Reizigers beroofd van leeftocht

Natuurlijk mochten Meindert Harms en Erenst Hindriks controleren op de aangifte en betaling van een belasting, namelijk de bieraccijns. Dat jaar pachtten beide Noordbroeksters immers de inning van die impost in het Oldambt. Ook hun metgezel Rudolph Keun had wel degelijk een fiscale opsporingsbevoegdheid, want hij was chercher in Meeden, zodat hij toezag op de aangifte aldaar van het gemaal, een belasting die men moest betalen voor graan dat naar de molen ging. Maar de bevoegdheden van dit trio strekten zich niet uit tot andere belastingen, en dat was nou net, wat ze wel deden voorkomen. Op 24 oktober 1727 patrouilleerden ze in de heidevelden tussen Pekela en Meeden, een berucht smokkelgebied, hielden er een paar, waarschijnlijk Duitse voetreizigers aan en gingen daarbij hun boekjes ver te buiten. Zoals in het vonnis van Meindert staat, maakte elk van de drie zich eraan schuldig,

“onder praetext van op het frauderen der gemeene middelen inquisitie te doen, hem heeft onderstaan met sijne meede complicen twee vreemdelingen over het veen van de Pekell A na de Meeden passerende, te beroven van twee schinken, 2 stoeten en eenige nieuwe jaarskoeken, niet tegenstaande geen pagtenaer van de wage was, nogh van deselve gelast, en de hammen ònder het gewigte den impost van de wage subject…”

De quasi-belastingcontroleurs hielpen de reizigers dus van hun leeftocht af: hammen, brood en koeken. Aardig is dat we deze mondkost kunnen vergelijken met het voedsel dat een Westfaalse hannekemaaier anno 1767, maar dan in het voorjaar, bij zich had. Ook hij nam brood en koek mee, maar koos voor worst in plaats van ham. Opmerkelijk aan het geval in 1727 is trouwens, dat er eind oktober al nieuwjaarskoeken in omloop waren: in de verkrijgbaarheid lang voor de datum, zijn onze pepernoten blijkbaar niet uniek.

Voor hammen van boven een bepaald gewicht moest er waagaccijns betaald worden, maar daar hadden de drie speurneuzen uit Noordbroek en Meeden niets mee uit te staan, en dus ook geen opsporingsbevoegdheid voor. Bovendien haalden de hammen van beide vreemdelingen niet eens het vereiste gewicht waarvoor waagaccijns betaald moest worden.

Desalniettemin namen de de drie ´controleurs´ zowel de schinken als de stoet in beslag, om ze naderhand onder elkaar te verdelen. En dat terwijl ze donders goed wisten,

“dat de goederen over sluikerijen angehaalt niet tot particulieren gebruik mogten emplojeren maar in sequester (= verzekerde bewaring, HP) brengen”.

Waarschijnlijk doordat de reizigers hun beklag deden, kwam het weldra uit. Het trio ‘controleurs’ belandde in het Geweldige Hof, zeg maar het huis van bewaring in Groningen. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belastingzaken, keurden het machtsmisbruik sterk af, ze vonden dit eigenlijk

“een seer zware misdaat, d[i]e anderen ten exempel, op het swaarste behoorde te worden gestraft”.

Desalniettemin streken de Heren Gedeputeerden met hun hand over het hart, en veroordeelden elk van de drie knevelaars tot een boete van 50 gulden, die meteen moest worden voldaan. Gebeurde dat niet, dan ging de schuldenaar voor acht dagen op water en brood in het “stockhuis”. Uiteraard moest het trio ook nog de beroofde vreemdelingen hun schade vergoeden en de rechtskosten betalen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 1351 (sententies in fiscale- en militaire zaken), bepaaldelijk die van 6 januari 1728.


“Het glansnummer van alle smokkeltrucjes”

“Het glansnummer van alle smokkeltrucjes is tot dusver: de doodskist-smokkelarij, hetgeen, naar verluidt, zich aldus heeft toegedragen. Een grensbewoner was overleden en de voor den doode benoodigde kist moest vervoerd worden uit de 1e linie tot onmiddellijk bij de grens. Een zoo groote ruimte als de inhoud van een doodskist onbenut te laten, zou dwaasheid zijn. Zoo iets bestaat gewoonweg niet! 500 à 600 pond vet kan er in en gaat er in! De kist, geladen op de schouders van 6 stoere mannen, wordt grenswaarts gedragen, in onvervalschte bijbehoorende stemming, De grenswacht wordt gepasseerd, en deze, vol piëteit, salueert model, terwijl zelfs enkelen hunner de treurige stoet met ontblooten hoofd laten passeeren.”

Winschoter Courant, 23 juni 1916, in een bericht dat de redactie overnam uit de Noord-Ooster (Veendam). Vanavond kwam de anekdote voorbij in de lezing van Henk Wierts over smokkelarij aan de Groninger oostgrens.


Topografie met vrouwelijk naakt

In een boek over Groninger bedrijven en instellingen anno 1913, valt mijn oog op deze helaas overlapte prent van ruim een eeuw eerder. Het betreft de zaagmolen van de zwagers Haitzema & Post aan de Rensel in Winschoten, gezien vanaf de Beertsterweg aan de westkant:
img853-2
De molen, van 1784, met hout op de werf bij het tamelijk lege balkgat:
img853-3
De mulderswoning, van 1795, waar bedrijfsleider Eisso Post woonde. Hij komt net met zijn paard thuis van een zakenreis – of zou het een klant zijn die ginder over het hoogholtje gaat?:
img853-4
Op de voorgrond twee schepen met vrouwen aan dek. Een heeft een kind op haar arm. Ze lijken te kijken naar andere vrouwen, niet op, maar in het water:
img853-5
Kinderen zien toe vanaf de dunne wal tussen de vaart en het balkgat. Het moet zomer zijn.

