De Deventer almanak voor het jaar 1568
Geplaatst op: 1 januari 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reactiesIn deze tijd van het jaar hadden zwervende omlopers altijd een mooie bijverdienste aan de verkoop van almanakjes.
Groningen kreeg pas laat een eigen almanak en dan was het nog slechts een comptoirsalmanak. In de zestiende eeuw moest zulke waar nog uit Deventer en Kampen komen. Dit is een Deventer exemplaar uit het jaar 1568:

Met een uitleg van de waterstanden:

Een figuur van de invloed die de maan en de verschillende hemeltekens op het menselijk lichaam uitoefenen, ook heel handig als je een aderlating moest ondergaan:

En de met astrologisch jargon opgepropte jaarvoorspelling door dr. Ambrosius Magirus, die in zijn 53ste levensjaar overigens sterk op een Talibanstrijder leek:

Bron: RHC Groninger Archieven 1769-18812.1568.
De standsbewuste doopvader
Geplaatst op: 30 december 2017 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
Bernard Picart, Doop bij de Gereformeerden (1732) – fragment. Collectie Rijksmuseum.
Vaders in Beerta, zo ontdekte ik van de week, deponeerden in de jaren 1762-1764 vrijwel uitsluitend zilveren en gouden munten in het bekken op het kerkkoor, nadat daar de doop van hun kind plaatshad. Het ging veelal om enkele of dubbele geldstukken. Boeren gaven goudgeld (een gulden of meer), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren. Betaalden de laatsten een paar stuivers, menige kleine middenstander legde uit dankbaarheid dat zijn kind in de gemeente opgenomen was een sestehalf (5,5 stuiverstuk) in het bekken. De in deze schaal gelegde som hangt, met andere woorden, af van de inschatting die de doopvader van zijn eigen stand of maatschappelijke positie maakt.
Vanavond even gekeken of dit fenomeen ook in de buurgemeente Oostwold voorkwam. En ja hoor, daar doet zich hetzelfde voor. Neem de zijlwaarder van de Oostwolderpolder Jan Brunius (ook wel Bruinius, Bruinjes en Bruins geheten). Bij twee vrouwen kreeg hij tussen 1772 en 1803 achtereenvolgens twaalf kinderen, die hij allemaal zelf ten doop presenteerde. Hieronder heb ik ze op een rijtje gezet met de sommetjes die de zijlwaarder in het bekken legde:
| Datum doop | Naam kind | In het bekken (guldens-stuivers-duiten) |
| Huwelijk I – | ||
| 2.8.1772 | Abraham | x |
| 24.10.1773 | Willem | x |
| 14.3.1776 | Grietje | x |
| 20.9.1778 | Lukas | x |
| 1.10.1780 | Klaas | x |
| 31.7.1785 | Helena Elemina | 0-5-4 |
| Huwelijk II – | ||
| 24.10.1790 | Hindrik | x |
| 4.11.1792 | Anje | 0-6-0 |
| 30.8.1795 | Meindert | 0-5-4 |
| 26.3.1797 | Grietje | 0-5-4 |
| 2.3.1800 | Fybe | “0-5-4” |
| 26.6.1803 | Willemina | x |
In zeven gevallen staan er kruisjes achter de namen, of omdat de desbetreffende kinderen samen met andere kinderen werden gedoopt, waarbij de diaken de ingelegde geldbedragen bij elkaar optelde en als som noteerde, of omdat de diaken de opbrengst van de buil bij de preek en de inleg in het doopbekken bij elkaar optelde als zondaagse dagopbrengst. In zulke gevallen zeggen de geldbedragen meestal niets. Wel bruikbaar zijn de genoteerde bedragen bij doopbedieningen, waarbij de predikant louter en alleen een kind van Brunius doopte. Dat gebeurde in vier gevallen. In drie daarvan is de somma steeds een enkele sestehalf (of afgezette schelling; 0-5-4 = 5,5 stuiver) en één keer legde Brunius een niet- afgewaardeerde schelling (6 stuivers) in de schaal. Bij de doop van Brunius’ jongste zoon noteerde de diaken bovendien een opbrengst van 16,5 stuivers als gezamenlijke opbrengst van drie doopvaders, die dan vast elk een sestehalf zullen hebben gegeven.
