“Haar verschijnen alleen was als het ware al voldoende voor de gouden medaille”
Geplaatst op: 22 februari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesDe eerste keer dat mijn aandacht gevestigd werd op de Olympische Spelen, was in 1964, toen dit plaatjesalbum uitkwam – destijds werden de winter- en zomerspelen nog in hetzelfde jaar gehouden, maar wel in zeer verschillende plaatsen:

De grote ster van Innsbruck werd Sjoukje Dijkstra, die als eerste Nederlander ooit een plak won op de winterspelen. “Haar verschijnen alleen was als het ware al voldoende voor de gouden medaille”, aldus mijn inplakplaatjesalbum:

De snelle jongens vielen tegen – Rudie Liebrechts, van wie veel verwacht werd, ging zonder medaille naar huis:

Had sinds lang niet meer in dit album gekeken, laat staan op de achterkant. Het blijkt een uitgave van het margarinemerk Brio. Daar zullen dan wel punten voor gespaard zijn. Dat grijze stippeltjesdessin op de achtergrond van merknaam en plantaardigheden doet me denken aan het formica op onze keukentafel:

Naschrift:
Heb nog even nagekeken wanneer dit album precies op de markt kwam. Dat was in november 1964, dus vlak voor Sinterklaas. Bij elk pakje Brio zat een foto. Aangezien er in het hele album 80 van die foto’s gingen, moest je als huisvrouw dus minstens 80 pakjes Brio kopen om het album vol te krijgen. In mijn album missen echter wat foto’s, onder andere die van Kees Verkerk, die er duidelijk voor een ander doel is uitgehaald.