Groninger topografie met vrouwelijk naakt, dat lijkt me toch vrij zeldzaam.

Naderhand blijkt dat de prent ook in de Beeldbank zit, maar dan grover en donkerder. Vraag me af of zij nog ergens bestaat en zo ja, of ze dan ook in kleur is.


Hooiwagen stuift dijk af

Soms lees je in de krant dat een auto zich in een voorgevel van een woning geboord heeft, waarbij zowel de bestuurder als de bewoners van het huis er met de schrik afgekomen zijn. Niets nieuws onder de zon, zelfs in het tijdperk van de paardentractie kon zoiets al gebeuren:

“Gisteren kwamen te Ganzedijk twee paarden voor ecu wagen vracht kwelderhooi, en met twee mannen van Beerta op het voorkistje gezeten, op den loop. De viervoeters stoven met het gansche gevolg van den kop des dijks — omstreeks 4 Ned. el (= meter, HP) boven bet maaiveld — naar beneden, en braken in snelle vaart door eene vrij sterke schutting, staande voor de behuizing van den landbouwer H. Kaspers. Maar wat meer zegt, een der paarden maakte zulk eene bres in den voorgevel, en vooral in een raam, dat het ter halver lengte in de kamer aankwam, alwaar het in eene half staande, half knielende positie halt maakte. Nopens de uitwerking van den eersten schrik bij de bewoners hebben wij alsnog niet gehoord en hopen wij het beste. Meest is echter in dit voorval te verwonderen, dat zoowel mannen als voerlieden er ongedeerd ziju afgekomen.”

Bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 7 augustus 1861, in een bericht dat deze krant overnam uit de Provinciale Groningsche Courant van vier dagen eerder.


Muizengolf geeft massa katten

“Bij de algemeene klagt over de sterke vermenigvuldiging van de muizen, mag het niet onopgemerkt worden gelaten, dat ook haar vijand in evenredigheid schijnt te zullen vermeerderen, wanneer ze slechts niet wordt vernietigd. Als voorbeeld daarvan schrijft men dat bij een burger te Nieuw-Beerta twee katten dit jaar een gezamenlijk getal van 33 jongen hebben geworpen.”

Bron: Rotterdamsche Courant 20 november 1860.


Schaatsdrama in Bellingwolde

“Bellingwolde (prov. Groningen), den 24 Januarij.
Als eene ontzettende gedachtenis aan het thans voorbij gaande vriesweder blijft ons overig dat dezen morgen uit het ijs der Westerwoldsche-Aa, achter dit dorp, zijn opgehaald drie vóór eenige dagen, aldaar gelijktijdig verdronken personen; zijnde een daglooner Geerd Friederichs van Lang, oud 38 jaren benevens 2 zijner zonen van 15 en 13 jaren, die vrijdag laatstleden, ter beoefening van hunne schamele broodwinning, met schaatsen en schuifsleeden hunne woning te Nieuw – Beerta hadden verlaten, en thans in dezelve, tot een onder rouw en behoefte zwijgend huisgezin, nu bestaande uit de weduwe met 3 nog jongere kinderen, dood terug gebragt zijn.”

Bron: Staatscourant 30 januari 1826.


Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen

dsc08368

Twee maal bleef de Veendammer Albert Gerrits in gebreke. Drie weken na Sint Jacob 1787 zou hij Jan Derks, een koopman van buiten de streek, “50 zakken zoomer zeeuwse aardappelen en 50 zakken elfring aardappelen” leveren. De eerste soort was blijkbaar wat beter dan de andere, want de Zeeuwen deden ruim 16 stuiver de zak, terwijl de Elfrings 2 stuivers minder kostten.

Wat later beloofde Albert Gerrits bovendien Jan Derks voor Slochtermarkt 1000 zakken “elfring aardappelen” te fourneren voor 8 stuivers per zak, met nog 8 dukaten op de koop toe. Omdat Jan beide keren de beloofde piepers niet ontving, sprak hij Albert erop aan voor het Oldambtster gerecht. Het ene zaakje eindigde met een schikking, het andere komt daarna evenmin ter sprake, zodat ook dat zal zijn bijgelegd.

Deze rechtszaakjes zijn interessant om de tijdsaanduidingen en – vooral – de beide aardappelrassen. Slochtermarkt (de eerste woensdag van oktober) was kennelijk een algemeen bekende verwijzing. Over Sint Jacob heb ik het hier wel vaker gehad. De laatste melding die ik zag, was van 1745, maar ook in tweede helft van de achttiende eeuw kende men de heiligendag blijkbaar nog.

Van de beide aardappelrassen had ik nog nooit gehoord en ik dacht even dat het ging om de oudste melding van aardappelrassen überhaupt, maar daarin bleek ik me te vergissen. Bieleman citeert in zijn magnifieke proefschrift namelijk een vooraanstaand Eeldenaar die circa 1773 melding maakte van tien soorten aardappels, waaronder Zeeuwse Rode en Elferingen.

Volgens die Eeldenaar was de aardappel in zijn omgeving inmiddels een “algemene spijs” bij rijk en arm geworden. Bij de gegoeden stond er zelfs aardappeltaart op het menu. De armen aten al helemaal geen andere kost meer dan piepers. Daar in Noord-Drenthe was de opmars van de knol in 25 jaar voltooid, want de allereerste melding van aardappelteelt hier kwam in 1748 uit Zuidlaren. In de naburige veenkoloniën begon men er een jaar of wat eerder mee. Of het daar net als op het zand de grotere boeren waren, die ermee pionierden, is vooralsnog onbekend, maar ligt voor de hand.

