Jachtstatistiek 1856

Uit het jaarverslag van de provincie Groningen over 1856:

De staat van het jagtveld was over het algemeen voordeelig. In evenredigheid van de laatste jaren neemt het wild toe.
In het jaar 1856 zijn in deze provincie afgegeven 258 groote en 9 kleine jagtacten (…). Het getal schadelijke dieren , waarvoor premiën zijn uitgereikt, is als volgt: 86 vossen, 10 marters, 105 bunsings, 332 wezels, 156 valken, 1 havik en 2 wouwen; de som der premiën bedroeg ƒ 252.80.

Volgens de zoo naauwkeurig mogelijk ingewonnen berigten mag men het er voor houden, dat in dit jaar op wettige wijze zijn bemagtigd: 8000 hazen, 14.800 patrijzen, 70 korhoenders, 125 houtsnippen, 1200 eenden, 500 watersnippen.

In de kooijen zijn ongeveer gevangen 4000 eenden, 2000 talings, 3500 smienten, 1000 pijlstaarten; met slagnetten 1000 ganzen, 250 eenden, 450 smienten, 300 kemphanen.

Bron: Groninger Courant 12 juli 1857 (pag. 2).


Een korhoen bij Kropswolde

Vond weer een historische melding van het korhoen in een Gronings hoogveengebied. Waar Quintyn Pabus in zijn lofdicht op de stad Groningen (1741) in de stadsjurisdicties rondreist, doet hij ook even de streek ten noordoosten van het Zuidlaardermeer aan, waar zijn speciale aandacht uitgaat naar de jacht:

’k zie daar te Kropswoldt de buitenplaats van veer
Des Borgemeesters Van Iddekinge, ‘k hoor blaazen
’t Zijn jaagers die patrijs en korhoen en ook haazen
Gevangen hebben voor dien braaven borger heer
Ziet daar, zij leggen ze aan zijn voet eerbiedig neer.

De jacht op korhoenders en patrijzen was sinds september 1725 per plakkaat verboden in de stadsjurisdicties en Westerwolde. De jagers die de heer Tobias Jan van Iddekinge de beschreven eer aandeden, waren dus fors in overtreding. Burgemeester van Iddekinge was bovendien om het jaar president van het Groninger Hof van Justitie. Uit hoofde van zijn beide functies zou hij zulke kerels eigenlijk moeten laten arresteren en ze dan aan het jachtgericht overleveren. Maar als het zijn eigen jagers waren, dan deed hij dit natuurlijk niet.


Bronnen, naast Pabus’ Lof: Jan de Bruijn, Plakkaten van Stad & Lande, nr. 1460 en Duco Kuikens Lijst van Gezagsdragers (Groninger Archieven 1700-16).


Het Lingenhuis nu helemaal een bouwval

Vanwege de gladde binnenwegen kwam ik vanochtend bij uitzondering weer eens langs de Peizerweg en zag dat de boerderij aan het eind van die weg nu wel heel erg ingestort is:

De laatste eigenaar wilde er auto’s repareren, maar kreeg de agrarische bestemming er niet af. Ook had hij veel last van trillingen (de busbaan loopt er vlak langs):

In elk geval vanaf de 17e eeuw hebben boerderijen op deze locatie gestaan. Eerst de Brackenheerd, waarschijnlijk zo genoemd naar een stuk ziltige grond (niet ongewoon in Hoogkerk e.o.). Eind 17e eeuw werd dit ’t Lingenhuis, dat na de komst van het belendende Porrenhuis (een herberg en particulier tolhuis) tot het minibuurtschapje Lingenhuizen promoveerde.

Aan de westkant van het heem ligt een krom watertje op de plek waar voor 1300 het Oude Eelderdiep naar Hoogkerk toe stroomde:

Er staat nu een verboden toegangsbord bij van BAM-Utiliteitsbouw. Ik denk dat er een project ontwikkeld wordt en hoop dat de archeologen van de gemeente ruim de gelegenheid krijgen voor onderzoek op deze historische plek.

Zal binnenkort ook maar eens mijn notities over de bewoningsgeschiedenis van deze locatie tot een artikel verwerken.


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Volksverhuizingen in Groningerland

Jannes de Vries, Weg langs koolzaadveld.

Op de klei is het aanhouden van bijenstallen bijna geheel vervallen en buiten het achtbare gebruik; maar in de Woudstreken en op het landschap Westerwolde wordt van dezelve nogal veel werks gemaakt en derzelver cultuur, bij vruchtbare en drooge jaren, met succes gedreven. Deze alle en niet weinige uit de provincie Drenthe vinden hier in den zomer, op den bloei van het koolzaad en de klaver, den kost — en somtijds ook meer dan dien; zij worden tegen den bloei derzelve naar de kleistreken van overal gebragt , waarna zij naar de zand-, veen- en heidestreken worden teruggevoerd, om aldaar het overige van den zomer op den bloei van boekweit en heide, den meesten honig te winnen. Bij den herfst worden zij, die den kost hebben, opgezet tot den winter; de besten worden geslagt.

