord niet in Hoogeveen. Wel in Assen, tegen de tweedeklasser Achilles namelijk, dat voor de gelegenheid versterkt werd met enkele coryfeeën van elders uit Drenthe.
Feyenoord had in 1970 de Europacup voor landskampioenen gewonnen, en werd in 1971 Nederlands kampioen. Op zo’n oefenwedstrijd kwamen dus aardig wat mensen af. Het was daarom zaak tijdig entreebiljetten te bekomen. Vermoedelijk zijn de kaartjes betrokken via mijn oud-oom Klaas Vondeling, die jarenlang secretaris van Achilles was en naar wie ze daar in Assen nog een bokaal en een jeugdtoernooi hebben genoemd.
Van de wedstrijd op zich herinner ik mij hoegenaamd niets, maar Van Hanegem en Kindvall deden niet mee en dat was vast een domper. Uiteindelijk won Feijenoord, dat maar liefst vijf keer wisselde, met 5-1.
De wedstrijd vond plaats op zaterdag 24 juli. De foto’s echter, die ik maakte met mijn waarlijk eenvoudige AGFA ISO Rapid I, zijn volgens het datumstempel aan de achterzijde pas afgedrukt op 27 september. Zo lang deed je destijds dus over een rolletje van zo’n 24 foto’s.
De plaatjes zijn niet tijdens de wedstrijd geschoten, maar na afloop, toen het veld bestormd werd door handtekeningenjagers. Voor de spelers rechts op de eerste foto bestond er wat minder belangstelling. De derde van die kant af is de nog piepjonge Wim Rijsbergen, die net van PEC overkwam. In de traumatiserende WK-finale van 74 was hij de directe tegenstander van Gerd Müller, de man die ons de das omdeed. Rijsbergen is later nog coach van FC Groningen en de Indonesische nationale ploeg geweest. Tegenwoordig woont hij weer in Nederland, dacht ik:

Wim Jansen, de bekende middenvelder:

Linksbuiten Coen Moulijn. Toen ik ook een handtekening van hem wilde hebben, schold hij me uit onder aanroeping van enkele vreselijke ziektes en spurtte keihard weg, wat maakte dat ik definitief voor Ajax koos:

De reserve-doelman Bram Geilman, die later zijn naam zou veranderen:

De winkeldeur van meneer Vissia
Geplaatst op: 13 juli 2014 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 6 reacties
Tot mijn vreugde zag ik dat het deurbeslag van IJssalon Rimini nog hetzelfde is als een halve eeuw geleden, toen de kruidenier Hendrik Vissia hier zijn winkel had.
Tussen ons huis en die winkel lag enkel weiland, hemelsbreed zo’n 120 meter. ’s Avonds kon je in het donker de lichtreclame zien van die winkel: D.E. in een geel afgerond vierkant.
Meneer Vissia was, voor zover ik me herinner, een joviale, goedlachse man en een klant van mijn vader. Met mijn moeder ging ik wel eens mee naar zijn winkel om boodschappen te doen, en ik moet er naderhand ook wel eens in mijn eentje zijn heengestuurd. Er stond een molen met zwart-wit ansichtkaarten in de winkel. “Uitgave H. Vissia”, kon je achterop die kaarten lezen. Je kreeg er altijd een snoepje bij de boodschappen: Engels drop of een zuurtje uit een grote glazen bol.
Midden jaren zestig werden er woningwetwoningen op het weiland neergezet en verdween het avondlijke uitzicht op het warme winkellicht in de verte. Meneer Vissia en zijn gezin verhuisden ongeveer tegelijkertijd uit het dorp.
Als ik hun familienaam natrek in ouwe kranten, merk ik dat ze hooguit vijftien jaar in Havelte hebben gewoond. Ze kwamen oorspronkelijk uit Friesland, vestigden zich per 1 december 1953 te Havelte en hoewel ‘import’, was meneer Vissia vrij actief in middenstandsclubs en VVV. Mede door hem kwam in 1960 weer een schaapskudde in Havelte, als magneet voor dagjesmensen.
In 1964 vertrok de familie naar Wapenveld, waar ze een drogisterij en een pension begon. Meneer Vissia overleed er medio 1968, slechts 59 jaar oud, “na een gedurig gedragen lijden”.
Man krijgt bijenzwerm op zijn togus
Geplaatst op: 6 juli 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger 4 reactiesEen ervaring die weinigen zouden willen hebben
“Een zeldzaam voorval heeft j.l. zaturdag te Uffelte plaats gehad. Een boerenzoon was aan ’t grasmaaijen in de nabijheid van eenige korven met bijen. Onverwachts ziet hij zich omringd van een bijenzwerm. Geen kans ziende om te ontkomen, bukt hij zich en de zwerm zet zich aan zijne broek neer. De eigenaar der bijen zulks bemerkende, komt spoedig toeschieten om hem van dezen zonderlingen last te ontdoen. Gelukkig, dat eerstgemelde met bijen wist om te gaan, anders zou de aangevallene er waarschijnlijk niet zoo goed zijn afgekomen.”
Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 22 juli 1865.
Hoe de Drentsche Courant de Meppeler Courant de oren waste
Geplaatst op: 4 juli 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger, Media Een reactie plaatsen“Voor eenigen tijd gaf de Meppeler Courant te kennen, dat zij, wanneer zij eigene berigten uit de Drentsche Courant overnam, zulks steeds met groote letters zou te kennen geven. Wij vonden dit zeer prijzenswaardig en niet meer dan eerlijk; jammer dat de Meppeler dit goede voornemen – gelijk helaas, met vele goede voornemens pleegt te geschieden – zeer spoedig schijnt vergeten te zijn; hel laatste nummer levert er het bewijs van. Wij vertrouwen echter dat eene bloote herinnering aan bedoeld haar loffelijk voornemen genoegzaam zal zijn om haar voor het vervolg weder dienovereenkomstig te doen handelen.”
Bron: DrentscheCourant 19 februari 1850.
Let wel: niet het overnemen van berichten wordt gegispt, want de Asser was er zich zeer van bewust dat nieuws vrij was. Het ging haar louter om de bronvermelding, implicerende een erkenning dat men het bericht niet te danken had aan de eigen, maar aan andermans noeste ijver.
Moralistische puutjes van de melkfabriek
Geplaatst op: 11 juni 2014 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 5 reactiesTussen de papieren van mijn vader, die de boekhouding deed voor een paar honderd boeren uit de omgeving, zaten deze twee zakjes waarin – als je het mij vraagt – de lokale melkfabriek het melkgeld voor de aangesloten boeren verpakte. Uit welk jaar ze precies zijn, is me onbekend. Er staan wel data op, maar zonder jaartallen. Me dunkt echter dat ze uit de periode 1950-1965 stammen.
Het gekke is dat op beide puutjes, die getuige de data met en tussenpoos van twee maanden zijn afgegeven, een identieke berekening staat met twee inhoudingen, waarvan er een de O.B. of omzetbelasting betreft.
Laatst hoorde ik weer eens een jeugdige clichématig fulmineren tegen opgestoken vingertjes, maar dat die soms nodig zijn, laten de bepaald zinnige boodschappen op deze puutjes voor de boeren zien.

Penicilline in de melk was vooral in de jaren vijftig een zorg, hoewel er destijds ook geleerden waren die de risico’s wegwuifden:

‘Thans weer een sieraad van het Noord-Drentse landschap’
Geplaatst op: 7 mei 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reactiesHet Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid heeft vanwege de Molendag, aanstaande zaterdag, een hele zut molenfilmpjes op zijn YouTube-account gepost, waaronder deze over de oliemolen van Roderwolde uit 1959, toen die molen net opgeknapt was. Het filmpje brengt mooi in beeld, wat zo’n oliemolen verwerkt:

Recente reacties