Volgens de sociograaf Keuning bestond er voor 1773 al veenkoloniale uitvoer van consumptieaardappelen naar Hamburg. Het ging onder meer om Sappemeerster Elfringen en Olderwetsche Zeeuwen. Blaupot ten Cate noemt dezelfde soorten voor 1800, toen er zo’n 200.000 zakken vanuit de veenkoloniën naar Hamburg werden verscheept.

Dominee Rutgers van Kolham meldt dat de Elfringen daar omstreeks 1790 als beste aardappelras algemeen werden verbouwd. Rond 1850 kwam de variëteit nog steeds “legio” voor in die omgeving.

Zijn ambtgenoot Uilkens van Wehe en Zuurdijk, die zijn tuindershandboek (1855) nog veel meer soorten noemt, schaart de Zeeuwen en Elfringen bij de vroege aardappels en heeft een alternatieve naam voor de laatsten:

“Elfringen, ook Muizen genaamd, groeijen uitmuntend op zand en duingronden. Zij schieten hare wortelen uit de vele putten die deze aardappels hebben, doch door den bovengrond en minder benedenwaarts, waarop men dezelve op grooteren afstand poot dan de kruipers; zij hebben veel loof en eene witte bloem. De knol is langwerpig en fijn van meel, doch het zware of dikke einde van den knol is beter van smaak als het dunne puntige, zijnde deze punt ook meer witachtig, spekkig of glazig, dan het dikke einde, wanneer men den aardappel gekookt heeft.”

Een jaar nadien memoreert T. Borgesius, landeigenaar en burgemeester van Oude Pekela,  dat de fijne consumptie-aardappels van de zandige klei of zavel, ook in Groningerland, geheel verdwenen zijn door de aardappelziekte die vanaf 1845 heerste:

“zoodat het, bij het eventuee ophouden der ziekte, zelfs zeer moeilijk zal vallen, om de muisjes, Zeeuwschen en Elfringen-soorten in voldoende hoeveelheid ter uitplanting te verkrijgen.”

Ook Molema maakt later in zijn Groninger woordenboek melding van de Elfringen, volgens hem elders ook wel ‘Elfen’ genoemd. Bij het lemma terzake voert hij een hele reeks aardappelrassen of -variëteiten van voor 1845 op, waaronder de ‘zomerzijsen’ ‘zömerzeeusen’, ‘zeelanders’ of ‘zeilanders’. Met de Elfringen behoorden deze tot de puikste soorten.

De Elfringen en de Zomerzeeuwsen, beide namen staan ook op de Oranje Lijst van de Oerakker, een stichting voor het behoud en gebruik van oude groentegewassen onder auspiciën van de Wageningse universiteit. Bij beide rassen staat evenwel aangetekend dat ze niet meer in de handel zijn, en dat er zelfs geen genetisch materiaal van bewaard gebleven is. Wat ooit doorging voor een beste aardappelsoort, lijkt nu dus van de aardbodem verdwenen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 59 (civiele processen) notities d.d. 28 augustus, 16 oktober en 20 november 1787.
  • Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand (1987) 536-538 en achterin bij de noten 537-543, noot 97.
  • H. Molema, Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Groningen 1887) 100, lemma elfringen.
  • S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 80-81.
  • S. Blaupot ten Cate, Voorlezing over de opkomst van de veenkoloniën Hoogezand en Sappemeer (Hoogezand-Sappemeer 1854) 41.
  • T. F. Uilkens, Groot Warmoeziershandboek deel I (Arnhem 1855) 12.
  • T. Borgesius, ‘Verhandeling over de teelt van aardappelen op veenondergronden of zogenaamde dallanden’, Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 1856, 277.
  • J. Kok, Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën (Deventer 1919) 62-67.
  • H.J. Keuning, De Groninger veenkoloniën; een sociaal-geografische studie (Amsterdam 1933) 122-125.

Breien was ooit mannenwerk

“De mannen en jongens achten het nu wel meestal schande om te breiden en laten dit aan de vrouwen en meisjes over; doch vroeger was het algemeen dat niet de vrouwen maar de mannen verschillende kleedingstukken breidden, zoo niet om te verkoopen, dan toch voor zoo veel eigene huishouding behoefde.”

Uit: S.J. Rutgers, Beschrijving van Kolham (Groningen 1849) 87.

Bijzonder aardige plaatsbeschrijving, die her en der veel aandacht geeft aan de lokale flora en fauna. Eigenlijk zou een dskundige natuurliefhebber uit die omgeving eens de natuur van toen met die van nu moeten vergelijken.

De kaart achterin het boekje is ook te vinden in de repository van de Groninger UB.


“Wagenwijd open, die deur!”

Sluitzegel van het Universitair Asyl Fonds, het latere University Assistance Fund (UAF), op een Clercke Cronike van 18 november 1949:

dsc00511

Dat jaar hielp het fonds, dat gelden inzamelde bij studenten en alumni, zo’n 70 studenten, “die om der gewetenswille uit het eigen land zijn  uitgeweken”. Het ging voornamelijk om Tsjechoslowaken die geen toekomst zagen onder het communistische bewind. Voor deze studentvluchtelingen hielden studentmusici ook wel eens een “Weldadigheidsconcert“.


Boete voor inpikken andermans zitplaats in de kerk van Wildervank

Die keer dienden een collega van de drost als stadsbestuurder, Raadsheer S. Gockinga, en doctor J. Venema zich aan bij de drostenborg in Zuidbroek. Met zijn beiden vormden ze de kerkvoogdij van Wildervank, d.w.z. het college dat de kerkelijke gebouwen ter plaatse in een goede staat moest zien te houden en de fondsen daartoe inde. Tot die inkomsten behoorde de huur van de voorste kerkbanken, op te brengen door de wat meer gegoeden die deze banken hadden gehuurd. Soms echter, vonden die hun plaatsen bezet. Het gevolg laat zich raden: stennis in de kerk. De kerkvoogden Gockinga en Venema klaagden daarom bij de drost,

“hoe dat hare gehuirde kerkesitplaatsen meermalen door anderen worden geoccupeert, versoekende dienshalven dat hierop een penaliteit van 10 à 15 st[uiver] voor de armen te verbeuren, by kerckenkundig[ing]e te laten waarschouwen en dat de kercke dienaar by weigeringe tot dadelike pandhalinge werde geauthoriseert.”

