Demografische effecten van een polderaanleg

Sprekend over het Oldambtster Oostwold, zegt de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794:

“Het lag voorheen op den uithoek des Dollards en was daarom, evenal Finsterwold, eene wykplaats voor de garneelvisschers, Maar zedert de indykingen van den noorder inham, vooral zedert de laatste van 1769, is het een treffelyk dorp geworden…”

Met andere woorden: Oostwold was voor de indijkingen een armoedig vissersplaatsje, maar kreeg vooral na de totstandkoming van de Oostwolderpolder (1769) een heel ander, vooral welvarender aanzien.

Die polder vermeerderde het aantal boerderijen en het areaal akkerland en zorgde daarmee voor een groeiende werkgelegenheid. Op een doorsnee-Oldambtster boerderij werkten destijds zo’n drie of vier inwonende knechten en meiden, en zeker in het drukke zomerhalfjaar kwamen daar nog ettelijke dagloners bij. Je zou dus kunnen veronderstellen dat de ruimtelijke en economische ontwikkelingen zouden doorwerken in de aantallen huwelijken en gedoopte kinderen in de plaatselijke hervormde gemeente, die bijna de gehele plaatselijke bevolking herbergde. De aantallen huwelijken en dopen zouden moeten groeien. Maar was dat ook zo?

Eerst maar de huwelijken. De volgende grafiek geeft hun aantallen per vijf jaar weer over de periode 1730-1809:

De aanleg van de polder had wat betreft de in Oostwold geregistreerde huwelijken een enorme boom ten gevolge. In de 40 jaar voor 1770 was het gemiddelde 14 huwelijken per vijf jaar, daarna werd dat gemiddelde 43 huwelijken voor eenzelfde tijdsbestek, een verdrievoudiging. Voor 1770 was er bovendien sprake van een dalende trend, zeker als je de tweede helft van de jaren 1760 buiten beschouwing laat. Na 1770 was de trend stijgend.

Dan de aantallen gedoopte kinderen over dezelfde periode:

De dalende trend van voor 1770 bij de huwelijken, zien we in verhevigde mate terug bij de aantallen dopen. Mogelijk was er vergrijzing en trokken er al jongere vissersgezinnen weg naar plaatsen waar eerst niet brede kwelders moesten worden overgestoken om garnalen en bot te kunnen vangen. In de tweede helft van de jaren 1760 neemt het aantal dopen plots weer wat toe. Het lijkt een voorschot op wat komen ging – vestigden zich voor de inpoldering al daarop anticiperende gezinnen? In elk geval was in de 40 jaar voor 1770 het gemiddelde 43 dopen per vijf jaar, daarna werd dat 80 dopen voor eenzelfde tijdsbestek, een verdubbeling. De inpoldering zorgde dus onmiskenbaar voor een groter kindertal. al ging de groei niet zo snel als bij de huwelijken.

Oostwold kreeg inderdaad een heel ander aanzien, demografisch gesproken.


Viertorenkerk Midwolda – symbool voor het Oldambt als regio

Van de week kwam ik dit wapen tegen in het archief van het Termunterzijlvest:

Het betreft de kerk met de vier (juffer?)torens, die van ca. 1170 tot ca. 1720, 1730 in de oude kern van Midwolda heeft gestaan, op een plek die nu ‘Ol Kerke’ heet, zo’n beetje halfweg Midwolda en Nieuwolda. In 1819 bevestigde de Hoge Raad van Adel dat het Termunterzijlvest de voorstelling van deze kerk in zijn wapen mocht blijven voeren:

Het zijlvest voerde dit wapen al vanaf de zeventiende eeuw, getuige divers zilverwerk. En hoewel het zijlvest allang is opgegaan in grotere verbanden, vinden we de viertorenkerk nog steeds op de gevel van gemaal Cremer in Termunterzijl:

Vanaf 1894 voerde ook de in gemeente Midwolda (1811-1989) een wapen met de viertorenkerk – het staat nog steeds als mozaïek op het oude gemeentehuis in het lintdorp:

Oudtijds stond het op Groninger tabakszakken als herkenbaar bedrijfslogo:

Waarbij de uitwerking nogal verschilde van die op een kaart uit 1734:

Zelfs zijn er wafelijzers met de viertorenkerk, zoals deze in het bakkerijmuseum Mendels te Middelstum:

Op zeventiende-eeuwse pamfletten voor de Oldambtster onafhankelijkheid is dit het beeld:

Zo ongeveer stond de kerk op het landschapszegel, dat de Oldambtster dorpsvolmachten vanaf medio veertiende gebruikten voor zaken van gemeenschappelijk en bovenlokaal belang. Tot het zegelsignet in 1698 op last van het Groninger stadsbestuur werd omgesmolten.

Zoals enkele voorbeelden hierboven aantonen, bleef het Oldambtster wapen echter nog lang in zwang als regionaal symbool voor het Oldambt, ook toen de viertorenkerk allang  afgebroken was. Zo sierde het in 1748 nog het vaandel van een orangistische militie uit Midwolda, terwijl het in de revolutionaire jaren 1795-1797 aan het hoofd stond van de proclamaties, uitgevaardigd door het Oldambtster comité dat de politieke gelijkberechtiging van de regio in de provincie voorstond.

Momenteel bedient alleen de PKN-gemeente Midwolda zich nog van het wapen. Eigenlijk best wel jammer dat zo’n veelgebruikt symbool het loodje moest leggen in het streven naar almaar grotere bestuurlijke verbanden.

Literatuur: J.P. Koers, ‘De viertorenkerk, beeldmerk van de Oldambtster identiteit’, Duvekoater 60 (november 2017) 29-32.


De Oostwolderpolder, voor en na aanleg

De voorgenomen Oostwolderpolder staat op de manuscriptkaart van Beckeringh uit 1767. En de gerealiseerde Oostwolderpolder wordt getoond door de gedrukte Beckeringhkaart uit 1781. Mijn zelfopgelegde opdracht: zoek de verschillen.

Ten eerste de nieuwe dijk. Op de handschriftkaart schampt die dijk het Munnikeveen, een Dollardeiland. Op de gedrukte kaart loopt die dijk over het Munnikeveen heen.  Dit zou nog een correctie door Beckeringh kunnen zijn, maar de dijk ziet er ook anders uit. In de oorspronkelijke opzet bestaat hij uit vier rechte stukken. Het noordelijkste daarvan lijkt precies zo gerealiseerd, maar naar het zuidoosten toe wordt die dijk steeds kronkeliger. Nog veel belangrijker: hij takt niet voorbij Finsterwolde aan op de oude dijk van 1701, maar halverwege dat lintdorp. Er werd dus een flinke lap minder ingepolderd dan aanvankelijk in de bedoeling lag. De dijk houdt veel meer afstand tot de Beerster- en de Bellingwolder zijlen (uitwateringen|). Zo te zien had de herencommissie die de inpoldering regelde, hier een probleem met het Tienkerspelenzijlvest dat de afwatering van o.a. Bellingwolde, Winschoten, Beerta en ook Finsterwolde regelde. Finsterwolde werd daarvan dan de dupe, in die zin dat het veel minder deelde in de baten van de nieuwe polder.

Verder het inwendige van die polder. In 1767 watert de oude polder nog uit via de Olde Geut en de Swaagzijl. Die zijl wordt in de nieuwe polder een eind verderop in de Oude Geut vervangen door de nieuwe Oostwolderpolderzijl. Bovendien zijn er landwegen gekomen en boerderijen gebouwd.

In het achterland is het oude Oostwolderhamrik, vlak achter de oude dijk en ten zuiden van de Oude Geut, van de kaart verdwenen. Woonden hier misschien de vissers van Oostwold? Ook hebben de oude dijkdorpen Midwolda, Oostwold en Finsterwolde tussen 1767 en 1781 een veel bosachtiger aanzien, althans veel meer bomen gekregen. De Goldhoorn is typografisch prominenter op de kaart gezet.

Bronnen: Reinder Reinders e.a., De atlas van Beckeringh (Zwolle 2016) pag. 70-71 (detail manuscriptkaart) en RHC Groninger Archieven 1536-631 (detail gedrukte kaart).


Een Rottumer predikant blikt terug

“Niet spoedig zal ik vergeten het uitzicht dat ik had van het kerkhof af in mijn eerste gemeente. ’t Lag op een hooge, oude terp, zooals zoovele dorpen in Groningen. En dan zag ik de wijde, vlakke velden, de groote boerderijen met de boomen rondom, de stoere zadeldaktorens van vele kerken, tot ver weg, en hoorde ik over die stille avondvelden de carillonklanken komen uit den ouden toren van Middelstum…”

Aldus ds. Marius Nicolaas Wisse Smit (1903-1980), later nogal een carrière-predikant, die in zijn jonge jaren echter drie jaar lang, van 1930 tot 1933, hervormd predikant was van de kleine gemeente Rottum en Stitswerd. Smit had voor zijn betrekking hier alleen gewerkt als hulppredikant van een evangelisatie in Emmen. Mogelijk waren de ervaringen daar van invloed op zijn Noord-Groninger waarnemingen. In elk geval schreef hij enkele jaren later een essay over zijn tijd in Groningen, waarin hij de verhouding tussen de Noord-Groningers en de hier ooit zo dominante hervormde kerk onderzoekt.

Allereerst komen in dat stuk enkele vooroordelen tegen de Noord-Groninger aan bod. Die was meestal kort van stof, bepaald niet geneigd tot lyriek, en wars van pluimstrijkerij. Met zijn geslotenheid beschermde hij zijn gevoeligheid. Zijn nuchterheid stond vooral voor zakelijkheid. Een Groninger was materialistisch en mocht zich graag verbeteren, ook qua gezag en macht. Van geld moest je in zijn ogen vooral meer geld zien te maken.

“Blijft een huishoudster ergens uit liefde, terwijl haar elders ƒ 150 meer per jaar wordt geboden, dan vindt het dorp dit wel mooi, maar eigenlijk vreemd en het zal zich in de vraag verdiepen of zij misschien een spaarbankboekje heeft. (…)

En bedankt een dominee voor een beroep naar een plaats, waar het traktement ƒ 1000 „dikker” is, dan gaat dit tegen den werkelijkheidszin, tegen de zakelijkheid van den Noord-Groninger in. Hij vindt het vanzelfsprekend dat ook een dominee „zich verbetert”, als hem daartoe de gelegenheid geboden wordt.”

Zakelijkheid, geldzucht en ambitie beheersten ook de onderlinge verhoudingen tussen boeren, arbeiders en middenstand, aldus ds. Smit. Enkele veelbesproken uitzonderlingen daargelaten, bestonden er geen affectieve banden tussen boeren en arbeiders. Zonder verklaarde partijgangers te zijn, stemden de arbeiders rood. De boer had ook liever cocksiaansche arbeiders aan het werk, want gereformeerden brachten nog eerbied op voor het gezag.