Naast zijlwaarder was Brunius tapper. Hij had ook een paar koeien, schapen en zwijnen. Echt indrukwekkend is zijn boedelinventaris uit 1789 niet bepaald. De sestehalf die hij vrijwel steeds inlegt als doopgift aan de armen van het kerspel, laat zien dat hij zichzelf als kleine middenstander zag.
Intrigerend is ook dat hij het bedrag nauwelijks varieert. Van de eenmaal vastgestelde stand wordt niet of nauwelijks afgeweken.
Kerstmis was in achttiende eeuw nog niet zo bijzonder qua kerkbezoek
Geplaatst op: 24 december 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenOp Kerstavond en Eerste Kerstdag zit de kerk tegenwoordig altijd vol, waar die op gewone zondagen door het jaar heen altijd maar matig bezocht wordt. Dat zal zijn effect hebben op de collecteopbrengsten, zou je zeggen. Ik weet niet hoe het nu zit – misschien is er een diaken onder mijn lezers die hierover uitsluitsel kan geven – maar in de achttiende eeuw waren de collecteopbrengsten bij Kerstvieringen nooit zo extreem hoog, vergeleken bij die op gewone zondagen. Dat bewijzen opbrengsten van de builcollecten op dagen dat er in 1770 gepreekt werd in de kerk van Noordbroek. Deze heb ik in onderstaande grafiekje verwerkt:

Op een gewone zondag kwam er gemiddeld 3,5 à 4 gulden binnen. Dat hing ook een beetje ervan af of er twee diensten waren of één. Wat betreft die gewone zondagen zie je een soort golfbeweging door het jaar heen: een stijgende lijn van januari tot in maart, daarna een langzame afname tot in oktober, waarna de golf weer oploopt. Dit zal samenhangen met het bezoek: in de eerste fase toenemend met het steeds betere weer, daarna landurig afnemend naarmate het werk op het land meer roept, en weer oplopend als dat werk in december stilligt.
Qua uitbijters zijn de laagste opbrengsten van proef- en passiepreken op doordeweekse avonden. Interessanter zijn dan de dagopbrengsten die er bovenuit steken. Dat betreft ten eerste die van Nieuwjaarsdag met 7 gulden: de dubbele opbrengst van een gewone zondag. De tweede piek hangt samen met de voorjaarsbiddag. Die vond weliswaar vier dagen eerder plaats dan de zondag met die piek, maar op de biddag werd, anders dan gewoonlijk, niet gepreekt, terwijl er dan anders ook altijd bijzonder hoge opbrengsten werden geboekt. Die Dank-Vast en Biddag was hèt charitatieve moment van het voorjaar. Ik neem dan ook aan dat veel Noordbroekster kerkgangers hun gift nog even vasthielden tot de eerstvolgende gelegenheid. Met Pasen (medio april) werden geen bijzonder hoge inkomsten genoteerd en dat gebeurde evenmin op Hemelvaartsdag. Wel is Pinksterzondag met ruim 6 gulden een uitbijter. Dan is er eind juli een hogere piek, die onverklaarbaar is – mogelijk heeft iemand wat extra geld in de buil gestort. Het piekje van begin september komt van de dankdag wegens Groningens Ontzet, en de hoogste opbrengst van laatste maand is die van 16 december en juist niet van een Kerstdag. De ƒ 6,65 van de eerste dier dagen is niet extreem hoog vergeleken met de omringende dagopbrengsten en doet onder voor die van Nieuwjaarsdag en flink onder voor die van de voorjaarsbiddag. Qua collecte-opbrengsten en dus kerkbezoek was Kerstmis dus nog niet zo bijzonder.
Gedeputeerden verwijderen ooievaarsnest
Geplaatst op: 14 december 2017 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieNiet alleen de school in Hoogkerk en de kerk van Niehove droegen ooit een ooievaarsnest op het dak, dat deed ook het Groninger provinciehuis in de zeventiende eeuw. Alleen waren de ooievaars in dit geval niet zo populair:
DE OOIEVAAR OP HET PROVINCIEHUIS.
