Een vroeg jachtreglement voor ‘t Vredewold

Prod. an de secret den 1 Junij 170[?]

Placaet soo ordinaris op heemelvaertsdag volgens older gewoonte moet gepubliceert by de respective Grietmannen van Vredewolt op den dag van answeringe onder de blauwe hemel in t’ Olbert ende in de Nuyss uyt de name van t huyss van Nienoord, luydende van woort te woort alss volget:

N.N., wegen t’ huyss van Nienoort gestelde Grietman over Vredewoldt, doe mits desen wel expresse interdiceren ende verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen ende verstouten haesen, reen, courhoenders, velt- offte patrijse hoenders met netten, roers, honden, strikken offte andere sinistre practycquen te doen vangen offte laeten vangen. Insgelycken doet gemelten Grietman verbieden, dat niemandt sick sall onderstaen drie weeken voor May ende 3 weeken nae May eenige visch te vangen offte doen vangen, dat oock niemandt des anders grafften, vischenijen ende slooten, buyten consent van die eigenaers sall meugen vischen, oock die Swaenen haere eijers offte Jongen te verwa[r]en, dit alles op die poena ende verbeurte van sestig franse schilden, die men den contraventeur offte contraventeuren ten scherpsten sall affneemen, waer naer een yder syck sall weeten te reguleeren. Aldus gepubliceert ten fine niemandt eenige ignorantie hebbe te praetenderen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerecht van Vredewold) inv.nr. 82: rechtdagenprotocol 1661-1663.

Uitleg en interpretatie: Hoewel pas in het begin van de achttiende eeuw ter secretarie geregistreerd, is het handschrift van dit plakkaat ouder – het komt overeen met de akten die erna geboekt zijn en die dateren uit de jaren 1661-1663. Mogelijk komt het stuk zelfs uit een nog oudere periode. De munt waarin de boete gesteld is, de Franse schild, werd immers in de zestiende eeuw al niet meer geslagen en was vervolgens tot het begin van de zeventiende eeuw rekenmunt.

In de aanhef van het plakkaat is er sprake van, dat de grietman of rechter van ’t Vredewold het elk jaar afkondigde. Dat Vredewold was de heerlijkheid van de heer of vrouw van Nienoord, die deze grietman aanstelde. Het bestond uit de dorpsgebieden van Oostwold, Lettelbert, Midwolde-Leek, Tolbert, Niebert, Nuis en Marum, een streek langs een oude zandrug waar in de zeventiende en achttiende eeuw op de flanken nog vrij veel onontgonnen natuur te vinden was. De afkondiging van het plakkaat gebeurde ieder jaar op Hemelvaartsdag na de traditionele aanzwering van de grietman “onder de blauwe hemel” in Tolbert en Nuis. Met het voorlezen van het plakkaat verbood de zetbaas namens Nienoord de algehele jacht op hazen, reeën, korhoenders en patrijzen, waarmee vast de belangrijkste diersoorten in de vrije natuur van ’t Vredewold opgesomd zijn: fazanten en konijnen ontbreken waarschijnlijk niet voor niets in het lijstje. Op de genoemde dieren werd gejaagd met netten, geweren, honden, strikken en “andere sinistre practycquen”. Uiteraard waren die jachtmethoden niet duister maar legaal als het om de heer van Nienoord zelf en/of diens loonjager of gemachtigden ging. Het plakkaat beoogde dan ook niet zozeer faunabescherming, als wel protectie van Nienoords jachtterreinen.

Ook stelde het plakkaat een verboden tijd voor het vissen in: drie weken voor en drie weken na mei, dat wil zeggen het begin van mei. Na de kalenderwisseling van 1700 zal dit de Oude Mei geworden zijn oftewel 12 mei; de verboden vistijd duurde sindsdien dus van de derde week van april tot begin juni. Bovendien werd het vissen zonder vergunning in andermans grachten, visvijvers en sloten verboden. Buiten Nienoord zullen er niet zo vreselijk veel grachten en visvijvers geweest zijn, sloten waren natuurlijk wel algemeen, maar of daar nou zoveel vis in zat? Ten slotte beschermde het plakkaat zwanen, hun eieren en jongen – ook zwanendrift en -jacht golden als een voorrecht voor de heer.

De boete op overtreding van het plakkaat was lang niet mals: 60 Franse schilden, waar niets vanaf onderhandeld mocht worden. Zo’n Franse schild was anderhalve goudgulden, oftewel twee gulden en twee stuivers waard. De totale boete kwam dus neer op 126 gulden, destijds een arbeiders jaarloon !

Dat het plakkaat ieder jaar werd afgekondigd, was met het oog op de smoes van overtreders, dat ze niets van zo’n verbod afwisten. Door die jaarlijkse afkondiging kon niemand nog onwetendheid veinzen.


“De mogelijkheden van de computer zijn welhaast ongelimiteerd”

In 1984-1985, toen dit filmpje uitkwam, was ik als dienstweigeraar werkzaam op het Drents Rijksarchief. In die periode arriveerde daar de allereerste computer en stafleden gingen van hoog tot laag op cursus om tekstverwerken en een primitieve database voor het inventariseren van archivalia onder de knie te krijgen. Als dienstweigeraar kwam ik daarvoor niet in aanmerking, wat me vanwege dat tekstverwerken wel enigszins verdroot. Het ding, begreep ik, had me een zee van tijd kunnen besparen. Mijn doctoraalscriptie, bijvoorbeeld, schreef ik nog op een elektronische Brother-schrijfmachine (met margrietwieltjes voor de diverse lettertypen) en die kon wel al twintig tekens terug corrigeren, maar moest ook nog heel wat fouten laten staan, zodat ik die scriptie in totaal zo’n acht, negen maal heb overgetypt voor ik tevreden kon zijn. Wat een verspilling van moeite! Met een computer ging dat toch allemaal veel vlotter.

