“Een groene laan, dienende tot een lijkweg”

Op “Pinxter dingsdag” 1805 kwam Jakob Geerts Vroom (55), een kleine boer en arbeider die aan de Zuidwending onder Leegkerk woonde, tot een vervelende ontdekking: zijn buurtgenoot en collega Jacob Sekema, woonachtig aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk, had met hulp van diens zoon dampalen uitgegraven die stonden ter weerszijden en aan het begin van een “groene laan”, waarop Vroom gewoonlijk vee liet weiden. De Sekema’s smeten de dampalen (denkelijk met het hek dat ertussen zat) neer op de bewuste laan. Vroom vreesde dat zijn vee op andermans grond zou raken en vervolgens in de schutstal zou belanden (waarvoor hij dan schutgeld zou moeten betalen). Hij stond dus voor een dilemma: of geen vee meer weiden op de laan, of

zijn onvergehaalde vrediging wederom op te maken, in welken gevalle de rem[on]st[rant] onderrigt is geworden dat daarinne faitlijk zoude worden verhinderd…

Fijne buren, die Sekema’s! Om “verdere onaangenaamheden” te voorkomen, stapte Vroom naar de drost van het Westerkwartier, met het verzoek om het geschil te beslechten. De drost besloot eerst Sekema om diens mening te vragen en intussen moest de toestand blijven zoals die was. Naderhand kwam er inderdaad een hoorzitting. Helaas is het verslag daarvan niet bewaard, het blijft dus gissen wat Sekema’s motief was voor het verwijderen van Vrooms dampalen.

Waarschijnlijk claimde Sekema zelf het weiderecht, maar het zou ook nog kunnen dat hij het weiden van vee op de groene laan ontoelaatbaar achtte. Volgens Vroom diende de laan, die van zijn huis aan de Zuidwending naar het Aduarderdiep liep, immers tevens

tot een lijkweg voor eenige boeren onder Hoogkerk in cas hun de passagie langs de trekweg word belet

Wilde Sekema voorkomen dat kistdragers uitgleden over koeievlaaien? Dan was hij rijkelijk laat. Want Vroom voerde aan dat de groee laan door zijn

voorzaat en vader Geert Vroom zedert onheugelijke tijden onverhinderd is beweid tot aan het wagenpad van de wed[uw]e van Duurt Jacobs, alwaar hij een schut op de laan had gezet om zijn vee op te schutten

Die afschutting was dus weg. Met de verschillende aanwijzingen is de kwestieuze groene laan en lijkweg nu eenvoudig terug te vinden – deze is oranje gemarkeerd op het volgende kaartje:

Als lijkweg zal de laan heus niet zo vaak gebruikt zijn, want alleen bewoners van het Zuidwendinger gebied ten noorden van Hoendiep en trekweg zullen er gebruik van hebben gemaakt. Het ging dan hooguit om vier huizen, waaronder herberg de Pannekoek. Als de trekweg in de buurt van Vierverlaten om wat voor reden dan ook onbegaanbaar was, zette men in deze streek de doodskist op een boot, voer bij de Pannekoek rechtsaf de Zuidwending op tot de groene laan, waarna men via die laan, de weg langs het Aduarderdiep, de Nieuwbrug, de Legeweg bij Leegkerk en de Kerkweg naar het kerkhof bij de kerk van Hoogkerk ging.

Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, woonden Jakob Geerts Vrooms dochter en schoonzoon nog op de hoek aan de Zuidwending en de groene laan. De laan hoorde toen echter bij de boerderij aan de noordkant ervan, bij het Aduarderdiep. Deze heerd, nu van de paardenfokker Sipkens, was toen in handen van de wed. Duurt Jacobs Diepinga. Volgens het rekest uit 1805 had haar man een hek op de laan staan, waarschijnlijk halverwege, bij de knik.

Wat betreft het particuliere karakter van de laan lijkt er een discrepantie met de topografische kaarten, waarop de laan nog heel lang aangegeven staat als een (semi-)publieke weg. Ze bestaat nog steeds, zij het dat de sporen nu gevuld zijn met steenslag. Aan de kant van het Aduarderdiep komt ze uit naast de Kasperhoeve. Waar Vroom aan de Zuidwending woonde, stond tot een jaar of tien terug nog een boerderij, die nu echter gesloopt is. Net als ten tijde van Vroom staan er hekken op de laan. Binnenkort maar eens nagaan, wie nu de eigenaar is.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekesten van 20 juni en 3 juli 1805.


“Niet zonder gevaar, bij storm en duister nagten” – de overzet bij het Washuis en het voetpad dat er heenliep

Ruwe situatieschets door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Door het midden loopt het Aduarderdiep. Het Washuis en zijn overzet heb ik rood omcirkeld en de belangrijkste toponiemen rood onderstreept. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).

Voor 1843 bestonden de Friesestraatweg en de Nieuwklap nog niet en lag er dus ook nog geen brug over het lange stuk Aduarderdiep tussen de Nieuwbrug (bij Leegkerk) en de Steentil (ten noordoosten van Aduard). Bovendien waren de wagenwegen die over de Nieuwbrug en de Steentil liepen, beide een flink eind om en extra tijdrovend voor mensen die zich geen (huur)rijtuig kon veroorloven. Ook bestond het Van Starkenborghkanaal nog niet – wilde je met een schip, dan was de omweg tussen de Stad en Aduard via Hoendiep (langs Hoogkerk en Vierverlaten), Aduarderdiep en De Lindt nog veel langer en tijdrovender dan de route te voet langs een van beide wagenwegen. Vandaar dat er voor voetgangers met enige haast of uit de omgeving zelf nog een ‘overvaart’ of ‘overzet’ bestond, zeg maar een veerdienst, die nabij het Washuis de voetpaden op beide oevers van het Aduarderdiep met elkaar verbond.