Leeuwarder Courant 5 november 1964.
Wapens, krijgslieden en graftombes – tatoeages bij jeugddelinquenten (1901)
Geplaatst op: 16 februari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Stukje mensenhuid met diverse tattoos, Frankrijk 1930-1900. Science Museum Londen.
“De voorstellingen, die de jonge delinquenten op hun lichaam hebben, versterken de waarschijnlijkheid dezer theorie. Werktuigen en andere voorwerpen, die herinneringen zijn aan een beroep, vindt men daaronder ongeveer niet. Zeelieden tatoeëeren zich een anker, soldaten het onderscheidingsteeken van het wapen waartoe zij behooren, handwerkslieden een werktuig. Onder de bewoners van de verbeterhuizen (= gevangenissen, HP) zijn wapens de meest geliefde onderwerpen voor tatoeage: in de eerste plaats dolken, dan pistolen, degens, lansen, pijlen; sommigen hebben deze wapens een aantal malen afgebeeld, anderen hebben doorstoken harten er aan geregen, tot zelfs 7 toe, of het aantal slachtoffers dat zij maakten er naast geschreven.
Op de afbeeldingen van wapens volgen die van krijgslieden; dan graftombes, soms met de namen van slachtoffers, verder ook bloemen, vogels, vreemde phantastische geslachtswapens, kruisen, kransen, sterren enz. Daarbij komen ook veel opschriften voor, waardoor oproerige, als: ‘Leve de anarchie’, ‘Dood aan C.I.U.’, ‘Leve de misdadigers’. Ook zeer onzedelijke voorstellingen en woorden vindt men, die bewijzen voor de vroegrijpheid van deze jeugdige misdadigers op erotisch gebied.”
—
Bron: ‘Wetenschappelijke mededeelingen’ in Soerabajjasch Handelsblad, 3 mei 1901.
Bron van de illustratie: Preserved tattoos (een collectie historische tatoeages op sterk water).
Hoe ds. Picardt de slavernij rechtvaardigde (1660)
Geplaatst op: 14 februari 2018 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 2 reacties
In 1660 publiceerde de Coevorder predikant Johan Picardt een werkje, dat als allereerste geschiedschrijving van het oude Drenthe geldt. Daarin verwijlde dominee ook even bij de gezegende welvaart der witte christenen, die hij contrasteerde met het lot van de ongelovige Afrikanen:
“Letten wy op Cham en zijne nakomelingen, al zijnse machtige natiën gheworden, hoe seer heeft evenwel de slavernije op haer geheerscht! Zijn niet de meeste Africanen doorgaens geweest slaven hunner koningen? Een groot gedeelte der selviger, zijnse niet noch heden slaven der Turcken? De inwoonderen van Congo, Angola, Guinea, Monomotapa, Bagamidri &c, zijn het niet der slaven nesten, waer uyt soo veel herwaerts en derwaeryts gesleept, verkocht en tot alle slaef-achtige wercken gebruyckt werden?
Deze menschen zijn alzoo genaturaliseert, soo wanneer zy in vrijheydt ghestelt, of lieftalligh gekoestert werden, soo en willen zy niet deugen, en weten haer selfs niet te gouverneeren. Maer by aldien men geduerigh met rottingen in hare lenden woont, en dat men de selvige t’elckens sonder genade bastoneert, soo heeft men goede diensten van de selve te verwachten, alsoo haare welvaart bestaat in slavernije.”
—
Bron: Johannes Picardt, Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe… (Amsterdam 1660) pag. 9.
Groninger jood was Gronings, Friese jood was Fries
Geplaatst op: 6 februari 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reacties
Folkingestraat voor de oorlog.
“Het provinciale Jodendom, zo karakteristiek als het was, heeft slechts een enkele maal een penvoerder gevonden, die het geschilderd heeft in zijn samenhang met zijn omgeving, in zijn aangepastheid, die toch zulk een schat van innige Joodsheid overliet. Ook hier is iets onherstelbaars verloren gegaan.(…) Wat een typen, wat een variaties! Verdwenen zij.
De onmiddellijk herkenbare Groninger Jid, die souverein heerste in zijn gebied in zijn vrolijke, levendige Folkingestraat. Lezer, ga niet naar de Folkingestraat. Het is een gore, droeve, neerdrukkende achterbuurt geworden.
De Jood uit de veenkoloniën, slagerveehandelaar, niet bang voor, noch afkerig van een fiks vechtpartijtje, die Grönnegs sprak in onvervalst dialect, echt van kleur en klank, waarin toch de Joodse bewogenheid telkens weer doorbrak.