Maar om beroepsmatig iets met computers te gaan doen? Nee, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Terwijl er destijds een enorme werkloosheid bestond en er voor historici al helemaal nauwelijks een baan te vinden was. Vanuit de vervangende dienst, belandde ook ik in de bijstand en ik weet nog goed dat je je via de sociale dienst kon laten omscholen tot programmeur. Het leek me helemaal niets, of louter iets voor bèta’s. Internet bestond ook nog niet (of misschien alleen als usenet), de communicatiekant van de computerij lag dus nog volslagen buiten beeld.

In 1991 of 1992 las ik voor het eerst iets in de NRC over die kant van de zaak. Mijn interesse was meteen gewekt, ik weet nog dat ik dat stuk met een zekere opwinding las. Als ze me op dat moment een cursus zouden hebben aangeboden, was ik daar ook dadelijk op ingegaan. In werkelijkheid duurde het nog tot eind 1996 voor ik voor het eerst op internet kwam. Dat was bij de UK, de universiteitskrant van de RUG, en de browser daar was nog Netscape Navigator. Ik zie nog het stuurwiel. Heel vaak zat er nog stroop op de lijn. Het laden van een website duurde vaak eeuwen. Regelmatig liep je tegen een virus aan of zat je muurvast. Zulke kinderziekten zijn er nu wel uit.

Een eigen computer heeft financieel vrij lang buiten mijn bereik gelegen. De eerste was, dacht ik, een aflegger van mijn broer, zo rond 2000. De eerste nieuwe die ik zelf kocht, was in 2004, van een paar duizend euro gewonnen met de Postcodeloterij. Sindsdien ben ik ook thuis aangesloten op internet. Naar alle tevredenheid.


Verkiezingsbord, Eexta 1962

Plakbord voor de statenverkiezingen van eind maart 1962. Het stond bij de lagere school op de hoek van de Stationsstraat en de Badhuislaan in Eexta (Scheemda):

Hoewel slechts de vijfde partij, pikte de CPN de meest prominente plek in. Haar leuzen waren onder meer: “Geen oorlog om Nieuw-Guinea” en “Naar een neutraal en atoomvrij Nederland”.

De PvdA zocht het niet zozeer in een leuze, als wel in moderne grafische vormgeving in wit, rood en zwart en de PSP propageerde “socialisme zonder atoombom”

Rechts deden de protestants-christelijke partijen CHU en ARP het met wat minder papier. De eerste zei “heel het volk” te dienen, terwijl de laatste als enige aan het regionale karakter van deze verkiezing refereerde met  haar motto “Voor het welzijn van Stad en Land”. Ook toen al drukte de algemene, landelijke politiek blijkbaar een zwaar stempel op de statenverkiezingen. De VVD had ten tijde van deze opname, gemaakt door Hemmo Blaauw, nog geen plakploeg langs het bord gestuurd.

Heb de uitslag van deze verkiezingen er nog even bijgezocht:

Het politieke landschap was vrij stabiel. De percentuele verschuivingen waren minimaal. Op links pakte de nieuwkomer PSP, landelijk de grote winnaar, in Groningen 2 zetels.  De CPN daarentegen, moest 1 van haar 3 zetels inleveren. En dat terwijl het zetelaantal van 1958 op 1962 uitgebreid werd, iets waarvan vooral de PvdA profiteerde. De stemming moet destijds erg sip geweest zijn in het Groninger hoofdkwartier der communisten. Op rechts profiteerden de KVP, ARP en GPV van die zeteluitbreiding – CHU en VVD bleven op dezelfde aantallen steken.


Gratis naar school in Zuidbroek

“Is besloten dat behoeftige ingezetenen, welke van de Diakonij niet genieten, en het schoolgeld voor hunne kinder niet betalen konnen, hunne kinder op kosten van de arme middelen ter school mogen zenden, mits dezelve zulks van den boekhouder der armen verzoeken, die aan hen een blijk zal geven, hetwelk zij aan den schoolmeester zullen overhandigen.”

Je had armoe in gradaties. De allerarmsten moesten leven van de karige steun, hen verstrekt door de diaconie, de kerkelijke armenkas. Hun kinderen konden sowieso gratis naar school. Maar er was ook een subcategorie: mensen die zich op zich net konden redden, maar voor wie het schoolgeld buiten de mogelijkheden lag. Die groep kreeg in 1766 te Zuidbroek kwijtschelding van schoolgeld, op voorwaarde dat er een vrijwaringsbriefje gehaald werd bij de boekhouder van de diaconie. Dat briefje moesten zulke mensen dan inleveren bij de schoolmeester, die er weer een vordering op de diaconie mee kon onderbouwen.

Bron: Handelingen kerkeraad Zuidbroek 3 september 1766.


Bijenslachting over de landsgrens

‘BOERTANGE, 22 Sept. Een slachting op reusachtige schaal heeft hier gisteren aan de overzijde der grens plaats gehad. De heer Eskamp van Papenburg, die niet minder dan 40.000 pond honig a 46 ½ ct. per kilo aankocht van den bijenhoudersbond ‘Vooruitgang’ welke hare leden in het Oldambt en Westerwolde telt, ontvangt thans die ontzaglijke hoeveelheid te Neu Rhede. Daartoe moeten evenwel de nijvere koninkrijken levend worden ingevoerd, want alleen in zoodanigen toestand kan de honig van ons land in Duitschland worden toegelaten. Alle wagens beladen met korven levende bijen worden gedood, de honig uitgebroken en in groote vaten gestampt. De meeste leveranciers ontvangen ƒ 100 tot ƒ 200. Sommigen veel meer, een werd over de ƒ 6000 uitbetaald.’

