Schoolmeester Leegkerk keek onder hemd van domineeszoon

De kosterij van Leegkerk, gezien vanuit het zuidoosten.

In de zomer van 1641 benoemden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande een nieuwe koster-schoolmeester in Leegkerk. Het betrof Berend Jans uit Westeremden en het provinciebestuur koos hem niet zelf uit, want Berend kreeg de betrekking “op voorstel van den pastoor & gemiente”. De ingezetenen van Leegkerk, met hun predikant ds. Abel van Bolhuis voorop, moeten dus blij zijn geweest met Berends komst.

Ruim een jaar later bleken de verhoudingen danig verstoord. In de classis Westerkwartier, die via de predikanten en kerkeraden toezag op de schoolmeesters en hun onderwijs, moest Berend Jans op het matje komen. Tegen de schoolmeester van Leegkerk waren, denkelijk door zijn kruiwagen, de predikant aldaar, vijf “swaere clachten” ingediend. Ziehier het lijstje met meesters zonden:

  1. dat hij ten huise van Harmen Hebrants in t’ bier gelach end’ bij droncken lieden psalmen D[avi]ds gesongen hadde, end’ tot ofstant vermaent, geseit hadde ick hebbe de brui van de papen.
  2. dat hij sijn pastoor met vuile reden, met liegen t’ heeten, end’ uitdagen qualick beiegent hadde.
  3. dat eenige jonge maegden t’ schoele gaende in sijn bijwesen die venten de broecken hadden ofgestreecken end’ hij des pastoors vent Alle het hemd hadde opgelicht.
  4. dat hij op sondagh onder predicatie sonder noot in een ander mans lant hadde gaen hoijen, end’ sijn eegen op voermiddach hadde doen anmenden.
  5. Een ander enormiteit begaen om reden niet exprimeert.

Vermoedelijk hoorden de eerste twee klachten bij elkaar. In een herberg of bij een nabertering werd flink wat bier gedronken, mensen waren dronken geraakt en de schoolmeester, die op zondag tevens in de kerk optrad als voorzanger, was uitgebarsten in psalmgezang. Iemand, waarschijnlijk de predikant, vermaande hem om dat niet te doen: heilige gezangen bij een slemppartij, dat gaf immers geen pas. De schoolmeester reageerde verbolgen, noemde ds. Van Bolhuis met zoveel woorden een leugenaar en daagde hem uit, iets wat je voor die tijd letterlijk moet nemen: Kom jij maar eens mee naar buiten, dan vechten we het daar wel uit.

In de classis bevestigde meester dat hij bij de slemppartij was geweest en er psalmen was gaan zingen. Maar hij zou niet hebben gezegd dat hij genoeg had van “de papen” (bijv. dominee). Om het smaden, schelden en uitdagen van de predikant draaide hij eerst heen, zonder dat hij het ronduit durfde ontkennen. Op beide punten lagen er getuigeverklaringen die de aanklacht ondersteunden.

Dat er enige schoolmeisjes over de broeken van de jongens hadden gestreken, was niet in zijn bijzijn gebeurd, aldus de onderwijzer. Hij negeerde de aantijging dat hijzelf onder het hemd van het domineeszoontje had gekeken. Was het verhaal over de broekenstrijkerij aan hem verklikt of opgebiecht en probeerde hij de jongen te kleineren door quasi te inspecteren of er nog enig effect bespeurbaar was?

Dat Berend Jans zonder enige noodzaak (zoals naderend onweer) iemand op zondagochtend hielp bij het hooien, gaf hij grif toe, evenals het zondaagse vervoer van hooi naar de kosterij en de onnoemelijke en daarmee nogal raadselachtige “enormiteit”.

De classis, die de klachten, getuigeverklaringen en meesters bekentenissen “rijpelick” overwoog, was unaniem van oordeel dat mr. Berend Jansen wegens zijn “schandelijke, ergerlijcke end’ onlijdelicke comportamenten” eigenlijk ontslag op staande voet verdiende. Een dergelijk figuur hoorde niet langer de “so eerlicke kercken-dienst end’ schoeldienst t’ bedienen”. Het was dan ook alleen “om sijn swacke huisfrouwe end’ armlicke kinderen” dat Berend de komende koude winter nog met zijn schoolwerk door mocht gaan. Hij werd echter tot nader orde geschorst als voorlezer en voorzanger in de kerk. Ook werd hij geschorst als lidmaat; hij mocht dus voorlopig niet meer aan het heilig avondmaal deelnemen. De deputaten van de classis zouden bovendien bij de provinciale rentmeester Verrucius beslag laten leggen op “sijn toekomende wintertractement”, tenzij ds. Van Bolhuis van Leegkerk getuigenis kon geven van “merkelijke beteringe van zijn fouten en van een recht godtsalich levent”. Ging Berend “tegen de last van sijn beroepinge” nogmaals in de fout, dan ontsloeg men hem zonder pardon uit al zijn functies.