Maar deze voorkeur had niets te maken met een levensbeschouwelijk standpunt. Verreweg de meeste boeren gingen zelf niet meer naar de kerk, wat voor kerk dan ook. De dominee mocht heus wel bij ze op visite komen, maar absoluut niet op visitatie. Dan konden ze vrijblijvend meningen uitwisselen, zonder dat er een boodschap ter sprake kwam. Want

“…zoodra hij de boodschap hoort klinken, sluit hij zich af. Hij wil desnoods hooren wat de dominee over God denkt, beslist niet wat God over den Noord-Groninger boer denkt.”

Die boer bad niet meer. Hij voelde zich onafhankelijk. De kunstmest was zijn God. De kerk was in zijn ogen best wel  een nuttige instelling, maar voor anderen, die dat helemaal zelf moesten weten. Beter dat mensen de Bijbel lazen dan een revolver pakten. De boeren lieten hun kinderen al niet meer dopen, die gingen ook niet naar de catechisatie.

In de gemeenten rond Rottum en Stitswerd was er in die jaren onder de arbeiders al vrij veel bewuste onkerkelijkheid. Zo’n kwart van de mensen vulde bij de Volkstelling in dat ze nergens meer bij hoorden. Toch had de kerk bij zulke arbeiders nog een voet tussen de deur, als ze dominee tenminste een “nuvere kerel” vonden, wat afhing van zijn luisterbereidheid, en zijn neiging om ze, als ze tegenslag hadden, iets van hun pacht kwijt te schelden. Maar zulke arbeiders bonden zich verder niet. Het lag ze voorin de mond bestorven dat de kerk, net als Jezus, moest opkomen voor de armen en verdrukten. De kerk moest de boeren maar eens flink de waarheid zeggen. Zoals het er voorstond waren de boeren bezorgder voor hun paarden dan voor hun arbeiders.

Net zomin als de boer liet de arbeider zijn kinderen nog dopen. Als die naar catechisatie wilden, moesten ze dat zelf maar weten. Hij zou ze nergens toe dwingen, je wist vooraf ook niet met wie ze gingen trouwen. Maar als dominee op ziekenbezoek kwam, dan werd diens “meeleven” zeer op prijs gesteld. En bij begrafenissen van onkerkelijke arbeiders vroegen ze dominee ook nog steeds om te komen spreken.

“Al is ’t gesprek in ’t arbeidersgezin bewogener dan met de boerenfamilie: practisch leven ook zij niet kerkelijk mee en in hun critiek kastijden zij de kerk in hun gekrenkt vertrouwen. Eigenlijk is er onder deze arbeiders geen die van onze kerk nog werkelijk veel verwacht. Hun liefde en hun hoop hebben zij van haar afgetrokken en hun verwachting hebben zij gesteld op andere bewegingen.”

Onder de dorpsmiddenstand waren er relatief nog veel kerkgangers, maar ook nogal eens vanwege de klandizie van de kerk, die met de bijbehorende verenigingen, de zondagschool en de diaconie best veel te spenderen had. Zulke en meer bezielde middenstanders vormden dan met een deel van de arbeiders de meelevende gemeente.

En passant schetst Smit een beeld van hoe het er in Rottum qua kerkgang aan toeging:

“In dit onkerkelijke dorp, met pl.m. tweehonderddertig Hervormden, stond de kerk net even buiten het dorp. Zondags preekte ik dan voor gemiddeld vijf en dertig menschen. Een enkele avonddienst bracht zestig in het kerkgebouw, meerdere ochtend- en middagdiensten vijf en twintig. De mannen zaten links, de vrouwen rechts. Behalve de mannenbroeders uit den kerkeraad en één kerkvoogd, die vlak bij den preekstoel zaten, zaten er in de kerk nog vier mannen, door sterven tot twee teruggebracht, als trouwe kerkgangers aan de linkerzijde. De anderen waren vrouwen. Hun aller leeftijd was tusschen de veertig tot tachtig jaar. Als de jeugdige orgeltrapper zijn moeder niet verving, was er geen jeugd, tenzij er doopelingen waren.”

Stitswerd was veel kerkelijker dan Rottum. Verder wisselde het beeld in de omgeving nogal. In de meeste gemeenten kwam er weinig jeugd in de kerk, maar er waren ook gemeenten waar die jeugd nog steeds in de kerkbanken zat. Ouderen lieten geregeld verstek gaan wegens familiebezoek. In dorpen waar de onkerkelijkheid dominant was geworden, bleven mensen ook uit de kerk weg vanwege de spot die ze ten deel viel.

Bron: M.N.W. Smit, ‘Onder Noord-Groningers’ in: S.F.H.J Berkelbach van der Sprenkel e.a., Kerke-werk. Beschrijvingen van den arbeid der hervormde kerk in stad en land (Nijkerk 1938) 16-30.


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (2)

Nortonpomp Oostwold

Het hok met de Nortonpomp in Oostwold. Foto met dank aan Daniel Oudman.

Natuurlijk moet je een mooi verhaal niet kapotchecken, maar ergens kwam het gedicht dat mijn zegsman declameerde me bekend voor. Ik kon het dus niet laten en ging op zoek.

En zo bleek, dat het poeem over Frans Kant en de Nortonpomp van Oostwold ook staat in een ‘Noorder Rondblik’ uit 1980 en in een verzameling dorpsgeschiedenissen door Abel Blokzijl uit 2006 (p.14-16). Beide bronnen geven het pomp-opschrift met minieme variaties. De versie uit de Noorder Rondblik luidt:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf,
Zoo bracht Frans Kant ter goeder stond,
Hier kost’lijk water uit den grond.
Wat vroeger boren niet vermocht
Heeft nu Frans Kant voor ons gewrocht.”

Verder verschilt de bijkomende informatie enigszins, bijvoorbeeld voor wat betreft de locatie van de pomp. In de Noorder Rondblik, een regionale cultuurrubriek van het Nieuwsblad van het Noorden, komt de oud-Oostwolder Edzo de Groot aan het woord, die zich afvraagt waarom de Nortonpomp “aan de Huningaweg, naast het perceel van mevrouw De Groot—Baas (vroeger rijksveldwachter Welbergen)” moest verdwijnen:

“Aan die pomp, destijds een overvloedige bron in hete droge zomermaanden, ingebouwd in een houten huisje, hing een ijzeren nap, stevig vastgeklonken met een ketting; voor de voorbijganger een pauzeteken om even de dorst te lessen.”

Volgens Blokzijl stond de pomp tegenover de pastorie, vlakbij de ingang van het kerkhof. Hij meent dat ze werd geslagen door de gemeente Midwolda, waarbij zelfs op 70 meter diepte nog geen wel van geschikt grondwater was gevonden. Daarom beschouwde men het project als mislukt en kwam er een dop op de buis. Totdat de lokale grofsmid Frans Kant de grond huurde en die dop er weer vanaf draaide. Het water spoot er uit en dat werd het gesprek van de dag in Oostwold. Waarop de gemeente het water liet onderzoeken – het bleek van puike kwaliteit en zeer geschikt voor consumptie. Vanaf die dag had Oostwold dus in tijden van droogte goed drinkwater. Wat Blokzijl, anders dan mijn zegsman, echter niet vermeldt is dat de gemeente het houten bord liet overschilderen.

Voor ik nog verder in de historie duik, eerst maar even de summiere biografie van de hoofdfiguur. Dat deze Frans Kant werkelijk grofsmid te Oostwold is geweest, bewijzen de burgerlijke standsakten met zijn naam. Hij werd in 1862 geboren in Oostwold als zoon van de smid Lammert Kant, trouwde, zelf smid geworden, op zijn 33ste, kreeg met zijn vrouw een hele serie kinderen, waarvan er enkele jong stierven, en kwam zelf uit de tijd in 1931. De historie moet zich dus voor dat sterfjaar hebben afgespeeld. Misschien in de jaren twintig?

Nee, ze is nog ouder, zo blijkt uit de krantendatabank Delpher. Op 27 april 1907 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden:

“OOSTWOLD (O) 25 April. Voor eenige jaren sloeg hier iemand uit Leeuwarden een Nortonpomp circa 570 voet in den grond, maar daar het water onbruikbaar was, staakte men het werk maar liet de buis zitten. Een onzer smeden kwam dezer dagen op ’t idee het ding eens weer te probeeren en men pompte, pompte 2½ dag en heeft nog volop water. De heer Van Dam, apotheker te O. Pekela, die het drinkwater onderzocht, verklaarde het voor uitstekend drinkwater. Gelukkig Oostwold !”

De grondwaterwel waar de pomp op aansloeg zat dus op bijna 168 meter, nog veel dieper dan de 70 meter die Abel Blokzijl noemt. De rest van het verhaal komt overeen met de overleveringen. Uit een bericht van eind september 1907, bijna vijf maanden later, blijkt wie het bord met het gedicht op de pomp bevestigde:

“OOSTWOLD 23 Sept. Dankzij ’t werken van onzen smid Kant hebben wij hier een Nortonpomp gekregen, die ons dezen zomer voor watergebrek heeft behoed. De kerkeraad heeft gemeend niet beter het véle goede, door K. gedaan, te kunnen beloonen, dan door ’t aanbrengen van ’n gedenkplaat aan de pomp waarop een passend gedichtje.”

Het was derhalve niet een anonieme spotvogel, zoals mijn zegsman wilde, maar het hervormd consistorie, dat hiermee zijn dankbaarheid wilde betonen. Zodat het overschilderen op last van het gemeentebestuur ook minder waarschijnlijk is, temeer daar de Nortonpomp op notabel hervormd initiatief geslagen blijkt te zijn. In oktober 1908 bezocht namelijk een Zweedse hoogleraar, Hjalmar Nilsson, de Oostwolderpolder en omgeving, waarbij zijn rondleiders hem ook de Nortonpomp toonden:

“Dat onze kerkvoogden voor eenige jaren in een werkelijk bestaande behoefte wilden voorzien, bewees deze dag het bezoek aan onze bekende Nortonpomp, die bijna 600 voet diep is. Reusachtig is de hoeveelheid water, die zij in dezen drogen tijd elken dag maar weer met volle stroomen opgeeft. Deze datum is vanwege het kerkbestuur het aantal emmersvol, dat uit de pomp werd gehaald, geteld door onzen doodgraver, die den geheelen dag als ’n politieagent op den weg flaneerde. De man kreeg het respectabel aantal van ruim 500 om ± 6 uur des avonds.

Bij deze gelegenheid kreeg de dorpssmid nog eens een pluim:

“Een eeresaluut zij bij dezen nog aan Frans Kant gebracht, die ons die weldaad heeft bewezen, want zonder hem, zouden we ook hier, evenals andere jaren te strijden hebben tegen watergebrek. En nu – volop van het heerlijkste bronwater.”

Dat de Nortonpomp er op initiatief van de hervormde kerkvoogdij van Oostwold kwam, wordt ook aangetoond door wat raadsverslagen uit 1938 en 1939, die melden dat die kerkvoogdij de burgerlijke gemeente Midwolda verzocht om een jaarlijkse subsidie voor het onderhoud. Op voorstel van B&W stelde de raad toen zonder hoofdelijke stemming een bedrag van 25 gulden per jaar vast.