Aangezien een pond een halve kilo was, ging er 20.000 kilo honing over de grens. Bij de genoemde prijs van ƒ 0,465 per kilo maakte dat 9300 gulden. Als een van de aanbieders 6000 gulden uitbetaald kreeg, dan nam die dus tweederde van het aanbod voor zijn rekening. Kan haast niet anders, of dat was een opkoper, als het niet de bijenhoudersbond zelf was. De 6000 gulden die deze ontving, maakte een heel riant jaarsalaris. Voor een arbeider was 100 gulden misschien nog aantrekkelijk bijwerk, maar 200 gulden substantieel.

De 20.000 kilo geëxporteerde honing is ook af te zetten tegen de gemiddelde opbrengst in kilo’s honing per ‘geslachte’ korf. We spreken over 1904. De met moderne methoden werkende imker die in het Nieuwsblad van het Noorden een bijenteeltrubriek schreef, had een zwaarste korf die 40 kilo honing opleverde. Een derde van zijn korven woog meer dan 30 kilo, driekwart meer dan 20 kilo. De gemiddelde opbrengst per korf zal bij hem dus zo’n 25 kilo zijn geweest. Maar afgaand op de gemeenteverslagen van dat jaar waren de gemiddelde korfopbrengsten van alle imkers in een gemeente, inclusief de traditioneel werkende, aardig wat lager. In Finsterwolde, waar mijn grootvader het imkeren leerde, bedroeg dat gemiddelde nog 20 kilo, maar in Slochteren bleek het 15 en in Wedde 10. Het gemiddelde voor Oldambt en Westerwolde samen zal dan zo’n 15 kilo honing per korf geweest zijn. De 20.000 kilo aanvoer in Neu-Rhede vertaalt zich derhalve in zo’n 1300 korven. Inderdaad behoorlijk wat wagens vol – er stond een file met bijen voor de grens!

De 6000 gulden van de opkoper of de bijenhoudersbond gold bij de genoemde prijs 12.903 kilo honing. Gedeeld door de 15 kilo gemiddeld per korf, maakte dat maar liefst 860 korven. De 100 tot 200 gulden opbrengst voor de meeste leveranciers, stonden voor resp. 14 tot 29 korven. Ook dat waren hoeveelheden die de aantallen korven bij tuinimkers overtroffen. Wellicht waren er ook kleine collectieven of opkopers actief.

Bron van het aanleidende bericht: Nieuwsblad van het Noorden, 23 september 1904.


Slochteren kocht kerkklok uit Zuidbroek

Van de Eerwaarde Heer Wolthers, predikant te Slochteren, voor een klocke zo van ons [is] gekogt, en [door] de Hr. Wildervank [is] betaalt, en an mij heden weer overgegeven. ƒ 80-,-

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339, inv.nr. 252: kerkvoogdijrekeningen Zuidbroek 1750-1812, bepaaldelijk die van 1761.

Commentaar: Ik kon verder weinig informatie vinden over die klok. Volgens Sible de Blauw in het Historisch Jaarboek Groningen 2010 is de huidige Slochter klok in 1373 gegoten door een Segebodus, een Fries, in opdracht van de abt van Wittewierum. Die klok van Bloemhof werd in 1828 overgebracht naar Slochteren en dat is dus deze, qua gelui.


Doorvaarttarieven Aduarderzijl

Minimumtarief 30 cent, maar ’s avonds en ’s nachts ƒ 1,30.  De waarman of zijlwaarder kon dus redelijk van zijn avond- en nachtrust genieten.

In 1952 had je blijkbaar nog houtvlotten die het Aduarderdiep opgesleept werden.

De vrijstellingen zullen vastgesteld zijn, om de waarman (nog eens) te behoeden voor een al te grote inhaligheid.


“De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn”

In 1896 diende de Friesche Maatschappij van Landbouw een subsidieverzoek in bij de minister van landbouw. Van het gevraagde geld wilde ze graag een “bekwaam imker” aanstellen, die op winteravonden in Zuidoost Friesland bijspijkercursussen bijenteelt moest geven. De bijenhouders waren qua vakkennis namelijk niet helemaal up to date. Minder vriendelijk geformuleerd: ze liepen decennia achter. Omdat de minister het Friese verzoek kon billijken, zette hij 150 gulden op zijn begroting voor de nieuwe vorm van kennisoverdracht.

Interessant is wat het vrijzinnige kamerlid Houwing, een Stellingwerver die als modern predikant naar het Drentse Havelte gekomen was en daar nog steeds woonde, bij de begrotingsbehandeling opmerkte. Allereerst constateerde hij dat het aantal bijenvolken in Nederland in de dertig jaar tussen 1864 en 1893 meer dan gehalveerd was:

“Dit vak van landbouwbedrijf, dat vroeger in betrekkelijk bloeienden toestand verkeerde, toen het nog een honiggewin opleverde, waarvan de jaarlijksche opbrengst op circa 1½ millioen guldens kon worden geschat, is in de laatste 30 jaren hard achteruitgegaan en dreigt geheel te gronde te gaan. Terwijl in 1864, volgens het Landbouwverslag, 216.000 bijenkorven door de gezamenlijke imkers gehouden werden, bleek dat getal in 1893 gedaald te zijn tot ruim 92.000. In de provincie Friesland was de verhouding tusschen toen en thans nog ongunstiger, en daalde het cijfer van ruim 17.000 tot ruim 6000 korven.”