Anders gezegd: op het innemen van andermans gehuurde zitplaats moest een boete van 10 tot 15 stuivers komen te staan, welke boete voor de diaconie bestemd was. Voor het invoeren zou deze regeling eerst na een godsdienstoefening worden aangekondigd. Een overtreder van het verbod kon dan niet zeggen dat er niet gewaarschuwd was. Als hij of zij niet dadelijk betaalde, dan mocht de dienaar van de kerkvoogdij een onderpand bij hem of haar in beslag nemen, bijvoorbeeld een jas, of een bijbel of testament met zilveren of koperen krappen. De overtreder moest dat onderpand dan met het bedrag van de boete komen lossen, of het beslag aanvechten bij de drost.

Op 14 juni 1740 gaf de drost hiervoor toestemming. Hij bepaalde dat de boete op het innemen van andermans gehuurde zitplaats in de Wildervankster kerk 10 stuivers per overtreding zou zijn. Voor een niet onaanzienlijk deel van de bevolking benaderde dat bedrag een dagloon, als het al niet een dagloon was.


Jan S. Niehoff en de Winschoter Courant

Begin jaren 70 ontpopte Jan S, Niehoff, schoolarts te Appingedam, zich als actievoerder tegen het Plan Kikkert dat van een groot deel van Westerwolde een militair oefenterrein wilde maken:

“Dikwijls vielen me ’s avonds laat nieuwe argumenten tegen het oefenterrein in; ik ordende ze dan in een krantenartikel. Hiermee reed ik meermalen tegen middernacht naar Winschoten om het daar in de brievenbus van de Winschoter Courant te deponeren. Dat – progressieve – blad bestaat helaas niet meer, het had toen om en nabij de 30.000 abonné’s. Door zijn felle weerstand tegen het plan-Kikkert en als klankbord heeft het ons veel steun verleend. In dat opzicht is het jammer dat veel kleine maar gezaghebbende bladen als de Winschoter zijn opgegaan in grotere, die in controversen als deze de wederzijdse belangen ontzien, vaak voorzichtig-neutraal reageren of ze uit de weg gaan.”

Uit: Jan S. Niehoff, Memoires (Bedum 2015) 85.


Smokkelaarster zet kind in

RHC Groninger Archieven 731-1948.

De boedelinventaris van Geertruid Anthonij. RHC Groninger Archieven 731-1948.

Ze had niet veel spullen, Geertruid Anthonij, de weduwe Eijldert Wierts te Wildervank. Haar boedelinventaris uit februari 1734 beslaat slechts één enkele pagina. In haar heldere, misschien enigszins aandoenlijke handschrift noteerde ze wat slaapgoed, wat simpel ijzeren kookgerei en aan huisraad slechts een tafel met vier stoelen en een “eten spinde”. Ze had vast een winkeltje, want ze beschikte over een toonbank, een houten weegschaal en wat rekjes. Dat was alles, op nog wat schotels na. Bestek ontbrak, zo bezien aten zij en haar kinderen met de handen.

Zij en wijlen haar man hadden wel een koophuis. Er zat nog 412 gulden aan onafgeloste hypotheek op; 140 gulden was afbetaald. De waarde van het huis moet bij aankoop dus minstens 552 gulden zijn geweest, een bedrag dat men zo ongeveer voor een kleine middenstandswoning neertelde. Naast de hypotheekschuld had Geertruid echter nog wat losse schulden aan leveranciers. Zelfs als ze het huis voor dezelfde prijs kon verkopen als zij en haar man het destijds hadden gekocht, stond ze nog altijd voor ruim 314 gulden in het krijt. Met die weinige spullen in haar huis kon ze dat nooit en te nimmer afbetalen. Ze zat er tot de nek toe in.

Toch beloofde ze haar vier minderjarige kinderen samen 100 gulden bij de afkoop, die haar in ruil de volledige beschikking gaf over het huis en de inboedel. De drie oudsten waren al boven de achttien, die konden hun aandeel in de afkoopsom, als ze dat wilden, onmiddellijk opeisen. De jongste, nog geen achttien, bleef in huis voor rekening van de moeder. Geertruid zou dit kind op haar kosten naar school sturen, om het lezen en schrijven te laten leren. Op zijn achttiende kreeg het dan ook zijn deel van het beloofde bedrag.

Zo stond het in het contract van afkoop, dat Geertruid en de voogden van haar kinderen overeenkwamen en lieten verzegelen. Maar die voogden klaagden naderhand over haar bij de drost:

“Remonstranten pupillen moeder zig met smokkelen ophoudende, zelfs haar kind daartoe mede gebruikende om uit de Pekela in de Wildervank onvreje waren over te brengen, verder an remons[tran]ten in q[uali]te weygerende haar jongste kind ter school te laten gaan om tot het leezen en schrijven onderwezen te worden, haar kind van smokkelen niet willende onthouden, zaken van de uiterste quade consequentie. De pagtenaren de moeder nu jongst met onvreje waren hebbende ontdekt, te vreesen staande dat dienswegen de boedel van suppleanten pupillen moeder door breuken en proceskosten staat [te] worden geabsorbeert, waardoor de kinder van de beloofde 100 cae[oli] g[u]l[den] dusdanig worden ontwaart…”

Doordat ze haar kind niet naar school stuurde, kwam Geertruid het contract met de voogden niet na. Haar jongste kind schakelde ze in bij smokkel tussen Pekela en Wildervank, waar nog vrij veel ongerept veen lag. Daarbij was ze betrapt door particuliere belastinggaarders die de inning van een bepaalde belasting hadden gepacht. De voogden vreesden dat boete en proceskosten Geertruids huishouden nog verder in het rood zouden drukken, daarom wilden ze dat Geertruid borg stelde voor de afkoopsom die ze haar vier kinderen beloofde,

“om in eventum van deze 100 car. gl. niet gefrustreert te worden”.

