De Pekelder esculaap
Geplaatst op: 11 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
De Pekela’s, op de grens van ’t Oldambt en Westerwolde, naar de weergave van Beckeringh (1781). De rode grens tussen beide landschappen slingert meermalen over het Pekelderdiep heen. Het beeld lijkt op dat van een esculaap draaiend rond zijn staf.
In Westerwolde (rechtsonder) gold een milder belastingregime dan in het Oldambt (linksboven), wat de smokkel in die richting van o.a. brood en jenever in de hand werkte. Vooral de stukken waar Westerwolde het Pekelderdiep overstak, leken wat dat betreft aantrekkelijk. Je kon er zonder verdere barrière met je contrabande het Oldambt intrekken en dat door een omgeving waar nog veel rauw, onaangetast veen was. Als de gewestelijke overheid hier greep op wilde houden, dan moest ze er aardig wat controleurs rond laten lopen.
Oldambtster verlotingen
Geplaatst op: 11 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenMijn oud-tante Siene herinnerde zich levendig dat haar vader, de schoenmaker Geert Perton te Finsterwolde, eens een hevige aanval van astma had. Daardoor kon hij niet naar de verloting van een geit zonder hoorns in logement Ufkes, en moest hij zijn al gekochte lot aan een buurman meegeven. Dat zal ongeveer in 1910 geweest zijn.
Voor haar als kind – ze was van 1900 – vormde de consequentie van die astma-aanval een klein trauma. Hoe graag had ze die geit gewild. Op mij als kind dat haar verhaal aanhoorde, kwam die prijs licht exotisch over. Ik kende natuurlijk wel geiten, maar dat er ooit publiekelijk geiten werden verloot, dat vond ik tamelijk raar. Bij een loterij kon je honderdduizend gulden winnen, of kleiner geld. En bij een verloting van de korfbalclub misschien een fiets, maar geen geit. Absoluut geen geit.
Toen ik in de jaren 90 de rekesten van de stad Groningen doornam, kwam ik dergelijke verlotingen met dieren als hoofdprijs pas opnieuw tegen. Ik heb deze en andere verlotingen systematisch genoteerd. Die gegevens wachten nog op verwerking.
Maar bij de Oldambtster rekesten bleken er ook weer te zitten, die verlotingen betroffen. Wel veel minder dan in de stad. Omdat het er tussen 1730 en 1807 in totaal 36 bleken te zijn, kostte het verwerken daarvan wat minder moeite. Het viel in een avond te doen.
In principe waren publieke verlotingen in de achttiende en negentiende eeuw verboden, tenzij de overheid er vergunning voor gaf. Op zulke verlotingen kwamen nogal wat mensen af, daar wilde de overheid graag wat greep op houden. Daarom mocht zo’n verloting ook alleen geschieden onder toezicht van de gerichtsdienaar of wedman. Verder moest altijd een klein deel van de loten, de zogenaamde ‘vrije loten’ gratis aan het gerecht, en een ander klein deel gratis aan de diaconie worden gegeven. Wanneer de armen een prijs wonnen, staat dat in het diaconieboek verantwoord.
Dit zijn de 36 verlotingen die ik in de Oldambtster rekesten aantrof:
| Datum apostille | Organisator | Woonachtig te | Prijs |
| 3 november 1731 | Harm Bonjes | (Winschoten) | Enige sitzen en katoenen. |
| 21 februari 1732 | Mighiel Harms | ? | Holschen of hozen? |
| 27 januari 1733
|
Otto Jacobs, meester timmerman | Beerta | Drie kisten en enige stoven |
| 16 januari 1735 | Jan Geerts Timmer | ? | Enig handwerk |
| 17 december 1736 | Klaas Uities | (Nieuwolda) | Vette koe |
| 5 februari 1737 | Egbert Jacobs | (Zuidbroek of Nieuwe Pekela) | Kist |
| 26 februari 1737 | Jacob Eppes | (Scheemda) | Nieuwe boerenwagen. |
| 10 maart 1772 | Substituut Jacob Egges | (Winschoten) | Vette koe |
| 3 november 1772 | substituut Jacob Egges | (Winschoten) | Vette koe |
| 13 januari 1773 | Salomon Philippus | Nieuw-Beerta | Koebeest |
| 18 januari 1773 | Tammo Tammen & co. | Een paar wagengereiden c.a., een zilveren zakhorloge, enige spiegels | |