Helaas lijkt het archief van de hervormde gemeente Oostwold poter, zodat niet is na te gaan hoeveel de kerkvoogdij betaalde voor aanleg en onderhoud van de pomp. Een Nortonpomp in Zuidhorn, in 1911 te slaan tot een diepte van 60, 65 meter, moest die gemeente echter 1600 gulden kosten bij gebleken succes, en ruim 300 gulden aan materiaal en arbeidsloon als de zaak mislukte. Gezien het feit dat de pomp in Oostwold bijna drie maal zo diep kwam, terwijl de arbeidslonen flink zullen toenemen bij een grotere diepgang, moet de pomp in Oostwold minstens drie maal zoveel hebben gekost, dus 900 gulden bij de aanvankelijke mislukking. Of de Leeuwarder firma die het werk uitvoerde na het later gebleken succes nog wat extra beurde, blijft een open vraag.

De pomp in Zuidhorn moest volgens de raming vooraf zo’n 25.000 liter zuiver drinkwater per uur kunnen leveren. De hierboven gemelde 500 volle emmers op een oktoberdag in 1908 te Oostwold vallen daarbij in het niet. Ook de vergelijking met een Nortonpomp op het oosteind van Midwolda, geslagen in 1913, valt negatief uit voor Oostwold. De Midwoldiger pomp, reikend tot slechts 42 meter diepte, had een capaciteit van 12.000 liter per uur. Ook daar werd overigens de waterkwaliteit gecontroleerd door apotheker Van Dam uit Oude Pekela, die haar uitstekend bevond. Bij de pomp van oost-Midwolda kwam er nog een “ontijzeringstoestel”, “zoodat het water ook voor de wasch gebruikt zal kunnen worden”.

De Midwoldiger pomp was gemeentelijk, anders dan die van Oostwold. Ook elders in de gemeente Midwolda kwamen pompen tot stand op particulier initiatief. Zo willigde de gemeenteraad in 1929 een verzoek van H. Hagenus en anderen in, om een Nortonpomp aan de Klinkerweg in Oostwold te plaatsen. Deze verrees op een perceeltje van de gemeente op de hoek van de Klinkerweg en de weg naar Kromme Elleboog en bediende daarmee waarschijnlijk ook de Kanariebuurt, een corporatief nieuwbouwbuurtje bij de Dwarsstraat en MIddenweg onder Finsterwolde. Een soortgelijk verzoek van de bewoners van Niesoord werd in 1938 echter afgewezen.

Zoals gezegd was de pomp in Oostwold in 1980 verdwenen. Via de ‘Noorder Rondblik’ vroeg Edzo de Groot destijds om een foto van het opschrift. In 1990 kreeg de vereniging Dorpsbelangen Oostwold 500 gulden van de Heidemij voor een reconstructie. Volgens Abel Blokzijl kwam deze er in 1997, waarbij het houten bord is vervangen door een bord van metaal.

NB: De opmerking over de Kanariebuurt is toegevoegd op 14.1.2024.


Van Giffen als achterdochtige Drent – een vroege karakterschets

De reistas van Van Giffen. Collectie Groninger Museum.

Gister kwam de brievencollectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden online. Slechts een klein deel van die collectie is voorlopig echt toegankelijk gemaakt, maar de enige treffer die het zoekwoord ‘Groningen’ oplevert, is alvast een mooie verrassing. Het betreft een aanbevelingsbrief uit 1912 van de Groninger hoogleraar biologie Van Bemmelen voor de destijds nog niet gepromoveerde Albert Egges van Giffen:

Groningen, 6 Oct. 12.

Van Giffen heb ik leeren kennen eerst in zijne positie van student in de Biologie, daarna als assistent aan het Zoölogisch Labaratorium. In beide qualiteiten heeft hij blijk gegeven een man van bijzondere gaven en rusteloozen ijver te zijn. Hij bezit een grooten aanleg en ook sterke geneigdheid tot geheel zelfstandig werken, wat aanleiding kan geven dat hij we eens al te zeer zijn eigen weg gaat, maar hij is toch gevoelig voor raad van anderen en bereid tot overleg en tot samenwerking, wanneer men de eigenaardigheden van zijn karakter weet te verstaan en zijne neiging tot achterdocht (die vermoedelijk aan zijn Drentsche afkomst moet geweten worden) weet te overwinnen.
Volgens mijne overtuiging zal Van Giffen bij voldoende aanmoediging en vriendschappelijke leiding, veel en goed origineel werk kunnen verrichten en een groote kracht worden voor het archaeologisch onderzoek. V. Giffen’s begaafdheden voor dat onderzoek en ook reeds zijne verdiensten op dat gebied zijn zoo groot, dat ik het de plicht acht van ieder, die in de gelegenheid is hem te helpen en te steunen, om daarbij enkele minder aangename en gemakkelijke zijden van zijn aard over ’t hoofd te zien, vooral omdat naar mijne meening de grond van zijn karakter eerlijk, oprecht en onbaatzuchtig is.

J.F. van Bemmelen


In het Zijlhuis van “Oostwoldemer polderzijl”

De Dollard met de Oude Geut (rechtsboven), de Oostwolderpolder met zijn zijl en Zijlhuis (midden) en Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta (onder) op de Neue Geographische Special Charte, die de Hollandse kapitein W. Camp tussen 1798 en 1802 maakte van Oost-Friesland en omgeving.

Tegenwoordig kent iedereen het Zielhoes van Noordpolderzijl, maar de Oostwolderpolder heeft vanaf 1772 ook zoiets gehad bij zijn zijl of uitwateringssluis. Maakt u kennis met de eerste bewoners van het Zijlhuis hier: Johannes Brunius en de zijnen.

Voor Wipko Hindriks was vrijdag de dertiende echt een ongeluksdag, Op die dag trof haar een “harde slag”, zo maakte ze in 1805 via de Ommelander Courant bekend:

 “Myn geliefde Man JOHANNES A. BRUNIUS, als Sylwaarder van Oostwolmer-Polder, is na een langdurige sukkeling, in den ouderdom van ruim 64 Jaren door den Dood van myne zyde weggerukt…”

Bijna zestien jaar hadden ze samengeleefd “in een gelukkige Echt” –

“Nu laat hy my met zeven Kinderen, maar wetende dat wy hem eenmaal moeten volgen. — Hy heeft zyn Ampt en Post byna 39 Jaren met groot genoegen, dog niet zonder moeite bediend, hopende dat zyn Werk nu is God te loven.”

Wipko, die meestal Wupke werd genoemd, was des te meer bedroefd, omdat ze haar ziekelijke man niet eens had durven vertellen hoe zijn oudste zoon, de schipper Abraham Brunius (33), op 14 augustus bij Noorwegen voor de ogen van zijn vrouw

“door een stootwind (…) in de Baren der Zee is gevallen en niet weer gezien is, en daarom zyn Lichaam aan het Gedierte der Wateren moeste overlaten; maar hopende dat zyn Ziel in de Haven des Hemels is aangeland; vertrouwende, dat God ons beide bedroefde Weduwen meer kan vertroosten, dan wy van Hem kunnen afsmeken.” (1)

Naast vroom, was Wupkes rouwadvertentie vrij lang. Meestal werden zulke kennisgevingen ook door beter gesitueerden geplaatst. Je zou daarom bijna gaan denken dat de weduwe Brunius in goede doen was. Maar was dat wel zo?

Brunius’ afkomst
Bij zijn dood was Johannes Brunius dus ruim 64 jaar oud, zodat hij in 1741 zal zijn geboren. Dat was waarschijnlijk in Nieuw-Beerta, waar zijn vader Abraham Brunius fungeerde als zijlwaarder van de pas ingedijkte Stadspolder. Abraham woonde eerder jarenlang in de Stad en trouwde daar ook in 1733, maar kwam oorspronkelijk van Wybelsum bij Emden. Zijn vader Johannes Brunius, een bevindelijk man, was daar hervormd predikant geweest. (2)

Abraham Brunius beurde zijn eerste traktement als zijlwaarder van de Stadspolder nog van de Stad. Vanaf 1743 moesten de polderboeren dat salaris betalen, terwijl Abraham bovendien een stuk dijk en uiterdijksland (kwelder) van de Stad kon pachten. Toen het stadsbestuur deze grond in 1757 aan iemand anders ging verhuren, raakte Abrahams huishouden “in een seer deplorabele toestand”. Hij had geen voer meer voor zijn beesten en was te arm om hooi te kopen. Uit mededogen gaf het stadsbestuur hem voortaan 15 gulden per jaar, maar met de 60 gulden die hij jaarlijks van de boeren ontving, vormde dit absoluut geen vetpot. Wellicht had Abraham nog andere inkomsten, bijvoorbeeld uit een kroegje in zijn zijlwaarderswoning. (3)

De zijlwaardersinstructie van 1772
In elk geval wist Abrahams zoon Johannes van huis uit wat hem te doen stond, toen de grondeigenaars van de Oostwolderpolder hem op 18 maart 1772 benoemden tot zijlwaarder van de gloednieuwe “Oostwoldemer polderzijl”. Die dag tekende hij hun instructie, die tekst en uitleg gaf over zijn taken en inkomsten. (4)

Volgens dit reglement moest Johannes “op alles wat tot de zijl behoort goede agt nemen, dat daaraan niets beschadigt of verlustigt wordt”. Mocht er toch iets zoekraken, dan diende hij dat “aanstonds” te melden bij de dijkrichters die namens de eigenaars en beklemde meiers het polderbestuur vormden.
Dag en nacht moest Johannes voor de opkomende vloed de vloeddeuren aan de zeekant van de zijl dichtzetten en bij eb de ebdeuren aan de landkant van de zijl openen, zodat “de landen door het water niet worden benadeelt”. Het spuien bij eb mocht echter alleen als er een overmaat aan binnenwater was – de watergang die binnendijks naar de zijl voerde, moest dus bevaarbaar blijven.

De zijlwaarder mocht niet toestaan dat er schepen aanlegden aan de binnen- en de buitenvleugels van de zijl. Ze moesten dus afstand houden tot het metselwerk. Ook mochten ze verderop niet aanschurken tegen de houten beschoeiingen, of zo gaan liggen dat er water opgestuwd werd.

Verder moest de zijlwaarder ervoor waken dat er iets in de zijl gegooid werd en dat drijvend vuil zich vastzette. Bij “ijsdrift” diende hij te voorkomen dat de zijl verstopt raakte, door met bijlen de zware ijsschotsen te breken. Bij “storm en hoge vloeden” was het zijn taak goed op te letten of er ook schade ontstond aan zijl of polderdijk, en om die met hulp van anderen zo veel mogelijk “af te weeren”.

Vanwege eventuele verzakkingen was het opstapelen van zware materialen als baksteen en hout binnen 2 roeden (ruim 8 meter) van de zijl en dijk verboden. Aan de zijlwaarder om dit verbod te handhaven. Als passerende schepen of houtvlotten enige schade aanrichtten, moest de zijlwaarder dat meteen rapporteren bij de zijlrichters en dan ook de namen van de schuldigen noemen.