Berend Jans kreeg dus niet zijn congé, zoals Bottema meent, de classis liet hem slechts bungelen. En hielp dat? Ja, het zag ernaar uit van wel. Op 12 oktober, een maand na de schorsing van Berend als voorlezer, voorzanger en lidmaat, vertelde ds. Van Bolhuis in de classis dat zijn schoolmeester “sick niet verslimmerde in sijn comportement”. De predikant vroeg daarom of de meester zijn kerkelijke taken weer mocht oppakken. De classis besloot dat aan ds. Van Bolhuis en zijn kerkeraad over te laten – dominee moest daarin handelen “tot godes ehre ende stichtinge siner gemeente”.

Inderdaad kreeg Berend zijn functies weldra terug. In november rapporteerde ds. Van Bolhuis, dat hij de schoolmeester had voorgehouden zich voortaan netjes te gedragen, zodat er geen klachten meer over hem zouden zijn. Waarop de schoolmeester beloofd had “door godes genaede” zijn leven te beteren. Omdat er verder ook niets meer op hem aan te merken viel, zou de meester tegen Kerstmis ook wel weer aan het avondmaal mogen deelnemen.

Of er later nooit geen klachten meer waren, weet ik niet, zover ben ik nog niet gekomen in het classisprothocol. Berend Jans stierf in elk geval in 1666 als koster en schoolmeester van Leegkerk.

Bronnen:

  • Jaap Bottema, Naar school in de Ommelanden (Bedum 1999) 42, 104, 173.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lamnde) inv.nr. 126 (Akten- of resolutieboek GS) 12 juli 1641.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv.nr. 3 (handelingen) 5 september 1642, 12 oktober 1642, 21 november 1642.

De kosterij van Leegkerk, gezien vanaf het westen.


Manslacht, een bijgeloof (3)

Kennelijk leidde het schorsen van lidmaten wegens hun geloof in manslacht tot problemen, want in 1656 stelde de classis Westerkwartier dit aan de orde in de Groninger synode. Daarbij meldde ze dat veel lidmaten ermee behept waren en vroeg ze hoe predikanten ermee om moesten gaan:

“Overmits bevonden werden veele ledemaeten in die Ghemeijnte J.C. staende int gevoelen, dat menschen en beesten connen worden manslachtich, waertegens sij van dootslaegers selve of door messen derselvne raet soecken. Wordt gevraegt wat van dese saecke sij te houden ende hoe di persoonen daer aen schuldich dienen gecorrigeert te worden.”

Grappig is dat er naast het zelfstandige naamwoord ‘manslacht’ een daarvan afgeleid bijvoeglijk naamwoord ‘manslachtig’ bleek te bestaan voor de patiënten of degenen die de negatieve gevolgen van manslacht schenen te ondervinden. Deze gebruikten niet alleen de messen van doodslagers ter genezing, maar raadpleegden deze personen ook zelf. Hoewel niet populair, en zeker niet bij de kerk, zouden die nog wel eens een lucratief handeltje kunnen hebben gehad aan corpi delicti, al dan niet pseudo-.

Gebruikte de classis de term ‘manslachtig’, de synode bezigde zelfs het zelfstandig naamwoord ‘manslachtigheid’ voor de aandoening:

“handeldende vande manslachtich[eid] ende de censure oover de ledematen, die siecthens tot remedie gebruijcken de meszen van doodtslaagers &c. R[esolveert] Synodus sulx te zijn een duivelsch bedroch ende grouwelijcke superstitie, daartegens de onvaste met goede redenen uijt Godts woordt moeten gewaarschouwt zijn.”

De synode sprak dus weliswaar van een duivels bedrog en gruwelijk bijgeloof, maar opvallend genoeg zicht ze de remedie niet in censuur, of het afhouden van lidmaten van het avondmaal. Degenen wier geloof nog wankel was, moesten er vanuit de bijbel tegen gewaarschuwd worden, dat was alles en werkte in de ogen van de synode het best.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv.nr. 4 (handelingen) 10 maart 1656-art. 11
  • Toegang 692 (archief Synode van Stad en Lande) inv. nr 2 (handelingen) 1656 art. 73 (in margine: ‘Tegens manslachtigheid. Een duivels bedrogh).

Manslacht, een bijgeloof (2)

In februari 1650 vertelt dominee Jacobus Schuirman van Ezinge aan zijn vakbroeders dat “verscheidene” lidmaten van zijn gemeente

“… ingenomen waren met de gemeenste superstitieuse inbeeldinge van het manslacht ende bij alle gelegentheden messen als andere instrumenten, waermede een doedtslach ofte verwondinge gedaan was, gebruickten om het selve te verdrieven…”

Met andere woorden: een flink deel van zijn pappenheimers was behept met het geloof aan ‘manslacht’, een vorm van magisch denken die het flauwvallen van iemand toeschreef aan het passeren van een moordenaar. Die moordenaar kon dat in katzwijm vallen voorkomen door elke ochtend braaf te bidden, maar als iemand het toch overkwam, dan kon het slachtoffer worden genezen met een stukje brood, dat afgesneden was met een mes of degen waarmee ooit een moord was gepleegd. Ook het drinken van enig bier of water, omgeroerd met zo’n wapen, zou soelaas bieden.