Bron: Staat ven den landhuishouding in derzelver onderscheidene takken in de provincie Groningen in den jare 1818 opgemaakt … (Groningen 1821) 47.

Interpretatie: Het is misschien een beetje ingewikkeld citaat, maar wat er staat is dat de bijenteelt in de kleistreken van Groningerland anno 1818 bijna niet meer bestaat. Die kleistreken, dat zijn het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo, de noordelijke helft van Fivelingo en ook het Oldambt. In de Woldstreken – ‘t zuidelijk Westerkwartier, Duurswold – en Westerwolde daarentegen, leeft de bijenteelt in 1818 nog volop. Vanuit deze streken gaan de bijen eerst noordwaarts naar de klei, als daar de koolzaad en de klaver bloeien. Op de klei is imkeren dus voornamelijk een zaak van vreemden: Woldjers, maar ook Drenten. Die houden echter weinig honing over aan de verhuisoperatie: het verblijf van hun bijenvolken op de klei dient vooral voor het aansterken en vermeerderen van deze volken. Pas als deze imkers in de nazomer hun bijen zuidwaarts dichterbij huis op veenboekweit en heide zetten, begint hun echte gewin. Daarvoor “slachten” ze in september de helft van hun bijenvolken. Dat het hierbij gaat om de grootste volken met de meeste honing en was, zou op lange termijn overigens wel eens kunnen hebben gezorgd voor een zekere degeneratie.


Imegeld in Feerwerd

Feerwerd in 1822. Wit is bouwland, groen is weiland. Bron: http://www.hisgis.nl

Op 4 juni 1804 leverden L.M. Venema en Jan Cornellis, diakenen van Feerwerd, een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waarin ze klaagden dat bijenhouders van buiten hun kerspel weigerden om imegeld te betalen. Althans, deze waren niet genegen,

voor elke korf meer dan eenen stuiver te betalen.

En dat terwijl

gemeenlijk er in ander kerspelen door zulken, die bieën houden en gewoon zijn dezelve uit de wouden op de kley over te brengen ten tyde wanneer de kool in bloeije staat, twee stuiver voor iedere korf [tot] soutien der diaconie betaald word…

De diakonie van Feerwerd kon dus de helft minder per aangevoerde  bijenkorf vangen, dan armenkassen in de omgeving: 1 in plaats van 2 stuivers. Hun verzoek aan de drost was daarom, de imegeld-tarieven in hun voordeel gelijk te trekken:

dat Uw[el]Ed[el]Gestrenge naar uwe wijsheid voorzieninge gelieve te doen dat ook de Feerwerder diaconie, welke zo diep in decadence is, gelijke revenuen als andere karspelen te dezen jouisseren moge.

De drost maakte het verzoek “commissoriaal ter fine van nader onderzoek”, hetgeen zoveel wilde zeggen dat er na enige research nog een hoorzitting zou volgen. Een verslag daarvan heb ik echter niet kunnen vinden in de commissieboeken. Of er nog een vervolg geweest is, lijkt ook hoogst onzeker. Elders (met name in het Oldambt) bleek de inning van imegeld na 1795 namelijk meestal te stoppen, hoewel er ook pogingen werden waren om de traditie nieuw leven in te blazen.

In elk geval wordt uit het Feerwerder verzoekschrift duidelijk dat de imkers die in het voorjaar hun bijenkorven naar de klei onder Feerwerd overbrachten, afkomstig waren uit de woudstreek. Waarschijnlijk werd hiermee niet de Friese Woudstreek bedoeld, maar het zuidelijk deel van het Westerkwartier (omgeving Leek, Zevenhuizen, Marum, Opende, Grootegast).

Ook kan het koolzaad in de omgeving van Feerwerd wel eens een vrij nieuw fenomeen geweest zijn. De prijzen van oliehoudende zaden waren in deze jaren hoger dan ooit, terwijl nieuwe grondbewerkingstechnieken zorgden voor een hogere bodemvruchtbaarheid, die koolzaadteelt mogelijk maakte op gronden die daarvoor eerder ongeschikt waren. Toen de imkers uit de woudstreek daardoor in groten getale hierbij hun korven gingen plaatsen, achtte de diakonie van Feerwerd de tijd rijp voor dit rekest aan de drost van het Westerkwartier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerecht Westerkwartier) inv.nr. 724: rekestboek, het verzoekschrift d.d. 4 juni 1804.


Korhoenders in Groningerland, 1828


Bij het doornemen van schoolmeestersrapporten uit 1828 viel me op dat sommige onderwijzers bij de vraag naar de “voortbrengselen des dierenrijks” ook jachtwild noemden, o.a. korhoenders/korhoenderen. Heb al die rapporten er maar even systematisch op doorzocht. Op de plekken, gemarkeerd door de rode stippen op de kaart werden korhoenders door de schoolmeesters gerapporteerd.