“Om het canaal of Oude Geut na buiten open te houden”, lagen er weerskanten van de zijl “spueitpompen” (spuikokers) in de dijk met schotten aan de buitenkant. De zijlwaarder moest deze kleppen tijdig openzetten tegen dichtslibbing en dan zoveel water doorlaten “als tot spoelinge nodig is”. Hij diende hiervan echter af te zien als het buitenkanaal diep genoeg was, want anders zouden de buitendijkse spuisloten met waterplanten kunnen dichtgroeien. Als buitendijks kwelderland vanuit zee overstroomde, diende hij de spuikokers zodra het eb was te openen tegen de vorming van “rijtten” (slenken) door het afgaand getij.

Vooral in de droge “slijkmaanden” met een tekort aan binnenwater hoopte zich veel slib op in het buitenkanaal. Zijlwaarder Brunius moest dat dan op diepte houden, door de zijldeuren en spuikokers bij lage eb open te zetten en door tegelijkertijd de kanaalbodem te “ploegen”. De hiertoe gewenste waterstanden waren gerelateerd aan de slagbalken onder de eb- en de vloeddeuren. Het buitenkanaal was bijvoorbeeld pas op diepte, als er bij eb drie voet (bijna een meter) water boven de buitenslagbalk stond. De zijlwaarder moest zorgvuldig omgaan met de scheepjes, de ploeg en het andere gereedschap dat bij de zijl hoorde en mocht dit materieel niet voor andere doeleinden gebruiken.

Reconstructie, door de auteur op basis van HisGs, van het Zijlhuis en zijn nabije omgeving in de periode dat Brunius hier zijlwaarder was.

Naast 200 gulden traktement, kreeg hij de beschikking over een vrije woning – in de stukken doorgaans het Zijlhuis genoemd. Johannes Brunius had het materieel zo veel beter voor elkaar dan zijn vader op de Stadspolder. Wel gebood het reglement hem “ordentelijk” om te gaan met de woning. Afgezien van moedwillig gebroken glazen, betaalden de zijlrichters echter alle reparaties. Het reglement gaf Brunius bovendien de vrijheid om in het Zijlhuis “herberge te houden”. Tot slot stipuleerde het nog uitdrukkelijk, dat hij de zijlrichters moest gehoorzamen, zo niet dan dreigde correctie en eventueel schorsing.

De zijlrichters
Er kwam dus meer bij het zijlwaarderschap kijken dan je zou vermoeden. Op dezelfde dag dat de poldereigenaren deze instructie vaststelden en door Brunius lieten tekenen, namen ze een bestuursreglement voor de zijlrichters aan. (5) Ook hieruit zijn enkele artikelen van belang voor de zijlwaardersfunctie. Zo hielden de zijlrichters jaarlijks op de tweede woensdag van april hun rekendag voor de ingelanden in het Zijlhuis. Meteen daarna kwamen ze daar bovendien bijeen om alle noodzakelijke reparaties aan zijl, dijken, scheepjes, ploeg en Zijlhuis te regelen.

Zoals hierboven al bleek, waren de zijlrichters de superieuren van de zijlwaarder. Gehoorzaamde hij ze niet of ging hij zijn boekje te buiten, dan konden ze hem voorlopig vervangen. Binnen veertien dagen moesten de ingelanden dan definitief besluiten over ontslag.

De zijlrichters kregen een bescheiden vergoeding voor hun werk, maar daar stond tegenover dat ze geen reiskosten en verteringen mochten declareren. Net als de ingelanden moesten ze de consumpties in het Zijlhuis dus zelf betalen. Uiteraard vormden de bijeenkomsten van zijlrichters en ingelanden een aardige inkomstenbron voor de zijlwaarder als herbergier.

Johannes Brunius en zijn gezin
In mei 1772 trokken de pasgetrouwde Johannes Brunius en zijn eerste vrouw Elisabeth in het pas gebouwde Zijlhuis vlakbij de zijl en de Oude Geut. De poldereigenaren hadden even voor de indijking van 1769 voor deze uitwateringslokatie gekozen, omdat een kanaal naar de Fiemel ze te duur werd. (6) Op deze wat eenzaam lijkende plek kreeg het echtpaar Brunius zes kinderen: Abraham (1772), Willem (1773), Grietje (1776), Lukas (1778), Klaas (1780) en Helena (1785). Drie daarvan werden begraven in respectievelijk 1775 , 1781 en 1783. Helaas kennen we hun namen niet, want die zijn niet genoteerd. (7) In september 1785 overleed ook “Jan Bruinjes zijn vrouw”. (8)

Vier jaar later hertrouwde de zijlwaarder met de “Wupke Hinderks”, die hem in 1805 zou overleven.(9) Zij kregen er nog zes kinderen bij: Hindrik (1790), Anje (1792), Meindert (1795), Grietje (1797), Fybe (1800) en Willemina (1803). Van dit zestal werden er twee begraven in 1795 en 1796, weer zonder naam. In 1803 overleed bovendien de voorzoon Willem en in 1805 bleef oudste zoon Abraham op zee. Van de 12 kinderen uit Brunius’ beide huwelijken leefden er toen dus nog maar 5. Toch maakt Wupkes rouwadvertentie gewag van 7 kinderen. Waarschijnlijk had ook zij dan nog voorkinderen uit een eerder huwelijk. In elk geval bleef verdriet het echtpaar Brunius niet bespaard in hun kinderrijke zijlwaardershuis.

In het diaconieboek van Oostwold staan af en toe de geldsommetjes die individuele doopvaders bij de doopdiensten in het doopbekken deponeerden. Schonk Johannes Brunius in 1785 bij de doop van Helena een “sestehalf” of onbeknibbelde schelling (5,5 stuiver) aan de armen van Oostwold, dat deed hij ook bij de doop van Meindert (1795) en Grietje (1797). Bij Anje legde Brunius een volle schelling (6 stuivers) in de schaal. Een sestehalf of een schelling was destijds in het Oldambt typisch de doopgift van een kleine middenstander. (10) Kennelijk vond Brunius zich tot die stand behoren.

De boedelinventaris van 1789
Hierop sluit de boedelinventaris aan, die in 1789 werd opgemaakt, even voordat Brunius hertrouwde. (11) Deze telt slechts drie pagina’s en noemt geen vastgoed – Brunius’ gezin bewoonde immers gratis het Zijlhuis. Aan levende have bevat de lijst 2 koeien, 3 kalveren, 3 schapen, een ram en 2 zwijnen, maar geen paard, laat staan een rijtuig. Brunius liep dus alles af. Het Zijlhuisinterieur was weinig opvallend, op de twee geweren, de piek en de sabel na. Waarschijnlijk moesten deze wapens zorgen voor een veiligheidsgevoel op de wat eenzame plek. De 6 kroespullen en de 2 jenevermaten zullen in de herberg zijn gebruikt. Verder beschikte het gezin over enig landbouwgerei en 3 kerkboeken. Ruim de helft van de schuld was aan de brouwer (zo’n 160 gulden) en de jeneverstoker (87 gulden). De lasten overtroffen de baten met 50 gulden. Echt indrukwekkend is de inventaris niet bepaald, Brunius’ boedel doet armoedig aan.

In de zijlrichtersrekeningen
Kon de zijlwaarder zijn talrijk gezin goed onderhouden? Het lijkt erop van wel. Naast de 200 gulden traktement en de vrije woning, betaalde het polderbestuur ook het heerdstedengeld (een belasting) en tuinhuur voor Brunius. Dat scheelde hem toch zeker een tientje in het jaar. Verder bevatten de zijlrichtersrekeningen vrijwel jaarlijks kleine uitgaven aan Brunius. (12) Meestal staat er niet bij waarvoor het was, maar in 1790 betrof het kostgeld voor de timmerlui die de zijldeuren

Uitgaven van het polderbestuur voor en aan zijlwaarder Brunius in de jaarrekening over 1790. Archief Oostwolderpolder, inv.nr. 19.

maakten, naast het uitgraven en weer bedekken van een duiker, het “dijkpeilen” en anderhalve kroes jenever, terwijl het in 1794 en 1795 ging om geld dat Brunius voorschoot voor de “zijlboll” (= het bolschip), en verdiende met het “brouwen” (breeuwen) van dezelfde “bolle“. Hoewel de polderbestuurders geen reiskosten en verteringen mochten declareren, deden ze dat na verloop van tijd toch – daarom is niet uit te sluiten dat er consumpties schuilgaan achter ongespecificeerde uitgaven.

Bussen, schapen, vogels
Als tapper had Brunius een diaconiebus in zijn zijlwaardershuis hangen. Doorgaans noteerden de diakenen alleen een totaal-opbrengst van hun buslichtingsdag bij de kerspelhoreca, maar in 1774, 1780 en 1789 splitsten ze uit wat op elk van de drie lokaties tevoorschijn kwam. (13) In 1774 en 1780 leverde de diaconiebus in het Zijlhuis de in grootte tweede opbrengst op en in 1789 bleek het de grootste opbrengst. Niet slecht voor een herberg ver buiten het dorp. Midden op het traject Oostwold- Oostwolderhamrik zal menige passant zich hebben gelaafd en een duit in de armbus hebben gemikt.

Maar dat er nou veel te beleven viel, nee. Zo waren er geen vastgoedveilingen in het Zijlhuis. Soms liep er een schaap of lam in andermans land. Dat ging dan naar een schutstal en werd eventueel verkocht in het Zijlhuis. In 1779 graasde andermans vee of paard wederrechtelijk in land dat Brunius pachtte. Het schutgeld, een dukaton (ruim 3 gulden), schonk hij aan de diaconie. (14) In 1791 vond er in het Zijlhuis bovendien een verloting van een melkvaars plaats, terwijl Brunius van 1802 tot 1804 papegaaischieterijen organiseerde, waarbij de deelnemers een blikken vogel in onderdelen van een hoge paal moesten afschieten. Omdat Brunius hiervoor in kranten adverteerde, kan daar flink wat volk op afgekomen zijn. (15)

Na Brunius’ dood
Op vrijdag de dertiende september 1805 overleed de zijlwaarder dus na een “langdurige sukkeling”. Het diaconale bekken bij zijn begrafenis bracht bijna 8 gulden op, voor een kleine middenstander een bijzonder hoog bedrag. (16) Dat kan gekomen zijn doordat polderboeren de begrafenis bijwoonden, en/of door een vrij grote belangstelling in het algemeen. Hoe het ook zij, die polderboeren besloten in april 1806 dat de weduwe Brunius voorlopig nog mocht aanblijven als “zijlwaarderze”. Pas als er zes landgebruikers bij de zijlrichters zouden klagen dat ze haar werk niet goed deed, mochten de zijlrichters haar voordragen voor een ontslag “zonder daar verder reeden van te geeven”. De weduwe Brunius wist hiervan, want ze tekende er zelf voor. (17)

De zijlrichtersrekening van 1806 noemt nog haar volle traktement, naast een losse uitgave. In die van 1807 staat echter slechts een half jaar traktement, uitbetaald in mei. Die maand kreeg of nam ze ontslag. Als ze het kreeg, was de reden mogelijk dat ze het ploegen van het buitenkanaal overliet aan een “jongen”, die zijn werk slecht deed, zodat de Oude Geut buitendijks langzamerhand verslijkte. (18) In elk geval heeft ze niet mee hoeven maken, hoe in de nacht van 30 september op 1 oktober 1807 een vliegende noordwesterstorm met een bijkomende watervloed de zijldeuren finaal uit hun scharnieren deed springen. (19)

Enkele weken later stelden de landgebruikers van Oostwolderpolder haar opvolger Jan Freerks aan op de oude instructie van 1772 met één aanvulling: als de nood dat eiste, moest hij op eigen kosten een man aanstellen voor het ploegen van de “Oude Geute naar buiten”. Freerks bleef niet zo lang zijlwaarder, al in 1811 benoemden de landgebruikers zijn opvolger. (20)

Dit verhaal verscheen eerder deze maand in de Duvekoater, het blad historische van de historische vereniging Scheemda-Midwolda.