“Is de commies Taco Bauckens gelastet om het Provinciehuis te laten witten, ende het eijbersnust bovenop de schoorsteen of te smijten, ende het ijser op de schoorsteen voor de eijbers te doen setten.”
(Resolutie Gedeputeerde Staten van Groningen 15 april 1630.)
Bron: Bladvulling in de Groninger Volksalmanak van 1932, pag. 96.
Commentaar: Blijkbaar ondervonden de provinciebestuurders overlast van de ooievaars, in dit broedseizoen. Het zal er niet zo netjes hebben uitgezien in hun ogen en mogelijk maakten de vogels ook teveel lawaai. Daarom werd het nest van de schoorsteen gegooid, terwijl een constellatie van ijzer moest voorkomen dat de ooievaars er nog weer gingen nestelen. Vermoedelijk bestond die constellatie uit pinnen, maar dat laat zich uit de tekst niet aflezen.
“De hondekoning, zo heette ik”
Geplaatst op: 13 december 2017 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 2 reactiesUit de memoires van de Jordanese koopman Paultje Rollman:
“Over die hondehandel, ja. Dat was direct na de oorlog. Ik kende een beetje Engels, was tolk bij de Canadezen. We lagen in Havelte. Komt daar een boer met z’n hondje. Verkocht ‘ie. Die Canadezen waren daar gek op. Hij kreeg er een pakje sigaretten voor, en één sigaret was een piek in die tijd. Ik dacht: dat gaat fijn. Toen heb ik ook een nest jonge honden gehaald. Grif verkocht. Een hele handel. Ik kocht ze op de veemarkt in Leeuwarden, en dan terug naar Amsterdam.
„Je had toen geen honden meer in Amsterdam. Die waren allemaal opgevreten. ledereen wilde een hond, van de „hondekoning”, zo heette ik.”
—
Bron: Parool 20 november 1970.
Steeds meer vreemde bijen in Beerta
Geplaatst op: 3 december 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Aantallen ‘vreemde’ bijenkorven te Beerta, 1739-1763. Bron: diaconierekening, archief hervormde gemeente Beerta inv.nr. 17.
Per vreemde korf bijen die hij op zijn grond toeliet, moest de eigenaar of beklemde meier van die grond in Beerta 1 stuiver aan de armen betalen. Die stuivers vormen opgeteld per jaar bovenstaande grafiek.
In het begin staan er nauwelijks ontvangsten wegens imegeld in de diaconierekening van Beerta, naderhand begint die inkomstenbron voor de armen steeds meer te vloeien. De grafiek kent nogal wat ups en downs, omdat vooral natte jaren zorgen voor een lage honing-opbrengst naast zieke bijen, waardoor een volgend jaar imkers minderen of er helemaal de brui aan geven. Over de hele periode is er een opgaande lijn of trend. In 1759 en 1761 vinden ruim 700 bijenvolken van buiten het kerspel een plekje in Beerta. Het gemiddelde over de hele periode zal bijna 300 korven zijn geweest, vergelijkbaar met het aantal wat later in Noordbroek.
Een strengere invordering zou een oorzaak van de toename kunnen zijn, ware het niet dat rond 1740 ook de bijenteelt in Drenthe een dieptepunt beleefde, aldus Bieleman. Veel van de ‘vreemde’ bijenvolken kwamen daar vandaan en uit Westerwolde. De opgaande lijn zal dan voornamelijk liggen aan de toenemende teelt van koolzaad en raapzaad in de omgeving van Beerta.
Bloeiend zaad bracht bijenvertier in Beerta
Geplaatst op: 2 december 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De maanden dat betalingen van imegelden plaatsvonden, Bron: 170 ontvangstposten in de diaconierekening van Beerta, 1738-1764; RHC Groninger Archieven 206-17.
Vanmiddag 170 ontvangsten wegens imegeld in een diaconierekening van Beerta uit het midden van de achttiende eeuw op een rijtje gezet.
De meeste van die ontvangsten werden in de maanden mei, juni en juli ingeboekt. Dan bloeiden koolzaad en raapzaad en daar kwamen imkers uit andere contreien op af. Per korf bijen moest de eigenaar van de grond waar deze ‘vreemde’ bijenvolken geplaatst werden een stuiver betalen aan de diaconie, het lokale kerkelijke armenfonds. Tenminste, als het goed was, want anders deed zo iemand de armen tekort.