Het Westerkwartier, het Gorecht en Westerwolde springen eruit als leefgebieden van deze veel bejaagde vogel. Bij Scheemda, op het  schiereiland van Winschoten, werden ze ook wel gezien. In alle gevallen ging het om hoger gelegen zand- en veengronden met nog vrij veel onontgonnen natuur en kleinschalige landbouw.

Een overdreven voorstelling van de aantallen moeten we ons maar niet maken. In Grootegast werd het korhoen zeer zelden gezien, in Opende ging het om enkele exemplaren, in Zevenhuizen waren ze vrij zeldzaam en in de buurt van Scheemda zag je ze weinig. In belendende streken als de Friese Wouden en Drenthe – waar nog veel meer hoogveen aan snee zou komen – waren de aantallen wellicht groter.

Een bijzondere vermelding verdient nog de schoolmeester van Doezum. Hij kwam met een volksetymologische verklaring voor de naam van de buurtschap Kornhorn:

het heeft ook zoo men zegt, zyn naam van de jagt ontleend; hier werden in vroeger tyden veel korhoenen gevangen of geschoten, en omdat dit wild, hier in menigten verkeerde, noemde men die hoek de Korhoek of Korhorn; nu zegt men gewoonlyk de Kornhorn.

Eind zeventiende eeuw is in stukken steeds sprake van Curringehorn. Dat duidt eerder op een familie- en een boerderijnaam.


Dienstbodenbesteders

Via de truc met het procentteken trok ik uit Alle Groningers 42 meldingen tevoorschijn van besteders/bode{n)besteders/dienstbode(n)besteders: mannen die de arbeidsbemiddeling tussen werkgevers enerzijds en anderzijds meiden en knechten als hun hoofdberoep beschouwden. Waar woonden deze arbeidsbemiddelaars?

In elk geval nauwelijks ten zuiden van het Reitdiep en het (Verlengde) Winschoterdiep, dus in Westerkwartier,  Gorecht, Veenkoloniën en Westerwolde. Het Lageland en Duurswold vallen er ook duidelijk tussenuit.

Bodensteders waren er wel in de Stad, en verder in drie klusters op het platteland:

  1. bij de jonge polders langs de Waddenzee;
  2. in de streek rond Loppersum en Stedum en
  3. in het Oldambt.

Die drie regio’s hebben gemeen dat er veel graan werd verbouwd. Mogelijk waren de arbeidsverhoudingen er, net als in de Stad, wat zakelijker, waardoor de behoefte aan arbeidsbemiddeling er ook wat groter was. De streken waar de beroepsgroep nauwelijks voorkwam, kenmerkten zich veelal door kleinere gemengde bedrijven en veeteelt. Alleen de Veenkoloniën vormden wat dat betreft een uitzondering.


‘Eene onvoorzigtigheid, geheel strijdig met het veylig gebruik der publieke wegen’

Op 25 mei 1809 ontving de drost van het Westerkwartier bericht,

dat op den 23 dezer digtbij Noordhorn de vrouw van Freerk Hendriks onder Grijpskerk zoude zijn overgereden door het rijtuig van enen Luurt Popkes onder Niehove woonagtig, en sodanig gekwetst, dat zij korte uren daarna was overleden…

Onmiddellijk gaf de drost de fiscaal (aanklager) van de jurisdictie opdracht de zaak zo snel mogelijk te onderzoeken. Aan de dodelijke afloop van het ongeluk hoefde men alvast niet te twijfelen, want op 29 mei werd te Grijpskerk Tietje Sijtses (56), de vrouw van Frederik Hendriks begraven. Het echtpaar woonde op de Westerhorn bij Grijpskerk en was in goeden doen. Dat gold eveneens voor de boer Luurt Popkes, die wat later de familienaam Gaaikema aannam. Misschien dat die welstand ook teweegbracht, dat de fiscaal niet zo’n haast maakte met zijn onderzoek. Met armere sloebers werden heel wat kortere metten gemaakt, maar een boer liep niet weg.

Pas drie maanden later, op 16 augustus 1809, bleek dat de fiscaal zijn “praeparatoire informatiën” had ingeleverd bij de drost. Ook gaf hij de drost nog een mondelinge toelichting op deze getuigenverhoren “nopens het praesumptiv overrijden der vrouw van Freerk Hendriks door het rijtuig van Luurt Popkes”. De drost besloot daarop dat de getuigen hun verklaringen zo snel mogelijk onder ede moesten bevestigen.