In Ezinge was dit bijgeloof dermate “ingewortelt” dat ds. Schuirman niet goed wist hoe hij het uit kon roeien. Daarom wilde hij graag advies van zijn collega’s in de classis Westerkwartier. Uit tijdgebrek stelden die de behandeling van de kwestie uit, maar een maand later kwam de vergadering erop terug.

“is volgens gemiene stemme beslooten, dat sodaanige ledemaeten van chr. kercke, welcken bevonden worden met waerh[eid] te gebruicken de superstitiose maniere van curieren eenige gebreecken, als dootslaegers messen voor de manslachgen, de ceedultjes voor de koorse etc. haer van het gebruick des h. aventmaels sullen moeten onthouden”

Lidmaten die aan manslacht geloofden, moesten dus van de predikant de aanzegging krijgen van de avondmaalsvieringen weg te blijven. Maar lidmaten vormden slechts de inner circle van de kerk. Doopleden bereikte men niet met zo’n maatregel. Je zou zeggen dat die maatregel dan niet zo effectief was, maar toch kwam ik het geloof aan manslacht in achttiende-eeuwse bronnen nog niet tegen, zodat ik geneigd ben te denken dat het toen niet meer bestond.

Wordt vast vervolgd.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 180 (archief classis Westerkwartier) inv. nr. 4 (handelingen) d.d. 11 en 12 februari + 11 maart 1650.


Schoolmeester Noordhorn maakt muziek in herbergen en samenkomsten der jeugd (1629)

Cornelis Pietersz. Bega, Musicerende en dansende boeren, midden 17e eeuw, Rijksmuseum.

Handelingen classis Westerkwartier, 7 september 1629.

“Ende also eenige klachten sijn gewest over Petrum Eppens, schoelmester tot Northorn, als dat he sick solde cunde onderwinden in harbargen ende andere sosamenkomsten der jeucht up instrumenten te spoelen, het walke een schoelmesteren niet en betaemt; ock stridet tegens ordeninge der kercken ende den dienst der schoele marcklick verhindert. So is hem petro vors[zeide] belastet worden sulck doen achter te laaten, mede sick sines schoelmestes allene anneemen; het walke he dan te doen belofet heeft.”

Vertaling: Er zijn wat klachten geweest over Petrus Eppens, de schoolmeester van Noordhorn, dat hij in herbergen en samenkomsten der jeugd muziek maakt. Dat past een onderwijzer niet, druist in tegen de kerkorde, en gaat zeer ten koste van het schoolwerk. Daarom is Petrus aangezegd deze praktijk na te laten, en zich louter met het onderwijs bezig te houden. Wat hij ook beloofd heeft.

Commentaar: Als er in een herberg muziek gespeeld werd, was dat meestal op een viool en dan werd ervoor gedanst. Dat aspect zal de predikanten van de classis Westerkwartier het meest dwars gezeten hebben. Als voorzanger of organist maakte de schoolmeester immers ook muziek die bij zijn kerkelijke functie hoorde, sacrale muziek. Het ging de predikanten dus vooral om het profane, als zondig ervaren aspect van spelen in de herberg..


Dijkbouwfraude bij de Beersterzijl

De Sint Maartensvloed lag nog vers in de herinnering. Die was nog geen twintig jaar eerder en Thomas Wietens moet daarvan geweten hebben, zou je zeggen. Maar toch, als het aan hem had gelegen, was de Kerstvloed van twaalf jaar later nog een veel grotere ramp geworden dan die al was.

Wietens was gezworen heimeester, zeg maar een heibaas die door de provincie werd beëdigd om gesjoemel met heipalen en ander hout bij dijkwerk te voorkomen. Maar wegens zulke fraude zetten de heren hem nu juist gevangen in hun cachot, de Provinciale Geweldige.

In het algemeen had Wietens onder zijn toezicht bij de Beersterzijl post- en paalwerk de grond in laten slaan,

“niet conform besteck, maer op een seer verfoeijelijcke en godloose maniere”.

Het ging, meer specifiek, om geknoei met schoren (steunhout). Een aannemer had hem voorgesteld om schoren doormidden te zagen, zodat ze er 24 kregen in plaats van de 12 die klaarlagen en voldeden aan het bestek. Bij het zagen hielp Wietens zelf mee. Ook had hij de arbeiders bevolen het zo te doen.

Met zulke gehalveerde schoren schoten ze veel sneller op. Wietens had alleen maar een handhei bij het werk, waarmee die schoren slechts in de modder gedrukt werden. Een en ander scheelde niet alleen materiaal, maar ook arbeidsloon – in twee of drie dagen tijd schoten ze zo 24 roeden op, veel meer dan ze hadden kunnen doen als ze het bestek ordentelijk hadden gevolgd. Ook was een groot deel van het werk van het verkeerde ijzeren bevestigingsmateriaal voorzien: beunnagels in plaats van vijf à zesduimsrongen. Toen een provinciale commissie het werk op kwam nemen, hield Wietens, anders dan zijn eed en instructie hem geboden, dit allemaal stil. Het was zelfs zo dat hij de commissie “met veele assurantie ende als met eede” had durven verzekeren, dat alles conform bestek gemaakt was. Naderhand ontkende hij zelfs nog dat hij het op een akkoordje met de aannemers had gegooid, terwijl er een onderling contract tevoorschijn was gekomen waaruit dat zwart op wit en zonneklaar bleek. Op dat schriftelijk bewijsstuk gaat het vonnis verder niet in, maar zou daaarin niet hebben gestaan hoe de heibaas en de aannemers de winst aan materiaal en arbeidslon verdeelden? Elk van de partijen bijvoorbeeld de helft?