NOTEN:

  1. Ommelander Courant 17 september 1805.
  2. Gerrit Kuijk, fragment-genealogie Brunius: http://gwkuijk1.home.xs4all.nl/1680.htm (laatst gezien op 14.1.2018); James Robert Tanis, Dutch Calvinistic Pietism in the Middle Colonies (diss. Utrecht 1967) 33.
  3. RHC Groninger Archieven (GrA), op microfiche: resoluties van Burgemeesteren en Raad van Groningen d.d. 30.11.1743 en 14.11.1759 en rekesten aan dit stadsbestuur d.d. 26.4.1759 en 1.2.1773.
  4. Archiefbewaarplaats waterschap Hunze & Aa’s, Aquapark Veendam, archief Oostwolderpolder (OWP) inv.nr. 1 (bestuurshandelingen) tamelijk voorin het ongepagineerde deel. GrA, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr 41.
  5. R. Muntinga, Geschiedenis van het waterschap Oostwolderpolder (z.p., z.j., gestencilde brochure van ca. 1970) 3-6; GrA, Toegang 535 (Hora Siccama) inv.nr 40; OWP inv.nr. 1 (helemaal voorin).
  6. Muntinga, Geschiedenis, 1-3.
  7. GrA Toegang 283 (archief hervormde gemeente Oostwold) inv.nr.1: Diaconierekenboek, ontvangsten uit het bekken bij begrafenissen.
  8. Diaconieboek Oostwold, ontvangst uit het begraafbekken op 30.9.1785.
  9. Idem, ontvangst uit het trouwbekken op 23.12.1789.
  10. Zo leert de ervaring met diaconierekeningen van Beerta, Finsterwolde, Oostwold en Nieuwolda. Ik wil nog een artikel over deze materie schrijven.
  11. GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nr. 4873.
  12. OWP inv.nr. 19: rekeningen vanaf 1772.
  13. Diaconieboek Oostwold ontvangsten op 8.1.1774, 13.7.1780 en 11.11.1789.
  14. Idem ontvangsten op 21.10.1776, 27.4.1779 en 24.6.1800.
  15. Voor de verloting zie mijn artikel ‘Oldambtster verlotingen’ in Stad & Lande 2017 nr. 2, 18-21. Wat betreft de papegaaischieterijen: GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nrs. 6141 en 6142: rekesten d.d. 29 juni 1802 en 24 mei 1803; bekendmakingen in de Groninger Courant van 6.7.1802, 27.5.1803 en 15.5 en 18.5.1804, en de Ommelander Courant van 9.7.1802.
  16. Diaconieboek Oostwold, ontvangst op 20.9.1805.
  17. OWP inv.nr. 1, chronologische besluitenlijst 9 april 1806.
  18. Muntinga, 12
  19. OWP, inv.nr. 19, rekening zijlrichters over 1807, aanhef. Over die storm: Ommelander Courant 6.10, Vriesche Courant 3.10 + 6.10, Leeuwarder Courant 7.10 en Groninger Courant 9.10,1807. Er vergingen meerdere schepen.
  20. Archief Oostwolderpolder inv.nr. 1, de bestuursbesluiten achter de instructie d.d. 17.10.1807.

Een schoolmeester-filosoof die dagelijks de schelvisvangst voor ogen had

Schelvis, anoniem, 1560-1585. Collectie Rijksmuseum.

Schoolmeester Johannes à Brederode, die van 1646 tot 1662 in Beerta woonde en werkte, had enkele merkwaardige schilderijen aan de muur hangen, zoals blijkt uit een nooit geperfecteerde verkoopakte (1650):

“…een groot schilderije zijnde een schelvisvanck, een schilderije zijnde een schelvis, noch twee schilderijen zijnde twee troonjen…”

Aan de portretten kunnen we voorbijgaan, het gaat me om de schelvis en de schelvisvangst. Het lijkt erop dat de verzegelaar (de predikant van Beerta) meer van dergelijke schilderijen kende en daarmee doelde op een populair soort voorstellingen, net zoals bijvoorbeeld de vier jaargetijden dat waren. Voor schelvissen op zich mag het inderdaad zo zijn dat die wel meer werden uitgebeeld – het Rijksmuseum bezit een stuk of wat afbeeldingen uit de zeventiende eeuw, vooral stillevens, dus vast duidend op de vergankelijkheid – maar voor de schelvisvangst is dat absoluut niet zo, want daarvan heeft het Rijksmuseum slechts één enkele prent:

Schelvisvangst, prent door Caspar Luyken, 1711. Collectie Rijksmuseum.

Bovendien is de schelvis niet een vis die veel in de ondiepe Dollard werd gevangen – de Dollardvisserij hield zich meer bezig met grut als bot en garnaal. Schelvis was meer iets voor vissers uit Maassluis die zich met hun grotere schuiten iets verder van de kust af durfden wagen. Schelvis en schelvisvangst vormden daarmee voor de Oldambtster omgeving tamelijk exotische voorstellingen die appelleerden aan de persoonlijke smaak van meester Van Brederode zelf.

Volgens enige internet-genealogieën was Johannes à Brederode in 1608 geboren in Dokkum. Waarschijnlijk kwam hij uit een redelijk welgestelde familie, want begin 1635 schreef hij zich in als student filosofie aan de Groninger academie. Twee jaar later liet hij zich aannemen als gereformeerd  lidmaat, een standaard-voorwaarde om ergens als schoolmeester of predikant benoemd te kunnen worden. Mogelijk was hij, voordat hij naar Beerta kwam, nog schoolmeester in een andere plaats geweest.

Beerta had in de “Gouden Eeuw” dus een filosoof als schoolmeester die dagelijks een schelvis en een schelvisvangst voor ogen had. Je vraagt je af of hij daar in filosofische zin iets mee deed. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat hij die schilderijen erfde. In dat geval zou zijn afkomst misschien licht kunnen werpen op zijn bezit van deze exotische konterfeitsels.


Spriknust, Vreet Op, Leegschuddel, Volhaand

Heel bevredigend, zoiets. Op het zeer fraaie kaartje dat Theodorus Beckeringh in 1759 tekende van het kerspel Zeerijp, staan zowaar allerlei boerderijnamen, waaronder de Lege Schottel en de Volle Handt.

Lang geleden, in het pre-internettijdperk hield ik me eens bezig met de kasteleinsfamilie Volhandt, uitbaters van herberg het Oldambtster Wapen aan het Winschoterdiep bij Groningen. Naar een doorgewinterd genealoog me verzekerde, kwam die familie uit de buurt van Loppersum, om precies te zijn van de heerd die de Volle Hand heette.

“Deze boerderij vormde een stel met de Lege Schuddel en er zit een verhaal bij over een bedelaar: bij de Lege Schuddel ontving die niets, terwijl hij bij Volle Hand zijn handen volgestopt kreeg.”

Nu ik echter even digitaal ga zoeken, blijkt het verhaal uitgebreider. Ten eerste zat er volgens Van der Aa (1846) tussen de Lege Schotel en de Volle Hand nog een boerderij: de Vretop (of, met aangepaste spelling: de Vreet-Op). Via het Groninger Woordenboek van Ter Laan, kom ik vervolgens terecht bij de ‘Schooiersraais‘, een volksverhaal dat mevrouw Huizenga-Onnekes in de jaren 20 noteerde en dat ook te vinden is in een bundel van Ter Laan. Voor wie het Gronings achter de links niet kan lezen – dat verhaal gaat ongeveer zo:

In de ouwe tijd kwamen er drie bedelaars vanaf Loppersum lopen. Ze bereikten eerst een boerderijtje dat niet veel voorstelde, want de pannelatten staken takkerig uit het dak: “zoo’n spriknust” was het. Daar wilden de bedelaars hun hand niet bij ophouden, die mensen waren veel te arm. Dus liepen ze dat huis voorbij. Bij de tweede boerderij gingen ze wel aan, maar daar kregen ze niets, omdat de mensen daar alles al hadden opgegeten: “de schuddel was leeg”. Ook bij de derde plaats was alles al op. Pas bij de vierde boerderij konden ze aanschuiven en zich zat eten, want de schotel was er nog vol en de mensen gaven er met volle hand. Het gevolg:

“Van dij tied òf hebben dij vaaier ploatsen heur noam droagen, dij ze ja nou ook nòg hebben: ’t Spriknust, Leegschuddel, Vreet op, Volhaand.”

Als de bedelaars van Loppersum kwamen, dan was de dichtstbijzijnde boerderij inderdaad ’t Sprikkenust, bovenaan het kaartfragment. Tussen die armetierige boerderij en de Lege Schottel, heeft Beckeringh een boerderij niet benoemd, terwijl er volgens hem tussen de Lege Schottel en de Volle Handt geen boerderij stond. Zou het niet zo zijn dat die onbenoemde boerderij de Vreet Op heette? En dat daarmee de volgorde een ietwat andere was?

Hoe dan ook lijkt het vreemd dat namen die bedelaars aan boerderijen gaven, overgenomen werden door andere mensen en daarmee minstens anderhalve eeuw lang konden beklijven. Maar in de volksmond waren het natuurlijk spotnamen, geen officiële. Volgens de Bijdragen tot de kennis van de gemeente Loppersum (Uithuizen 1960) van Muntinga en Brongers heette de Leege Schuttel eigenlijk de ‘Jonge Sikkensheerd’, terwijl de Volle Hand oorspronkelijk getooid was met de naam ‘Godekensheerd’. De laatste was provinciaal bezit – misschien dat daar de toegedichte vrijgevigheid vandaan kwam?

Overigens zagen deze boerderijen er niet bepaald jofel uit, de laatste keer dat ik ze passeerde. Ik meen dat er al een paar zijn gesloopt. Dit is hartje aardbevingsgebied.


Jacob van Lennep over de Groninger boer

“Op het land vooral heeft men gelegenheid de aanmerkelijke verandering in zeden en geaardheid te beschouwen. Bij de plotselinge vermeerdering van zijn’ rijkdom, heeft de landman vergeten dat hem (…) de weelde van den stedeling niet voegde: dat niet alle jaren hem even voordeelig zijn konden, en dat niets onbestendiger was dan zijne bezittingen. Hij liet groote schuren en wooningen bouwen, bracht er alle meubelen in welke hij de uitgezochtste verfijning verkiest, liet al wat hij gebruikte, lepels, vorken, kannen en kommen van goud maken, vergat dat hij ook eenmaal knecht geweest was en at niet langer met zijne dienstboden; zond zijne kinderen op een Fransche kostschool, werd hoovaardig en trotsch ook jegens de eersten van het land, verzuimde zijn werk, en ziet nu, bij de daling der granen, te laat zijne dwaasheid in.”