Dat noch de voorlopige, noch de beëdigde verklaringen bewaard zijn gebleven, komt doordat de strafrechtelijke procedure, nu deze serieuze vormen begon aan te nemen, geen geheim bleef voor Luurt Popkes Gaaikema. Ik denk dat hij ook zelf is verhoord. In een rekest vroeg de boer “in submissie” te worden aangenomen. Inwilliging van een dergelijk verzoek zou betekenen, dat de zaak niet crimineel werd vervolgd (waarbij verbanning, een lijf- of celstraf dreigde), maar boetstraffelijk, zeg maar door middel van een schikking. Daarvoor was echter wel nodig dat de verdachte zijn schuld zou toegeven, dus een bekentenis aflegde en spijt betuigde. Het bleek dat Gaaikema daar enige moeite mee had.

Op 15 oktober verklaarde hij dat hij zich geheel onschuldig achtte aan de “verregaande moedwil of onvoorsigtigheid” die hem ten laste werd gelegd doordat zijn rijtuig op de weg tussen Zuid- en Noordhorn de sjees van Freerk Hindriks en diens vrouw Tietje Sytses omverwierp, waardoor de vrouw aan haar eind kwam. Wat betreft een dergelijke “wandaad” was zijn geweten geheel schoon, zei Gaaikema. Het griefde hem dat men het deed voorkomen alsof hij iemand van het leven beroofd had. Ook trof het hem zeer,

na reeds een gevorderde ouderdom te hebben bereikt, en tot hiertoe zo veel mogelijk de regels van prudentie aan zijne jaaren passende, te hebben geobserveert, eensklaps van de verregaandste petulantie te worden betigt

Hij was al 34 en dus echt niet meer zo onstuimig. Hij zou zijn “onbesproken levenswijze” gemakkelijk kunnen bewijzen, maar achtte dat onnodig omdat de verzamelde getuigenverklaringen niets konden behelzen “waaruit enig ongunstig denkbeeld opzigtelijk zijn gehouden gedrag kan worden gevormd”. Echter, hij had gehoord dat de verhoorde getuigen familie van het slachtoffer waren en zulke mensen konden zich door hun emoties laten meeslepen. Vandaar dat hij zijn eigen versie van het gebeurde gaf:

Dat hij benevens zijn huisvrouw op den 23 van bloeimaand l.l. ter gelegenheid van de kermis met de wagen na Groningen zijnde gereisd, tegens de avond retournerende, en zig op de Heereweg tusschen Noord- en Zuidhorn in een stroom van rijtuigen gewikkeld bevindende, door het hevig geraas en getier van eenige derzelve des rem[on]s[tran]ts peerden zig zodanig hebben geschrickt, dat dezelve geheel uit zijn magt zijn geraakt, wanneer (nadat de teugels vervolgens in stukken waren gerukt), hij niet in staat is geweest te kunnen beletten dat zijn hollende wagen een der raden van de chais waarop Freerk Hindrisk en vrouw waren, bij het passeren van dezelve zodanig te raaken, dat de chais is omgeslagen, en bij welke gelegenheid de vrouw van dezelve Freerk Hindriks zig zo ongelukkig heeft bezeert.

Ongelukkig bezeerd…, wat een bagatel – alsof het niet veel erger was geweest. Gaaikema had de paarden voor zijn (zwaardere) wagen dus niet in toom kunnen houden. Weliswaar erkende hij “alzoo eenigerwijze kan geoordeeld worden de oorzaak van dit ongeluk geweest te zijn”, toch deed hij een beroep op “zodanige verschonende omstandigheden”, dat het ongeluk voor hem geen “zeer onaangename gevolgen” mocht hebben. Daarom hield hij zich niet langer stil. Ook was de voortdurende herinnering aan het ongeluk hem “even smartelijk als onverdraaglijk”. Hij had niets liever dan

door eene spoedige afdoening mogelijk in staat te zijn dit ongeval gedurende zijn leven nog eenmaal te kunnen vergeeten.

Vandaar zijn verzoek “in submissie” te worden toegelaten, en de gerechtelijke vervolging in deze zaak op te schorten. Dat nu, deed de drost zomaar niet. Die wenste eerst het advies van de fiscaal in te winnen.

Op 17 januari 1810 was dat advies binnen. De fiscaal vond dat Gaaikema zijn verzoek zo had ingekleed, “dat daarin geen schuldbekentenis wierdt gevonden”. Om die reden zou de drost het verzoek moeten afwijzen, daar “er gene submissie kon plaats hebben van iemand die zich geheel onschuldig houdt”. De drost besloot dit advies op te volgen en Gaaikema om een nadere uitleg te vragen – zonder zo’n toelichting wilde hij diens verzoek niet inwilligen. Aldus voor het blok gezet, haalde Gaaikema bakzeil. Hij erkende nu,

door onvoorzigtigheid de eerste aanleiding tot dit ongeval te hebben gegeven, en dus in soverre sou kunnen worden beschouwt op eene meer of min schuldige wijze in dit geval te zijn begrepen…