Ook zagen de voogden graag dat de drost Geertruid zou bevelen om haar kind naar school te sturen en

“zig inkomstig te onthouden van het zelve tot smokkelen in het overhalen van onvreje waren uit de Pekela verder te anplojeren”

Voor het geval dat Geertruid dat toch deed, wilden ze graag een stok achter de deur. Dan moest de drost nadere maatregelen nemen.

Op 20 juli 1734 willigde de drost dit verzoek op alle punten in. Geertruid Anthonij werd gelast borg stellen voor het beloofde geld. Ook moest ze haar jongste kind dagelijks naar school sturen, op straffe van “nader dispositie”.

Wat betreft de belastingpachters vond ik geen civiel (boetstraffelijk) proces, noch een crimineel vonnis. Waarschijnlijk maakte Geertruid Anthonij dat in het particulier af met de pachters, zonder dat Gedeputeerde Staten zich er als rechtbank voor belastingzaken mee hoefden bemoeien. Ook in het prothocol met sententies, uitgesproken door de Oldambtster drost ontbreekt Geertruids naam. De smokkelzaak zal met een sisser zijn afgelopen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6117 (samengevatte rekesten met apostilles of kantbeschikkingen).


Over hondepaden (2)

Op zoek naar honde(n)paden in woordenboeken, dienen zich voor Groningerland twee definities aan. De eerste komt uit Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (1887):

“Een binnenpad bijlangs of door het koren, waarvan men niet dan ter sluips gebruik durft maken. Een pad dat geen recht van bestaan heeft.”

Anno 1912 kwam deze omschrijving terecht in het WNT als:

“Naam voor een (ongeoorloofd) binnenpad bijlangs het koren.”

Hoewel het WNT met de haakjes gas terugneemt, benadrukken beide omschrijvingen het illegale of op zijn minst dubieuze karakter van een hondepad. Het bestaat, maar het mag eigenlijk niet bestaan. In Zuiderveen, anno 1802, was er echter geen sprake van illegaliteit. De gedupeerde Zuiderveensters meenden een gebruiksrecht te hebben op het af te snijden Hondepad, en dat recht werd zowel door de grondeigenaars als de regionale magistraat gerespecteerd.

De andere definitie, die van Ter Laan in zijn Nieuw Groninger Woordenboek (1952), is wèl op het Zuiderveenster geval van toepassing. Dat woordenboek omschrijft hondepad veel korter en globaler, maar ook beduidend minder karakteristiek als:

“Pad door ’t veld.”

Daarbij verwijst het nog naar hondeloane als “laan met onaanzienlijke huizen”. Dit zijpad van Ter Laan laat ik verder buiten beschouwing, al wil ik nog wel wijzen op twee officiële straatnamen, een eerste ten zuidoosten van Schildwolde en de tweede ten zuidoosten van Zuidbroek op grondgebied van Muntendam. In tegenstelling tot Hondelaan is Hondepad tegenwoordig nergens in Groningerland een officiële straatnaam, maar een pad is dan ook geen laan.

Welke van de twee definities – die van Molema of die van Ter Laan – deed nu het meeste opgeld? Dat valt te onderzoeken aan de hand van gedigitaliseerde kranten (Delpher) en andere publicaties (Google Books), die nog hondepaden opleveren te Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo. Opvallend genoeg allemaal in Oost-Groningen, maar daar was het areaal (half)natuur of ‘veld’ dan ook veel groter dan in de Ommelanden ten westen van het Damsterdiep.

Meeden

Het pad in Meeden wordt slechts een enkele keer genoemd, namelijk in de bekendmaking uit 1849 van een vastgoedveiling, waarbij onder de hamer kwam

“een eind bovenbouwte tot aan het Hondepad”.

Dit Hondepad lag net als de gelijktijdig te veilen percelen ten zuiden van de Hereweg, dat is de hoofdweg door Meeden. Wellicht lag het Hondepad parallel daaraan en betrof het een nu verdwenen bovenstreekje. In elk geval impliceert het verschijnen van de naam Hondepad in een dergelijke bekendmaking dat die naam hier geen al te negatieve bijklank had waardoor men kopers zou kunnen afschrikken. Het Meedener Hondepad was dus meer conform de omschrijving bij Ter Laan, dan die bij Molema.

Bellingwolde

Anders was het gesteld met het hondepad bij Bellingwolde. Al eerder citeerde ik hier een rechtbankverslag uit 1895, dat over de omgeving van Bellingwolde opmerkt:

“De smokkelaars verdienden (?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”

Dat rechtbankverslag gaat over een recent verleden, maar de Staatscourant rept in 1815 al over contrabande, aangetroffen

“op het zogenaamd Hondenpad onder Bellingwolde.”

Om wat preciezer te zijn gaat het in januari dat jaar om 4,5 kroes jenever, achtergelaten door een meisje dat op de vlucht sloeg, en in augustus om een ongemerkt roggebrood van 12 pond. Via bekendmakingen wilde de overheid graag achterhalen wie de wettige eigenaars waren.

Toch is dat Hondenpad bij Bellingwolde ook een (bijna) officiële gehucht- en straatnaam geweest. A.J. van der Aa maakte er in zijn Aardrijkskundig Woordenboek (1844) zelfs een apart lemma van, waarbij hij dit Hondenpad aanduidt als een

“voorname boerenstreek en voetpad in Westerwolde.”