| 1 maart 1773 | Geert Geerts | Oostwold | Koe |
| 5 april 1774 | Jan Krijns | Klok | |
| 19 april 1777 | Onno Jurriëns postiljon | Winschoten | Twee zilveren zakhorloges |
| 31 januari 1778 | Onno Jurriëns postiljon | Winschoten | Extra gouden zakhorloge |
| 19 januari 1790 | A.W. Janeke | Winschoten | Tinkast, kabinet, stelsels porselein, hoekbuffet, 3 tafels, 6 verlakte breedjes, nog een hoekbuffet |
| 2 november 1790 | Klaas J. Kuiper, kastelein | Winschoten | Ruinpaard |
| 1 februari 1791 | Albert Hindriks Buiskool | Beerta | Vette koe |
| 15 februari 1791 | Jan Bruinius, zijlwaarder en tapper | Oostwold (polder) | Twenter melkvaars D. |
| 31 januari 1797 | Klaas J. Kuiper, kastelein | Winschoten | Paard |
| 24 oktober 1797 | Wijpke Wijpkes | Winschoten | Vette os |
| 6 maart 1798 | Sikke S. Muller | (Midwolda of Zuidbroek) | Vette koe |
| 31 mei 1802 | E of G of O.J. van Dijk, kastelein | Winschoten | Zwart merriepaard |
| 16 november 1802 | Jan Jurjens | (Nieuwe Pekela of Veendam) | 4 of 5 boerenwagens |
| 6 december 1803 | Harm Geerts | Beerta | Speel uurwerk |
| 6 december 1803 | Wiert Gerrits Lohman | Veendam | Vet zwijn en 2 “harolgien” |
| 20 december 1803 | H.H. Vaalman | (Winschoten) | Spelend uurwerk, en een gouden zakhorloge |
| 24 januari 1804 | A.J. Folkers | (Winschoten) | Hangend uurwerk, gouden horloge, enige zilveren horloges, enige zilveren lepels en 3 gouden gespen. |
| 20 november 1804 | H.D. Klein | Winschoten, in een der herbergen | Enig zilverwerk |
| 10 december 1805 | Marieke Maijers | Zuidbroek | Enige goederen |
| 10 december 1805 | Jan J. Timmer, schrijnwerker | Meeden | Enig door hem vervaardigd schrijnwerk als kabinet, pulpitrum, tafels e.a. meubiliën van die aard. |
| 17 december 1805 | Tiddo Reints | Beerta | 2 Koebeesten |
| 28 januari 1806 | Willem Holle | Veendam | 3 gaande uurwerken, w.o. fraaie speelklok |
| 2 december 1806 | Wessel Geerts | Midwolda | Lakens, manchesters e.d. |
| ca. 20 december 1806 | Pieter Berends | Meeden | Kabinet en 2 pulpitrums |
| 31 december 1806 | Harm Hindriks Meurs | Veendam | 2 vette varkens |
Bij de jaartallen in de eerste kolom valt op, dat de verlotingen niet mooi over de hele periode verdeeld zijn. Van 1738 tot en met 1771, van 1778 tot en met 1789 en van 1792 tot en met 1796 waren er immers geen verlotingen. Dat kan en zal met de opvattingen van de dan fungerende drosten te maken hebben gehad, maar ook met de angst dat zulke samenkomsten uit de hand zouden lopen, bijvoorbeeld in tijden van grote religieuze of politieke onrust. Opvallend is dat er na 1800 relatief veel verlotingen waren, namelijk 14 van de 36 of een kleine 40 % bam het totale aantal. Bij orthodoxen was er waarschijnlijk veel meer weerstand tegen verlotingen dan bij de wat meer vrijzinnigen, ik denk dat die groei na 1800 te maken heeft met het veldwinnen van de Verlichting in het Oldambt, dat voordien nog een tamelijk orthodox-bevindelijke regio was.
Qua maanden spanden december (met 10) en januari (met 9 verlotingen) de kroon. November en februari scoorden beide 5 maal een verloting. Eind oktober, na de Zuidlaardermarkt, als het al aardig donkerde, begon voorzichtig het seizoen voor verlotingen, dat verder samenviel met de winter. Dan had men er ook de tijd voor. Vanaf februari nam het aantal weer af en ’s zomers, van mei tot in oktober, werden er helemaal geen verlotingen georganiseerd. Dan riep het werk.
Aan de namen van de organisatoren in de tweede kolom, kan je zien dat er niet veel doublures bij zitten. Het gros van de verlotingen was voor de organisator een eenmalige zaak. Veel beroepen staan er niet bij de namen, maar mijn zeer voorlopige indruk is dat er nogal wat kasteleins bij zitten, verder timmerlui en schrijnwerkers, wagenmakers, horlogemakers en slachters, mogelijk ook wat boeren.