Wietens had, kortom, zijn eer en plicht vergeten. Hij had de provincie aanzienlijk proberen te benadelen, en dat niet alleen,

“maer oock het geheele landt bij opkoomende sware storm daerdoor in gevaer gestelt”.

Wietens bekende en de heren G.S. verzonnen voor hem een toepasselijke straf. Ze lieten hem naar de plaats brengen in de buurt van de Beersterzijl, waar hij dit paalwerk had laten slaan. Daar stond een paal opgesteld en daaraan werd Wietens vastgebonden. Hij kreeg een strop om zijn hals. Vervolgens werd hij streng gegeseld en tot slot van de ceremonie “ten eeuwigen dage” uit de provincie verbannen.

RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Statenarchief) inv. nr. 1350 (sententies), die van 20 februari 1705.


Intimidatie bij de Goldhoorn

Reclameplaatje van Tiktak. Collectie RHC Groninger Archieven 2137-230.

Op een zondagavond in juli 1893 reden de socialistische logementhouder en aannemer Jan Poppes Hommes en zijn vrouw in hun rijtuigje van Finsterwolde naar Midwolda. Daar haalden ze Ferdinand Domela Nieuwenhuis op, waarschijnlijk omdat de voorman van de Sociaal Democratische Bond later die week een toespraak zou houden in Finsterwolde, waar hij tot 1915 gewoonlijk in Hotel Hommes logeerde. Onderweg maakte het gezelschap een hachelijk avontuur mee:

“Op een der stilste en donkerste deelen, van den weg, schoten plotseling op de ruwste wijze drie mannen te paard naast het ruituig, een aan de eene, de beide anderen aan de andere zijde. Het was alsof roovers een ruituig aanvielen op den openbaren weg! Maar het bleken drie maréchaussées – N. B. ordebewaarders (?) – te zijn.

Zij deden het zoo woest, dat de eene met zijn paard op den grond slingerde en een heel eind ver werd gegooid door ’t paard, en over dat liggende paard struikelde de tweede, die ook viel, doch spoedig weer op was. Toen stelden die twee zich dwars voor het ruituig, welks paard gelukkig zeer mak was, anders waren er de grootste ongelukken gebeurd, waarom het die ellendelingen zeker te doen was.

Ze bleven stapvoets voor het rijtuig rijden, den geheelen weg beslaande, om zoo ’t voortrijden te beletten. Hommes bleef zeer kalm, en voorziende welke partij die snotneuzen wilden spelen, reed hij stapvoets voort.”

Er waren in Finsterwolde wel meer klachten over de marechaussees die er sinds 1892 de orde moesten handhaven. Voortdurend stonden er berichten in de socialistische kranten over intimidaties en mishandelingen. Klachten bij het bevoegd gezag haalden niets uit.

Bron van het bericht: De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant, jrg 1, (1893-1894) nr. 16, 22 juli 1893.


Dynamiet, merk ‘Vaderlandsliefde’

De Arbeider, 24 januari 1903.

Bron


Portretten van wijlen Domela gewild in Finsterwolde

“Bij mijn rondreis door Finsterwold met de portretten van F. D. N. (vervaardiger Kok van Hilversum) is het mij mogen gelukken 33 foto’s plus één album te plaatsen”,

aldus ene H. Greven in De Arbeider van zaterdag 14 februari 1920. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, want van hem waren die initialen, was drie maanden eerder gestorven. De fotograaf Jan Jacobus Kok uit Hilversum maakte zes portretten van hem, vijf in één lange sessie toen Domela nog leefde, en één van Domela op zijn doodsbed. Die portretten zaten met elkaar in een album of map, waarvan Greven in Finsterwolde mogelijk één exemplaar verkocht, terwijl hij daarnaast nog 33 losse portretten wist te slijten. Al met al een teken dat het anarchisme na de Russische revolutie nog niet dood was in Finsterwolde; mensen die al een portret van Domela in huis hadden, zullen immers niet zo gauw een extra portret hebben besteld.

Greven, die andere inwoners van Finsterwolde nog enkele dagen de tijd gaf om ook zo’n fotoportret te bestellen, deelde mee dat een dorpsgenoot van hun er passende lijsten bij maakte. Wie dat was, kon men aan Greven vragen. Blijkbaar wilde die dorpsgenoot niet met zijn naam in de krant.

De Groningse anarchiste Cathrien Eimers herinnerde zich zestig jaar later nog hoe na de dood van Domela

“als schilderij van die hele grote gekleurde foto’s van hem uitkwamen. Dat kostte toen 35 gulden.”

Mocht het in Finsterwolde om dezelfde ingekleurde foto’s gaan, dan is dat debiet van Greven nog van extra betekenis, want arbeiders moesten er in dat geval flink voor in hun buidel tasten.