De Limburger Jood, waarschijnlijk de meest geassimileerde en meest aangepaste van Nederland, die naar sjoel ging en daarna desgewenst een kaarsje voor het raam plaatste ter ere van een voorbijtrekkende processie. Joutse für Gott und für die Leute.
De Brabander, gul en gemoedelijk, met zijn Zuid-Nederlands „hebdege en bendege“, met zijn genoegelijke levensblijheid, gemakkelijke levensopvatting, met zijn gulle eenvoudige gastvrijheid.
De Friese Jood, zo oer-Joods gebleven, en toch zo vergroeid met zijn omgeving, dat hij Fries of Leeuwardens sprak als ware het Losjoun hakoudesj. En die zelfs als hij opgeroepen werd in de Beroche de Friese “G” niet overwinnen kon, asjer bokar bonoe. Ach, hoe eenzaam is de Put, dit Rapenburg van het Noorden. Me-ein jousjeiw. Geen vrolijke groep jongeren host meer door de buurt, op de avond van uitgaande Pesach op de melodie van het lied „Chomeitsdikke sterren“. Slechts de grote, onbeschadigde Leeuwarder Sjoel — eens hun trots en glorie — staart weemoedig-statig naar de leegte. Oj, mee haja lanoe!“
—
Bron: Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 juli 1949.
Hoe ome Joop in Veendam de loop op zijn apentent kreeg
Geplaatst op: 1 februari 2018 Hoort bij: Dieren, Geschiedenis, Ommelanden 2 reacties
Albert Eckhout – Ara.
Na de Tweede Wereldoorlog stond ome Joop Groninger vooral met dierententen op kermissen. Je kon er apen, vliegende honden, beverratten en exotische vogels aanschouwen. Als het slecht met die nering ging, dan hing Joop bijvoorbeeld een kooi met een papegaai op bij de ingang van de tent. Er kwam een klein bordje naast: “Gelieve Lorre niet aan te spreken, daar hij alleen vieze woorden zegt.” Dan tippelde het volk bij drommen de tent binnen.
In Veendam haalde hij eens een andere stunt uit, met een aap:
“Vlak voor de kermis in Veendam wordt er een jong aapje geboren. Dat is in Veendam vast en zeker nog nooit gebeurd, denk ik. Joop, hoe pak je dat aan? Ik hou me mooi van de domme en stap naar het bevolkingsregister.
– Meneer, ik kom een nieuwe wereldburger aangeven.
– Gefeliciteerd mijnheer Groninger, een jongen of een meisje?
– Jongen of meisje? Hoe komt u erbij? Een aap.
– Een aap?
– Ja, een aap.
– Maar dat kan helemaal niet, mijnheer.
– Oh, ik dacht…
– Luistert u eens, mijnheer Groninger. Mag ik een bevriende journalist bellen?
– Nou, meneer als u denkt dat dat iets is…”Jongens, ik ben als een haas teruggehold naar de wagen. Amper was ik thuis of die college van je stond al voor mijn neus. Ja meneer, op weg naar het ziekenhuis in een taxi geboren…
Wil je geloven dat ik in Veendam goed heb gedraaid?”
Wanschepsel boeit meer dan vredesboodschap
Geplaatst op: 31 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Gebroken geweertje uit het interbellum. Foto: Andrys Stienstra, Wikimedia commons.
In de jaren 1920 tikt ome Joop Groninger, de kermisman, een wel heel bijzondere attractie op de kop. Het betreft een antimilitaristisch reismuseum:
“In het noorden ontmoette ik een duizendpoot. Dat is een geboren kermisman, een jongen die alles kan. Jan Immel heette hij. Die jongen reisde met een soort oorlogsmuseum. Allemaal afgerukte lichaamsdelen: hoofden, armen, benen en rompen. Gemaakt van was. Ernaast had-ie alle mogelijke projectielen liggen. Kon je zien hoe gruwelijk de oorlog was. Hij liet de hele zaak steeds in oude theekisten door een bode vervoeren. Hij zocht dan lui van ’t gebroken geweertje op, die een soort tentoonstelling voor hem in mekaar zetten. Handige jongen, maar hij was er nu misselijk van. Je weet dat ik zo’n beetje antimilitarist ben en ik zag er dus wel wat in. Hij moest nog een paar afspraken nakomen en zou ’t spul een poosje later afleveren.
Toen ik dat museum eenmaal had, gingen de zaken verdraaid slecht. Niemand wou het zien. En ik had er nog wel een tent voor gekocht. Duizend gulden op de pof. Weet je wat ik gedaan heb? Ik kocht een Siamese varkenstweeling op sterk water en zette die bij ’t oorlogsspul. Jongen, het was in één keer weer krent. De mensen tippelden van heb ik jou daar.”
Steilwand (5) Varia en slot
Geplaatst op: 26 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieWaar engpret de belangrijkste attractie vormde, was lef het eerst benodigde kapitaal. Men kon goed verdienen met een steilwand, maar de kost ging natuurlijk wel aan de baat vooraf:

Leeuwarder Courant 5 december 1957.
De ervaring van het ronddaveren op zo’n “Wand des Doods” van trillende en allengs meer dreunende planken, vond ik nog het best verwoord in een ‘fuliton’:

Nieuwsblad van het Noorden 19 november 1960.
Met een goeie conditie kon je een steilwand blijkbaar ook per fiets berijden:

Friese Koerier 26 januari 1956.
Tot zover de steilwand, rond 1960 een van de top-attracties op vooral plattelandskermissen:

Friese Koerier 2 september 1961.
Steilwand (4) De meisjes
Geplaatst op: 25 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Als je zou denken dat de steilewandwereld met zijn motorgeronk en benzinedampen louter door jongens en mannen werd bevolkt, dan vergis je je. Want ook meisjes en vrouwen reden in/op steilwanden rond. Zo was ene Miss Silvia een aparte vermelding waard in een aankondiging voor de Lopster kermis van 1965:

Nieuwsblad van het Noorden 16 september1965.
Silvia was een Groningse, straks meer over haar. – Afgaande op een personeelsadvertenties bestond er zelfs een steilewandsrijdster met een eigen zaak:

Telegraaf 27 april 1960.
Meermalen werden er ook meisjes gevraagd:

Vrije Volk 6 mei 1958.