Qua plaatsen spande Winschoten de kroon, met 14 verlotingen. Van de dorpen bij of in de Dollardpolders stak Beerta er bovenuit met 4. Ondervertegenwoordigd waren de veenkoloniën – Veendam had er maar 3 en daar kwam het verschijnsel ook nog laat op.
Dan de prijzen. In 15 gevallen bestonden die uit levende have: vooral koeien (10), veel minder vaak paarden (3) en varkens (2). Bij de koeien en varkens wordt nogal eens opgemerkt dat ze vet zijn. Mogelijk ging het om overgebleven slachtvee, dat de eigenaars niet de hele winter konden of wilden aanhouden.
Qua voorwerpen scoorden luxe uurwerken het hoogst (10 gevallen). Bij 6 verlotingen ging het om luxe meubilair, in 3 gevallen om toch ook niet goedkope boerenwagens en in 3 andere om luxe stoffen. Ook voor deze zaken geldt, dat de eigenaars er in de gangbare handel wellicht moeilijk vanaf kwamen. Dan diende een verloting zich aan als uitkomst, al moest je dan wel eerst alle loten zien te verkopen wilde je er nog wat winst aan overhouden.
Helaas gaven maar weinig organisatoren enige opening van hun zaken. Voor de koe die in 1773 te Oostwold verloot werd, deed Geert Geerts 56 loten uit voor een rijksdaalder per stuk, terwijl Albert Hindriks Buiskool te Beerta 80 loten à 2 gulden liet meedingen naar zijn vette koe. Beide aantallen waren echter inclusief de vrije (gratis) loten voor het gerecht en de diaconie. In Oostwold zullen dat er 6 zijn geweest, in Beerta mogelijk 5. Bij het wegzetten van alle loten bracht de koe in Oostwold dus 125 gulden op en die van Beerta 150. Ik heb zo’n idee dat dit best wel hoge prijzen waren, maar we kennen het formaat en de kwaliteit van deze koeien niet en er zat, nogmaals, voor de organisator ook het risico aan vast dat hij niet alle loten verkocht.
Over de verlotingsmethode, en dit tot besluit, worden we slechts in twee late gevallen iets gewaar. Op 28 januari 1806 liet de Veendammer Willem Holle zijn gaande uurwerken verloten door middel van het gooien met dobbelstenen. Terwijl Wessel Geerts in Midwolda eind dat jaar zijn lakens en manchesterse stoffen kwijtraakte door kinderen met een soort van molentje de trekking te laten verrichten.
Nog even de belangrijkste conclusies op een rijtje:
- Verlotingen kwamen soms jarenlang niet voor. Dan zat er een wat strengere drost of speelde de religieuze en-politieke constellatie een rol. Na 1800 groeide het aantal verlotingen onmiskenbaar, wat verband houdt met de baanbrekende Verlichting.
- Verlotingen had je vooral ’s winters. In Winschoten kwamen ze het vaakst voor, daarna in Beerta. In de veenkoloniën had je ze relatief weinig.
- Bij ruim 40 % van de verlotingen ging het om levende have, m.n. slachtkoeien. Verder verlootte men nogal eens luxe uurwerken en huisraad, spullen die de eigenaars op de normale manier maar moeilijk aan de man konden brengen.
De schrik van het kerspel
Geplaatst op: 9 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsenIn 1750 mocht de Oldambtster drost ze eens in zijn gehoorkamer verwelkomen: de predikant en kerkvoogden van Nieuwolda,
“op het versoek van de caspellieden begerende eenen schrik voor hun caspel…”
De ‘schrik’ die ze op dat moment hadden (samen met een of twee andere kerspelen) deugde namelijk niet.
Met die aanduiding ‘schrik’ bedoelde men de roderoede of veldwachter, of, om het Groninger Woordenboek van Ter Laan aan te halen: “oudtijds den politiedienaar ten plattelande”. In deze betekenis schijnt de omineuze term ‘schrik’ (hij jaagt een kwajongen meteen de stuipen op het lijf) typisch Gronings te zijn geweest, want je vindt hem zo niet in het Drents Woordenboek van Hadderingh en ook niet in het het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT).
Afgaande op het woordenboek van Ter Laan, was de term ‘schrik’ voor veldwachter in de eerste helft van de twintigste eeuw nog bekend in Westerwolde. Maar ontstond de term daar dan ook, of was Westerwolde de regio waar die betekenis overleefde? Dit valt enigszins te toetsen met als uitgangspunt een andere opmerking van Ter Laan, te weten dat de term nog steeds voorleeft als geslachtsnaam.