Deze halvering tot tertiëring van het aantal bijenvolken komt overeen met de ontwikkeling in het aantal beroepsimkers in de akten burgerlijke stand, die ik voor Groningen constateerde. Ook daarin zit er een zeer forse dip in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Houwing beaamde wat de minister schreef over het gebrek aan vakkennis. Terwijl de modulaire bijenkasten met bijenramen al in opkomst waren, zaten de Nederlandse imkers nog te klooien met korven waarin ze wat latjes hingen als verbindingsmateriaal voor zeer ongelijkvormige honingraten.

Houwing zag bovendien het bredere belang van de bijenteelt voor land- en tuinbouw:

“… het geldt hier niet in eerste plaats en vooral de bijenteelt als middel van bestaan, en het belang der imkers. Er is meer mede gemoeid dan eenig loonend honiggewin. De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn wegens de belangrijke rol, die de bijen vervullen in het huishouden der natuur. Het is meermalen gebleken dat het geheel of ten deele mislukken van den ooftbouw, en van het verbouw van sommige landbouwgewassen als klaver, boekweit, koolzaad en boonen is veroorzaakt door de ontstentenis van bijen, die het stuifmeel van de eene bloem op de andere overdragende, voor de bevruchting zorgen.”

In iets andere bewoordingen en met wellicht wat andere gewassen zou het vandaag de dag nog precies zo kunnen worden gesteld.

Bron: Begrotingsbehandeling in Tweede Kamerverslag van de zitting op 9 december 1896 (via Staten Generaal Digitaal).


‘De grootste ijmker in het Oldambt’

Nieuwsblad van het Noorden 14 juli 1898.

Met 180 à 200 bijenvolken, minstens, was Jan Doornbos in 1898 de grootste imker van het Oldambt. Hij had het er maar druk mee, er waren dagen dat hij wel eens twintig zwermen in zijn schepkorf moest zien te krijgen. Maar de zwermen waren klein, en dus moest hij volken gaan samenvoegen.

Deze Jan Doornbos was een kleinzoon van de bijenhouder Jan Eisses Doornbos die begin 1879 overleed in Hellum (gemeente Slochteren). Jan junior was in 1864 geboren aan het Achterdiep te Sappemeer, en trouwde in 1890 een bijna tien jaar oudere vrouw. Met haar vestigde hij zich niet lang daarna op een huurboerderij in het Finsterwoldiger deel van Ekamp-Meerland, dat nu praktisch van de aardbodem verdwenen is vanwege de Blauwe Stad. Kinderen kreeg het paar niet, en in 1905 stierf Jans eerste vrouw. Jaren later, in 1913 en 1916, verwekte hij twee dochters bij zijn veel jongere huishoudster, die hij pas naderhand trouwde. Je zou kunnen vermoeden dat hun concubinaat wel wat boze tongen losmaakte, maar het nam niet weg dat Jan Doornbos algemeen vertrouwen genoot: van meerdere lokale en regionale verenigingen was hij jarenlang bestuurslid.

Allereerst betrof dat dus de imkersbond Excelsior, in 1898. In de jaren 1907-1917 was Doornbos bovendien voorzitter van de Nijverheid, zoals de afdeling van de landelijke Bijenhoudersbond in het Oldambt en Westerwolde heette. Deze afdeling telde in 1910 tegen de 100 leden, een aantal dat in 1915 aangegroeid was tot 118, terwijl er in 1917 zo’n 130 werden genoteerd.

Als voorzitter zat Doornbos tevens in de commissie die voor deze imkersclub de collectieve honingverkoop regelde. Dat dit een belangrijke taak was, blijkt wel uit het feit dat het in het uitstekende honingjaar 1910 ging om maar liefst 14.000 kilo. Hoogstwaarschijnlijk is deze honing in Duitsland verkocht, omdat daar de honingprijs wat hoger lag, namelijk op 63 cent de kilo. In totaal moet deze honing dan 8800 gulden hebben opgebracht, gemiddeld 88 gulden per lid, een mooie aanvulling op het inkomen. Daarbij blijft de eigen particuliere verkoop van de leden uiteraard nog buiten beeld.

In 1915 en 1917 was de hoeveelheid honing voor de collectieve verkoop overigens heel wat geringer, respectievelijk 5000 en 6500 kilo. In ruil voor voedersuiker werden zulke voorraden in deze oorlogsjaren opgekocht door de regering en als rijkscontroleur moest Doornbos ervoor zorgen, dat de distributie van die voedersuiker in zijn Oost-Groningse ressort eerlijk verliep. Uit 1926, ten slotte, is er nog een bericht over de afdeling Oldambt van de Bijenhoudersbond, dat de herverkiezing van Doornbos als preses meldt.

Doornbos was dus een soort van super-imker, zowel qua hoeveelheid korven als qua aanzien onder collegae. Toch beschouwde zelfs hij het bijenhouden niet als zijn hoofdberoep, want in akten burgerlijke stand noemt hij zich telkens landbouwer. Ook in boerenkring was hij nog bestuurlijk actief, onder meer als (vice-)voorzitter van de landbouwvereniging Ekamp-Meerland in de jaren twintig en dertig. Voor die club onderhield hij onder meer het contact met de Groninger Maatschappij van Landbouw.

Jan Doornbos overleed in 1945 op 87-jarige leeftijd.