Eind november 1804 diende de ‘overzetter’ of veerman op deze locatie een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waaruit blijkt dat bepaalde passagiers die hij ook sociaal duidt, nogal eens ontevreden waren èn veeleisend: voor het overzetgeld of veerloon moest er soms buitengewoon veel moeite worden gedaan:

Geeft de ondergetekende als overzetter bij het zogenaamde Waskhuis onder Leegkerk met verschuldigde eerbied te kennen, dat hij menigmaal in de onaangenaam omstandigheden zich bevind, om veel smaadreden te moeten horen, en wel bijzonder van dienstboden die zich laten overzetten en menigmaal weigeren het gewone overzettersgeld te betalen, dat is bij de herfst en nat het (sic) zon[sondergang] vier en bij de zomer twe duiten, waarlijk tog een gering loon na de moeite en kosting, daar rem[on]st[rant] in de noodzakelijkheid is, een bekwaam persoon daarop te moeten houden, die altijd bij der hand moet zijn en daarenboven het onderhoud van het schip, en ook niet zonder gevaar bij storm en duister nagten, en menigmalen gebeurd het dat de overzetter eenige uuren moet opblijven te wagten na lui, en bijzonder na dienstboden die na Aduard en elders gaan en laat uitblijven, hetwelk ook geen kleine last is, om welk en meer andere redenen rem[on]st[rant] zich tot U Ed[ele] wend met submis verzoek om een gerechtelijke acte te verlenen waarop rem[on]st[rant] zich bij de onwilligen konde beroepen, waarin het overzettersgeld word bepaald, als in january, february, november en december benevens het gehele jaar door na zonsondergang van ieder persoon 4 duiten, en de overige tijd van het jaar 2 duiten.

Q.F. / get[ekend] /
Kornelis Jacobs

Kortom: het beledigen van mensen, werkzaam in het openbaar vervoer, was destijds ook al aan de orde. Volgens de eigenaar van het veer – die voor de bediening ervan naar eigen zeggen speciaal een knecht in loondienst had, maar die toch ook zelf nog wel eens gevaren zal hebben – maakten vooral dienstboden zich hier schuldig aan. Dat zal ook een belangrijke categorie passagiers geweest zijn. Sommigen weigerden de 2 of 4 duiten veerloon (resp. bij zomerdag en daglicht en bij winterdag en duister), maar dergelijke bedragjes waren voor zulke klanten waarschijnlijk ook redelijk veel geld. In elk geval vroeg Kornelis Jacobs van de drost een soort verklaring, waarin deze namens de overheid genoemde veertarieven voor rechtmatig zou erkennen. Opmerkelijk is nog dat Cornelis deze tarieven “gering” achtte, terwijl hij toch niet om hun verhoging vroeg. Dat zat er blijkbaar niet in. Helaas is niet bekend of de drost Cornelis’ verzoek ook inwilligde, want de klacht werd naderhand behandeld in een commissie of hoorzitting, waarvan het verslag, naar het zich laat aanzien, niet bewaard bleef.

Dit laatste geldt ook voor een verzoek van eind 1803, waarbij tien boeren uit de omgeving aandacht vroegen voor de povere onderhoudstoestand van het voetpad dat vanaf het oosten naar de overzet bij het Washuis liep. Ze brachten ter kennis van de drost:

Hoe dat sedert lange en thans tegenswoordig het voetpad, vonders en ommetreden van het zogenaamde Zomerpad, behorende onder Leegkerk en Dorquert, lopende van het Oude Waschhuis tot de Slaperstil en soo vervolgens tot aan de Reidijk, in een slegte toestand is, en bijna geheel onbruikbaar is gevonden, de vonders slegt en geheel sonder rikken, de ommetreden sommigen geheel vervallen, een pad dat meer als vijftig jaeren tot een publicq voetpad is gebruikt, en thans nog door de passagiers van onderscheiden caspelen hetselve, en veelen twee maal ’s weekelijks gebruiken moeten, en het welke bijna niet als met gevaar van ongeluk te houden, veroorzaakt door boven gemelde verwaarloozing…

Om die redenen vroegen deze boeren de drost in diens rol van opperschouwer van het Westerkwartier dit voetpad en zijn bijbehoren te inspecteren en een en ander

in een goede order te laten brengen en te doen herstellen tot geryf van passagiers en ingezetenen welke dat voetpad onvermijdelijk moeten gebruiken.

Aardig is, dat het rekest de ouderdom van het pad noemt – de boeren stellen immers dat het al ruim een halve eeuw publiek pad was. Waarschijnlijk ging hun herinnering niet verder terug en was het als zodanig nog veel ouder – de overzet bij het Washuis bestond in elk geval al in de jaren 1720. Dat veel mensen uit de verschillende dorpsgebieden het voetpad twee maal per week gebruikten, zal ermee samenhangen dat deze het op dinsdagen en vrijdagen als route naar en vanaf de markt in de Stad gebruikten. Maar het volgen van deze route was zo langzamerhand een hachelijke onderneming geworden, getuige de staat van de vonders (plankbruggetjes) en ommetreden (platformpjes naast damhekken waardoor je daar gemakkelijk langs kon glippen). De vonders hadden zelfs helemaal geen “rikken” (leuningen) meer, terwijl sommige ommetreden totaal vervallen waren.

Volgens het rekest liep het pad van het (Oude) Washuis naar de Slaperstil en daarna tot aan de Reitdiepsdijk (en de Hoogeweg). Met dat laatste stuk zal de tegenwoordige Zijlvesterweg tussen Slaperstil en Dorkwerd bedoeld zijn. Het eerste stuk liep over een wal langs een tochtsloot die overtollig water van Hoog- en Leegkerk loosde op het Aduarderdiep. In het onderstaande kaartje is het tracé van dit pad met beide vervolgen weergegeven:

De overzet van het Washuis en de voetpaden die er vanuit het oosten en westen heen liepen. Bron: http://www.hisgis.nl .

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten van 28 november 1804 en 14 december 1803.
  • Over de middeleeuwse oorsprong van het Washuis, waarschijnlijk een uithof van het klooster Aduard: Jan van den Broek, Een Stad apart, pag. 261.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de Nieuwklap.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de overkant van het Aduarderdiep.


Rodermarkt zorgde voor filevorming tot in Enumatil

Enumatil, de positie van het smidshuis of de smederij waar de botsing plaatsvond. Bron: http://www.hisgis.nl

Dat het rond 1800 na een Zuidlaardermarktdag “onbegrijpelijk druk” was tussen Zuidlaren en de stad Groningen, kan de lezer hier vinden. Maar dat er destijds na een Rodermarkt zelfs filevorming van rijtuigen tot in Enumatil optrad, was me tot nu toe ontgaan. Kennelijk vormde de brug over het Hoendiep daar een bottleneck – dat blijkt althans tussen de regels door uit het verhaal dat Jacob Schuiringa begin 1804 deed bij de drost van het Westerkwartier.