In Ter Laans tijd had je geen Alle Groningers, maar nu wel, en een simpele query op de familienaam Schrik levert op dat die naam in 1740 voor het eerst in een Groninger doop-, trouw-, of begraafboek opdook. Tot 1810 treffen we in zulke registraties in totaal 21 meldingen aan van 13 mannen die Schrik heetten. Gezien de patroniemen kunnen de later genoemde echter slechts in enkele gevallen familie van de eerder genoemde zijn geweest. Afgaande op de retroacta burgerlijke stand is de naam dus op meerdere plaatsen ontstaan en dit betreft bijna louter plaatsen in het Oldambt, met achtereenvolgens eerste verschijningen te Finsterwolde (1740), Beerta (1758), Woltersum (1763), Winschoten (1767), Nieuwe Pekela (1773), Nieuwolda (1775), Zuidbroek (1780), Noordbroek (1783), Nieuw-Beerta (1788) en Meeden 1790). De opmars van de achternaam Schrik kent weliswaar zijn grillige momenten, maar lijkt globaal toch begonnen te zijn in het oosten van het Oldambt – pas later wordt die naam in de meer westelijk gelegen Oldambtster kerspelen geregistreerd.
Westerwolde had dus vast niet de primeur van de bijnaam Schrik die tot familienaam evolueerde, al bleef de veldwachter daar wel het langst zo heten.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 – 10 juni 1750 (Nieuwolda); 23 september 1754 (Finsterwolde); inv.nr . 6122 – 2 april 1770 (Finsterwolde); en inv.nr. 6128 – 15 juni 1779. In alle gevallen betreft het rekestboeken.
De eerste junkie van Sodom
Geplaatst op: 8 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
De kwakzalver of de Europese dodendans. Ingekleurde prent (1814). Collectie British Museum.
We zijn geneigd om verslaving aan opiaten te associëren met de jaren 60, of, als we wat verder terugkijken, met artsen en zeelui of met excentrieke schrijvers als Slauerhoff en Bilderdijk. Dat het een veel ouder verschijnsel is, dat ook een eenvoudige huisvrouw kon overkomen, blijkt uit een verzoekschrift, in 1752 ingediend bij de Oldambtster drost. Ene Geert Jans vertelde de regionale magistraat in dat stuk hoe zijn
“ehevrouw Swaantie Jans zig an het gebruik van filonium zodanig heeft overgegeven dat ze ter obtenue van hetselve zig niet ontsied, om de mobilia tot suppl[ian]ts hemden en zijne kinderen lyfstoebehoren incluis te verkopen, en zulks wel voor minder dan de halvscheid van de waarde der goederen, zoodat de suppl[ian]t daardoor notoir in de uiterste armoede moet vervallen, temeer daar zijne vrouw door het geobtinueel gebruik van opgemeld filonium ten eenemaal buiten staat is gesteld om de huishoudinge waar te nemen en suppl[ian]ts onnosele kinderen behoorlijke handreikinge te doen… ”
Met andere woorden: Swaantje, de vrouw van Geert Jans, was dusdanig verslaafd aan ‘filonium’ dat ze er zelfs huisraad en kleding van haar man en kinderen voor versjacherde, en dat voor minder dan de helft van de waarde. Geert vreesde voor hun totale ruïnering, temeer daar Swaantje door het middel ook haar huishouding en jonge kinderen verwaarloosde.
Dat middel filonium of philonium waaraan ze zich overgaf, was in de Late Middeleeuwen al bekend. Volgens een compendium van medisch vocabulaire in die tijd werd het samengesteld uit opium, zaden van bilzekruid en goudenregen en allerhande in- en uitheemse kruiderij, terwijl honing en arabische gom als smaak- en bindmiddel fungeerden. De consument moest het voor gebruik mengen met wijn of anijswater en het vond hoofdzakelijk toepassing bij longkwalen, maar ook wel bij een simpele verkoudheid. “Beneemt het hoesten terstont”, aldus de Nieuwe veldmedicine, een handboekje voor legerchirurgijns uit 1693. Het Huishoudelyk woordboek van Chomel (1743) noemt filonium bij het lemma “Verdoofmiddelen, narcotica of slaapmiddelen”, terwijl het Nieuw en volkomen woordenboek uit 1777 het schaart onder de opiata of “middelen onder welken de opium geteld wordt”. Tot zover het voornaamste bestanddeel. Erg veel moeite kostte het niet om aan philonium te komen, want je kon het destijds gewoon kopen bij de barbier om de hoek, die het dan vast in een minder fraaie pot zal hebben bewaard dan de apotheker dat deed.