Parool 26 maart 1959.
De miss Sylvia zoals ze voorkwam in de bovenste advertentie bleek overigens een pseudoniem van Gerry Kinds, alias “De Blonde Motorduivelin”. Een interview met haar vinden we op de Vrouwenpagina van een Telegraaf uit 1959. Op dat moment was Gerry (34) de enige acrobatische steilewandrijdster “in de kleine bonte en ruige wereld der kermissensaties”. Dat wil zeggen: ze had wel een collega, maar die was in verwachting.
Opmerkelijk: Gerry Kinds kwam uit Kielwindeweer bij Hoogezand. “Ik heb aardappels gekrabd en geschoffeld”, vertelde ze over haar veenkoloniale jeugdjaren: “Man, ik zat al op het land, toen ik 11 jaar was”.
In en vlak na de oorlog stierven haar beide ouders. Met haar jongste broer, voor wie ze zorgde, vertrok ze naar Amsterdam. Ze was er tramconductrice, winkeljuffrouw, dienstmeisje, en ijsverkoopster geweest. Nog nooit had ze naar motoren getaald, maar in 1954 ontmoette ze haar man, de steilewandrijder Herman de Haan en dat veranderde haar leven. Met hem ging ze “voor de gein” eens mee, voorop de motor. In 55 was dat, dus op haar dertigste. Drie seizoenen reed ze met Herman mee voorop, maar ook wel achterop:
“…om de goeie ligging van de motor te leren aanvoelen. Je moet weten hoe de motor tegen de wand ligt. Als je dat niet weet donder je zo naar beneden. Ik reed achterop ook mee, omdat je dan het gevoel krijgt, dat je zelf rijdt. In het begin heb ik wel veel last gehad van duizeligheid. Vorig jaar ben ik alleen gaan rijden. Maar voordat ik kon zeggen “In ben rijdster”, viel ik elf keer. Dan was ik overal bont en blauw. Soms dacht ik: “Ik hou ermee op”, maar als je dan eenmaal goed draait dan denk je: “Waar heb ik me druk over gemaakt?”
Ze reisde half Europa af. Haar Groningse familie zag ze niet meer:
“Ze houden daar niet van m’n beroep. Ze houden helemaal niet van het kermisbedrijf. Niet dat we ruzie hebben, maar ze vinden het gek wat ik doe.”
Zigeunermythe over de oorsprong van het stelen
Geplaatst op: 21 januari 2018 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis, Kunsten 5 reacties
Zigeuners op de Brink van Diever, ca. 1910. Foto: meester Boneschansker (Dwingeloo). Ontleend aan: Mark Goslinga en Erwin de Leeuw, Uit het album van meester Boneschansker (Dwingeloo 2006).
Toen God bezig was koren aan de volkeren uit te delen
riep hij ook de zigeuners
(om die ook wat te geven).De zigeuners echter, waren zo arm
dat ze niet eens jutezakken bezaten
(om het koren in te doen).Toen zeiden de zigeuners tegen de Heilige God::
“Ach grote God, stop ons deel voorlopig maar
in de zakken van de andere naties!”Dus deelde God het voor de zigeuners bestemde graan
gelijkelijk uit over de volkeren van de wereld.
In elke zak kwam een beetje terecht.Later probeerden de zigeuners
hun deel weer op te vragen bij de andere naties.
Maar die lachten ze vierkant uit en joegen ze weg.Sinds die tijd stelen de zigeuners
om hun rechtmatige deel weer terug te krijgen.
Bron: Erika Dedinsky, Vers vuur – over zigeunerliteratuur uit Hongarije (Haarlem 1982), iets geredigeerd.
Raadsel: “het brouwen der bolle”
Geplaatst op: 14 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 11 reacties
In 1797 betalen de zijlrichters van de Oostwolderzijl 12 stuivers uit aan zijlwaarder Jan Brunius “voor het brouwen der bolle”. Ik zat eerst heel vreemd tegen deze handeling aan te kijken, maar denk nu dat ik het wel weet. Hebben de lezers misschien ook een idee?
Weer thuis, maar niet lang: Willem Snater, oorlogsburgemeester van Nieuweschans
Geplaatst op: 12 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De installatie van Willem Snater als burgemeester van Nieuweschans Nieuwsblad van het Noorden 5.10.1942..
Het verhaal van Peter Rehwinkel, die naar Groningen terugkeerde voor zijn droombaan, het burgemeesterschap van de Stad, ligt nog vers in het geheugen. En ook, hoe die droombaan uitliep op een nachtmerrieachtig fiasco.
Een dergelijk scenario heeft zich wel vaker voltrokken aan iemand die vanuit ‘den vreemde’ terugkeerde naar Groningerland om daar burgemeester te worden. Zo zit bij de onlangs openbaar geworden sollicitatiedossiers dat van Willem Snater (1904-1974), die in de oorlog burgemeester was van Nieuweschans.
Deze Willem was de zoon van de Jan Snater die na een periode als ambtenaar in Friesland en als gemeentesecretaris van Nieuwolda in 1919 burgemeester werd van Oude Pekela. Zoon Willem doorliep de HBS in Winschoten, ging vervolgens een poos naar de Zeevaartschool, en kwam via de gemeentesecretarie van Oude Pekela, waar hij een opleiding kreeg, terecht als ambtenaar op de secretarie van Grouw, waar hij naderhand een meisje uit Oude Pekela zou trouwen.
Daar in Grouw, de hoofdplaats van de gemeente Idaarderadeel, werd hij lid van de Liberale Staatspartij. Meermalen solliciteerde hij op een burgemeesterschap in Groningerland, zoals in 1932 te Termunten, in 1933 te Marum en in 1939 in Eenrum. Daarbij deed zijn vader een goed woordje voor hem. Dat deed in 1942, bij de vacature in Nieuweschans, ook de burgemeester van Idaarderadeel, die schreef:
“Het is van den beginne af steeds zijn bedoeling geweest te trachten een burgemeestersbetrekking te verkrijgen in de provincie Groningen. Hoewel hij zich in Friesland zeer wel thuis gevoelt, is hij toch in zijn hart een Groninger.”
Volgens zijn Friese chef had Snater, die inmiddels kommies en plaatsvervangend hoofd van de luchtbescherming te Grouw was, voldoende capaciteiten om zijn ambtgenoot in Nieuweschans te worden. En inderdaad werd Snater daar per 16 september 1942 benoemd.
Bij zijn installatie, op 2 oktober, dankte Snater “alle autoriteiten” die zijn benoeming bevorderden. Hij memoreerde dat het burgemeesterambt hem niet helemaal vreemd was, omdat hij dat van huis uit al kende…
“Overigens ben ik een Groninger en ik heb mijn jeugd op het Groninger platteland doorgebracht, zoodat na een verblijf van bijna 15 jaren in Friesland, mij het leven hier in Nieuweschans niet vreemd aandoet; integendeel, ik heb het gevoel, dat ik na een lange reis weer thuisgekomen ben.”
Voor de onmiddellijke toekomst deed Snater een “ernstig beroep” op de Nieuweschanskers hun gemeente niet tegen te werken, “zich te onthouden van elke handeling die de gemeente Nieuweschans en haar ingezetenen schade en narigheid zou kunnen berokkenen” en zich
“daadwerkelijk in te zetten bij het oplossen van de vraagstukken, waarvoor wij thans als gevolg van de gewijzigde omstandigheden geplaatst worden. De staatkundige vraagstukken kunnen hierbij gevoegelijk buiten beschouwing blijven, omdat deze toch niet in Nïeuweschans worden beslist.”
Hierbij moet men zich realiseren dat àndere burgemeesters op dat moment al in gijzelaarskampen zaten. Bij de door Snater uitgesproken intenties verbaast het niet dat diens profiel uiterst kleurloos was tijdens de rest van de oorlogsjaren. Zijn naam bleef uit de kranten, maar mogelijk stelde hij zich achter de schermen toch wat al te volgzaam op jegens de bezetter. In augustus 1945 werd hij op non-actief gesteld en in 1946 ontslagen. Hij bleef niet in zijn geliefde provincie Groningen wonen en verhuisde naar Zeist, waar hij in 1974 overleed.
Adverteren doet verkopen
Geplaatst op: 10 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesDan ben je bezig met een projectje waarvoor je de meeste gegevens uit Delpher haalt en blijft je oog aan het een en ander haken, zoals:
- Reclame voor een hoogtezon, waarvan de tekening ook niet had misstaan in een advertentie van een socialistische partij of een vrijdenkersclub:

Nieuwsblad van het Noorden 30.10.1936.
– Een elegante bakkerskar zoals je zelf nog hebt zien rijden in je kinderjaren – in die bak zaten luchtgaatjes die in cirkels gegroepeerd waren, weet je nog:

Nieuwsblad van het Noorden 15.3.1938.
– Reclame voor een film die een jaar voor de Bevrijding in de bioscopen draaide:

Twentsche Courant 13.5.1944.
– En de fenomenale telefoontarieven van zeventig jaar geleden:

Provinciale Drentsche en Asser Courant 26.4.1947.
Politiek in de kerk van Termunten
Geplaatst op: 9 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenOntvangstposten in het diaconieboek van Termunten:
4.1.1786
Dankstond wegens vrede met Duitse Keizer, uit de buil 5-1-3..
Een jaar eerder was er een crisis geweest om de Schelde, waarbij Joseph II, de keizer van Oostenrijk, ons land dreigde binnen te vallen. Juist vanwege die dreiging stimuleerden de Staten van Stad & Lande burgerwapening. Begin 1786 werd de zaak bijgelegd.
17.5.1795
“Geen preedikdienst wegens den oorlog met het beleggen van Fransche troupen in het caspel van Termunten en meer andere plaatsen die onder onse kerke behooren.”
Omdat er inkwartiering van Franse soldaten plaatsvond in het kerspel, kon de preek op zondag niet doorgaan. Deze soldaten, ook gelegerd bij batterijen op de Punt van Reide, moesten de Pruissische overkant van de Eems in de gaten houden. Frankrijk en Pruissen waren officieel nog in oorlog.
6.8.1797
“Geen kodgisaatsy weegens het stellen der stemopnemers op den 8 augusty over het goedt of afkeuren van de konsystuitsy.”
Geen catechisatie vanwege het verkiezen en aanstellen van stemopnemers in de grondvergadering waarin door de stemgerechtigden (die de eed van burgertrouw hadden afgelegd) gestemd werd over het eerste ontwerp van constitutie (het “dikke boek”) voor de Bataafsche Republiek. Het ontwerp werd twee dagen later afgekeurd bij het allereerste Nederlandse referendum.
19.11.1799
“Weegens een redevoering gedaan van domeni over het verlaaten van de Engelsen van onze Republijk en uit de bekken” 4-15=1
In het najaar van 1799 ondernamen Engelsen en Russen een invasie in het zompige Noord-Holland. Mede door dominees zoon werden ze weer de zee in gedreven.
3.6.1804
“Domnie van Oterdom agtermiddag preekt met mantel en bef”, uit de buil 1-18-6
Een tijd lang hadden predikanten omwille van de gelijkheid (in de trits vrijheid-gelijkheid en broederschap) niet meer gepreekt met mantel en bef. Waarschijnlijk deed de predikant van Termunten dit medio 1804 nog steeds niet. Toen de buurpredikant van Oterdum een vervangingsbeurt kwam houden, vond de diaken diens ambtskleding daarom het vermelden waard. Hij nam notitie van een kleine restauratie.
Huis-aan-huiscollectes in Termunten en wat ze zeggen over de economie en rangen en standen
Geplaatst op: 6 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieAls een diaconie flink tekort kwam, zonder dat er op korte termijn zicht was op meer geld in haar kas, dan werd het tijd voor een noodmaatregel: een huis-aan-huiscollecte voor de armen in het kerspel. Zo’n ommegang heet in de diaconierekeningen vaak “buitengewoon” – de diaconie mocht er geen staat op maken en moest er steeds toestemming voor vragen bij het bevoegd gezag. Vrijwel nergens was er dan ook jaar na jaar een huis-aan-huiscollecte. Zo organiseerde de diaconie van Termunten (exclusief Borgsweer) tussen 1784 en 1809 slechts vijf maal zo’n ommegang:
| Data: | Opbrengst: | Bewoners op lijst: | Gemiddelde gift: |
| 29 en 30 januari 1795 | 116-12-7 en een mudde bonen die onder de armen is verdeeld. | – | – |
| 18 november 1800 | 253-2-4 | 112 | ƒ 2,26 |
| 5 en 6 april 1804 | 268-15-4 | 163 | ƒ 1,65 |
| 9 tot 11 februari 1808 | 194-13-0 | 159 | ƒ 1,22 |
| 29 en 30 nov. 1808 | 167-14-2 | – | – |
Opvallend is dat de Termunter diaconie pas in 1795 naar dit middel hoefde grijpen. Daarna is het om de vier, vijf jaar raak, met zelfs een dubbele huis-aan-huiscollecte in 1808. Je zou hier een verband kunnen vermoeden met de hoge graanprijzen in deze periode, waardoor het brood vrij duur uitviel. Maar ook was er bijna steeds oorlog op zee, waardoor de sectoren van de economie die van de zeevaart afhankelijk waren, achteruit kachelden. Vooral ook na de afkondiging van het totale handelsembargo tegen Engeland (1806) moet een haven als Termunterzijl daar iets van hebben gemerkt en daarmee de gemengde Termunter economie als geheel. Kijk ook maar eens naar de laatste kolom, die aangeeft dat de gemiddelde gift per hoofdbewoner tussen 1800 en 1808 zo’n beetje gehalveerd is: men had het minder breed en kon dus minder missen.