Volgens hem lag dit pad parallel aan de rijweg Bellingwolde-Vriescheloo, op 5 minuten (= ruim 400 meter) lopen ten oosten daarvan. In totaal had het een lengte van anderhalf uur gaans (ongeveer 7,5 kilometer). Het begon in het noorden bij De Lethe en liep in zuidwestelijke richting over de Bovenstreek ten zuidoosten van Bellingwolde door langs Vriescheloo, om bij de Ossedijk te eindigen. Een topografisch-militaire kaart uit die tijd, die de naam Hondepad ook noemt (zowel bij Bellinwolde als bij Vriescheloo) geeft een indruk van het tracé, hoewel dat er niet helemaal op staat:

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Van der Aa noemt dit Hondenpad eveneens bij zijn lemmata over Bellingwolde en Wittenburg (een hofstede of boerderij). Een wegwijzer voor Groningerland van enkele decennia later vermeldt het als de naam van een buurt bij Bellingwolde. Van het tracé lijkt nu weinig meer over, wat deels zal komen door de aanleg, omstreeks 1910, van het Boelo Tijdenskanaal, maar ook door herinrichting van het gebied. Zo bood de ruilverkavelingscommissie Blijham-Bellingwolde in 1963 voor afbraak te koop aan een huis met twee woningen onder één kap, op de adressen Hondepad 1 en 2, welk vastgoed het eigendom was geweest van een H. Renken Gzn. Of het hier een officiële straatnaam betrof, zou ik niet durven zeggen, maar het Hondenpad te Bellingwolde dook in 1972 nog op in een wervingsadvertentie van dagblad De Tijd.

De conclusie voor dit hondepad moet luiden, dat het zowel de negatieve als de neutrale naam had. Daarmee voldeed het aan de beide definities, gegeven door Molema en Ter Laan.

Vriescheloo

Een eind zuidelijker, bij het westzuidwestelijken uiteind van Vriescheloo, pal op de grens van de gemeenten Bellingwolde en Wedde, lag het volgende hondepad, dat in het najaar van 1873 aanleiding gaf tot een rechtszaak bij het Kantongerecht in Winschoten.

In de avond van 9 mei dat jaar betrapten hier twee Weddenaren, H.H. Kemies en K. Bos, een wandelaar wiens naam in de berichtgeving helaas niet genoemd wordt. De man liep op een perceel dat Kemies en Bos hadden verpacht aan hun dorpsgenoot, de landbouwer W. Leta, die de grond geschikt had gemaakt als bouwland, waarop hij haver inzaaide. Noch van de eigenaars, noch van hun pachter had de voetganger toestemming zich op Leta’s grond te begeven. Daarom diende de boer een klacht in bij het Kantongerecht, welke klacht gepaard ging met een eis tot schadevergoeding.

Bij de kantonrechter bekende de gedaagde grif de overtreding, waarop volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 471) nog een geldboete van 1 tot 5 frank stond, bij wanbetaling te vervangen door een celstraf van één tot drie dagen. De gedaagde bestreed echter dat het wetsartikel van toepassing was. Volgens hem was het namelijk zo

“dat niet alleen hij, maar ook ieder ander sedert onheugelijke tijden herwaarts bedoeld land in de rigting van het noorden naar het zuiden en omgekeerd plagten te begaan, zonder dat zulks immer of ooit bevorens door of vanwege de eigenaren of gebruikers was verboden of te keer gegaan.”

Om dit te staven nam de beklaagde twee getuigen mee: de weduwe B. Holstein-Smook en H. Beishuizen, beiden uit Vriescheloo. De wed. Holstein gaf aan dat zij en wijlen haar man vroeger het behuisde plaatsje, nu door W. Leta gepacht, hadden bewoond en gebruikt. Dat plaatsje bevond zich nog net op Vrieschelooster grondgebied, maar het haverland in kwestie lag er onmiddellijk ten zuiden van op grondgebied van Wedde. Ertussenin lag een sloot, die tevens de gemeentegrens vormde. Beaamde zij eenvoudig de bewering van gedaagde, Beishuizen gaf aan dat hij en andere kinderen uit het zuidwestelijk deel van Vriescheloo ruim een halve eeuw eerder over het land in kwestie naar hun school in Wedde liepen.

Voor de kantonrechter vormde het meningsverschil aanleiding om ter plaatse poolshoogte te nemen. Dat deed hij in aanwezigheid van de officier van justitie en de beide partijen en hun vertegenwoordigers. Door dit uitstapje kwam hij tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van ontslag van rechtsvervolging. Dat buren eerder niet klaagden “om elkander onderling door eene meer gemakkelijke gemeenschap te gerieven”, sprak zijns inziens de overtreder niet vrij en evenmin deed dat het feit dat de schade altijd zo beperkt bleef dat er nooit vervolging werd ingesteld. Mensen uit de buurt mochten het onlangs in bouwland veranderde stuk veldgrond dan wel langdurig zonder tegenspraak hebben gebruikt als openbaar voetpad, maar dat was alleen maar omdat de eigenaar zulks gedoogde. Daarmee was er nog niet werkelijk sprake van een recht van overpad, temeer niet daar het vermeende buurtpad ontbrak op de gemeentelijke leggers.

Wel hield de kantonrechter in zijn strafmaat rekening met het aangevoerde. Hij legde dan ook de minimumsanctie op, te weten een boete van 50 cent. Betaalde de verdachte deze niet binnen twee maanden, dan ging hij voor één enkele dag de gevangenis in.

Ook wat betreft de civiele eis tot schadevergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat vroegere eigenaars en pachters van het land gedoogden dat het werd gebruikt

“als overgang of (gelijk het in de taal der landlieden in deze streken veelal wordt genoemd), als hondenpad“.