“Een zwarte soldaat op een eenzame post” – M.J. Burema, de NSB-burgemeester van Hoogkerk

Als in 1935 de gemeente Hoogkerk wil gaan bezuinigen op het salaris van de lokale veldwachter, verzet het gemeenteraadslid M.J. Burema zich daartegen. Dat doet hij onder andere door het sturen van een ingezonden brief naar het Nieuwsblad van het Noorden, waarin hij een kenschets geeft van Hoogkerk en bovendien gewag maakt van het in elkaar slaan, aldaar, van een paar NSB-ers:

“Onze gemeente is geen rustige plattelandsgemeente, doch een gemeente waar door de groote industrieën en het veelvuldig verkeer van den politieman meer dan normale dienst wordt gevraagd; een gemeente, waar men nog wel eens op een relletje is belust; waar bepaalde elementen, zooals hier eenige weken geleden b.v. gebeurde, zich de luxe meenen te mogen permitteeren om het simpele feit, dat eenige jonge kerels uit Groningen colporteerden met „Volk en Vaderland” deze maar te kunnen mishandelen. In zoo’n gemeente ben ik er huiverig voor den ambtenaar, belast met de handhaving van het gezag, een minderwaardig salaris toe te kennen.”

Bij het nagaan van zijn antecedenten in de krantendatabank Delpher, bleek deze Michiel Jan Burema een tamelijk vooraanstaand figuur. Lokaal was hij actief als secretaris en later als voorzitter van de gymnastiek- en atletiekvereniging Hercules. Ook was hij voorzitter van de ijsclub, secretaris van het zoutwaterzwembad en secretaris van het Oranjecomité. Deze ronduit sportieve figuur had plaatselijk dus een vrij groot netwerk.

En dat terwijl hij helemaal nog meer pas in Hoogkerk woonde. Hij was in 1900 geboren in Drieborg (gemeente Beerta) als zoon van een boer en kocht na het doorlopen van de vierjarige HBS in Winschoten en de Rijkslandbouwwinterschool te Groningen in 1923 de grote boerderij Koningspoort, in de hoek tussen het Koningsdiep en het Hoendiep, waar nu de vloeivelden liggen van de Hoogkerker suikerfabriek. Deze boerderij ging door voor een “kleibouwplaats” – het meeste land dat erbij hoorde zal dus een stuk noordelijker hebben gelegen. Dat Burema akkerbouwer was, wordt bevestigd door kleine rubrieksadvertenties, waarin hij grote hoeveelheden stro van koolzaad, erwten, rogge, tarwe, gerst en haver aanbood, naast suikerbietenloof en capucijners. Toch deed hij ook in paarden en in mindere mate in vee, vermoedelijk deels als fokker.

Veelzeggend voor Burema’s status en aspiraties in Hoogkerk is zijn telefoonnummer: 1. Vanaf 1931 zat hij er in de raad namens een Algemeene Vrijzinnige Kiesvereeniging. Na de ARP en de SDAP, partijen die elk met drie zetels in de raad vertegenwoordigd waren, was deze club met zijn twee zetels de derde partij in de Hoogkerker gemeenteraad. Hoewel dus een nieuwkomer in Hoogkerk, kreeg Burema bij de verkiezingen van dat jaar 90 voorkeurstemmen. Zijn naam valt wat dat betreft als enige in de krant, waarschijnlijk ging het om het hoogste aantal voorkeursstemmen van alle kandidaten en wijst het aantal op een zekere populariteit, vooral bij boeren en middenstanders, want die stonden met name op de lijst van Burema’s kiesclub.

In elk geval ging Burema in 1935 nog door voor een vrijzinnig democraat, en daarmee links-liberaal. Bij de verkiezingen van dat jaar betoogde hij echter dat hij het lidmaatschap van de Vrijzinnig Democratische Bond had opgezegd. Die partij had zich op lokaal niveau verzet tegen het ontslag van een gehuwde onderwijzeres en was bovendien niet tegen het houden van politieke vergaderingen in de school. Vandaar de afscheiding van een aparte vrijzinnige kiesvereniging in Hoogkerk.

Naast het plaatselijke verenigingsleven en de lokale politiek ontplooide Burema zich in regionale landbouworganisaties. Zo was hij bestuurder van een Hagelverzekeringsmaatschappij, de Groninger Boerenbond en later Landbouw & Maatschappij.

Dat Landbouw & Maatschappij is berucht geworden als club die in fascistisch vaarwater raakte en daarin tal van boeren meezoog. Een van die boeren was Burema. Na de Duitse inval werd hij lid van de NSB en raakte als bestuurder van de Landstand, de gelijkgeschakelde boerenorganisatie, doordrenkt met de bloed en bodemideologie van de nazi’s. Burema werd zo geschikt geacht door de bezetter, dat die hem in januari 1942 tot burgemeester van Hoogkerk benoemde.