Dat er van de Termunter huis-aan-huiscollecten in 1800, 1804 en februari 1808 zo’n gemiddelde te berekenen valt, komt doordat de originele inschrijvingslijsten van deze drie ommegangen in de diaconierekening gekopieerd zijn. Bij die van 1795 en november 1808 gebeurde dat helaas niet. Hiervan waren de opbrengsten ook lager. Mogelijk werd er toen met bussen gecollecteerd, zoals bekend een methode die wat minder sociale controle en daarmee conformisme in het geefgedrag oproept dan een collecte met een lijst, die doorgaans wat meer succes oplevert.
Bij nader inzien valt er overigens wel iets af te dingen op die afnemende gemiddelde gift. Op de collectelijst van 1800 staan immers 112 namen van gevers tegen rond de 160 bij die van 1804 en 1808. Dat het aantal huishoudens of adressen tussen 1800 en 1804 met ruim 40 % gegroeid zou zijn, lijkt onwaarschijnlijk, er moet dus haast wel iets anders aan de hand zijn geweest.
Wat dat was, wordt duidelijk als we de waardes van de individuele giften op de lijsten groeperen en de drie collectejaren naast elkaar zetten:
| Waarde giften: | 1800 | 1804 | 1808 |
| ƒ 10 of hoger | 5 | 5 | 2 |
| ƒ 5 tot 10 | 11 | 14 | 8 |
| ƒ 2,50 tot 5 | 17 | 11 | 15 |
| ƒ 1 tot 2,50 | 28 | 46 | 29 |
| ƒ 0,50 tot 1 | 14 | 23 | 31 |
| ƒ 0,25 tot 0,50 | 28 | 38 | 39 |
| Minder dan 0,25 | 9 | 26 | 35 |
| TOTAAL | 112 | 163 | 159 |
Van 1800 op 1804 groeit het aantal gevers in de vier laagste giftgroepen, maar relatief gebeurt dat vooral in de allerlaagste groep, die praktisch verdrievoudigt. Met andere woorden: de groei in het aantal gevers zit dan vooral bij de mensen die het minst kunnen missen. Mogelijk hoefden die in 1800 nog geen bijdrage te leveren waardoor ze ontbreken op de lijst van dat jaar. Dat maakt die lijst echter ook minder bruikbaar voor een vergelijking.
Onderling wèl goed vergelijkbaar zijn de lijsten van 1804 en februari 1808. We zien dan nominaal een forse terugloop – samen wel een halvering – bij de twee groepen met gulste gevers. De derde groep groeit echter, wat zou kunnen komen doordat de grootste weldoeners het wat kalmer aan zijn gaan doen. Fors is weer de terugloop bij de vierde groep, terwijl twee van de drie laatste groepen duidelijk groeiden in aantallen gevers. Heel globaal is het beeld dan dat het aantal grote filantropen slonk, terwijl het aantal kleine schenkers toenam, een ontwikkeling die dan vooral samenhangt met de krimpende economie in de sectoren die het van de zee moeten hebben.
Nog wat beter komt deze ontwikkeling uit de verf, als we de nominale groepsgroottes voor 1804 omzetten in de percentages die geversgroepen uitmaken van een hele lijst:
| Waarde giften: | 1804 | 1808 | Afname (–) / Groei (+) |
| ƒ 10 of hoger | 3,1 % | 1,3 % | – |
| ƒ 5 tot 10 | 8,6 % | 5,0 % | – |
| ƒ 2,50 tot 5 | 6,7 % | 9,4 % | + |
| ƒ 1 tot 2,50 | 28,2 % | 18,2 % | – |
| ƒ 0,50 tot 1 | 14,1 % | 19,5 % | + |
| ƒ 0,25 tot 0,50 | 23,3 % | 24,5 % | + |
| Minder dan 0,25 | 16,0 % | 22,0 % | + |
Ook relatief neemt het aantal zeer gulle gevers af, terwijl het aantal schenkers van geringe giften in dat opzicht toeneemt, een ontwikkeling die je als verarming of misschien ook wel als nivellering kunt aanduiden. Verwerkt tot een grafiek ziet dit er zo uit:
Zoomen we nog even in op individuele gevers, dan blijken giften ook bij deze huis-aan-huiscollecten samen te hangen met stand of maatschappelijke status. Neem de grootste weldoeners, die voor 10 gulden of meer intekenden op de lijst van de diaconie. In 1804 ging het nog om deze vijf mannen:
| Naam | Bedrag (guldens-stuivers-duiten) |
| Syse G. Bart | 12-0-0 |
| Jannes Arends Toxopeus | 12-0-0 |
| Jan Harms Steenhuis | 11-0-0 |
| Jan Hemmes | 10-0-0 |
| Ds. J.A. Smith | 10-0-0 |