Deze Garnwerder boer had ruim drie maanden eerder, op 27 september 1803 zijn “horensche wagen” (een licht rijtuig) meegegeven aan zijn knechten, meid en dochter, die ermee naar de Rodermarkt reden. Ze zullen er wel heengegaan zijn via Oostum, Aduard, Hoogemeeden, Den Horn, Enumatil, Pasop, Midwolde en Leek, een afstand van zo’n 25 kilometer. Op de terugweg via dezelfde route, maar dan andersom, kwamen ze echter in een file terecht:

…in de weeromreis gekomen aan Enumatil, en de weg aldaar geheel gestopt zijnde door de veelvuldige rijtuigen welke daar tegenswoordig waren, zodat zijn knegten met de wagen moesten blijven staan tegen het huis van de smit wonende op Ematil, dewijl het onmogelijk was door de veelheid der rijtuigen welke hier stil stonden om verder te komen, is Harm Jacobs, woonagtig op de Hogemeeden, met een boerewagen van agteren aan komen rijden en niet langer die geschiktheid willende gebruiken om te wagten totdat de voorste rijtuigen opschikten, is hij met zijn boerewagen neffens de onze gereden en tegens ons horensche wagentje met een force erin gejaagt dat het stel benevens de dusselboom en meer aan onzen wagen is gebroken en dus onbruikbaar geworden…

Waarschijnlijk was Schuiringa intussen voor het regelen van de schade wel even  langsgeweest bij zijn collega Jacobs, maar had die geen sjoege gegeven. Daarom stapte Schuiringa naar de drost, met het verzoek Jacobs te dwingen om de herstelkosten van het wagentje te voldoen. Schuiringa benadrukte daarbij nog eens, dat het niet aan zijn mensen lag,

daar het voor zijn volk onmogelijk was om verder te rijden door de verstoptheid der rijtuigen.

De drost agendeerde een hoorcommissie, maar of en hoe Jacobs zich daar verweerde is helaas onbekend, omdat er geen commissieboek over deze periode in het rechterlijk archief zit. Desalniettemin: er stond in 1804 een file voor de brug in Enumatil. Stel je eens voor.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten aan de drost, die van woensdag 11 januari 1804.


Blok, paal en kist – de kwetsbare kluizen voor het armengeld

Offerblok Zandeweer. Foto collectie Rijksuniversiteit Groningen.

1. Het offerblok van Nieuwolda gekraakt

Uit het oudste diaconieboek (1752-1799) van de hervormde gemeente Nieuwolda blijkt, dat de diakenen daar alle collecte-opbrengsten aanvankelijk steeds stortten in een blok, een zware houten kluis met veel robuust ijzerbeslag. Dit blok leegden ze zo’n beetje om de dertig, veertig dagen, waarna ze de inhoud uittelden en inboekten.

Dan staat er op 7 december 1754 deze ontvangstpost in hun administratie:

Hebben de dieven nog in het block laten 2-3-1

(twee guldens, drie stuivers en een duit). Het kraken van het blok in de kerk vormde nogal een strop voor de armen, omdat de laatste lichting ervan op 20 november plaatsvond – het gros van het collectegeld van de laatste weken was dus foetsie: naar schatting enkele tientallen guldens.

Voor de kraak werd overigens niemand opgepakt. Vanaf dat moment zijn de collecte-opbrengsten wèl veel beter in de diaconierekening gespecificeerd. Achteraf een zegen voor de historicus van geefgedrag.

2. Een vingervlugge diaken in Sebaldeburen

De hervormde gemeente Sebaldeburen was in zomer van 1777 vacant, toen er een buitengewone vergadering van de kerkeraad werd belegd, waarbij ook de beide toezichthoudende naberpredikanten aanschoven: ds. Holst van Niekerk en ds. Braams van Lutjegast. Van de beide ouderlingen kregen deze te horen dat er ongenoegen in de gemeente Sebaldeburen heerste wegens het “vermissen” van enig diaconiegeld, waarna beide diakenen kort aan het woord kwamen en de ene, Jannes Berends, een uitgeschreven aanklacht tegen zijn collega Eije Fokkes inleverde. De laatste kreeg deze voorgelezen door de voorzitter van de vergadering, ds. Holst. Het stuk zonder interpunctie, waar de streektaal prachtig doorheen schemert, doet heel mooi de gang van zaken bij een dorpsdiaconie uit de doeken wat betreft het opbergen van collecte-opbrengsten. In de kerk van Sebaldeburen gebeurde dat in een paal, een wat langere en slankere uitvoering van het offerblok.

De aanklager, Jannes Berends, was in het vroege voorjaar langdurig ziek geweest, maar hij wist zich in mei, bij zijn eerste kerkgang na zijn herstel, nog heel goed te herinneren dat de heer Fruytier, die een buitenplaats op Kuzemer bewoonde, altijd grote giften deed in het zakje dat tijdens de diensten onder de kerkgangers rondging. Fruytier was ook nu weer bij de dienst aanwezig. Dus vroeg de nieuwsgierige Jannes na afloop aan zijn collega-diaken Eije Fokkes: : “Wat het mijnheer in de buil gieven?” Waarop Eije antwoordde: “Daar is en sestehalf en een goede schelling in” (samen 11,5 stuivers) . Naast de schoolmeester waren beide ouderlingen bij dit gesprekje aanwezig. De ene ouderling had nog gezegd: “Dan wort al minder” en de ander beaamde dat. Kennelijk deed de heer Fruytier voorheen grotere munten in het zakje en waren de ouderlingen daarvan op de hoogte.

De volgende zondag zag Jannes Berends louter duiten, kopergeld, uit de buil voorbij komen. En dus vroeg hij zijn collega opnieuw wat meneer Fruytier in de buil had gedaan. Waarop Eije een ontwijkend antwoord gaf: “Daar is niet van komen”. Zodoende vatte Jannes een verdenking op:

Doe [k]reeg ik ander gedagten – dat het niet goet was, want mij dogte: “Mijnher sal wel meer geeven als duiten, want voor mijn siekte noit minder als guldens”. Daarop dogte ik: “Dat wark is niet goed; ik sal daar om denken als mijnheer weer komt”.