De fiscaal zag hier “een zekere schuldbekentenis” in, waardoor zijn bezwaar tegen een boetstraffelijke afhandeling van de zaak verviel. Op 15 februari 1810 kwam de drost tot zijn uitspraak. Hoewel hij Gaaikema onschuldig achtte aan het opzettelijk overrijden van het slachtoffer, was er bij de ongelukkige inhaalmanoeuvre toch wel sprake geweest van

eene onvoorzigtigheid, geheel strijdig met het veylig en ongestoort gebruik der publieke wegen, waarvan de schadelijke gevolgen alleen moeten komen ter verantwoordinge van diegene , welke het waagt een ander van agteren voorbij te rijden, ter oorzake, dat dezelve vooruit kan zien en weten of de passage breed genoeg is om onverhindert en sonder letzel het rijtuig, dat voor hem op weg is, voorbij te kunnen rijden…

Daarom veroordeelde de drost Luurt Popkes Gaaikema tot een boete van 80 daalder. Bovendien moest Gaaikema de “dood- en uittigstkosten” van Tietje Sijtses aan haar man vergoeden, evenals de schade aan hun sjees. Van de betalingen moest Gaaikema kwitanties aan de drost tonen. Hij kreeg verder nog de rechtskosten voor zijn kiezen.

Getuige de post van 120 gulden in het breukenregister van de jurisdictie Westerkwartier heeft Gaaikema de boete vrij vlot voldaan. Laat de kosten van de begrafenis en de bijbehorende maaltijd een 40 gulden geweest zijn, het rekest en de civiele uitspraak vergden samen een even hoog bedrag. Bovendien kwamen daar nog kosten van de afgebroken strafrechtelijke procedure overheen en niet te vergeten die voor de sjeesreparatie. Al met al schat ik dat Gaaikema er minstens 250 gulden bij inschoot. Voor dat bedrag had hij als boer een jaar lang twee arbeiders in dienst kunnen hebben.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archieven gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia: 25 bloeimaand en 16 oogstmaand 1809, 17 en 31 louwmaand 1810; idem inv.nr. 727: rekestboek d.d. 15 wijnmaand 1809; idem inv.nr. 416: uitspraak van 15 sprokkelmaand 1810; idem inv.nr. 767 breukenregister, 1810.


Paragraaf over de jacht

Uit het Gemeenteverslag van Marum, 1851, :

Er waren in het afgelopen jaar weinig hazen, veel patrijsen, enkele korhoenders, houtsnippen en kwartels, veel lijsters en vinken, verder eenige ganzen, eenden, watersnippen en schrieken.


Een kind van het strand

Bij een novemberstorm in 1803 werd er een schip op de kust bij Oldehove geblazen. Het hol was nog wel dicht en de schipper en zijn vrouw bleven voorlopig aan boord, want de vrouw was hoogzwanger. Ze beviel ook op die opmerkelijke plek, maar naderhand weigerde de predikant van Oldehove haar kind te dopen. Daarom stapte de vrouw, toen de gangbare kraamtijd zo’n beetje voorbij was, naar het gerecht. Op 11 januari 1804 legde ze haar probleem voor aan de drost van het Westerkwartier:

Door Geertje Teunis, vrouw van Willem Schouten zijnde voorgedragen, dat zijlieden met hun schip door harde wind en vloed op strand geraakt zijnde nabij Oldehove, zij Geertje Teunis aldaar in dien tijd voor ruim vijf weken in de kraam was bevallen van een kind, zijnde een dogter, dewelke de predikant der plaats do. Muntinghe zwarigheid maakte te dopen.
Is dezelve geauthoriseerd, gelijk geschiedt bij dezen, om aan het kind in dit singulier geval den Heiligen doop toe te dienen, zonder dat immer uit dien hoofde ten nadeele der diaconie van Oldehove eenige consequentie zal kunnen worden getrokken.

De predikant was dus bang geweest dat de schipper en diens vrouw tot armoe zouden vervallen, waarbij hun kind, als het in Oldehove gedoopt was, tot last van de Oldehoofster armenkas zou komen. Maar het gerecht, oftewel de drost, gaf hem in dit buitengewone geval een vrijwaring. De predikant kon er staat op maken dat zoiets niet zou gebeuren.

Niets stond de doop van Grietje, de dochter van Willem Schouten en zijn vrouw Geertje Teunis meer in de weg. Op zondag 15 januari 1804 vond die plaats. De predikant noteerde in het doopboek, dat de ouders uit Giethoorn in Overijssel kwamen en dat hun kind door hem gedoopt was “op bijsondere authorisatie van den Drost van het Westerquartier”. Ook staat er bij de doopinschrijving een verwijzing naar het kerkboek. Bedoeld is in dit geval het kerkeraadsprotocol van de gemeente. Daarin schreef ds. Muntinghe bovenstaande verklaring van de drost in extenso over, waarbij hij de laatste bijzin, die met de vrijwaring, nog even extra duidelijk onderstreepte.