Bron: De bekende reisbeschrijving uit 1823.

Commentaar: De auteur was een jonge Bilderdijkiaan en zette als zodanig het verval der zeden door het heersen van de weelde sterk aan, met bijbelse ondertonen. In 1823 was er een enorme agrarische crisis aan de gang. Menige boer die vlak voor die crisis met geleend geld zijn dure boerderij had gekocht of uitgebreid, kon door de ingezakte graanprijzen niet langer aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Opvallend is dat Van Lennep hier al het gescheiden eten van boerengezin en dienstboden noemt, waar Hofstee dit enkele decennia later in de tijd plaatste. Mogelijk had Van Lennep vooral de toplaag van de landbouwers op het oog.


Wildervanck klonk beter dan Paep

De tweede grafsteen van Wildervanck, uit de negentiende eeuw.

Tijdenlang is aangenomen dat de veenpionier Adriaan Geerts Wildervanck zijn eigen achternaam aan zijn prille veenkolonie Wildervank schonk. Met zo’n familienaam moest iemand bovendien van gegoede komaf zijn, zo dacht men en daarom werd er een mooie afstamming bij verzonnen: Wildervank zou duiden op jacht, Adriaans voorvader zou opperjachtmeester van de graaf van Bentheim zijn geweest, en de familie via een omweg langs Amsterdam in Groningen beland zijn.

Dit verhaal werd almaar mooier doorverteld, totdat Dolf Pathuis, ambtenaar op het Groninger Rijksarchief, het eens grondig aan de bronnen toetste. Een en ander bleek volledig uit de lucht te zijn gegrepen.

Om te beginnen waren Adriaan Geerts’ vader en grootvader smeden geweest. Ze bezaten een smederij in de Oude Ebbingestraat in Groningen. Adriaan Geerts’ grootvader had zich hier in 1594 vanuit Zwolle gevestigd.

Adriaen Geerts werd in tal van stukken van voor 1649 alleen met zijn patroniem Adriaan Geerts aangeduid, of, met een toenaam, als Adriaan Geerts Paep. Zelfs in het contract van 16 juni 1647 waarbij hij van het kerspel Zuidbroek een enorm uitgestrekt veengebied ten zuiden van Muntendam overnam, heet hij Adriaen Geerts Paep. Er zat geen Wildervank bij. Dat Paep was eigenlijk een spotnaam, die misschien tot geuzennaam evolueerde: Adriaan mocht graag laten merken hoe vroom hij was.

Pathuis trof de naam Wildervank niet aan in de stukken van voor 1649: niet als familienaam, noch als plaatsaanduiding. De allereerste melding van de naam was in een resolutie van GS op 14 juni dat jaar, waarna alras meerdere meldingen in rechterlijke stukken volgden. Maar in de oudste stukken is Wildervank eerder een plaatsnaam dan een persoons- of familienaam. Adriaen Geerts heet er bijvoorbeeld Adriaen Paep van Wildervanck. Cruciaal is een akte van 20 oktober 1649. De tekst spreekt van de “gemeenteveenen des carspels Suidtbroeck en Muntendam, nu de Wildervanck genaemt”. Zo’n lidwoordje ‘de’ duidt op een plaatsnaam, zo meende ook de naamkundige Wobbe de Vries.

Eerst was er de plaatsnaam. even later wisselde Adriaen Geerts zijn bijnaam Paep in voor Wildervanck. Veelzeggend is dat de opsteller van een akte uit 1650 hem naar ouder gewoonte nog Adriaen Geerts Paep noemde, terwijl de aldus aangeduide de akte ondertekende als Adriaen Wildervanck. Pathuis’ conclusie: “Wildervank is een nieuwe naam, twee jaren na den aanvang der ontginning aan een gedeelte der boven-Muntendammervenen gegeven en kort daarop als familienaam aangenomen door Adriaen Geerts Paep”.

Naderhand nam Adriaens broer, als het hem zo uitkwam, de naam Wildervanck over. Nazaten hielden deze naam ook aan. Hij klonk beter dan Paep.

Wat die naam Wildervank eigenlijk betekende, was men rond 1770 alweer vergeten. Het moest iets zijn met jacht, zo dacht men, vandaar ook dat men er die afkomst van een grafelijke opperjachtmeester bij verzon.

Pathuis dacht dat het lidwoord in de Wildervank op iets zelfstandigs wees, nam het Middelnederlands woordenboek van Verwijs ter hand en vond dat Wilderd of Wildert stond voor wilde, onontgonnen natuur (in dit geval hoogveen), terwijl Vanc of Vank het leggen van de hand op iets, of dat usurperen, in bezit nemen, betekende. De combinatie Wildervank duidde dus op het in bezit genomen zijn van de woeste heide hier. Op de oorspronkelijke, allang verdwenen grafsteen (uit 1662?) van Adriaen Geerts in de kerk van Wildervank stond een passage die hier ook mooi bij aansloot: Adriaan Geerts had in Wildervank zijn “wilde moer gevangen”.

Bron: Adolf Pathuis, ‘Adriaen Geerts Wildervanck’, Groningsche Volksalmanak 1941, p. 120-144.


Doopbekkengiften minder constant dan gedacht

Zoals ik hier eerder schreef, werden in Beerta tussen januari 1762 en juli 1764, vrijwel uitsluitend bedragen in het doopbekken gedeponeerd, die neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van destijds courante munten. Doopvaders gaven dus ‘ronde sommen’ aan de armen, andere aanwezigen droegen niets bij. Kopergeld zat er voor het oog ook nooit in het bekken, daar kwam louter zilver- en goudgeld uit. Bij boeren ging het dan op goudgeld (vanaf een gulden), terwijl zilvergeld in afnemende waarden van middenstanders en werkvolk kwam. Wat voor muntgewicht een doopvader in de schaal legde, hing, kortom, in hoge mate af van zijn maatschappelijke positie.

Naderhand bleek me dat in de buurgemeente Oostwold sprake was van hetzelfde verschijnsel. Daar gaf de zijlwaarder en tapper Jan Brunius ook vrijwel steeds hetzelfde bedrag: een sestehalf, typisch de gift voor een kleine middenstander.

Intussen heb ik gemerkt dat ook de doopbekkengiften in een derde Oldambtster diaconierekening, die van Nieuwolda, voldoen aan de in Beerta geconstateerde wetmatigheid, dat doopvaders conform hun stand ronde sommen in het doopbekken leggen. Het bijzondere van Nieuwolda is, dat de boekhoudend diaken Jan Luitjes Bouman er in zijn administratie over 1767/1768 meestal zelfs expliciet de munten noemde, die hij na de doopdienst in het doopbekken aantrof.

Om precies te zijn bestrijkt de pagina met doopcollecten in Boumans boekhouding de periode 22 maart 1767 tot en met 4 april 1768. In die periode lieten zich volgens het doopboek 34 vaders hun kinderen in de kerk van Nieuwolda dopen. Al die vaders komen ook voor met een doopbekkengift in de diaconierekening. Met andere woorden: zelfs de meest armlastige doopvader gaf iets aan de armen en de diaconierekening is daarmee representatief voor alle doopdiensten

Toch bevat de diaconierekening over die periode in cijfermatige zin slechts 21 posten wegens doopbekkengiften. Dat komt doordat bij meerdere dopen in één doopdienst de giften van de aanwezige doopvaders voor het gemak zijn samengevoegd. In totaal gaat het om dertien doopvaders. Normaal zou je niets aan zulke samengestelde posten hebben, maar het unieke van Boumans administratie in deze periode is, dat hij in de omschrijving bij de meeste posten, onder andere deze dertien, wèl steeds precies in woorden heeft opgegeven wat de individuele doopvaders aan munten gaven. Daarbij bleek het net als in Beerta tussen 1762 en 1764 steeds te gaan om de enkele of dubbele waardes van destijds courante gouden en zilveren munten.

In de volgende tabel heb ik alle 34 giften geboekte doopgiften uit Boumans boekhouding over 1767/8 geïndividualiseerd opgenomen, van klein naar groot:

Datum Doopvader Munten (* = naar opgave van Bouman, de rest vulde ik in). Notatie in cijfers (guldens-stuivers-duiten)
26 oktober 1767 Tobyas Hinderks stuiver* 0-1-0
8 november 1767 Schenkel stuiver * 0-1-0
18 oktober 1767 Hinderk Hinderks Twee stuivers of een dubbeltje 0-2-0
13 december 1767 Grote Tobyas twee stuivers* 0-2-0
31 januari 1768 Walderk Walderks dubbeltje * 0-2-0
26 februari 1768 Jan Hiepkes dubbeltje 0-2-0
27 maart 1767 Marten Jans dubbeltje 0-2-0
11 juli 1767 Roelf Derks Schievetil twee dubbeltjes 0-4-0
5 december 1767 Jan G. Koster Twee dubbeltjes 0-4-0
3 augustus 1767 Klaas Alberts Schoemaker sestehalf * 0-5-4
23 augustus 1767 Hans Harms Schipper sestehalf * 0-5-4
4 april 1767 Sebe Schipper sestehalf 0-5-4
22 maart 1767 Harm Groeneboom schelling 0-6-0
28 juni 1767 Eppo Tebbes of Bronts schelling * 0-6-0
8 november 1767 Albert Harms schelling * 0-6-0
10 maart 1768 Jan Eltjes Jonker schelling 0-6-0
13 maart 1768 Jurko Harms schelling 0-6-0
1 januari 1768 Wolter Snijder twee sestehalven * 0-11-0
31 januari 1768 Meerten Eeuwes twee sestehalven * 0-11-0
16 augustus 1767 Jurjen Beerents Schipper oordrijks (kwart Zeeuwse rijksdaalder) 0-12-4
8 november 1767 Gerryt Harms oordrijks * 0-12-4
10 januari 1768 Jan Tiddes oordrijks * 0-12-4
17 mei 1767 Pieter Klugkist drie sestehalven 0-16-4
29 november 1767 Hinderk Harms Kuper gulden 1-0-0
10 januari 1768 Jacob Beerents Mas gulden * 1-0-0
22 november 1767 Edzo Epkes achtentwintig * (28 stuiversstuk of goudgulden) 1-8-0
29 maart 1767 Jacob Freerks daalder 1-10-0
15 november 1767 Harm Kamminga een dubbele Engelse achtentwintig en een dubbeltje * 2-18-0
26 april 1767 Pieter Edzes driegulden * 3-0-0
26 april 1767 Derk Abels driegulden * 3-0-0
19 juli 1767 Harm Edzes schatbeurder ducaton * 3-3-0
3 april 1768 Nanko Jans gouden ducaat * 5-5-0
5 juli 1767 Wubbo Cornelius halve gouden rijder * 7-0-0
22 november 1767 Heer pastor (= ds. Siertsema) halve rijder * 7-0-0

Boumans boekhouding vormt een perfecte illustratie bij mijn stelling dat doopvaders ‘rond’, herkenbaar muntgeld in het doopbekken deponeerden. Alleen de gift van Kamminga vormde daarop een uitzondering – het bijkomende dubbeltje kwam mogelijk van een familielid dat de doopplechtigheid bijwoonde. Maar die uitzondering bevestigt ook de regel dat alleen doopvaders bij doopplechtigheden iets aan de armen gaven. Bovendien liepen de individuele giften enorm uiteen – naar stand, zoals blijkt uit enkele beroepsaanduidingen.