De derde zondag na Jannes’ ziekte preekte ds. Brandts van Nuis & Niebert. Ook nu kwam de heer Fruytier weer in de kerk en Jannes besloot heel goed op te letten:

en doe d preedekant toe het hoktie uit ging, krijg Eije de buil en smeet het gelt in de bekken en ik paste op [hoe] het ging en Eije taste met sijn linkerhant in de bekken, kreeg er gelt uit en schud het gelt in sijn rechterhant en ik sag de gulden klaar in sijn linkerhant sitten en ik kreeg de bekken in mijn linkerhant en wij deden de duiten in de paal en ik oogde op de gulden. Doe wij de leste duitten in de paal deeden, heeft Eije met sijn linkerant daar de gulden in was, soo even in de voorbroek weest, en terstont was de hant open en de gulden was er uit.

Jannes kreeg het er warm van:

Ik seide: “Eije wat het de heer in de buil gee[ven]?”
Daar op het Eije segt: “Dat weet ik niet goet”.
Ik see: “Eije het was ja en gulden”.
Eije: “Ne”.
Segt Eije daarop: “Ik loof dat het en gladde sestehalf was”.
Ik see: “Wel een gulden, Eije”.
“Wast een gulden? Dat ken ook wel weesen”, seide Eie.
“Wel een gul[den]”, seide ik: “Hem (= ik heb hem) soo klaar sien als dag”.
Doe is Eije foei worden en ging weg.

Jannes overwoog nog om het hele geval te verzwijgen, maar verwierp die optie: “Dat is ook niet goed” (daar schoot de diaconie immers ook niets mee op). Daarom besloot hij Fruytier zelf te vragen, “wat hij in de buil geeven het”. Hij ging naar Fruytiers “plaatse”, maar Fruytier bleek niet thuis. Op 7 juni ging Jannes naar Groningen, maar trof meneer daar evenmin in diens stadshuis. Uiteindelijk trof hij Fruytier bij Hinderk Arents Pomp (waarschijnlijk een herbergier) op de Kuzemer. Fruytier sprak hem daar zelf aan:

“Jannes Beerents, ik heb hoort je hadden an mijn huis weest. Had je mij wat te seggen?”
Ik seide: “Ja mijnheer”.
Mijnheer seide: “Kon wij dat hier doen of moet wij allee[n sijn]?”
Ik seide: “Alleen mijnheer”.
Doe ben wij alleen gaan. Doe seide ik: “Mijnheer moet het niet kwalijk neemen, ik wol mijnheer zelf vragen wat mijnheer in de buil geeven heeft doe Brants daar preekt het”.
Doe seide mijnheer: “Jannes Beerents, dat seit men soo niet.”

Zoals ik hier al eens uit de doeken heb gedaan, werd nieuwsgierigheid naar (en indiscretie over) de grootte van giften bij kerkelijke collecten ongepast gevonden. Dat wist Jannes natuurlijk ook wel, maar nood brak wet:

Ik seide: “Mijnheer, dat denk ik wel, maar daar scheelt wat an”.
“Wat s[cheelt] er an?”, seide mijnheer: “Dat moet gij mij seggen”.

Jannes deed hem het hele verhaal:

Doe seide mijnheer: “Ik heb noit mijnder geeven als guldens.

Daarmee werd Jannes’ verdenking er alleen maar sterker op. Die zondag zou er avondmaal zijn, waarna de paal zou worden geleegd. Jannes liet tegen Fruytier doorschemeren dat hij vooraf getuigen, dus de ouderlingen, wilde inlichten. Dat ried de heer Fruytier hem af. Die vond het beter dat hij eerst zijn vingervlugge collega onder vier ogen zou vragen om de missende guldens terecht te brengen “eer dat daar meer praat van komt”. Ook moest Jannes Eije Fokkes vragen “of hij wel met ije na mijnheer toe doost” (of hij wel met hem naar Fruytier durfde gaan).

Het lijkt er sterk op dat Jannes deze raad in de wind sloeg. Op zondag 21 juni vroeg hij de ene ouderling, Harm Luitjens, “om met ons de paal te ligten”. Aan zilvergeld kwam er toen slechts 8 gulden en een stuiver tevoorschijn, en dat terwijl de laatste lichting van de paal op 5 februari plaatsvond en er intussen “twee olde doden op het hof komen” en twee avondmaalsvieringen waren geweest. Afgaande op de gebruikelijke bekkenopbrengsten bij zulke begrafenissen en de avondmalen had er veel meer zilvergeld in de paal moeten zijn, temeer daar er ook nog 4 sestehalven na twee trouwerijen en even zoveel doopplechtigheden in het open bekken op het koor waren gelegd.

Op zich had Jannes Berends een sterke zaak, maar in de buitengewone kerkeraad van 17 juli, waarmee dit verhaal begon, ontkende Eije Fokkes bij hoog en bij laag,

eisende bewijs, dat hij enige penningen de diakonie ontvreemd hadde.

Een bekentenis gold destijds als het hoogste bewijs. Ook de buurpredikanten en ouderlingen vonden dat Jannes’ aanklacht voldoende grond ontbeerde. Tot zich een nader “blijk zou aandienen”, schorsten ze de beide diakenen als lidmaat, “wegens onderling groot verschil”. En omdat dit kennelijk bij geen van beiden goed viel, werd uiteindelijk besloten dat er zo snel mogelijk een verkiezing voor twee nieuwe diakenen zou komen. Die verkiezing vond zelfs al binnen een week plaats.

De naberpredikanten en ouderlingen kozen hiermee als tijdelijke kerkeraad voor de weg van de minste weerstand en lieten zodoende vooral de klokkeluider Jannes Berends in de kou staan. Nader bewijs had er natuurlijk kunnen komen met een verklaring van meneer Fruytier, maar mogelijk was die gepikeerd omdat Jannes Berends zijn raad in de wind sloeg. Jannes had zo bezien zijn ontslag aan zichzelf te danken. In elk geval kwam Eije Fokkes met de schrik vrij: getuige het rechtdagenprotocol van Westerdeel-Langewold is er geen vervolging tegen hem ingesteld. Zoals zo vaak: kleine dieven hangt men op, de grote laat men lopen.

3. Baljuw doet blok, paal en kist in de ban

De drost van het Westerkwartier heette nog niet zo lang baljuw, toen hem vervelend nieuws bereikte. De diakenen van Grootegast kwamen klagen

dat de armenpaal in de kerke aldaar was bestolen.