In de toespraak bij zijn ambtsaanvaarding verklaarde Burema dat het handhaven van orde en rust zijn belangrijkste doel was. Hij wilde loyaal samenwerken met de Duitse overheid als “soldaat van Mussert” en in het midden van zijn gemeente staan. De Oostfrontstrijders noemde hij zijn “kameraden” en hij zou korte metten maken met “saboteurs”. Onder de aanwezigen bij deze plechtigheid waren J. Maarsingh van Stadskanaal als gemachtigde van Mussert, de beruchte politiecommissaris Blank uit de stad en diverse kringleiders van de NSB. Een daarvan noemde Burema “een zwarte soldaat op een eenzame post”: “Immers, de nieuwe geest is hier nog niet doorgedrongen”. Ondanks zijn (vroegere) populariteit had Burema in Hoogkerk kennelijk niet zoveel politieke medestanders meer. Tot slot van de plechtigheid defileerden eenheden van de SS en de WA voor de nieuwe functionaris.

Als je op de kranten afgaat, was burgemeester Burema vooral actief bij de regionale Luchtbescherming. In oktober 1943 werd hij tevens waarnemend burgemeester van Marum, een gemeente waar nogal wat mensen neergeknald waren bij de April-Meistaking. Meteen na de Bevrijding, op 30 april 1945, werd Burema geschorst en in december definitief ontslagen als burgemeester en dat met terugwerkende kracht, want met ingang van 16 april (de bevrijding) van dat jaar.

In 1946 kwam eerst de vrouw van Burema voor het Tribunaal. Zij werd onder meer beticht van het collecteren voor Winterhulp en het verraden van een ondergedoken student. Ze ontkende dat laatste en deed het voorkomen alsof ze altijd tegen de bezetter was geweest, reden voor de aanklager om haar een Januskop toe te dichten. Het Tribunaal achtte de aantijgingen bewezen en veroordeelde haar tot de internering die ze tot dan toe onderging, met daarbovenop maar liefst 12.500 gulden boete en tien jaar ontzegging van het kiesrecht. Een maand later liet ze zich scheiden van haar man.

Burema zelf moest zich twee jaar later voor het Bijzonder Gerechtshof verantwoorden. De officier beschuldigde hem van het opstellen van gijzelaarslijsten, het doorgeven aan de Duitsers van namen van potentiële dwangarbeiders en het verraden van J. Giezen. Deze Giezen, een communist, was voor de oorlog gemeenteraadslid voor de CPH geweest, en had bij de April-Meistaking van 1943 een boer uit Peizermade, die rustig melk bleef leveren, de huid volgescholden. Dankzij Burema kreeg Giezen een enkele reis naar het concentratiekamp Buchenwald, dat hij net als vele anderen niet overleefde. Vooral dit geval legde gewicht in de schaal. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde Burema in juli 1948 tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, naast een levenslange ontzegging van het kiesrecht.

Na zijn vrijlating leefde Burema als stil burger en rentenier. Hij zou opnieuw trouwen en woonde met zijn tweede vrouw in Huize Maarwold in Haren. Hij overleed in 1984 in een ziekenhuis te Groningen.


Het verbod op straatvoetbal in Hoogkerk

Voetballende studenten in de Groninger Hoekstraat (2007).

Van de heilige Johan Cruyff weten we allemaal dat hij in het Amsterdamse Betondorp opgroeide en daar op straat voetballen leerde. Dat was in de jaren 50. Het aantal auto’s viel nog mee, langzamere voertuigen kon Cruyff gemakkelijk ontwijken. Of de buren het wel zo leuk vonden, weet ik niet. Er zal heus wel eens een bal door een raam zijn gegaan of in beslag zijn genomen.

Moest aan Cruyff en Betondorp denken, toen me vandaag een APV-artikel van de voormalige gemeente Hoogkerk onder de ogen kwam. Het spelen (gokken) om geld op de openbare weg was hier al verboden. Het college van B&W wilde nu, in april 1935, in één adem door het voetballen op straat verbieden. Zijn motivatie:

“Het mag voldoende bekend worden geacht, dat het verkeer langs de weg hiervan herhaaldelijk hinder ondervindt. Zozeer geeft men zich dikwijls aan dit spel, dat voorbijgangers voorzichtig moeten zijn om niet met de bal in aanraking te komen of zich de weg door de spelers te zien versperd. Ook eigenaren van aangrenzende percelen moeten het meermalen aanzien, dat de bal in tuin of soms ook tegen ruiten enz. wordt getrapt of geworpen. Het lijkt zeer nodig, hieraan paal en perk te stellen en te bevorderen, dat het voetballen plaats vindt op afgesloten terreinen ofwel terreinen, welke daarvoor meer speciaal zijn aangewezen.”

De Raad stemde in met het voorgestelde straatvoetbalverbod, maar de provincie deed dat niet. Althans niet wat betreft de plaatsing van dit verbod bij het verbod op het spelen om geld, omdat zodoende de suggestie zou worden gewekt dat alleen het voetballen om geld verboden was. De provincie achtte het voetbalverbod meer op zijn plaats bij het vechtverbod in een ander artikel van de Hoogkerker APV. En aldus geschiedde. De gemeenteraad van Hoogkerk trok zijn oorspronkelijke besluit in en besloot de APV als volgt aan te vullen:

“in artikel 30 wordt achter het woord “vechten” gelezen “voetballen”

Naderhand bleek dat men het voegwoordje ‘of’ voor ‘voetballen’ vergeten was, maar dat werd in een extra briefwisseling met de provincie alsnog rechtgezet.