Individuele doopvaders

Gaven deze doopvaders nu ook steeds ongeveer dezelfde munt bij de doop van hun kinderen, zoals dat het geval was bij zijlwaarder Brunius in Oostwold? Van een aantal doopvaders uit bovenstaand lijstje ben ik de gangen nagegaan en heb ik uit het doopboek hun kinderen gehaald, om bij elke doop vervolgens de doopgift te zoeken in de diaconierekening. Net als in bovenstaande lijst begin ik met de kleine man, om te eindigen met de allergulste gevers.

Tobias Hindriks

30.10.1763 0-2-0
29.12.1765 0-2-0
26.10.1767 0-1-0

Hindriks (een arbeider?) schonk bij zijn oudere kinderen nog een dubbeltje, maar halveerde deze gift bij het derde tot een stuiver. Was dat omdat de dankbaarheid bij zijn oudere kinderen groter was, of omdat zijn draagkracht verminderde?

Tobias Uuntjes (alias Grote Tobias)

13.12.1767 0-2-0
14.1.1770 0-2-0
7.3.1779 0-2-0
9.11.1783 ?

Grote Tobias gaf steeds twee stuivers of een dubbeltje bij de doop van zijn kinderen. Omdat in 1783 zijn gift en die van een andere doopvader bij elkaar werden opgeteld, is zijn doopgift voor dat jaar niet bekend. Maar samen gaven beiden 4 stuivers, dus ook dan ligt dat dubbeltje in de rede. Uuntjes was dan opmerkelijk constant in zijn geefgedrag.

Klaas Alberts Schoenmaker

23.8.1767 0-5-4
8.3.1770 ?
27.9.1772 ?
26.2.1775 0-5-4
21.9.1777 0-5-4

Ook Klaas Alberts, een kleine ambachtsman met weinig kapitaal, gaf voor zover bekend steeds hetzelfde bedrag. In 1770 en 1772 stonden er helaas weer gezamenlijke giften in de rekening, in het eerste geval 0-11-4 en in het tweede 1-13-4. Als Schoenmaker ook toen een sestehalf gaf, resteerden voor andermans giften respectievelijk een schelling en een 28-stuiversstuk of goudgulden. Ook weer ronde pasmunt, waarmee het dus wel in de rede ligt dat Schoenmaker ook toen een sestehalf schonk.

Harm Groeneboom

19.8.1764 ?
22.3.1767 0-6-0
11.2.1770 0-5-4
31.1.1773 ?
22.10.1775 0-11-0
28.10.1779 0-8-0
4.11.1781 0-6-0

Groeneboom varieerde duidelijk wèl in zijn giften. De schelling van 1767 en de sestehalf van 1770 liggen heel dicht bij elkaar, samen met een andere doopvader gaf hij in 1773 11 stuivers, zodat ook toen een sestehalf in de rede lag, een bedrag dat hij in 1775 verdubbelde, om daarna weer op zijn schreden terug te keren naar uiteindelijk een schelling in 1781. Waarom gaf hij in 1775 zoveel meer? Aan het geslacht van het kind lag het niet, want afgezien van de zoon uit 1764 ging het uitsluitend om dochters. Misschien was de bevalling van 1775 moeilijker geweest, wat dan aanleiding gaf tot een grotere gift uit dankbaarheid voor de voorspoedige verlossing? Echter, het kan ook zijn dat Groeneboom in 1775 meer geld voorhanden had en daarom besloot de armen wat ruimer te gedenken.

Wolter Stoffers Snijder

27.3.1766 0-8-0
1.1.1768 0-11-0
30.4.1770 ?
29.9.1771 0-11-0

Snijder verhoogde zijn gift in 1768 binnen een beperkte bandbreedte en houdt het dan, voor zover bekend, bij het eenmaal vastgestelde bedrag. Mogelijk maakte hij verschil tussen het meisje (1766) en de jongens van 1770 en 1771. Het kan ook zijn dat hij het geld wat beter missen kon. De doopgift van 1770 ontbreekt in de diaconierekening, waarschijnlijk doordat deze bij het builgeld werd opgeteld.

Pieter Klugkist

17.5.1767 0-16-4
23.9.1770 1-0-0
25.12.1772 0-5-4

De drie sestehalven die Klugkist, een herbergier op de Waarhoek in 1767 in het doopbekken deponeerde, verhoogde hij tot een gulden in 1770. Bij het derde kind bleef daar slechts een enkele sestehalf van over. Deze vrij forse verlaging van de gift zou kunnen samenhangen met het geslacht van het kind – het derde was een dochter, terwijl het bij de eerste twee om zoons ging. Maar mogelijk verkeerde Klugkist in financiële problemen – zijn herberg zette hij in 1771 namelijk te koop.

Hans Harmens Schipper

19.11.1762 1-0-0
30.9.1764 ?
23.8.1767 0-5-4
30.4.1769 0-5-4

Schonk Hans Harmens Schipper in 1762 nog een gulden aan de armen, later daalde deze doopgift tot een sestehalf. In 1764 gaf hij samen met een andere doopvader 1-8-0, waar niets uit opgemaakt kan worden. Het verschil in waarde kan niet aan het geslacht van de kinderen liggen, want in 1767 en 1769 ging het om een zoon en een dochter. Blijven over extra blijdschap over de geslaagde bevalling bij de stamhouder, of achteruitgang in draagkracht van de doopvader.

Jan Tiddes

7.3.1765 1-0-0
10.1.1768 0-12-4
2.12.1770 ?
6.5.1773 1-0-0

Jan Tiddes gaf eerst een gulden, vervolgens een kwart rijksdaalder en uiteindelijk weer een gulden. De gift van 1770 kan net als die van 1768 wel eens een oordrijks geweest zijn, want samen met een andere doopvader gaf Tiddes toen dertien en een halve stuiver, oftewel een oordrijks en een stuiver. Aan het geslacht van de kinderen kan het verschil niet hebben gelegen, want het waren allemaal zoons. Blijven over als verklaring de wisselvallige moeilijkheidsgraad van de verlossing of de variërende draagkracht van de doopvader.

Jacob Berends Mas

16.12.1764 ?
10.1.1768 1-0-0
9.6.1771
25.9.1774 1-8-0
15.11.1782 0-5-4

In 1764 staat er een gezamenlijke doopgift genoteerd van drie doopvaders – daar valt dus niets uit af te leiden. Die van 1771 is helemaal onbekend, want waarschijnlijk opgegaan in het builgeld. De drie doopgiften die we wel kennen, variëren in grootte, waarbij het geslacht van de kinderen mogelijk wat uitmaakt: de hoogste gift is die bij de doop van een zoon, de andere twee betreffen dochters. Ook in dit geval zou de draagkracht echter doorslaggevend kunnen zijn.

Harm Hindriks Kamminga

15.11.1767 2-18-0
16.3.1769 ?
3.3.1771 ?
1.11.1772 ?
3.7.1774 ?
29.9.1776 3-0-0
3.4.1778 3-0-0
27.9.1781 ?

Voor zover bekend was de boer Harm Kamminga vrij constant in zijn geefgedrag. In vijf gevallen is zijn gift echter niet bekend, doordat die met de gift van een andere doopvader is opgeteld. In 1771, 1772 en 1774 bedragen deze gezamenlijke giften respectievelijk een driegulden en een sestehalf, een driegulden en een stuiver en een driegulden en een sestehalf. Ook in die jaren zou Kamminga dus wel eens een drieguldenstuk kunnen hebben gegeven. Van de drie bekende doopgiften betrof de eerste en geringste de doop van een meisje.

Harm Edzes, schatbeurder

19.7.1767 3-3-0
6.11.1768 2-16-0
22.4.1770 ?
22.9.1771 ?
20.9.1772 ?
17.7.1774 3-0-0
5.4.1776 2-10-0
22.2.1784 3-3-0
5.3.1786 2-10-0
13.5.1787 ?
6.9.1789 2-10-0
4.9.1791 3-3-0
4.5.1794 ?

De vrome Harm Edzes was boekweitmulder en koopman in vooral bouwmaterialen. Daarnaast fungeerde hij als schatbeurder, d.w.z. de ontvanger van de verponding (grondbelasting), de dijklasten, de meentelasten en het roderoedegeld van Nieuwolda. In 1781 hertrouwde hij. Ook deze ondernemer varieerde in zijn vrijgevigheid, en wel binnen de beperkte bandbreedte van een ducaton tot een rijksdaalder. Het geslacht van het kind maakte hem daarbij niet uit: bij een meisje kon hij een ducaton geven en bij een jongen een rijksdaalder en andersom. In zowel 1770 als 1771 gaf hij samen met een andere doopvader 3 gulden en een stuiver, zodat ook bij die doopbedieningen een gift door Edzes van een drieguldenstuk in de lijn der verwachting ligt.

Nantko Jans Dallinga

16.11.1766 5-5-0
3.4.1768 5-5-0
14.10.1770 5-5-0
28.5.1772
20.2.1774 ?
26.12.1775 5-5-0
30.11.1777 ?
16.7.1779 5-5-0

Voor zover bekend gaf de boer Nantko Jans Dallinga altijd een ducaat bij de doop van zijn kinderen. Het geslacht maakte dus niets uit en evenmin de eventuele complicaties bij een bevalling of een eventuele vermeerderde of verminderde welvaart. De doopgift van 1772 zat waarschijnlijk bij het die dag getelde builgeld in. In 1774 schonk Dallinga samen met een andere doopvader 5-10-4 en in 1777 5-7-0, zodat hij ook toen een ducaat zal hebben gegeven, waarbij de andere doopvader dan volstond met een sestehalf, repectievelijk een dubbeltje.

Wubbo Cornelius Fockens

16.10.1763 3-0-0
25.11.1764 3-0-0
20.3.1766 5-5-0
5.7.1767 7-0-0
15.10.1768 5-5-0
25.3.1770 ?
9.4.1772 ?
8.5.1774 ?
10.9.1775 5-5-0
10.8.1777 6-6-0
10.1.1779 ?
13.8.1786 7-0-0

De vermogende eigenerfde Wubbo Cornelius Fockens, zoon van een kerkvoogd en zelf ook de rijkste boer van het kerspel Nieuwolda, gaf bij de doop van zijn eerste kinderen nog drieguldenstukken, maar varieerde daarna tussen een ducaat (5-5-0), twee ducatons (6-6-0) en een halve gouden rijder (7-0-0). Mogelijk hangt de verhoging van 1766 samen met een erfenis. Zijn uitverkiezing in 1777 tot zijlvest – de hoogste functie die een Oldambtster boer kon krijgen – maakte geen verschil voor de doopgiften. Ook oefende het geslacht van de kinderen geen invloed uit op de hoogte daarvan. Het laatste kind was bij een tweede vrouw, maar ook voordien gaf Fockens ook al eens een halve rijder bij de doop van een dochter.