De maanden juni en juli zorgden in Beerta voor de helft van de imegeld-afdrachten, daarna zakten die fors terug, met weer even een piekje in november, net als mei een traditionele betaalmaand (van primair lonen en pachten). Wat er van december tot en met april binnenkwam, was klein bier. In april begon het bijenseizoen weer, maar blijkbaar werden de imegelden niet bij vooruitbetaling voldaan.
Vermoedelijk ging het buiten de periode van koolzaadbloei voornamelijk om uitgestelde betalingen. Want vreemde bijenvolken zullen er dan heel weinig in Beerta hebben gestaan. Alleen bij klaver, boekweit en heide, bloeiend in de zomermaanden tot misschien medio september, was daar nog kans op, maar die drachtplanten groeiden niet massaal of lang niet zo massaal in het kerspel Beerta als kool- en raapzaad.
Er ook nog even een taartgrafiek van gemaakt:

Een klootschieterij in Beerta
Geplaatst op: 30 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 10 reacties
Diaconieboek Beerta, ontvangst op 30 januari 1753:
“Van Febe Peters vereert vant gewonnen gelt van ’t kloot scieten, 1-10-0”
Klootschieten gaat de laatste anderhalve eeuw door voor een Twentse bezigheid of sport, al is deze in Drenthe geintroduceerd, maar zo rond 1500 werd deze wel degelijk ook in Holland, Friesland en andere Nederlandse gewesten beoefend, zodat het eigenlijk een veel universeler amusement betrof, dat slechts in Twente overleefde. Klootschieten is als het ware het broertje van het kaatsen, lang geleden nog algemeen in de Nederlanden, maar nu voornamelijk in Friesland gangbaar.
Dat wetende, kijk je toch verrast op als je een klootschieterij tegenkomt in het diaconieboek van Beerta. In januari 1753 zijn daar een paar partijen bezig geweest om hun loodverzwaarde houten ballen zo ver mogelijk van zich af te werpen op de stijf bevroren grond. Het was een wedstrijd om geld, een daalder van de inleg ging naar de Beertster armen.
Eerder kwam ik eens zo’n melding tegen in het diaconieboek van Termunten, rond 1800. Helaas ben ik de notitie ervan even kwijt, maar in Termunterzijl schoot men in een halve eeuw later nog steeds kloot, getuige een krantenbericht, dat de bezigheid met de alternatieve naam balschieten aanduidt:
Den 21sten had teTermunterzijl een wedstrijd plaats in het balschietren, om eene zilveren tabaksdoos tot prijs en een gouden vingerring tot premie. Vijftien uitmunters in die kunst betwistten elkander de overwinning; terwijl eindelijk de prijs werd behaald door T.J. Blink van Lesterhuis en de premie door H.W. Dallinga van Termunten.
In Duitsland schijnt Oost-Friesland de evenknie te zijn van Twente, qua klootschieterij. Daar heet(te) het klootschieten net als in Termunten balschieten. Vond een aardige beschrijving in een Veendammer Courant van 1886, waarin aan het eind de vraag gesteld werd:
Wat heeft intusschen de provincie Groningen van dezen aard?
Blijkbaar was het spel tegen die tijd hier al niet meer bekend. Dat de laatste meldingen uit de omgeving van de Eems en de Dollard komen, hangt vast samen met de persistentie in Oost-Friesland.
Beknopte bio van George de Lalaing , graaf van Rennenberg, de stadhouder die overliep
Geplaatst op: 23 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen
“Op desen [Casper de Robles] is gevolgt Georg de Lalain, Graaf van Rennenberg, die, de zyde der Spanjaarden in ’t begin verlaten hebbende, uit last der Staten Groningen heeft belegert, dat tóch binnen korten door zyn verraat in een oploop by nacht weer in handen der Spanjaards is gevallen, wordende de braafste uit de Regering in gevankenis geworpen, zelfs de deugdzame Borgemeester Hillebrands, myner vrouwen overgrootvader, om hals gebragt, de Omlanden afgelopen, de sterktens en vastigheden overal ingenomen. Ten lesten is hy door wroeging van een quaad geweten geprikkelt, met groot leetwesen over zyne gebroke trouw, na alvorens zyne goederen doorgebragt te hebben, aan de teringe gestorven.”