Oude Veenkoloniën waren bijenhoudersgebied bij uitstek in Groningerland

Dat ik de boedelinventaris van Jan Davids Braam vond, kwam door een nieuw ‘trucje’ in de geavanceerde modus van Alle Groningers. Door een procentteken (%) zonder spatie voor een beroepsaanduiding te zetten, krijg je – spelfouten daargelaten – alle akten van de burgerlijke stand waarin dat beroep genoemd wordt. Deze truuk kan je bijvoorbeeld uithalen met bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker en bijhouder. In totaal krijg je voor die synoniemen dan 94 akten, die als volgt verdeeld zijn over de periode die de Burgerlijke Stand bestrijkt, onder aftrek van de min of meer recente decennia waarvoor een embargo op de akten berust:

Akten Burgerlijke Stand waarin bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker of bijhouder genoemd wordt als hoofdberoep van een persoon in die akte. Bron: allegroningers.nl .

Vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, duidden mensen zichzelf of wijlen hun vader nog aan met een dergelijk hoofdberoep. In de tweede helft van de negentiende eeuw viel dat duidelijk terug, waarna er een partieel herstel optrad in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Of de grafiek ook werkelijk het voorkomen van professioneel imkerschap weerspiegelt blijft onzeker. Zoals je aan Braam kon zien, gaf men wel eens de voorkeur aan een andere beroepsaanduiding, terwijl het werkelijke hoofdberoep toch bijenhouder was. Je moet er dan ook rekening mee houden dat er veel meer professionele imkers waren, dan in de akten voorkomen. Het is ook nog mogelijk dat de grafiek vooral het beroepsimago weergeeft. Bovendien zijn de cijfers vanaf 1918 gedrukt doordat de geboorte-aangiften voor die periode nog niet in Alle Groningers zitten.

Uiteraard betreffen die 94 akten niet even zovele bijenhouders, omdat ettelijke imkers in meerdere akten voorkomen. In totaal kon ik 56 mannen identificeren die de bijenteelt als hoofdberoep noemden of als imker etc. werden aangeduid. De namen staan in een lijst die ik bij wijze van bijlage onderaan dit stukje heb geplaatst. In enkele gevallen, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, droegen die mannen ook familienamen, ontleend aan hun beroep. Zo hadden imkers in Wolfsbarge en Wehe de achternaam Bijker, terwijl een collega uit Warfhuizen Bijman, ook wel Bijma heette en een vakbroeder uit Hoogezand De Bij genoemd werd. In enkele gevallen zie je bovendien imkerdynastieën, waarbij het beroep van vader op zoon overging. Zoiets had ik al geconstateerd bij de familie Braam (Hoogezand e.o), maar het bleek ook ’t geval bij de Potjewijds (Oude Pekela) en de Van Timmerens (Slochteren).

Hiermee zijn al wat plaatsnamen genoemd. Verreweg het interessantst is inderdaad de vraag waar de mannen woonden, die als hoofdberoep bijenhouder opgaven, of ermee werden genoemd. En dan bedoel ik niet de gemeenten, maar de plaatsen waar deze imkers werkelijk woonden. Die woonplaatsen heb ik op een kaartje gemarkeerd:

Vooral in de omgeving van Slochteren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, het oudste deel van Stadskanaal en de beide Pekela’s kwam de beroepsaanduiding veel voor. In het Westerkwartier was het al beduidend minder, terwijl er in Hunsingo, Fivelingo (met uitgezondering van de omgeving Bierum), het Oldambt en Westerwolde maar weinig mannen waren die zich bijenhouder enz. noemden.

Nogmaals, er is een dark number van mannen die het beroep wel uitoefenden, maar de voorkeur aan een andere aanduiding gaven. Toch weerspiegelt het kaartje mijns inziens wel, waar mensen vooral van de bijenteelt konden leven, namelijk in Midden-Groningen en de oude Veenkoloniën. Dit was ook het gebied, dat centraal gelegen was tussen gebieden met verschillende dominante drachtplanten. Zelf kende het veel boekweitteelt, verder konden bijen naar het koolzaad in het Oldambt en de Ommelanden en naar de heide in Drenthe en Westerwolde.

Dat er veel bijen tussen zulke gebieden vervoerd werden, kan je ook zien aan enkele overlijdensakten. Zo stierf Jan Klaassens Bijman uit Warfhuizen in augustus 1824, tijdens de heidebloei, in het Drentse Hoogeveen, terwijl de Hoogeveense bijker Hendrik Smith in juni 1818, tijdens de koolzaadbloei, in Pieterburen overleed. De laatste heb ik overigens niet in onderstaande lijst opgenomen, net zomin als een andere Drent en enkele Friese imkers. Het was me immers louter te doen om de Groningse bijenhouders.

Bijenhouders etc., genoemd in Alle Groningers:

WOONPLAATS NAAM BIJENHOUDER GENOEMD IN AKTEN UIT JAAR
     
Bedum Jan de Neu (vgl. Zuidbroek) 1900, 1905, 1907, 1909,
Bierum Derk Jans Draak 1827
Jan Gerrits Schuurman 1838
Tjark Alberts van Dijk 1850
Foxhol (gem. Hoogezand) David Jans Braam (vgl. Hoogezand) 1845, 1846
Grijpskerk Eduard Poppema 1911, 1913, 1914
Groningen Willem Spiekman 1826
Haren Evert Heidema 1927
Hellum (gem. Slochteren) Jan Eisses Doornbos 1879
Hoogezand Hindrik Stoffers de Bij 1816
Jan Davids Braam (vgl. Foxhol) 1820
Kalkwijk (gem. Hoogezand) Arend Aljes Smit 1822, 1823
Kleinemeer (gem. Sappemeer) Derk Vegter 1868
Jan Barkman 1901
Kolham (gem. Slochteren) Jannes Tepper 1876, 1877
Pieter Schuur 1879
Midwolda Willem Baas 1943
Nieuwe Pekela Pieter Alles de Jonge 1813, 1814
Willem Jans Horlings 1832
Harm Jans de Weerd 1833
Noordhorn Jan Vlietstra 1906, 1912, 1913
Opende (gem Grootegast) Pieter van Velden 1921
Oude Pekela Harmen Klaassens Pottjewijd 1814
Geert H. Potjewijd 1816, 1818
Schildwolde Eisse Folkersma 1920, 1929, 1930, 1931, 1934, 1943
Jans Folkersma 1930, 1931
Sebaldeburen (gem. Grootegast) Johannes Schaafsma 1919, 1923
Siddeburen (gem. Slochteren) Kornelis Koning 1894, 1896
Slochteren Jakob Jans Meelker 1856
Eisse van Timmeren 1913
Jakob Hindrik van Timmeren 1927
Spijk (gem Bierum) Klaas Simons Groenewold 1827
Stadskanaal (gem. Wildervank) Gozen Albertus van Groenendal 1838
Stadskanaal (gem. Nieuwe Pekela) Pieter Hindriks Brouwer 1826
Harm Arends 1882
Veendam Arend Hindriks Bolhuis 1830
Jan Geerts Kool 1856
Derk Vos 1901
Koert Kram 1906
Vlagtwedde Heero Harms Tammes 1828
Warfhuizen Jan Klaassens Bijman (ook 3x Bijma) 1818, 1820, 1821, 1824, 1836, 1838
Wehe (gem. Leens) Jan Tammes Bijker 1814
Westerbroek (ge, Hoogezand) Eildert Jans Braam 1819, 1824, 1826, 1836, 1838, 1842
Westerlee (gem. Scheemda) Albertus Hermannus Rademaker 1937
Westerzand (vgl. Sebaldeburen) Johannes Schaafsma 1918
Wildervank Abraham Harms Staal 1837, 1839, 1841
Jacob Jans Boer 1851, 1852, 1855
Lourens Fokkes Kroon 1852, 1859
Hindrik Haijes Rubing 1864, 1869
De Wilp (gem Marum) Eelke Nieman 1921
Jelle/Jelke Tienstra 1926, 1934
Windeweer (gem Hz) Reint Arents Nieboer 1812, 1822
Folkert Buitenhof 1923, 1930
Winschoten Jan Wever 1934
Wolfsbarge (gem Hz) Arend Berend Bijker 1824
Zuidbroek Jan de Neu (vgl. Bedum) 1899

Een professionele imkerij in Hoogezand

In een huwelijksakte uit 1820 heet het van Jan Davids Braam, wijlen de vader van de bruidegom in die akte, dat hij bij leven bijenhouder was geweest. In latere trouw- en sterfakten van zijn kinderen, opgemaakt tussen 1826 en 1846, heet dezelfde Jan Davids Braam echter koopman.

Deze Jan Davids Braam woonde zijn leven lang in Hoogezand. Hij bleek daar geboren in 1753 als zoon van een David Braam en trouwde er in 1782 een Sietske Eilders, met wie hij zeven kinderen kreeg. Zijn oudste zoons David en Eildert kwamen later even ambigu in burgerlijke standsakten terecht als imker en koopman.

Eind 1800 stierf Davids Jan Braam door een “uitterende ziekte van enige weken”. Omdat zijn weduwe zeven jaar later wilde hertrouwen, werd er in mei 1807 een boedelinventaris opgemaakt, die heel mooi laat zien wat de belangrijkste kostwinning van Jan Braam en zijn directe nazaten was.

Allereerst werd het huis getaxeerd op 1900 gulden. Zo’n bedrag stond destijds voor een degelijke middenstandswoning. Ook het interieur was goed burgerlijk, met weinig bijzonders, of het moest het dambord zijn, dat een liefhebberij verraadt. Bij de keukenspullen zitten al een paar potten met honing, maar dat is niets vergeleken bij wat er verderop genoteerd staat. Maar eerst passeren we de winkel, waar Jan Braam en zijn vrouw o.a. vet, cichorei, siroop, tabak, snuif, koffiebonen, zout, suiker, kandij, erwten en bonen, luiwagens, vegers, kammen , brillen, lampekatoen, verfstoffen en papier verkochten, naar ik vermoed vooral aan passerende schippers – het huis stond ook aan het diep.

De winkel voorbij, komen we bij de spullen van Braams’ bijenhouderij:

 

ITEM

GETAXEERD BEDRAG

(in guldens, stuivers en duiten)

Eenige ijmeplanken

15-00-0

149 korf ijmen à 6-5-0

931-00-0

Eenige lege korven

18-00-0

Eenige opzetsels

15-00-0

6 ymeledders

13-00-0

parsgereetschappen

95-00-0

15 pond witte honing à 5 ½ stuiver

41-05-0

Eenige ijme doeken

32-05-0

Eenige ijme kappen

17-00-0

3932 pond honing à 21 stuiver

825-14-3

10 Kroes Mee à 6 stuiver

3-00-0

De winkelinventaris, op zichzelf genomen, was iets meer dan 223 gulden waard. De spullen die met de bijenhouderij te maken hadden, werden met elkaar echter op ruim 2006 gulden getaxeerd, zo’n beetje het negenvoudige! Er zat dus veel meer geld in de imkerij dan in de winkel. Jan Braam was primair bijenhouder en daarna pas koopman en de latere burgerlijke standsakten geven een scheef beeld van zijn primaire kostwinning. Met die bijna 150 korven had hij ’s zomers ook wel een dagtaak aan zijn imkerij – denk alleen al aan de vele zwermen. De winkel zal in het bijenseizoen dan ook het domein geweest zijn van zijn vrouw.