Bronnen: RHC Groninger Archieven:

  • Toegang 735, archief Jurisdictie Westerkwartier, inv.nr. 729: publicaties en notificaties door de drost, die van11 januari 1804.
  • Doopboek Oldehove, akte 15 januari 1804.
  • Toegang 279, archief hervormde gemeente Oldehove, inv.nr. 1, notitie 15 januari 1804.

Knecht ontvlucht gemelijke baas

In de vroege ochtend van 6 december 1804 kneep Jan, knecht van Zytse Hindriks bij Oldehove, er stilletjes tussenuit. Hij nam wat stukjes vlees en een kop boter mee uit de melkenkamer van de boerderij en kocht onderweg bij een koopman in Oldehove vier doeken en twee paar kousen op rekening van zijn baas.

Jan was Oldehove al uit, toen de wedman hem achterhaalde en terugbracht naar het dorp. ’s Middags bracht de wedman hem over naar het rechthuis in Zuidhorn, waar de drost van het Westerkwartier zetelde en rechtsprak.

Jan bekende bij meneer de drost meteen alles.

dog tot zijne verschoning inbrengende, dat hij enen geruimen tijd ziek geweest zijnde en hierdoor buiten staat geraakt om voor den boer te arbeiden – dewelke hem voor zijn dienst, kost, klederen en het meesterloon moest betalen – deze zich daarover meermalen gemelijk tegen hem betoond had, zo dat hij daar niet langer konde verblijven; dat hij voorts niet meer dan tot reiskost had medegenomen, en eindelijk dat daar hij niets geen geld en maar weinige slegte klederen hadde, hij bevreest geweest was, om bij het aannaderen des winters bij geen ander te kunnen teregt komen; ook had hij begrepen dat het zo erg niet was op een anders naam iets te halen…

Jan vroeg om een genadige behandeling. Gezien zijn leeftijd, 16, bleek de drost daartoe bereid. Hij veroordeelde Jan tot acht dagen opsluiting in de toren van Midwolde, waarbij hij de roderoede van de Leek opdracht gaf om Jan

in dezelve toren van behoorlijk stro te voorzien en voorts twee maal daags het nodige water en brood te bezorgen.

Ik vermoed dat Jan het met dat dieet daar in de toren van Midwolde aardig koud heeft gehad. Eenmaal weer op vrije voeten zal hij met zijn afgedragen kleren en gebrek aan referenties inderdaad geen baas hebben kunnen vinden. Zo iemand moet een heel gemakkelijke prooi zijn geweest voor de zielverkopers of wervers voor leger en vloot.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, notitie 6 december 1804.


Toren Garnwerd stort in – drie klokluiders dood, drie andere wonderbaarlijk gered

Den 8 sept. 1738 is bij het verluiden van eenen Isaack Jans de toren van Garnwert nedergestort, zijnde ses mannen in deselve, waarvan drie onder de puijnhopen versmoort ende verplettert zijn geworden namelijk Barelt Jans, Wighger Jans en Popke Jacobs, en twee nogh levendigh van onder het hout en steen wegh gehaalt, te weten Peter Jacobs schoenmaker ende Jan Derks Cortisaan, zijnde van beijde hoop van herstellinge, ende eijndelijk Jacob Tijssens schoenmaker, welcke miraculeuselijk als bewaart is, zijnde over de puijnhoop selvs als uijt gegaan en onder seer weijnige quetsinge wederom tot de sijne gekomen.

Bron


Een historisch debat over de Nieuwbrug

Nieuwbrug e.o. , 1826. Plattegrond door Provinciale Waterstaat. Collectie RHC Groninger Archieven 817-2780.2.

Dit is inmiddels zeeker, dat dezelve brugge zig thans bevind in eene hoogst gevaarlijke situatie, en alleen door behulp van touwen belet wordt uit elkanderen te vallen, zijnde een enkel kwaadaardig persoon door een deezer touwen los te maaken of door te snijden in staat om de grootste ongelukken te veroorzaaken en een doorgaande passagie te belemmeren, zoodat het van kante der policie volstrekt wordt gevordert dat deezen aangaande ten eersten de vereischte order werde gesteld…

Aldus A.P. Driessen, drost van het Westerkwartier, in 1807 over de toestand van de Nieuwbrug over het Aduarderdiep bij Leegkerk. Deze brug was er in de late Middeleeuwen als til of boogbrug gekomen dankzij de Stad Groningen, die er een herberg naast bouwde. Destijds bestonden het Hoendiep en zijn aanliggende Trekweg nog niet als aanvaardbare verkeersader, en de Stad wilde een goede wagenweg naar en vanaf het centrale deel van het Westerkwartier en Friesland, vandaar de aanleg van de Nieuwbrug, die gezien werd als tegenhanger van de oude brug bij Steentil. Ook bleef de Stad eeuwenlang voor onderhoud zorgen. Tot ze daar rond 1800 geen heil meer in zag. Vandaar de houtje-touwtje constructie, door Driessen gesignaleerd in zijn brief aan de Landdrost van Groningerland.