Bron: Jacobus Gleintz JUD, Groningens Stadhouder- en lieutenantschap, der Hooftmannen kamer, van eerster opkomste der stad tot op dezen tegenwoordigen tyd : nevens eene lijste aller stadhouderen zo van zijde der Spaansche als Vereenigde Staten (1727) 13.
‘Maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap’
Geplaatst op: 20 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“De laage landen onder GRONINGEN staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen, doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten, en de oostewinden die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder Landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, het geen men meent het uiterste te zyn.”
Met andere woorden: nog tegen 1780 liet men op de lage gronden rond de stad Groningen vaak van november tot in april Gods water op Gods akkers liggen. De overheersende westenwinden beletten het spuien, collectieve polders met grote molens bestonden er nog nauwelijks, doorgaans bemaalden individuele boeren hun eigen grond met watermolens van geringe kwaliteit en capaciteit.
Ter vergelijking: Hoogkerk 1812.
Bron: Iman Jacob van den Bosch, Verhandeling van de oorzaken, voorbehoeding en geneezing van ziekten uit de natuuryke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende, dl. XVIII (1778) van de ‘Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen te Haarlem’, het hoofdstuk over lage grond (294-320), bepaaldelijk 316.
De Kerstvloed volgens Engelse kranten
Geplaatst op: 16 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Media 1 reactie

Bericht uit de Daily Courant van 28 december 1717. Jaren geleden liep er een trial op een databank van zulke kranten bij de Groninger Universiteitsbibliotheek, destijds moet ik deze screenprintjes hebben gemaakt, die ik onlangs weer terugvond.
Terwijl de Haerlemsche Courant, de belangrijkste Nederlandse krant, vrijwel met geen woord schreef over de ramp in het noorden, berichtten Engelse kranten er vrij vlot en uitgebreid over. Zoals wel vaker, waren die berichten echter vrijwel gelijkluidend.
Het bericht uit Groningen in de Engelse kranten blijkt een vertaling van een bericht in het Relaas van (…) de hoogen Watervloed, een los Amsterdams nieuwsvel dat mogelijk meermalen is herdrukt en waarvan zich een exemplaar uit 1718 in het Rijksmuseum bevindt:

‘Bescherming tegen atoomoorlog mogelijk – geen reden voor paniek of hysterie’
Geplaatst op: 13 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Meppeler Courant 21 februari 1955.
Winschoter predikant gaf archief “ten proij aan rotten & muizen”
Geplaatst op: 7 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Muizenvraat. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15848.
Eind april 1802 dienden de kerkvoogden van Winschoten een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Omdat ze daarover “zeer ongunstige berigten” hadden gekregen, waren ze meteen na hun aantreden een onderzoek begonnen “na den staat en gesteldheid der prothocollen met den aankleve van dien”. Kennelijk ging het hierbij om het archief van de verzegelingen, zeg maar de notariële akten, waarvoor de oudste predikant en de kerkvoogden als zegelaars gezamenlijk verantwoordelijk waren. In de motivatie voor hun bemoeienis met dit archief legden de kerkvoogden immers een verband met het materiële wel en wee van de Winschoters,
“als te zeer overtuigd van het groot gewigt dezer waarborgen voor de eigendommen van der ingezetenen bezittingen, dan dat zij zig hadden durven veroorloven ten dien opzigte onverschillig te zijn…”
Bij hun onderzoek dan, kwamen ze er “tot hunne grootste verbaasdheid” achter dat niet alleen het lopende archief, maar ook de oudere delen onvindbaar waren bij de oudste predikant, ds. Smit,
“aan wien de trouwe bewaaring van dezelve was gedemandeert”.
Leuk was anders, vonden de kerkvoogden, maar ze voelden zich verplicht om hun dominee aan te raden het vermiste archief weer tevoorschijn te brengen in zijn weem, zodat dit door hen kon worden onderzocht.