Op woensdag 5 oktober 1808 was dat. De baljuw zette de fiscaal aan het werk – die moest informatie gaan inwinnen. Niet dat die ergens toe leidde: de dader bleef uit zicht. Maar omdat “de daaglijksche ondervinding” hem leerde “dat de kerken niet langer kunnen worden beschouwd als veilige bewaarplaatsen voor de diaconiepenningen” besloot de baljuw tot een preventieve maatregel:

dat van nu voortaan de diaconiepenningen niet zullen mogen worden gelaten in kerken of aldaar in eenig blok, paal of kist worden opgesloten en bewaard, maar dat dezelve penningen bij iedere collecte terstond zullen moeten worden aangeteld, en de sum daarvan behoorlijk aangetekend, en dat voorts deze penningen door de boekhoudende diacon in bewaring zullen moeten worden overgenomen, wordende de respective boekhoudende diakens verantwoordelijk gesteld voor alle diaconiepenningen welke na insinuatie dezes uit een blok, paal of kist, in de kerk geplaatst, zullen worden vermist.

Deze oekaze ging schriftelijk naar alle diaconieën van het Westerkwartier. Ik heb het niet onderzocht, maar vermoed dat er daarna nog heel weinig blokken, palen en kisten in gebruik zijn geweest voor het bewaren van collectegeld. De diefstal van de armepenningen zou voor de boekhoudend diakenen immers neerkomen op “hun eigene schade”.


De Enumatilster nachtwacht

Op 10 april 1788 dienden Derk Aljes en Alje Jacobs een verzoekschrift in bij de grietman van Vredewold. Ze deden dat mede namens vijftien andere ingezetenen van Enumatil.

Het zat de Enumatilsters dwars dat ze eerst de roderoede (veldwachter) en daarna tot twee maal toe de wedman aan de deur hadden gehad. Namens het gerecht van Vredewold brachten beide functionarissen het bevel van de grietman over “om des nagts te moeten waken”. Bij de laatste aanzegging bleek er zelfs een boete van twee schellingen (of elf stuivers) op weigering te zijn gezet, een boete die de wedman mocht innen “bij dadelijke pandhalinge”, dus door inbeslagneming van een stuk huisraad dat bij een eventuele veiling die boete zou kunnen opbrengen.

De Enumatilsters verzekerden de grietman dat ze niets liever deden dan rust en veiligheid bevorderen en schade voorkomen:

“waarom in vorige jaeren meermalen des winters tot voorkoming van diefstallen en huisbraken ook ider in hun tour des nagts de wagt gehouden hebben, en nu ook onlangs sonder eenige aarseling ieder eenmaal gewaakt hebben…”

Maar tegen nog langer wachtlopen maakten ze nu toch wel bezwaar,

“daar men te regte zeggen kan, dat geduirende dit winter geen diefstallen – ten minsten soo verre kenlijk – sijn gepleegd of plaats hebben gehadt en er bovendien geene redenen van aanbelang, waarom men met de waking soude dienen aan te houden, kunnen worden bijgebragt.”

De Enumatilster weerzin werd nog versterkt, doordat er slechts op de wens van één enkele ingezetene, ene Willem Wolthuis, een verandering was aangebracht in “de wijze van waking”, namelijk

“dat in plaats van tot drie uiren des morgens tot aan vijv uiren zoude moeten wagt gehouden worden, alles tot groot nadeel van de inwoonderen aldaar, waarvan selvs een gedeelte uit arbeideren, die reeds om drie en vier uiren na hun werk moeten, bestaat.”

Die werklui zouden dan dus, als zij aan de beurt waren, nog tot vijf uur ’s morgens moeten waken, terwijl ze al een uur, of twee, eerder naar hun werk moesten Vandaar het Enumatilster verzoek aan de grietman, om te mogen ophouden met de nachtwakerij.

De grietman schreef een hoorzitting uit om de Enumatilsters nog eens persoonlijk te horen, maar daarover staat helaas niets geregistreerd in de gerechtelijke protocollen van het Vredewold. Het lijkt erop dat die zitting nooit heeft plaatsgevonden.

Toen de klacht bij het gerecht behandeld werd, was het agrarische seizoen wellicht ook al te ver op gang gekomen om je nog druk te maken over de nachtwacht. Dieven uit nooddruft konden na de winter eindelijk aan het werk, en hoefden niet meer te stelen, en zelfs al zouden ze dat nog willen, dan waren ze door de steeds langere dagen veel te moe om er nog bij donker op uit te gaan voor activiteiten die het daglicht niet konden verdragen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerecht Vredewold) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notitie d.d. 10 april 1788.


Het Spoorwegspel en de Vaart der Volkeren

Leuk zo’n Spoorwegspel. Het dateert uit 1866, toen Groningen voor het eerst per trein bereikbaar werd. Niet vanaf het zuiden, zoals je wellicht geneigd bent te denken, maar vanaf Leeuwarden. Daar werd het spel ook uitgegeven, en dat is te merken aan de tekeningetjes, die vooral Friese objecten in beeld brengen.

We maken de reis in omgekeerde richting. Station Groningen stelde destijds nog bar weinig voor:

Nee dan Zuidhorn, het station daar had toch al wat meer allure:

Maar of het plaatje in dit geval de situatie weergeeft? De trein denderde voort en kwam voorbij het weinig realistisch weergegeven Stroobos:

En in de verte wilde je daar vanuit het raam ook nog wel eens een trekschuit op het Hoendiep zien dobberen:

In dit Spoorwegspel was het zaak om met je pion van die plek  weg te blijven, want

“eene trekschuit of diligence bereikende, gaat men terug en laat zijne beurt voorbijgaan om de trein te zien passeeren.”


Schiere stee, dat Aikema

Aikema, Grijpskerk. Collectie RHC Groninger Archieven 818-6564 (opgepept).

Dat moet best een schiere stee geweest zijn, dat Aikema, daar achter Grijpskerk aan de lange bomenlaan door de grazige weiden naar Munnekezijl.

.Zonde dat zoiets weg is en je vraagt je dan af hoe er een eind aan kwam. Het borgenboek van Formsma c.s biedt in zo’n geval uitkomst. Op deze borg woonde de familie Clant van Aikema, om te beginnen Jan Remmert. Toen deze Clant en zijn vrouw in 1655 en 1656 overleden, lieten ze een peuterdochtertje na, dat werd opgevoed door opoe. In 1667, op haar dertiende, zou deze rijke erfgename worden geschaakt door haar neef Lucas, die haar op zijn witte paard meenam naar Oost-Friesland en haar daar trouwde. De jongelui gingen op Aikema wonen, werden weldra vrome lidmaten van de hervormde kerk, en kregen maar liefst achttien kinderen.