Ds. Johannes Siertsema

14.9.1760 10-8-0
12.8.1764 10-8-0
2.2.1766 7-0-0
22.11.1767 7-0-0
10.9.1769 7-0-0
4.4,1779 7-0-0

De met diverse eigenerfde Oldambtster families vermaagschapte dominee Siertsema was een vermogend man. En wie het breed had, liet het bij dergelijke gelegenheden breed hangen. Van Siertsema waren gemiddeld de hoogste doopgiften afkomstig. Bij de oudste twee – een jongen en een meisje – gaf hij echter wat meer dan de vier jongste dochters. Het geslacht maakte dus niets uit, mogelijk teerde de “heer pastor” intussen wat in op zijn vermogen.

 

Conclusie

Slechts een minderheid van de doopvaders legde bij de doop van hun kinderen altijd hetzelfde bedrag in het diaconale doopbekken. Vaak is er sprake van enige variatie in de hoogte van hun doopgiften. Die variatie blijft in individuele gevallen overigens meestal binnen een beperkte bandbreedte: het is nu ook weer niet zo dat een dagloner of kleine middenstander een boerenbedrag in het bekken deponeert (laat staan andersom).

In de meeste gevallen kan de variatie niet hebben samengehangen met het geslacht van het kind. Wel zou een moeilijke bevalling door haar gelukkige uitslag kunnen hebben geleid tot een wat hogere gift uit dankbaarheid. Dit laat zich echter moeilijk onderzoeken.

Blijft over als verklaring voor de variatie in individuele doopgiften per doopvader een achterliggende fluctuatie in diens welvaart. Een doopvader die wat krap bij kas zat, deed wellicht wat minder in het doopbekken en een die het naar den vleze ging, droeg wellicht een wat groter steentje bij.

Dit mogelijke verband met welvaart laat zich nou juist wèl onderzoeken, door de doopgiften over een wat langere periode in kaart te brengen: bij de florerende Oldambtster economie in de tweede helft van de achttiende eeuw zouden er dan verhoudingsgewijs meer grotere en minder kleinere doopgiften geregistreerd moeten zijn. Met wat doorzettingsvermogen en tijd laten die giften zich wel tellen, indelen en ordenen.

N.B. Met dank aan muntendeskundige Jan C. van der Wis voor zijn vriendelijke uitleg van het begrip oordrijks.

 


Zuigelingensterfte in Nieuwolda

Hermannus Numan (1754-1824) -, Slapende baby in een wieg. Ets en aquatint. Collectie Rijksmuseum,

Ds. Siertsema van Nieuwolda was in nog een tweede opzicht uitzonderlijk. Dat hij in zijn doopboek de aantallen gedoopte kinderen telde en opschreef, was misschien nog niet eens zo vreemd voor een hervormd predikant, maar hij schreef er ook vaak de totale aantallen van de in zijn gemeente geboren kinderen naast, zodat je heel gemakkelijk ook de aantallen niet-gedoopte kinderen kunt becijferen.

Omdat er een grote druk op ouders lag om kinderen te laten dopen, wat midden achttiende eeuw ook uitsluitend op de eerste zondag gebeurde, terwijl eind achttiende eeuw nog altijd 80 % van de kinderen binnen twee weken werd gedoopt, gaat het bij die ongedoopte kinderen vrijwel uitsluitend om babies die de eerste week of weken van hun bestaan niet hadden overleefd. Met andere woorden: de ongedoopte kinderen waren vroeg gestorven en door hun aantallen te delen op de totale aantallen geboren kinderen, krijg je percentages die staan voor de sterfte onder jonggeborenen:

Jaar Geboren Gedoopt Niet-gedoopt Percentage
1757 28 26 2 7 %
1758 18 13 5 28 %
1759 40 34 6 15 %
1760 24 19 5 21 %
1761 39 32 7 18 %
1762 26 23 3 12 %
1763 33 26 7 21 %
1764 41 38 3 7 %
1765 30 27 3 10 %
1766 39 33 6 15 %
1767 31 30 1 3 %
1768 39 36 3 8 %
1769 39 32 7 18 %
1770 35 28 7 20 %
1771 33 30 3 9 %
1772 48 44 4 8 %
1773 23 22 1 4 %
1774 35 31 4 11 %
1775 32 28 4 13 %
1776 26 22 4 15 %
1777 29 23 6 21 %
1778 32 26 6 19 %
1779 40 30 10 25 %
1780 22 23 !

(incl 1 onecht kind van 1779)

– 1
1781 32 28 4 13 %
1782 17 13 4 24 %
1783 30 32 – 2 ???? (ws fout)
1784 28 25 3 11 %
1785 27 27 0 0 %
1786 33 27 6 18 %
1787 27 26 1 4 %
1788 NIET
1789 22
1790 32 31 1 3 %
1791 33 31 2 6 %
1792 33 30 3 9 %
1793 35 31 4 11 %
1794 24 20 4 17 %
1795 32 28 4 13 %
1796 NIET
1797 36 33 3 8 %
1798 NIET
1799 38 37 1 3 %
1800 32
1801 32
1802 42
1803 42

Zoals men ziet, lopen die percentages ongedoopten van jaar op jaar enorm uiteen: van 0 % tot 28 %. In 1758 stierven bijna drie op de tien babies in de eerste week van hun bestaan, in 1785 was dat geen enkele. Waarschijnlijk hadden droevige jaren waarin meer dan een vijfde van de jonggeborenen overleed, te maken met besmettelijke ziekten als mazelen en pokken. Gemiddeld overleed in de hele periode één op de acht zuigelingen in de eerste weken na de geboorte (12,6 %).


Talmen met de doop in Nieuwolda

Ds. Johannes Siertsema (1724-1808), die praktisch de gehele tweede helft van de 18e en de eerste zes jaar van de 19e eeuw op de kansel van Nieuwolda stond, had een voor predikanten vrij uitzonderlijke gewoonte. Bij praktisch ieder kind dat door hem gedoopt werd, tekende Siertsema in het doopboek naast de gebruikelijke gegevens – de doopnaam van het kind, de namen van zijn ouders en de doopdatum – ook de geboortedatum van het gedoopte kind aan. Dankzij die zeldzaam uitvoerige notatie kan je zien, welke tijdsinterval er zat tussen de geboorte en de doop van een individueel kind en dus ook van kinderen in het algemeen.

Meestal wordt aangenomen dat ouders hun kinderen liefst zo snel mogelijk na de geboorte lieten dopen. Dat was omwille van hun zieleheil: als zo’n jong kind onverhoopt stierf, was het in elk geval opgenomen in de christenheid en bleef het helse lot der heidenen hem bespaard.

Omdat ik nieuwsgierig was of er misschien ontwikkeling in die interval zat, nam ik een steekproef van zes jaren uit de periode dat Siertsema als predikant in Nieuwolda stond, en bekeek hoeveel kinderen er in die jaren op de eerste, de tweede of de derde zondag na hun geboorte of nog later werden gedoopt. Vervolgens heb ik de absolute cijfers omgezet in percentages van het totale aantal gedoopte kinderen in een steekproefjaar, en die in bijgaande kruistabel gezet:

Jaar Totaal Zondag 1 Zondag 2 Zondag 3 Nog later
    Abs. Perc. Abs. Perc. Abs. Perc. Abs. Perc.
1755 26 26 100 %
1765 27 25 93 % 2 7 %
1775 28 23 82 % 3 11 % 2 7 %
1785 26 11 42 % 14 54 % 1 4 %
1795 28 10 36 % 12 43 % 6 21 %
1805 34 3 9 % 21 62 % 8 24 % 2 6 %

Uit de tabel blijkt, dat ouders langzamerhand gingen talmen met de doop van hun kinderen. In 1755 werden alle kinderen waarvan de geboortedag bekend was (26 van de 28), nog op de eerste zondag na hun geboorte gedoopt, maar de populariteit van die zondag nam daarna – toen Siertsema van alle doop kinderen de verjaardag noteerde – zienderogen af: in 1805 vond geen tiende van de dopen meer op die zondag plaats. Tegelijkertijd groeide het ‘marktaandeel’ van de tweede zondag tot bijna tweederde van het aantal dopen. Zelfs de derde zondag kwam vanaf 1775 in beeld en was in 1805 inmiddels goed voor een kwart van de dopen, terwijl het toen in enkele gevallen zelfs nog langer duurde voordat ouders hun kind lieten dopen.

Deze vertraging in het laten dopen van kinderen hangt ongetwijfeld samen met een mentale omslag. De zorg om het zieleheil van de kinderen nam bij hun ouders af ten gunste van de zorg om het lichamelijk welzijn van die kinderen. Ouders hielden hun baby’s liever eerst een week of wat thuis, voordat ze deze door weer en wind naar de dorpskerk brachten. Een geval als dat van Imke, de dochter van Tobias Uuntjes, wier vader haar nog op haar geboortedag (1 september 1765) liet dopen, zou op termijn een volstrekt curiosum worden. De Verlichting brak baan en had zelfs invloed op zo’n fundamentele aangelegenheid.


Het vernielde blok van Nieuwolda en de collecten voor de armen aldaar

De diaconierekening van Nieuwolda meldt op 7 december 1754 als ontvangstpost:

Hebben de dieven nog in het block laten 2-3-1

Met dat blok werd de holle houten paalkluis bedoeld, waarin de diakenen met name collecte-inkomsten stortten, om die op een afgesproken tijdstip gezamenlijk te gaan tellen. In Nieuwolda gebeurde dat tellen zo eens in de drie à vijf weken. Van 24 september tot 30 oktober 1754 was de opbrengst een kleine 50 gulden geweest en van 30 oktober tot 20 november ruim 22 gulden. Kortom: dat varieerde nogal. Laten we het erop houden dat de dieven minstens 20 gulden buitmaakten.

De dieven hadden het blok onherstelbaar vernield, want de diaconierekeningen noemen het ding niet meer. Je zou denken dat er dan meerdere soorten collecten in de rekening zouden opduiken, maar dat blijkt maar in beperkte mate het geval: alleen de buil- of zakgelden worden nieuw genoemd, terwijl de bekkencollecten bij de avondmaalsvieringen, die sporadisch al gespecificeerd werden, voortaan structureel apart worden geboekt. Maar van bekkencollecten bij dopen, trouwen en begraven is nog geen sprake – of die bestonden kennelijk nog niet in Nieuwolda, in tegenstelling tot allerlei omringende plaatsen, of die zaten, ondanks de afwijkende collectemethode, nog bij de builgelden in.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 262 (archief hervormde gemeente Nieuwolda) inv.nr. 25.