Het door Leta geëiste bedrag, dat niet als overdreven werd bestreden, hield de kantonrechter daarom beperkt tot 1 gulden terwijl de veroordeelde ook de proceskosten moest voldoen.

De veroordeelde accepteerde de uitspraak niet en vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad. Eind dat jaar besloot dat rechtscollege echter, het bij de uitspraak van de kantonrechter te laten blijven. ‘Eenmaal een hondepad altijd een hondepad’ ging dus niet op.

Nog even weer de beide definities van Molema en Ter Laan ernaast leggend, moet gezegd worden dat die van Ter Laan hier meer van toepassing was. De term hondepad werd in deze zaak neutraal gebruikt.

Tot besluit alle genoemde hondepaden namelijk die van Zuiderveen, Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo recapitulerend, blijkt dat de term slechts in één geval, namelijk dat van Bellingwolde, ook een negatieve klank had. De neutrale woordenboekdefinitie van Ter Laan is daarom, ondanks zijn beknoptheid, beter dan die van Molema, al zou ikzelf de smokkelconnotatie niet buiten beschouwing hebben gelaten.


Over hondepaden (I)

Zuiderveen en omgeving. Bron: Hisgis.

Zuiderveen en omgeving, ca. 1830. De heide met het veen is roze, bouwland wit en weiland groen. Bron: Hisgis.

Tussen Wester- en Heiligerlee, Winschoten en de Pekela bevond zich nog in 1830 een enorm heideveld, waar een eeuw eerder broodsmokkelaars uit Westerlee een lokale belastinggaarder hadden doodgeslagen. De oostelijke kant van die heide heette Zuiderveen, ook wel eens verlengd tot Winschoter Zuiderveen, of verkort tot Zuirveen.

De heide was hier al wel in veenplaatsen verkaveld, in lange stroken opstrekkend vanaf een slingerende bewoningsas in het oosten, eveneens Zuiderveen geheten. Waar de heide nog relatief de meeste plaats innam op die stroken, wat meer naar het zuiden toe, bezat de in Zuiderveen woonachtige wed. Harm Melles een veenplaats. Samen met de eigenaren van twee belendende veenplaatsen, ds. Tiddo Waldrik Siertsema van Eexta en de erven van de gezworene Amsingh uit Noordbroek, vatte zij het plan op, om hier turf te laten graven. Daarvoor moest er echter eerst een kanaaltje komen voor de afvoer van water en turf.

Zo’n kanaaltje kon je niet zomaar aanleggen, in dit geval al helemaal niet doordat het een voetpad en een rijweg tussen Winschoten en Pekela kruiste. Daarom wilden de weduwe Melles en consorten ten behoeve van dat voetpad “een genoegzaam bat of klap” over de wijk aanleggen, “en over de weg eene klapbrug”. Beide projecten zouden uiteraard op hun kosten worden uitgevoerd, evenzo het toekomstig onderhoud. Eind juli 1802 legden de weduwe Melles & co. hun plan met een “figurative kaart” voor aan de Winschoter dijkrichters en de Oldambster drost, “als de schouwing [en] overschouw respective hebbende over gemelde voetpad en rijdweg”. Zonder hun instemming konden beide benodigde doorgravingen immers niet doorgaan.

Op 21 september dat jaar lag er een advies van de dijkrichters, waarmee de wed. Melles & co. genoegen namen. Vervolgens zouden zij en de dijkrechters een contract opstellen, maar bleef het maandenlang stil.

Toch begon nog in 1802 het wijkgraven. Toen de arbeiders hiermee in het voorjaar van 1803 het voetpad naderden, kwamen echter vijf gezinshoofden van het Zuiderveen in het geweer:

  • Jan A. Udes
  • Hindrik Harms
  • Engelke Geerds
  • Jan Folkers
  • en Roelf Jans

Zij vertelden de drost dat ze in het bezit waren van een gebruiksrecht op

“zeker pat genaamd het Hondepat, lopende van het (Winschoter) Agterholt tot over de Zuiderveenster veenbouwten na de Pekela.”

Langs dit Hondepad lagen hun huizen of hemen. Ze gebruikten het om naar de Pekela te komen. Maar nu ervoeren ze dat de wed. Melles & co. op het punt stonden om dat pad door te laten graven en daarmee waren ze het volstrekt oneens,

“aangezien nu daardoor voor de rem[onstran[ten een omweg na de Pekela van meer dan een quartier uurs staat te worden geobtineert.”

Vandaar dat ze stopzetting van het werk wilden, wat de plaatselijke wedman door middel van een bevelschrift aan de wed. Melles & co. zou moeten overbrengen. Op 2 april 1803 willigde klerk Ogterop in afwezigheid van de drost het verzoek om zo’n bevelschrift in.

Blijkbaar was er te weinig rekening gehouden met deze Zuiderveensters die van het Hondepad gebruik maakten. De communicatie door de Winschoter dijkrichters zal dan ook vast niet optimaal geweest zijn. Hangende het geschil werden de rekesten van de adspirant-verveners ook niet afgeschreven in het Oldambtster rekestenprothocol. Dat gebeurde pas toen de hobbel gladgestreken was. Op 3 mei 1803 verleende de drost eindelijk zijn goedkeuring aan de plannen van de wed. Melles & co.,

“ter aansnijding van van eenig veen en de daartoe nodige doorsniding van het voetpat en rijdweg na de Pekela.”