Een paar weken later, vlak voor kerst 1801, begaven de kerkvoogden zich andermaal naar de pastorie van ds. Smit. Dit keer kregen ze de vermiste protocollen wel te zien. Ze hadden er, zo vertelden ze de drost,
“meest alle die archieven van het carspel in een allerdeerniswaardigen toestand bevonden, onder elkanderen op de grond geworpen in de grootste verwarring, veel van dezelve ten proij gegeven aan rotten & muisen, anderen defect, en weder anderen met losse bladen van onderscheidene jaaren aangevuld…”
Kortom, de archiefzorg geschiedde hier met “de grootste & onvergeeflijke slordigheid”. Kennelijk voelde ds. Smit zich onder druk gezet, want vlak na nieuwjaar diende hij een rekest in bij de drost, met het verzoek om zijn schoonzoon, een lokale ondernemer, in de eed te nemen als secretaris-kerkvoogd, zodat die dan voortaan de verzegelingen zou schrijven en kopiëren. Gelukkig, aldus de kerkvoogden, had de drost hen om advies gevraagd, een advies dat ze ook hadden gegeven en negatief voor de schoonzoon uitviel, maar sindsdien was de zaak in het slop geraakt, omdat ds. Smit niets meer van zich liet horen.
Nu, eind april was de maat vol. Al drie maanden hadden de kerkvoogden vergeefs zitten wachten op hun oudste predikant en nu gedoogde de zaak geen uitstel meer. Daarom dienden ze een klacht tegen hem in. Ze hadden zwart op wit een verklaring van hem, dat hij “de carspelprothocollen van Winschoot, beginnende met den jaare 1609 tot 1782, bij goede overlevering heeft ontvangen”. Dit archief was eind vorig jaar echter als janboel bij hem aangetroffen en daarom golden de volgende overwegingen:
“Gemerkt nu de zekerheid der eigendommen en derzelver beveili[gi]ng is een der gewigtigste objecten van justitie & policy; overzulks de instrumenten & chartres door welken dezelve bestaat in geene handen vermogen verplaatst te worden, tenzij van hem die met opzigt der getrouwe eeds- en ambtsbetragting aan de maatschappij niet alleen niet de geringste aanleidende vermoedens van verwaarlozing, slordigheid & pligtverzuim hebben gegeven, maar daarenboven ten dien opzigte bekend staan voor personen bij welker administratie en surveilance men gerust kan zijn. Gemerkt het tegendeel van dit alles ten dezen opzicht gebleeken is in dezen alhier plaats te hebben in de bezorging en de bewaaring dezer prothocollen van dat carspel. En overzulks eindelijk de zaak voor hetzelve carspel is van dat gewigt, dat daarin ten spoedigsten behoord te worden voorzien, zoo nemen de rem[onstran]ten de vrijheid zig bij dezen te addresseeren en met gedienstig verzoek teneinde de rem[onstran]ten mogen worden geauthoriseert der voorgemelt carspelprothocollen van denzelven oudsten praedicant C.H. Smit in hunne bewaaring te nemen…”
Met andere woorden: de kerkvoogden wilden met steun van de drost, dus eventueel met behulp van zijn sterke arm, het notarieel archief bij de predikant weghalen. Ook wilden ze zelf een “een bekwaam persoon” als hun scriba kunnen aanstellen, die dan door de drost beëdigd moest worden.
Op 7 mei 1802 besloot de Oldambtster drost beide partijen te horen. Een week later vond die sessie plaats. De drost probeerde partijen tot “concordia” te bewegen, maar deze mediatie bleek ‘vrugteloos”. Ds. Smit ontkende dat het archief in zijn tijd in de aangetroffen staat was beland. Bovendien vond hij dat de toestand lang niet zo slecht was als de kerkvoogden beweerden. De laatsten echter, hielden voet bij stuk. De drost moest zelf maar eens in de pastorie van ds. Smit gaan kijken, zeiden ze, ze waren er zeker van “dat de zaak aldus zal bevonden worden”. Ds. Smit was naar hun mening verplicht om opening van zaken te geven. Als hij dat niet wilde, moest de drost “tot securiteit des carspels” zulke maatregelen nemen “als het belang der zaak vordert”.