Hoe ze boerden, is eveneens na te gaan aan de hand van de boedelinventaris. Bij zijn huwelijk in 1782 bracht Jan Davids Braam 900 gulden bij de gezamenlijke huishouding in. Na zijn dood schoot er voor gezamenlijke rekening van hem en zijn vrouw 3000 gulden over. De helft van dat bedrag was Jans aandeel, en die 1500 gulden ging naar de kinderen. De imkerij had goed gerendeerd, het gezin van de bijenhouder kon er ook na Jans dood best van leven.

 

 


Zwanendriften (1814)

Het onlangs verschenen genealogisch jaarboek Gruoninga bevat een lijst van zwanendriften. Het is een cumulatieve lijst die is aangelegd in 1814, waarna de mutaties en aanvullingen tot 1837 zijn bijgeschreven. Op de lijst staan ruim 400 namen, vooral van jonkers, dikke boeren, en hogere burgers, die van de provincie het recht op zwanendrift hadden gekocht. Zo iemand, een ‘zwanendrifter’ geheten, mocht een bepaald aantal knobbelzwanen houden in zijn omgeving, waaraan hij deze vogels bond door ze te laten leewieken (hun vleugels iets in te korten). Oorspronkelijk was het recht van zwanendrift een jachtrecht, behorend tot de heerlijke rechten die men na de Bataafse Revolutie van 1798 afgeschaft had, maar die in 1814, na een partiële restauratie, weer hersteld waren als gewoon eigendomsrecht. Zwanenvlees gold van oudsher als herenkost, maar afgezien van het vlees hield men zwanen waarschijnlijk ook om hun dons en pennen.

Omdat me iets opviel aan de lijst, heb ik de plaatsen waar die zwanendriften gevestigd waren in 1814, dus toen de oorspronkelijke lijst met vergunningen opgemaakt werd, in kaart gebracht. Deze plaatsen bevonden zich vooral in Hunsingo en Fivelingo en in het kleigedeelte van het Westerkwartier, met andere woorden: het aloude jonkersgebied. Het zuidelijk Westerkwartier, het Oldambt, de Veenkoloniën en Westerwolde zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd. In de Oost-Groninger contreien bestonden voor 1795 ook geen heerlijke rechten meer. Aan de ene kant zal er dus continuïteit met de toestanden van voor de Bataafse Revolutie zijn geweest; aan de andere kant vormden de hogere zand- en hoogveengebieden ook niet zo’n biotoop voor zwanen: of er was te weinig breed, open water, of dat water werd te druk bevaren.

Bron: J.P.A. Wortelboer, ‘Zwanendriften in de provincie Groningen (1814-1837’, Gruoninga 2012, 177-186.


Uitgevlakt landschap

In 1981 waren ze er nog, de stukjes Oostwolderpolderdijk achter Finsterwolde, waarop eerder een voetpad lag. Ze staken zo’n anderhalf, twee meter boven het omringende landschap uit:

In 1982 waren ze er niet meer. Ze werden verwijderd zonder dat er een haan naar kraaide. Vermoedelijk maakte een ruilverkaveling er een eind aan:

Jammer dat ze verdwenen zijn. Een polder zonder dijk is als een veenkolonie zonder vaart – de ziel is eruit.


Gemeentehuis Scheemda zat in Hotel Panman

Algemeen Handelsblad 27 maart 1886.

Op het Loket voor Lief & Leed heb ik wel een wat verteld over de Groninger gemeentehuizen, die in de negentiende eeuw doorgaans in herbergen waren gevestigd. Vooral bij aangiften burgerlijke stand kon dat nog wel eens minder wenselijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een nieuwbakken vader besloot een borrel of wat op zijn geluk te nemen.

Hoe de zaken nu precies waren geregeld tussen de herbergier en de bij hem inwonende gemeente, blijft veelal in nevelen gehuld. Bij het doornemen van de repertoria van notaris Koning uit Finsterwolde (die een soort van streeknotaris was voor alle Oldambtster dorpen) had ik echter een mooie bijvangst, die licht werpt op de regeling zoals die in de gemeente Scheemda bestond. Op 3 augustus 1886 sloot het gemeentebestuur hier, zoals vertegenwoordigd door burgemeester De Beer en wethouder Crol, een huurcontract  voor 25 jaar af met Eildert Panman, de eigenaar en uitbater van een zeer bekend logement in Scheemda.

Het gemeentebestuur huurde niet dat gehele logement, maar slechts vier vertrekken op de bovenverdieping, te weten

“Eene raadzaal, ene secretarie met brandvrij archief, eene burgemeesterskamer en eene wachtkamer voor het publiek, met eigen toegang van de openbare straat over den grond van verhuurder.”

Panman moest voor 1 november daaraan volgende deze vertrekken met hun toegangen en de tussenliggende corridor hebben ingericht conform de plannen die daarvoor waren gemaakt, en die inmiddels waren goedgekeurd door de gemeenteraad. Hij had dus nog bijna drie maanden de tijd om de ruimten te laten aftimmeren en verven.

Vanaf de oplevering kwam al het onderhoud van ‘t binnenwerk in die vertrekken en ook alle stukadoor-, schilder- en glaswerk, voor rekening van de gemeente. Het onderhoud van het meeste buitenwerk – dak, dakgoten, bovenste zolder, zolderkozijnen, drempels en buitenmuren – was echter voor Panman, die moest zorgen

“dat het gemeente archief noch het ameublement door lekken of vochtigheid eenige schade zal kunnen lijden”.

Panman diende zijn hele logement bij een solide brandverzekering onder te brengen. Wederopbouw bij een brand of een andere ramp kwam ook voor zijn rekening. Als het gemeentebestuur zou besluiten het binnenonderhoud aan Panman uit te besteden, dan betaalde het hem daarvoor een vast bedrag van 50 gulden per jaar.