Zes daarvan leefden nog in 1706, toen dit vruchtbare stel uit de tijd gekomen was. Eerst kreeg hun oudste zoon de borg. Hij stierf er als vrijgezel, in 1722.  Daarna nam de tweede zoon het spul over, maar die ging vier jaar later al dood, ook als vrijgezel.  En zo kwam Aikema in handen van de derde broer, die – Aikema slaakte een zucht van verlichting – wèl getrouwd was en kinderen had en wiens oudste zoon Lucas in 1736 Aikema erfde.

Deze Lucas Jan Clant kreeg in 1748 een mooie functie als generaliteitsrekenmeester, maar bleef na dat ambtsjaar in het verre Den Haag rondhangen. Daar was weliswaar veel meer te beleven dan in Grijpskerk, maar ging het ook goed mis met hem. Door bepaalde “misvattingen in sijn begrip en oordeel” kon hij niet eens meer voor zichzelf en zijn bezittingen zorgen en bevond hij zich in een “beklaagelijke toestant”, althans volgens de familie, die hem in 1752 onder curatèle liet stellen. Waarschijnlijk om de schulden te delgen, verkochten de bewindvoerders weldra de borg en de landerijen. Lucas Jan ging niet eens naar een ‘Verbeterhuis’, want hij stierf in 1760 te Groningen, aan de Spilsluizen.

De koper van Aikema, die wel meer borgen kocht, probeerde het voorname huis meermalen te verhuren. Veel onderhoud zal er vanaf 1748 niet gepleegd zijn en dus ging dat moeilijk. Daarom viel in 1768 het doek. Aikema werd op afbraak geveild voor 1000 gulden. Het geboomte bracht nog meer op.

Helaas hebben Formsma c.s. het verhaal over Aikema niet overdadig geannoteerd en ik heb zo’n gevoel dat er in Den Haag nog een aardige schandaalhistorie in rechterlijke archieven ligt. Die moet ik dan misschien een andere keer maar eens gaan uitzoeken. Al mag iemand anders het ook doen.

 


Langewoldster vermakelijkheden

“Ruwheid, woestheid in de vermaken, wordt algemeen voor een gebrek der inwoners der wouden gehouden: hier van zijn ze ook geenszins vrij te pleiten. (…)

Tot het spel zijn, helaas! velen te zeer genegen, en het is inzonderheid den zondag, waar op men, of in het veld of in gemeene huizen, zijn geluk beproeft. (…)

Overal ten platten lande heerscht het gebruik, om soms eens naar de kermis te reizen, en zig daar regt, gelijk mede onderweg te vermaken. De verkooping van vee, gereedschappen en meubelen op een boereplaats geeft daartoe eene andere gelegenheid. Hier zoeken de jongelieden van de beide kunnen elkanderen niet minder dan op kermissen op.

De zaturdag, doch inzonderheid de zondagavond, is de gezette tijd der uitspanningen: men zoekt elkander dan op, of aan de huizen, of geeft elkanderen elders een rendevous. De dienstboden misbruiken hunne vrijheid te lande zeer: de boer kan het niet beletten, schoon zijne knecht nacht op nacht rinkelrooit, gelijk dikwerf gebeurt. Wanneer zal de politie den euvelmoed der dienstboden ten platten lande beteugelen, en voor de jeugd waken? – Dese gezelschappen houden meestal lang aan en worden door brandewijn levendig gehouden, gewoonlijk tot aan den morgen, onder gezang en vrolijkheid, doorgezet.

Men houdt hier veel van papegaaischieten, de kat uit de ton te smijten, eene gans het hoofd af te trekken, ’s winters op schaatsen op den ring te rijden, een soort van toernooispel. Ook begint men bij het dobbelen het kaartspelen te voegen, ’t geen voor weinige jaren nog onbekend was. Waarom heeft men tegen het kaatsen, ’t geen openlijk geschiedde, uitgevaren en de jeugd in de kroegen gedreven?”

Bron: Nicolaus Westendorp, Eerste Leerrede in de Nieuwe Kerk te Sebaldeburen, benevens een Oudheidkundige Verhandeling (Groningen 1809) 141-143.


Wat niet weet, wat niet deert

Toen in 1786 in de Groninger synode het voorstel aan de orde kwam om de synodale handelingen  te drukken, had de classis De Marne niet alleen de kosten en het gebrek aan noodzaak als redenen om zich daartegen te verklaren. Nee, ook bracht het als argument naar voren dat

“er vele dingen in de synodale acten voorkomen, welke van zulk een aart zijn, dat ze niet gevoeglijk in elks handen diende te wezen, en ’t welk echter niet zou kunnen worden voorgekomen zo de acten gedrukt wierden.”

Commentaar: de meerderheid van de predikanten bestond in De Marne uit patriotten, maar de notie dat democratisering gepaard moest gaan met openbaarheid van (kerk)bestuur, was kennelijk nog niet diep doorgedrongen. De synodale handelingen bevatten natuurlijk ook tal van schandaalverhalen over predikanten die scheve schaatsen reden, de openbaarmaking van dergelijke historiën zouden het ontzag voor het kerkelijk ‘leraarsambt’ zeker niet bevorderen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 183 (archief classis De Marne) inv.nr. 5: Handelingen 1769-1816) 10 april 1787.


De Lagemeedster parkeerkwestie

Nog steeds ligt er midden in het land van het afgelegen Lagemeeden een eenzaam kerkhof. Tot diep in de negentiende eeuw stond daar een middeleeuws kerkje op, zo eenvoudig dat het zelfs geen toren had.

Op deze kerkverlaten plek is drukte onbekend. Hoogstens pruttelt er een paar maal per dag een tractor voorbij. En toch is het ooit wel eens anders geweest. Zo heeft zich hier in 1793 een ernstig parkeerconflict voorgedaan.

Op zaterdag 3 augustus dat jaar diende Cornellis Bolt namens twaalf ingezetenen van Hoogemeeden, “behorende ter kerke, welke op de Lagemeden is staande”, een verzoekschrift in bij het gerecht van Vredewold. Als de toestand van de wegen het toeliet, zo schreven Bolt c.s., dan reden ze “ter meerder gemak soo voor hun selvs als vrouwen en kinderen” met hun rijtuigen naar die kerk. En “zedert ondenklijke tijden” hadden ze dan het recht om

“geduirende de predikatie hun wagen en paarden te bergen op het hiem van Gerrit Luitjens, zijnde een pastoriemeyer, het naast aan deselve kerk wonende…”

Het kunnen parkeren bij deze buurman van de kerk, die zijn land van de dominee pachtte, was voor de Hoogemeedsters “van het uiterste belang”, zo zeiden ze,

“doordien er geene herberge daar ter plaatze word bevonden, en ook geen andere gelegenheijdt is om hunne paarden en wagens elders te bergen.”