Inderdaad zegde de drost toe, een kijkje te nemen bij het archief in de Winschoter weem. Maar die “oculaire inspectie” liet nog wel bijna een jaar op zich wachten. Pas op 28 april 1803 kwam de drost eraan toe. Bij die bezichtiging trof hij inderdaad het beschreven zootje aan. De kerkvoogden hadden dus gelijk. Alleen hield ds. Smit staande,
“dat het defectueuze aan de oude prothocollen reeds bestaan had ten tijde der overneming van zijne voorzaat en hij door zijn afgegeven hand van goede overlevering alleen bedoelt hadde het getal der prothocollen”.
Anders gezegd, de overdracht was destijds kwantitatief heus wel in orde geweest, maar kwalitatief bepaald niet. Tegelijkertijd kwam er een doorbraak uit de patstelling. Ds. Smit verklaarde namelijk tevens,
“wegens lichaams swakheden de kerspel prothocollen met hetgeene daaraan verbonden is, niet langer te kunnen administreeren, verzoekende daar van salvo honore et emolumentis eene decharge”,
met welk verzoek de kerkvoogden konden instemmen, al wilden ze dit wel gerechtelijk vastgelegd zien. Dat gebeurde vervolgens op 3 mei 1803 in een laatste beschikking van de drost.
“In aanmerking nemende het groot belang der ingezetenen dat de carspel prothocollen nauwkeurig bewaard en geadministreerd worden”,
gaf hij de kerkvoogden toestemming deze in ruil voor een bewijs van afgifte van ds. Smit over te nemen. Als de kerkvoogden het schrijfwerk zelf niet meer wilden doen, dan konden ze “een bekwaam en vertrouwt persoon” als scriba voordragen aan de drost. In dat geval bleven ze echter zelf verantwoordelijk. Ds. Smit kreeg het bevel het archief over te dragen. Voortaan had hij er geen bemoeienis meer mee. Alleen bleef hij de bijverdienste houden, die hij als oudste predikant uit hoofde van de archiefzorg genoot.
—
RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6142 (rekesten).
Winschoter kalligrafie
Geplaatst op: 6 november 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 6 reacties
Twee stukjes schrijfkunst uit het kerspelarchief van Winschoten. Het linker stamt uit 1747, het rechter uit 1817. Is links nog redelijk eenvoudig en sober, op het rechter specimen heeft de schrijver, vermoedelijk een schoolmeester, zich finaal uitgeleefd. Hij moet daar dagenlang aan hebben gewerkt, zijn pen voortdurend versnijdend, met het puntje van zijn tong uit zijn mond en zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Vanuit de bedstede riep zijn gade hem tot haar, maar steeds vergeefs. Hij moest deze eervolle opdracht van de kluftmeesters afmaken, ook al zou het hem zijn huwelijk nog kosten.
Korte historie van Neerlands Reformatie
Geplaatst op: 31 oktober 2017 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
Collectie British Museum.
De vier hervormers Wyclif, Luther, Calvijn en Beza hebben het licht op de kandelaar gezet en een kardinaal, bisschop, paus en monnik proberen vanaf deze kant van de tafel het licht uit te blazen. (Het valt nog mee dat er geen duivel met ze meedoet.)
Waaruit bestond dat licht? Zèlf de bijbel lezen in de volkstaal. Het woord als uitgangspunt nemen in plaats van het beeld. Sinten en papen terugzetten tot gewoon maar mensen. Alleen het geloof laten tellen. De zonde niet langer kwijt kunnen door te biechten, wat weesgegroetjes te bidden of een aflaat aan te schaffen. En bij de avondmaalsviering Christus niet meer fysiek in je opnemen met het brood (alsof je een kannibaal bent) maar louter geestelijk. Vooral ook beseffen dat je lot al vaststond voordat je geboren werd, omdat God eeuwig en alwetend is.
Zulke geloofsartikelen zorgden voor een ijverig en zuinig slag volk dat andere mensen graag de maat nam. Voorouders in een gereformeerd gidsland waar je niet speciaal trots op wil zijn.
Toch blijft de ziel van Nederland calvinistisch. Zelfs onze katholieken zijn het.
Die Luther heeft dus wel wat losgemaakt. Alleen maakte hij het karwei niet af, dat liet hij over aan Calvijn en Beza. En verder was het een volgevreten monnik die gewoon een pesthekel had aan joden.

Recente reacties