Begin 1807 had het provinciebestuur van Stad en Lande het Groninger stadsbestuur nog aangeschreven met de boodschap dat de Stad de Nieuwbrug “in een bruikbaaren staat” moest houden. Ook wilde het provinciebestuur de precieze redenen weten, waarom de Stad daar geen trek meer in had.

Bij monde van L. Beckeringh antwoordde het stadsbestuur met een historisch betoog, dat het lot van de brug verbond met dat van het stedelijke stapelrecht. In 1595 was dat recht, zoals bekend, bevestigd door de Staten-Generaal. Een onderdeel ervan vormde het verbod op het brouwen van bier in de Ommelanden, anders dan voor consumptie in eigen huis. Er mocht daar alleen bier worden verhandeld, of in herbergen worden getapt, als dat kwam van een Groninger brouwer. Volgens het stadsbestuur ging de aanleg van de nieuwe brug gepaard met het recht om bij deze brug en bij die van Enumatil herbergen te bouwen, die ook alleen maar hun bier uit de stad mochten betrekken. Stedelijke brouwers konden het recht op leverantie hier kopen van de Stad, tenzij dat recht was afgekocht ten gunste van een andere Groninger brouwer. Door de Bataafse Revolutie echter, was de Stad haar stapelrecht kwijtgeraakt. Beckeringh:

Het stapelregt intusschen door de gebeurtenissen welke in den jare 1795 hebben plaats gehad, zijnde komen op te houden, gelijk ook het uitsluitend regt om bij de Nieuwebrug en Enumatil oost- en westzijde geen ander bier te mogen verkoopen als hetwelk in de Stad is gebrouwen – ofschoon dat regt aan de Stad wettig competeert – zoo vermeenen wij dat door die veranderingen de redenen en motiven die de Stad gehad heeft in vorige tijden om gemelde brug aldaar te laaten maken en onderhouden, tans ten eenemaal komen te cesseren en dat het tegen alle reden en billijkheid zou zijn dat de Stad met het onderhoud eener brug in de Ommelanden, waarbij zij tans geen het minst belang heeft, zou blijven bezwaard.

Van het provinciebestuur verwachte het stadsbestuur dat het “de billijkheid” van deze argumentatie zou inzien en een besluit zou nemen dat goed zou zijn voor de bewoners van het Westerkwartier.

De Landdrost zond het stedelijke stuk door naar A.P. Driessen, de hierboven al ter sprake gekomen drost van het Westerkwartier. Hij zette vraagtekens bij het door de stad veronderstelde verband met het stapelrecht en de exclusieve leverantie van Groninger bier als motieven om de Nieuwebrug te bouwen en onderhouden. Volgens de nuchtere Driessen vormde de herberg bij de Nieuwebrug veeleer een bewijs voor het drukke verkeer of

voor de aangelegene passagie, welke langs deezen weg plaatshad, dan dat hetzelve kan worden gehouden van dat belang om alleen daarom op stadskosten een geheel nieuwe brugge over het Aduarderdiep aan te leggen.

Verder trok de Stad volgens Driessen al heel lang geen “bijzondere voordeelen” meer uit de verkoop van stadsbieren op de Nieuwebrug en bij Enumatil. Inderdaad staat me van resoluties en stadsrekeningen bij dat de stedelijke band met de herberg bij Nieuwbrug ca. 1620 al verbroken werd. Toch was de Stad al die tijd met het brugonderhoud doorgegaan, ook toen naderhand de passage langs de Nieuwbrug “aanmerkelijk” verminderde dankzij de ”de considerabele verbetering van de Trekvaart en aanlage van een uitnemend Trekpad” (bedoeld zijn het Hoendiep en de rode puinweg erlangs, HP).

Het verlies van het stapelrecht in 1795 vormde dus nogal een gezocht argument om zich te onttrekken aan de eeuwenlange onderhoudsplicht. Maar Driessen wilde geen uitspraak doen of de stad zich terecht onttrok, “doordien dit object toevallig voor haar van minder waarde is geworden”. Fijntjes wees hij erop dat de aanwonenden van de weg die naar de Nieuwbrug voerde, altijd vrij waren geweest van wegonderhoud – hij vroeg zich af of die “naar regte nu nog met deeze last kunnen worden beswaard”.

Of dit jaar al het besluit viel om het onderhoud van de Nieuwbrug naar de provincie over te hevelen, weet ik niet. Feit is dat in elk geval vanaf 1826 tot 1940, toen de Nieuwbrug als draaibrug door ons leger werd opgeblazen, het onderhoud in handen lag van de provincie, die een pachter passagegeld bij de brug liet innen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv.nr. 712: ingekomen missives van plaatselijke bestuurders etc., dossiertje met de brieven van het Stadsbestuur en Driessen d.d. 10 april en 26 juni 1807.