Zo’n verbod op straatvoetbal markeert eigenlijk het moment dat voetbal in zo’n gemeente een heel brede volkssport geworden is. Wanneer zou het in Amsterdam oftewel Betondorp verboden zijn? Vast ook allang voor de oorlog. Ik denk dat er destijds in Nederland tal van gemeenten waren die voetballen op straat verboden. Die verboden zouden eigenlijk eens in kaart gebracht moeten worden. Het groeiende aantal stippen op die kaart staat dan voor de opmars, destijds, van de volkssport voetbal.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1748 (archief voormaliger gemeente Hoogkerk) inv.nr. 1689 (mutaties APV).


In de keuken van de Menkemaborg

Aanrecht:


Dit hing bij de trap naar boven – een soort van grill of zo?


“Hai mout daomee maor eens bloud zain, anders vil we hom dei bliksem”

In zijn nummer van 1 januari 1873 nam het dierenbeschermingsblad Androcles een ingezonden brief over uit de Groninger Courant van twee maand eerder. Deze brief deed verslag van een reisje per barge (ijzeren trekschuit) van Uithuizen naar Groningen en de scheepsjagers kwamen er qua behandeling van hun paard niet al te best af:

“Vrijdag, 31 October, circa 3 uur vertrok de barge van Uithuizen, om langs Kantens, Middelstum, enz. naar Groningen te gaan. Daar zulks de eenige publieke gelegenheid was, zal men zich niet verwonderen , dat het reispersoneel niet schaarsch kon zijn, ’t welk werd overgelaten aan het al of niet kunnen en willen van één paard. Ik spreek hier van kunnen en willen, omdat het paard, waarmede het publiek vrijdag was gezegend, noch met de eene, noch met de andere eigenschap scheen begiftigd te zijn. Op elk, die het geraamte aanzag, maakte het den indruk, dat het reeds dood was, maar nog uit gewoonte voortliep, welk gevoelen bevestigd werd, toen het tusschen Uithuizen en Kantens zijne gewoonte van loopen vaarwel zeggende, omviel, zoodat het in eene sloot te recht kwam.

Uitgeput van vermoeienis en ellende scheen het nu de eeuwige rust te zijn ingegaan, daar het onbeweeglijk als een doode lag; doch toen men nog een flauw leveusteeken bespeurde, werd het gedoemd om op te staan en ons naar Groningen te trekken, en moest het dus weer, hoe dan ook, uit de sloot worden gehaald, hetwelk na een paar uren gelukte en waarbij men in de gelegenheid was om te zien, dat een paard niet zoo heel spoedig wordt doodgemarteld.

Dat door dit incident (’t is en blijft een wonder, dat het ’s morgens ook niet heeft plaats gehad, daar het uitgeteerde dier dien dag reeds de reis van Groningen naar Uithuizen had gemaakt) veel reizigers teleurgesteld en verdrietig werden , zal ik niet bespreken. Doch wel stip ik hier met verontwaardiging aan, de zoo onkiesche praatjes van de schippers bij het roer, zooals: “Hai mout daomee maor eens bloud zain, anders vil we om dei bl…..” en dergelijke aardigheden, of liever schandelijkheden meer. En laat staan nog die woorden; maar achter Middelstum werd de daad daaraan toegevoegd en de onmenschelijke methode van “bloud zain” toegepast. Want nadat wij eerst nog wat stil lagen , ging eindelijk iemand van de schuit, gewapend met een ….haak, op het beest af en liep er nu achter, het arme dier gedurig prikkende en stekende, zoodat er dan “bloud genog” was.

Tusschen Onderdendam en Bedum stonden een paar korenschippers ons hun paard af, hetgeen overal was geweigerd; ik houd het er voor, omdat het voor één paard niet doenlijk is een schuit te trekken, waarin ongeveer 40 personen zitten, zoodat wij nog (!) voor tien uur te Groningen aankwamen.”


Bevrijding


Misschien wel wat te optimistisch over de mate van ons verzet, dit poeem in de Groninger Oranjebode van 21 april 1945, maar het eerbetoon aan de Canadezen was er niet minder welgemeend om. Hier de wijs volgens de Highlanders.


Wat voor straffen er op het houden van je radio stonden en het luisteren naar de Engelse zender

Mijn Havelter grootvader, een ambtenaar, had in 1943 de radio in zijn bijenstal willen verstoppen. Daar stak mijn wat bang uitgevallen grootmoeder een stokje voor. Het toestel werd ingeleverd.
Heel anders ging het bij mijn Dwingeler grootvader, een electriciën met een handel in elektrische apparaten. Hij hield zelf een radio aan en luisterde naar de Engelse zenders. Bovendien verstopte hij het opgeëiste verkoopregister van de radio’s onder de winkelvloer, en deed dat ook met een stuk of vijftien radiotoestellen van dorpsgenoten. Zij kregen van hem in ruil een oud apparaat terug dat ze dan bij de Duitsers konden inleveren.

Hetgeen de vraag oproept wat voor sancties er stonden op het houden van je radio en het luisteren naar de Engelse zenders.

Eerst de regelgeving.