Hoewel Bolt c.s. meenden dat Gerrit Luitjes absoluut geen nadeel kon ondervinden van dit ”reght”, was Luitjes kort voordien zo onvriendelijk geweest, ze dat recht te ontnemen, en het stallen van hun paarden en wagens op zijn heem te verhinderen. Dit moest, zo meenden de Hogemeedsters, wel voortkomen uit “een misverstandt en verkeerde opvatting”. Ze vertrouwden erop, dat het gerecht Luitjes’ bezwaren gemakkelijk zou kunnen wegnemen. Omdat de Hoogemeedster kerkgangers alleen een rechtszaak wilden beginnen als het echt niet anders kon, verzochten ze de grietman (rechter) om diens bemiddeling. Aan hun acute “ongerijv” moest liefst zo snel mogelijk een eind komen.

De grietman vroeg om de zienswijze van Gerrit Luitjes. Die bleek het volstrekt oneens met die lui van Hoogemeeden. Hij weigerde inhoudelijk op hun verzoekschrift in te gaan, maar was benieuwd naar het bemiddelingsvoorstel van de grietman.

De grietman stelde voor dat de pastoriemeier de Hoogemeedsters weer toestemming zou geven voor het parkeren van hun rijtuigen op zijn erf tijdens godsdienstoefeningen, “mits zij die plaatz met palen en staketten afschutten, opdat hem geen schade of overlast geschiede”. Bovendien zouden ze hem jaarlijks 4 ducatons voor de collectieve parkeervergunning moeten betalen.

Dat bedrag kwam neer op 12 gulden en 12 stuivers, dus 1 gulden en 1 stuiver per jaar voor iedere ondertekenaar van het verzoekschrift, of nog geen halve stuiver per zondag. Maar als er werkelijk sprake van een gewoonterecht was, zoals de Hoogemeedsters aanvankelijk beweerden, dan kregen ze hier toch wel wat te slikken. Zij namen dan ook “geen genoegen” met het voorstel van de grietman, en dat deed Luitjes evenmin, zodat de grietman nog weer eens opnieuw een verzoeningssessie agendeerde, terwijl hij beide partijen aanbeval, “zig hyr op te beraden”.

In die tweede zitting, op 8 oktober, bleek dat de kerkgangers van Hoogemeeden wel een hek om de parkeerplaats op Luitjes’ erf wilden zetten, “maar dat zij er niet toe konden resolveren om daar en boven enig geld te geven”. Luitjes deed net of dit hem hogelijk verbaasde. Hij van zijn kant voelde er niet voor “om een last op sijn gebruikende plaats te halen”.

Hierop deelden die van Hoogemeeden mee dat ze hun verzoekschriftprocedure niet wilden doorzetten. Ze zouden de kosten betalen en kijken of ze hun recht op een andere manier gingen halen.

Noch bij het gerecht van Vredewold, noch bij de Hoge Justitiekamer zijn ze zo’n proces begonnen. De Lagemeedster parkeerkwestie raakte finaal in de vergetelheid, tot nu.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 135 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notities d.d. 3 en 10 augustus 1793; idem inv.nr. 95, rechtdagenprotocol Vredewold, 24 september 1793 (fol 502-503) en 8 oktober 1793 (fol 509-510).
  • Over de kerk van Lagemeeden: Jan Oldenhuis, ‘Lagemeeden, een merkwaardige plek voor een kerk’, Stad & Lande 2010-4, p. 41-43.


Al vroeg circus op de Leekster jaarmarkt

Vredewold den 27 May 1794.

Bij het E.E. Gerighte sijnde gelesen het request van N. Lion houdende hoe graag wenschte te obtineren om geduirende de markt sijne diverse konsten, bestaande in koordansen en balanceren, in sijne tent te vertonen, alvorens van UE[del] Gestr[enge] gratieuslijk versoeke: ten einde UEd Gestr goedgunstig gelieve te behagen den suppl[ian]t te permitteren de aanstaande markt alhijr te mogen vertonen.

/was geapostill[eerd]/

Het E.E. Gerighte accordeert aan den supplt het versoek om in de aanstaande kermis van sijn konsten te vertonen in een tent, waartoe de plaats door den gerigtswedman zal worden aangewesen, en recommandeert aan den supplt om van sijn inbeuringe de diakonije op de Leek mildelijk mede te delen.

Commentaar: Van Lion, de indiener van het verzoekschrift, vraag ik me af of hij niet iets te maken had, of te identificeren is met Lion Kinsbergen. Volgens advertenties was die vroege circusdirecteur pas in 1796 actief in Amsterdam en kwam hij pas in 1801 voor het eerst in Groningen met zijn troep koorddansers, acrobaten en ruiters, maar hij kan natuurlijk voor die tijd in kleinere provincieplaatsen hebben opgetreden met een beperktere troep..

De jaarmarkt van Leek vond waarschijnlijk een paar dagen na de indiening en inwilliging van Lions verzoekschrift plaats op Hemelvaartsdag, altijd een belangrijke dag voor het Vredewold. Jaarlijks werden op die dag de buurrichters van de dorpen beëdigd op de kerkhoven van Tolbert (voor die van Vredewold-oost), en Nuis (die van Vredewold-west).

Helaas is er geen diaconierekening over 1794 in het kerkarchief van Midwolde en Leek bewaard gebleven. Of Lion inderdaad iets aan de armen afdroeg, en hoeveel dat dan was, blijft dus onbekend.

Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek).