Dementerende Hoogkerker verzoekt zelf om curatele

In 1870 was de gemiddelde levensverwachting in Nederland en België ongeveer 40 jaar. Op dat moment werden er al ontsmettingsmiddelen (met name chloorkalk) toegepast en bestond er ook al tientallen jaren (een nagenoeg algemene) inenting tegen de kinderpokken. Ruim een halve eeuw eerder, in de periode 1800-1815, moet de levensverwachting dus nog een stuk lager hebben gelegen, zeg 30 jaar.

Een klein onderzoekje onder de 45 overledenen van Hoogkerk tussen september 1811 en eind 1813 laat zien dat die verwachting waarschijnlijk nog lager was. De gemiddelde leeftijd van overlijden bleek hier destijds 23,7 jaar.

Twee op de vijf Hoogkerkers stierven als klein kind, onder de vijf jaar. Nog eens één op de vijf deed dat tussen zijn vijfde en twintigste. De meeste mensen – drie op de vijf – werden dus niet eens volwassen. Als je twintig werd, had je de meeste van je leeftijdgenoten al overleefd.

Daarna braken er wat minder hachelijke levensjaren aan. Een relatief geringe sterfte bestond er namelijk bij mensen ‘in de kracht van hun leven’, zeg tussen hun twintigste en vijftigste. Maar – slechts een kwart van de Hoogkerker overledenen haalde de vijftig. Geen wonder dus dat Elke Karsten, een weduwe op de Holm onder Tolbert, met haar 67 jaar in 1807 een “hoog bejaarde vrouw” genoemd werd.

Hoewel mensen, als ze hun kinderjaren en jeugd overleefden, dus een tijdlang minder bevattelijk waren voor ziekte en dood, overleden er toch nog relatief veel meer ouders van kleine kinderen dan vandaag de dag. Vandaar de uitgebreide arrangementen om (half)wezen te beschermen als een overlevende ouder hertrouwde, of als beide ouders overleden waren. Ik schat dat ongeveer de helft van alle rekesten in het Groningerland van voor 1811 te maken heeft met de voogdij over zulke kinderen.

Een ander effect van het vroegtijdige doodgaan, bijvoorbeeld aan kinder- of infectieziekten, was dat bepaalde ziekten waar wij tegenwoordig veel mee te maken hebben, toen veel minder voorkwamen. Maar ook al waren deze ziekten relatief zeldzaam, ze waren vaak wel bekend.

Zo had de hoogbejaarde Hoogkerker Harm Hindriks in 1804 vast wel een idee wat hem te wachten stond. Aan de drost van het Westerkwartier vertelde hij, dat hij gemerkt had,

dat door ouderdom, als hebbende reeds 84 jaren bereikt, niet alleen zijne lichaams- maar ook zijne zielsvermogens zeer verswakken, zodanig dat remonstrant somtijds niet weet wat hij voor een paar uuren en veel min den vorigen dag gezegt of gedaan heeft, en daardoor in gevaar geraakt van in het bestuur zijner zaken verkeerde stappen te begaan…

Met andere woorden – Harm was aan het dementeren, maar was zich daar terdege van bewust. Daarom wilde hij, na overleg met zijn kinderen, dat er door het gerecht curatoren over hem zouden worden aangesteld, aan wie hij “de administratie zijner goederen” kon overlaten. Het verzoekschrift tekende hij met een kruisje in aanwezigheid van twee getuigen.

Binnen vier dagen was de zaak beklonken. In een hoorzitting bevestigden Harms zoon Hindrik Harms en drie schoonzonen dat

Het noodzakelijk en tevens aller kinderen begeerte was , dat de oude man, door lichaamszwakheden en hogen ouderdom niet meer in staat zijnde zijne zaken te beheren, onder curatele werde gesteld.

Wat Harm ten overvloede nog eens beaamde, terwijl hij eraan toevoegde

Dat hij nog onlangs op het punt geweest was, van een zeer nadelig contract over zijn plaats te perfecteren.

Overigens hadden de kinderen wel al hun moederlijjk erfdeel van hem uitgekeerd gekregen, zo zeiden ze desgevraagd (dus tegen die verkoop of verpachting van zijn plaats hadden ze althans formeel geen bezwaar kunnen maken).

De familie leverde zelf geen bewindvoerders – eendrachtig droeg ze Jannes Rotgers en Pieter Jans Leutscher, “zijnde beide naburen der remonstrant”, als curatoren voor. Deze buurmannen hadden een paar dagen eerder ook al Harms inleidende verzoekschrift getekend. Zij zouden zo spoedig mogelijk worden beëdigd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, 3 juni 1807 (Elske Karsten); inv.nr. 724: rekesten 27 en 31 mei 1804; inv.nr. 766: commissieboek, 30 mei 1804.