Bart, Toxopeus en Smith kwamen ook al in de top 5 van 1800 voor als eerste, tweede en vijfde gulle gever. Bart was in compagnie met zijn broer ondernemer en koopman. Zo haalden ze volgens advertenties in de Groninger Courant scheepsladingen hout uit Noorwegen, en bouwden ze in 1803 een rogge – en pelmolen in Termunten, die ze in 1805 weer wilden verkopen. Daarnaast was Bart kerkvoogd, net als Hemmes van Termunterzijl. Jan Arends Toxopeus ging door het leven als landgebruiker oftewel boer. Omdat zowel de weduwe Bart als die van Steenhuis in 1808 voor relatief lage bedragen intekenden, kwam Toxopeus toen bovendrijven met de topgift van 15 gulden. Alleen Jannes F. Bosker, eveneens een boer, kwam dat jaar met 10 gulden in Toxopeus’ buurt. Overigens overleed dominee Smith, die in 1804 nog bij deze elite hoorde, in 1805 aan de “rotkoorts”.
In Smiths geval stond zijn beroep er steeds bij, wat voor maar weinig anderen geldt. Uit het lijstje van 1804 haalde ik nog de volgende beroepen met de bijbehorende giften, die inderdaad laten zien dat een hogere stand gepaard ging met een grotere gift:
| Beroep | Gift |
| Commies | 3-0-0 |
| Boekhouder zaagmolen | 2-0-0 |
| Schoolmeester | 1-10-0 |
| Schipper | 1-8-0 |
| Commies | 1-2-0 |
| Kuiper | 1-0-0 |
| Molenmaker | 1-0-0 |
| Knecht | 0-12-0 |
| Snijder | 0-5-4 |
| Naaister | 0-2-0 |
Voor de koop- en ambachtslui gold: hoe meer kapitaal er bij de beroepsuitoefening nodig was, hoe hoger ze op de maatschappelijke ladder stonden. Door de beroepsloze namen op de lijst na te trekken in verzegelingen, rekeningen, boedelinventarissen, belastingkohieren en waterschapsarchivalia, zou dit lijstje nog aanzienlijk kunnen worden uitgebreid, maar dat vergt iets teveel moeite voor een stukje als dit en laat ik er maar even bij zitten.
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 305 (archief hervormde gemeente Termunten) inv.nr. 27.
Verdronken bij Termunten
Geplaatst op: 5 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Ontvangsten wegens verdrinkingsgevallen in het diaconieboek van Termunten – de volgende sommen zijn afkomstig uit het doodbekken bij begrafenissen op het lokale kerkhof:
| Datum ontvangstpost: | Omschrijving: | Somma in guldens-stuivers-duiten: |
| 9.8.1785 | Van het kind van Berend Staal, in een sloot verdronken. | 0-12-3 |
| 6.9.1785 | Van Hinderk Jans Post kind in ’t Sijldiep verdronken. | 1-16-2 |
| 25.4.1788 | Van een drenkeling “die bij Fijmel is an de strand gekomen”. | 0-7-7 |
| 11.3.1798 | Van een drenkeling “tusken Fymel en Riede an de strandt gevonden”. | 0-4-0 |
| 1.2.1802 | Van Jan Hindrikken, “gevonden in Dollaart”. | 0-2-7 |
| 30.4.1802 | “Van een vondeling in die Dolaart”. | 0-4-3 |
| 2.12.1803 | “Van de verdrinkeling”, | 0-2-4 |
De paar kinderen van ingezetenen, die dicht bij huis in het Zijldiep en een sloot verdronken, brachten de armen van Termunten meer geld in het doodbekken dan de veelal naamloze drenkelingen die bij Fiemel en Reide “an de strand” of verderop in de Dollard werden aangetroffen. De begrafenissen van die laatste drenkelingen zullen maar door weinig mensen zijn bezocht.
Een losse ontvangstpost, mogelijk duidend op een suïcide:
| 19.6.1787 | “Van Fokke Laurens ontfangen door het wegdrijven van den Jode en zijn 12 duiten heeft liggen laten. Fokke an de armen geven” | 0-1-4 |
Nog uit het doodbekken, strikt genomen geen verdrinkingsgeval, al zou het slachtoffer dan veel minder hebben geleden:
| 13.11.1786 | “Van het zoontje van Eise Hagenouw zijnde Roef ??? genaamd geweest”.
Met achteraan de pagina: “Zijnde het zoontje van E. Hagenouw allerongelukkigst ter dood gekomen door te vallen in een ketel kokend water in de slagttijd, ruim een half etmaal daarna overleden.” |
6-5-0 |
Eise Hagenouw was een redelijk vooraanstaand ingezetene van Termunten. Gezien ook de aparte notitie in de diaconierekening, moet dit ongeval daar veel indruk hebben gemaakt. Behalve dat de familie naar haar stand een relatief hoge som in het doodbekken legde, zal de begrafenis ook door veel meer mensen bezocht zijn dan die van de naamloze drenkelingen. Ook dat zorgde voor de vrij hoge opbrengst, zeker voor een kinderbegrafenis.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 305 (archief hervormde gemeente Termunten) inv.nr. 27.

Recente reacties