Waar de nieuwe wijk kwam te liggen, is niet moeilijk te raden. Tussen Winschoten en Pekela kruiste even later namelijk maar één water de toenmalige rijweg en dat was de Zuiderveenster Hoofdwijk, tevens het enige kanaaltje van het Zuiderveen. Op bovenstaande HisGis-kaart, gebaseerd op het kadaster van ca. 1830, steekt dit kanaaltje vanuit het oosten als een winkelhaak in ‘t roze van de Zuiderveenster heidevelden. Even ten noorden van Oude Pekela (en het verdwenen Strobos) lost het nog steeds zijn water in het Pekelder Hoofddiep.

Waar het Hondepad precies lag, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Van bovengenoemde vijf bezwaarmakers, zijn er dertig jaar later echter nog drie te herkennen in het kadaster, te weten Jan Alberts Udes, Engelke Geerds van der Veer en Roelf Jans Start. Alle drie woonden zij op het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen.

Ook geeft de kadasterkaart een eindje ten westen van de klapbrug in de rijweg Winschoten-Pekela een tweede overbrugging weer, wat de bat of klap zou kunnen zijn die er werd neergelegd voor het voetpad.

Verder zijn wat oudere detailkaarten van Zuiderveenster veenplaatsen, die elk een glimp van het voetpad geven. Op een kaart van 1725 ligt dat een eind ten westen en parallel aan de rijweg, vlak langs enkele boerderijtjes. Op de kaart die de wed. Melles & co. in 1803 lieten maken, wordt dit voetpad inderdaad het Hondenpad genoemd en ligt het eveneens een eind ten westen van en evenwijdig aan de rijweg, min of meer op de grens van afgeveend land en heide. Op een schetskaartje van 1800-1810 tenslotte, vinden we de naam Hondenpad bovendien, opnieuw een eind ten westen van de rijweg en pal  ten oosten van een aantal herkenbare kadastrale nummers, die echter veel later met potlood op de kaart aangebracht zijn.

Een en ander geeft wel aanwijzingen, maar geen uitsluitsel waar we het Zuiderveenster Hondepad moeten zoeken. Zekerheid komt er pas door de kaart die Huguenin omstreeks 1825 maakte. Deze bevat een stippelllijn, die ik op onderstaande uitsnede met lila heb gemarkeerd:

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats vande bezwaarden tegen afsnijding Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats van de bezwaarden tegen afsnijding van het Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Gemakkelijk is nu ook te zien, waarom nu juist de bewoners van het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen (A) klaagden. Als ze naar de Pekela wilden, vormde de rijweg (E) voor voetgangers een enorme omweg, vergeleken bij het Hondepad. Afgaande op de kadasterkaart (maar niet op Huguenin) lagen hun boerderijen en andere huizen ook het verst van de rijweg af.

Intussen laat de kaart van Huguenin nog een andere, vanuit het zuiden recht doorgaande stippellijn zien. Dit andere pad blijkt deels de voorganger van de N972.

Morgen een vervolg over hondepaden in het algemeen en die bij Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo in het bijzonder.

Bronnen, behalve de gelinkte: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerecht Oldambt) inv.nr. 6142 (rekestboek).


Leta – een familienaam thuisgebracht

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Op zoek naar gegevens over hondepaadjes, kom ik in een rechtbankverslag van 1873 de familienaam Leta tegen, in dit geval toebehorend aan een boer, woonachtig op de Smokerij onder Wedde.

Leta. In mijn UK-tijd was onze redactie-secretaris altijd heel goed te spreken over een gewezen student-redacteur die zo heette. Je zou denken dat de naam Italiaans, Frans of Zwisers was, maar ze blijkt zo Gronings als wat.

En ook nog bijzonder honkvast, zo leert een query in Alle Groningers. In totaal komen er in die databank 179 meldingen van de familienaam Leta voor en 150 daarvan (84 %), zijn afkomstig uit de gemeente Bellingwolde.

De naam is voor het eerst geregistreerd in een geboorteakte van die gemeente uit 1812. Een boer Albert Wirtjes Leta geeft dan ten gemeentehuize aan, dat zijn vrouw en hij een dochter hebben gekregen.

Deze Albert Wirtjes Leta heeft volgens het kadaster van ca. 1830 een boerderij te Leijte, oftewel op De Lethe, tussen Bellingwolde en de landsgrens, maar de grond erbij is een opstrekkende heerd van die grens tot een eind voorbij Bellingwolde. Bovendien heeft deze Leta nog zo’n langgerekte heerd op de Vriescheloër Vennen en Veenlanden ten zuiden van Bellingwolde, naast losse percelen op de Bellingwolder Binnenlanden richting Oudeschans en op Hebrecht. Voor al dat land hoefde Albert Wirtjes Leta maar weinig grondbelasting te betalen, maar toch moet hij een van de rijkere ingezetenen zijn geweest van het smokkelaarsnest De Lethe.

Alleen, waarom laat iemand zich naar zijn eigen woonplaats noemen? De Lethe heette immers ook wel Leta, bijvoorbeeld in kranten, zelfs vrij laat nog.

Achternamen moesten identificatie faciliteren. Als ergens twee bewoners bijvoorbeeld Jan Pieters heetten, dan ging men de ene Bos noemen en de ander Dijk, naar hun woonplaatsen. Maar er was geen andere Albert Wirtjes bij leven van  deze Albert Wirtjes, in heel Groningerland niet. De naam Leta diende er dus niet ter bevordering van een lokaal onderscheidingsvermogen.

Bewoners van De Lethe konden zich allemaal wel zo noemen. Het onderscheid dat de naam Leta in 1812 officieel aanbracht (en mogelijk eerder inofficieel als bijnaam, al weten we dat niet) moet dan hebben gegolden voor een wijdere omgeving. Albert Wirtjes was dus niet zozeer op zijn directe woonomgeving gericht, toen hij zich in 1812 zo liet noemen. Het is paradoxaal, maar juist door zijn wijdere oriëntatie liet hij zich precies plaatsen.

(Licht herzien op 14.1)