Blijkbaar zat de gemeente Scheemda ruim bij kas, want ze voldeed de 4000 gulden huur voor de algehele huurtermijn van 1 november 1886 tot en met 31 oktober 1911 in één keer aan Panman op de opleveringsdatum 1 november 1886. In de begrotingen en gemeenterekeningen van de opvolgende jaren zal men zodoende geen posten voor huisvesting vinden. Men was er in één keer vanaf.

Taande naarmate de termijn verstreek het vertrouwen tussen huurder en verhuurder? Het huurcontract werd immers niet helemaal uitgediend. Na het overlijden van burgemeester De Beer (1902) duurde het niet lang, of de gemeente Scheemda betrok een eigen onderkomen (1906), overigens wel vlakbij Hotel Panman aan de Winschoterweg (nu Esborgstraat).

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen van de standplaats Finsterwolde) inv.nr. 67 (akten van 1886), akte nummer 179, opgemaakt door notaris A.H. Koning te Finsterwolde op 3 augustus 1886.

Hotel Panman te Scheemda, 1904. Collectie RHC Groninger Archieven 1986-15306.


De familienaam Jager

Als je de dragers van de familienaam Jager naar de herkomst en betekenis van die naam vraagt, zal een grote meerderheid menen dat een voorvader dat beroep uitoefende en ‘dus’ wild schoot voor zijn broodwinning. Deze verklaring lijkt net zo voor de hand te liggen als die voor Boer, Bakker, Timmerman, Slager, Koopman, Schipper etc.

Maar wat voor de hand ligt, hoeft nog niet juist te zijn. Laten we eerst eens kijken naar het kaartje van de gemeenten waar in 2007 deze familienaam in meerdere of mindere mate in absolute aantallen voorkwam in de telefoongidsen:

De stad Groningen spant dan de kroon met 391 naamdragers, in de gelijknamige provincie gevolgd door de gemeenten Veendam (207), Hoogezand-Sappemeer (138), Menterwolde (133), Scheemda (103) en Delfzijl (101). De aantallen van de stad Groningen en Veendam worden elders in den lande nergens overtroffen. Enschede en Amsterdam kennen hier de grootste concentraties Jagers (178 om 162), terwijl in Friesland Leeuwarden (136) en Smallingerland (116) er bovenuit steken, wat in Drenthe geldt voor de gemeenten Emmen (118), Assen (107) en Tynaarloo (105). Opmerkelijk is verder dat de naam onder de grote rivieren nauwelijks voorkomt, net of ze daar nauwelijks professionele wildschutters hebben gehad.

De concentratie van de naam in het noorden krijgt nog veel meer reliëf op een kaartje van de percentages Jagers op het totale aantal naamdragers per gemeente in 2007:

De concentratie ligt dan helemaal in het Noorden, met name de gemeente Menterwolde, met als goede tweede en derde Veendam en Scheemda. In Menterwolde draagt zelfs meer dan 1 % van de mensen in het telefoonboek de naam Jager, Verder is de familienaam in heel Oost-Groningen met uitzondering van Westerwolde goed vertegenwoordigd, terwijl er ook relatief veel Jagers voorkomen in de veengebieden van Friesland en in Noord- en Midden-Drenthe (met o.m. Smilde).

Als we dan zestig jaar teruggaan in de tijd, en wel naar de Volkstelling van 1947, dan blijkt die noordelijke concentratie nog veel pregnanter te zijn geweest:

Met 1951 van de 5180 gezinshoofden die deze familienaam droegen, herbergde de provincie Groningen zelfs 37,7 % van alle Jagers. Gemeenten die eruit sprongen waren destijds Groningen, Veendam, Winschoten, Muntendam, Meeden, Hoogezand, Slochteren en Scheemda. De tweede provincie, Friesland, lag met een aandeel van 17 % op het landelijke totaal aantal Jagers een straatlengte achter.

Je zou kunnen veronderstellen dat die concentratie in Groningerland verder terug in het verleden, nog groter zou zijn. Voor de periode 1811-1821 geeft de landelijke genealogische website WieWasWie 652 kinderen, bij de burgerlijke stand aangegeven met de achternaam (De) Jager. Daarvan werden er 243 geboren in Groningerland, oftewel 37,3 %. Dat cijfer komt nagenoeg overeen met het percentage uit 1947 – Groningerland mocht dan van alle provincies de meeste Jagers voortbrengen, maar haar aandeel lijkt tussen 1811 en 1947 min of meer gelijk te zijn gebleven – het had dus ook in die vroege periode zeker niet het alleenrecht.

Tot slot ben ik dan nog via Alle Groningers voor die vroege periode 1811-1821 nagegaan, welke Groningse gemeenten eruit sprongen qua baby’s met de achternaam Jager. Dat bleken de stad Groningen (29), Meeden (18), Muntendam (15), Hoogezand (10), Delfzijl (10) en Nieuwolda (10). Ook toen al kwamen de Jagers vooral voor in Oost-Groningen, en dan met name de Veenkoloniën.

Waarom dat zo was? Voor een antwoord op die vraag kunnen we te rade gaan bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat geeft als negende verklaring voor de term ‘jager’: scheepsjager, oftewel “de bestuurder, drijver, en geleider — man of jongen — van het paard of de paarden voor een vaartuig dat gejaagd wordt”. De verkorting van scheepsjager tot jager werd weliswaar ook elders gebruikt, zo tonen de WNT-voorbeelden opnieuw aan, maar de veenkoloniën werden in buitengewone mate bepaald door hun infrastructuur van kanalen, diepen en wijken. Hier waren dus meer dan elders scheepsjagers in touw, vandaar dat hier ook meer dan elders mensen de familienaam Jager kozen om zich te onderscheiden van mensen met een ander beroep.