Op 13 mei 1943 verordonneerde de Duitse bezetter de verbeurdverklaring van alle radiotoestellen. Hiervoor bleef het politiestandrecht gelden. Op het houden van je radio stond een gevangensisstraf van maximaal vijf jaar en een arbitrair vast te stellen geldboete. Ook kreeg de Sicherheitspolizei een vrijbrief om corrigerend op te treden. Dat kon concentratiekamp Vught betekenen als je naar de Engelse zender luisterde.

In oktober boden de Duitsers nog nog een laatste mogelijkheid om de radio in te leveren. Daarna zouden ze bijzonder streng gaan optreden, zo kondigden ze alvast aan. Naast celstraf en arbitraire boete kwam er een nieuwe strafmaatregel: de verbeurdverklaring van de huisraad, die dan naar bombardementsslachoffers in Duitsland zou gaan.

Dat was dus wat je boven het hoofd hing bij bezit en gebruik van je eigen radio, nu de werkelijke straffen en dat dan met de blik vooral gericht op het Noorden.

In juli 43 kreeg een Leeuwarder, bij wie een radio was aangetroffen, 2 maand celstraf in Duitse gevangenissen, plus een boete van 120 gulden. Bovendien moest hij de kosten van het geding betalen (ƒ 38,-).

Een maand later behandelde het Landesgericht Groningen/Assen maar liefst 95 zaken wegens “Nichtablieferung von Rundfunkapparaten”. Het veroordeelde 65 verdachten tot gemiddeld twee à drie maanden gevangenisstraf. Twee moeten een jaar of zelfs veertien maanden zitten, omdat bewezen was dat ze met hun verstopte radio’s naar Engelse zenders hadden geluisterd.

Na de na-inlevering willen de Duitsers opnieuw voorbeelden stellen. Weldra raken twee Groningse families hun huisraad kwijt aan Bombengeschädigte.

In februari 1944 moeten maar liefst 42 inwonersvan Bellingwolde en 78 van Finsterwolde maar even op hun gemeentehuis komen verklaren waarom ze hun geregistreerde toestellen niet hebben ingeleverd. Van deze gemeenten zijn de aantallen bekend, in andere moeten ook tientallen personen zo’n oproep hebben gehad. Te Sappemeer vallen drie boetes van 1000 gulden en eentje van 5000. Van waarschijnlijk die laatste veroordeelde wordt ook een deel van de inboedel verbeurd verklaard. Zijn zoon gaat voor straf via kamp Amersfoort naar het Duitse Waddeneiland Wangeroog. Na de oorlog loopt het schip waarmee deze jongeman repatrieert bij Bierum op een mijn. Daarbij komt hij om, in het zicht van de haven.

Dat het houden van een radio en het luisteren naar de Engelse zenders je het leven kon kosten blijkt nog veel pregnanter in oktober 1944 op Oostvoorne, dan frontgebied. Een evangelist organiseert er in zijn lokaal bijeenkomsten waar naar Radio Oranje wordt geluisterd. Bij een huiszoeking vinden de Duitsers er meerdere radio’s. Ze hebben de evangelist zonder pardon tegen de muur gezet.

Mijn Havelter grootmoeder was niet voor niets bang. Mijn Dwingeler grootvader liep weloverwogen een groot risico.

Bron voor de sancties:
Gidi Verheijen, Het radiotoestel in de Tweede Wereldoorlog (Buchten 2009).


Paasbrood was armenbrood

De meester van Alkmaar, Het voeden van de hongerigen (detail). Collectie Rijksmuseum.

— Men schrijft ons uit Uskwerd den 30sten Maart:
“Wordt er op vele plaatsen in ons land veel gedaan tot leniging der armoede van de minvermogenden — ook hier kan men zich daarover met blijdschap verheugen , doordien de landbouwers en eenige burgers reeds sedert eenige jaren het zoogenoemde bedelen om Paaschrogge hebben afgeschaft, door het vrijwillig geven van rogge en geld, waardoor eene commissie, bestaande uit burg. en weth., in staat wordt gesteld om aan alle arbeiders, geen uitgezonderd , een groot Paaschbrood te kunnen geven…”

Dat Pasen een bijzonder charitatief moment op de jaarkalender vormde, merkte ik ook bij het doornemen van de resoluties van het Groninger stadsbestuur. Deze maken ergens rond 1760, 1770 melding van het uitdelen van wittebroodjes door de bakkers met Pasen.

Op het Noord-Groninger platteland bestond kennelijk met Pasen de traditie van het inzamelen van paasrogge door de armen bij de boeren. Dit werd opgevat als bedelarij en daaraan werd in Usquert – zo’n beetje de rijkste gemeente van heel Groningerland – een eind gemaakt doordat het gemeentebestuur zich transformeerde tot een liefdadigheidscommissie, die het inzamelen overnam, en die het ingezamelde, naar eigen zeggen, eerlijker verdeelde dan voorheen het geval kon zijn. Bij het Nieuwjaarslopen ging het op veel plaatsen precies zo, dit was voor verlichte geesten hèt recept om aan (verkapte) bedelarij bij de huizen een eind te maken.

Bron van het citaat: Groninger Courant 1 april 1853.