De Lethe als woonoord ouder dan gedacht

De Lethe, het roemruchte smokkelaarsoord achter Bellingwolde, blijkt als woonoord ouder dan gedacht. Op een lidmatenlijst uit 1692 van de hervormde gemeente Bellingwolde staan immers een weduwe, twee getrouwde stellen en de vrouw van een man die geen lidmaat is. Ervan uitgaande dat de weduwe ook bij het eerste stel ingewoond kan hebben, zullen er minstens drie huisjes in de Lethe hebben gestaan:

In de Liete

1 Alke Jans wed. Zijwert
2 Heije Jans
3 Wijpke zijn h.vrouw
4 Berent Geerts
5 Antje Geerts zijn h.v.
6 Jantje h.v. van Koene Wierts


‘Een voorbeeld van onbehoorlijke wellust’

“…dan is Grete weduwe van wilen Hindrick Jansen Schoelapper gecensureert, also sij seeckere scandaleuse actie begaen hadde, hebbe getrout ende voorts bekennet, seeckerenn vremdenn ende boeffachtigen lantloper, sonder advijs van dien onder wiens cure sij stonde, ende niet tegen-staande, dat haer rechtswegen verboden was verdere concubinaat, waermede sij rebellie tegen wereltlijcken overicheijt, begaen, en een exempell van onbehoerlijcke wellusticheijt gegeven hefft. Ende daerenboven is sij mede van wegen haer lelijcke slapericheijt onder het gehoer van Godes H. woort, berispet.”

De weduwe Jansen trok zich dus niets aan van haar familie en een rechterlijk verbod en trouwde een criminele vagebond, wat opgevat werd als een voorbeeld van rebellie en onbehoorlijke wellust. Bovendien viel ze steeds in slaap onder de zondaagse preek in de kerk. Niet gewoon in slaap, maar lelijk in slaap! Mogelijk sliep ze er haar roes uit en snurkte ze.

Bron: Handelingen kerkeraad Aduard, juni 1627,


Waar de joden woonden in Groningerland

De volkstelling van 1809 geeft voor het eerst een kwantitatief beeld van de aanhang der verschillende religies in Nederland. Zo kan je aan de hand van de uitkomsten mooi zien, waar in absolute of relatieve zin veel joden gevestigd waren. Zij kwamen pas vanaf 1740 in wat ruimer getale Groningerland binnen, dat in genoemd volkstellingsjaar 1847 joodse inwoners telde, zo’n 1,3 % van de totale bevolking.

De in absolute aantallen grootste joodse gemeenschappen waren anno 1809 in deze provincie:

Groningen 516
Oude Pekela 190
Veendam 163
Winschoten 150
Appingedam 106

Het ging dus om de enige twee steden, met drie Oost-Groninger centrumplaatsen.

Maar een absoluut aantal hoeft nog niets te zeggen over het aandeel in de bevolking als geheel. Zoals gezegd maakten de joden in 1809 een 1,3 % van de Groninger bevolking uit. Op het bovenstaande kaartje zijn aangestipt de plaatsen waar hun aandeel groter was dan dat provinciale percentage. Zo komen nog wat kleinere handelsplaatsen in beeld, zoals Leek en Delfzijl. Verder drie vestingen aan de grens (Nieuweschans, Oudeschans, Bourtange), nog een stuk of wat oude veenkolonies (Hoogezand, Sappemeer, Wildervank), een centrale as in het Oldambt (Midwolda, Nieuwolda) en een wat willekeurig lijkende verzameling plaatsen in de Ommelanden (Eenrum, Ezinge, Godlinze, Kloosterburen, Leegkerk, Middelstum en Sauwerd).

Soms ging het om kleine plaatsen, waar slechts enkele huishoudens het percentage behoorlijk omhoog konden krikken: de 20 joden van Leegkerk maakten op een totaal van 168 inwoners bijna 12 % uit; de 27 joden van Bourtange, met zijn in totaal 291 inwoners, zorgen voor een percentage van 9,8.

Bij de grotere plaatsen echter, zijn de percentages wel van betekenis. In dit opzicht vallen Groningen en Appingedam helemaal niet op – deze lopen in de pas met het provinciale percentage. Maar Winschoten telt 150 joden op een bevolking van 2332 zielen. Daarmee zit het op ruim 6 %, op korte afstand gevolgd door Oude Pekela met bijna 6 %. Dat Winschoten later verhoudingsgewijs de op een na grootste joodse bevolkingsgroep van Nederland zou herbergen, dat het de bijnaam Sodom zou krijgen en in zijn stadsdialect veel jiddisch idioom zou opnemen, tekende zich in 1809 al enigszins af.

Maar het opvallendst aan het kaartje zijn de lege vlekken, oftewel de streken waar joden zich relatief weinig hadden gevestigd. Het ging om het Westerkwartier (uitgezonderd Leek), Westerwolde (uitgezonderd Bourtange) en het Duurswold. Dit waren regio’s met kleinere boeren en een schralere economie. Daar was veel minder emplooi voor joodse slachters en kooplui.


Oververtegenwoordigde minderheden

Ben een beetje aan het stoeien met de volkstelling van 1809, met name voor wat betreft het Westerkwartier.

In het algemeen is 87,2 % van de Groninger bevolking dan hervormd. De katholieken maken 7 % uit, de doopsgezinden 2,6 %, de lutheranen 1,9 % en de joden 1,3 %. Interessant is dan, waar minderheden die percentages overstijgen.

Ik beperk me even tot der twee belangrijkste minderheden: katholieken en doopsgezinden. In het Westerkwartier zijn er in 1809 alleen meer dan 7 % katholieken (geel) in Aduard en Den Ham. Je vraagt je af of dat misschien samenhangt met het rond 1600 gesloopte klooster – in de hervorming van Aduard zou wel eens een aardig onderwerp van studie kunnen zitten.

De doopsgezinden (blauw) zijn qua Gronings gemiddelde oververtegenwoordigd in het noorden, op de klei, met de grotere boerderijen. De vestiging van Zwitserse mennonieten, begin achttiende eeuw, in de streek rond Hoogkerk is ook nog duidelijk te zien. Ten zuiden van het Hoendiep, op het zand en veen van Vredewold en Langewold zijn de mennonieten veel minder zichtbaar, Alleen in wat kerspelen die aansluiten bij het kleigebied (Lutjegast, Niekerk en Faan, Oostwold en Lettelbert), zijn ze daar oververtegenwoordigd.

De doopsgezinden zijn vooral in de achttiende eeuw sterk in aantal afgenomen. Waarschijnlijk gingen de meer conservatieve elementen over naar de hervormde kerk, door zichzelf en/of de kinderen in die kerk te laten dopen. Ook hierin zit nog een aardig onderzoek. De kerspelen waar de doopsgezinden in 1809 oververtegenwoordigd zijn, zullen denkelijk ook eerder de doopsgezinde kernen geweest zijn.