Geert Jans voegde een getuigenverklaring bij zijn verzoekschrift om zijn relaas te staven. “Met uiterste verlegenheid teffens schaamte angedaan” vroeg hij de drost om een maatregel, liefst het “prodiga” verklaren van zijn vrouw. Dat betekende dat ze officieel tot een verkwistster en doorbrengster bestempeld werd, zodat ze onder curatèle gesteld kon worden.
De drost willigde dit verzoek in. Van de prodiga-verklaring zou een akte in de daarvoor gebruikelijke vorm worden opgesteld,
“om ter plaatse van haar woninge gepubliceeerd en angeslagen te worden tot een jeder narigt.”
Daarmee stond Swaantje er in haar woonomgeving als een paria op, want mensen die hun eigen en andermans goed erdoor jasten werden met de nek aangekeken. Iemand die daarna nog spullen van haar durfde kopen kon worden beschouwd als een heler. Iemand die haar daarna nog geld leende, had het geheel aan zichzelf te wijten als hij dat geld niet terugkreeg.
Uiteraard heb ik geprobeerd om Geert en Swaan via Alle Groningers wat beter in beeld te krijgen. Hij bleek uit Oostwold te komen en zij uit Winschoten, toen ze in 1740 in Winschoten trouwden. Daar in Winschoten werden ook hun kinderen geboren:
- 1742: Sijben
- 1743: Jan
- 1750: Geesien
- 1753: Geesien
Uit het feit dat beide laatste kinderen dezelfde naam kregen, mag je aannemen dat het voorlaatste overleed. Mogelijk drukte Swaantje het verdriet daarover weg met philonium?
Hoe het ook zij, aan het rekest danken we de eerst bekende drugsverslaafde van Winschoten, en waarschijnlijk ook de eerste cold turkey.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen), die van 4 mei 1752.
‘Een ondraaglijke, onnodige en zelfs schadelijke order’. Onrust in Zuidbroek over wegschouw
Geplaatst op: 7 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Pieter van Loon – Vegende vrouw. Collectie Rijksmuseum.
Al mocht zijn preektrant niet helemaal naar de smaak zijn van de nazaten, in zijn eigen tijd gold ds. Conradus Klugkist van Zuidbroek en Muntendam als een zeer geleerd en achtenswaardig man. Hij publiceerde een prekenbundel over “des Heilands geboorte in Betlehem” (1736), terwijl hij ook een stichtelijk werk uit het Duits vertaalde (1737), boeken die in beide gevallen kennelijk in een behoefte voorzagen, gezien de herdrukken die ze beleefden.
Dat ds. Klugkist niet helemaal aan de wereld ontstegen was, daarvan getuigt een verzoekschrift dat hij in mei 1738 bij de Oldambtster drost indiende namens een aantal nabers in het Zuidbroekster kerkbuurtje:
“Op den ingediende request van pastor C. Klugkisten en verder ondergeschreven bewoners van huisen an de strate te Zuidbr[oek], dat op sondag laast voorleden is afgekondigt een order der dijkrigteren, waarin onder anderen de remonstr[ant] opgelegt wort de strate nevens de goten en pompen by deselve àlle weken te schonen, met bedreiginge van de nalatige de breuk ten scherpsten te zullen afnemen, welke order alsoo door (= voor, HP) de remonstr[ant] ondraaglijk is, gelijk in sigself onnodig, indien niet schadelijk, de ondergeschrevene haar genootzaakt vindende U Wel Ed[ele] Hoogwijse Gestr[enge] in desen om redens te versoeken, temeer daar van ondenkelijke tijden of altoos door de caspeldienaar (die daarvoor tractement geniet) ansegginge word gedaan om de straate, goten en pompen te schonen wanneer de dijkrigteren zulks nodig oordelen, met bepalinge van dag wanneer geschout zal worden.”
Met andere woorden: de predikant hoorde in zijn eigen kerk na de preek een bekendmaking voorlezen namens de dijkrichters – d.w.z. degenen die toezagen op het onderhoud van allerlei voorzieningen in de openbare ruimte – waarbij hij en zijn buurtgenoten werden verplicht om èlke week de straat, de goten en de duikers onder hun dammen schoon te maken. Gebeurde dat niet, dan zouden ze bij betrapping zonder meer de daarop gestelde boete moeten betalen. Klugkist en zijn nabers verzetten zich uiteraard niet tegen het schoonhouden op zich, maar ze vonden deze algemene bekendmaking ondraaglijk, overbodig en zelfs contraproductief, omdat het tot dan toe altijd zo was geweest dat de kerspeldienaar de mensen individueel aansprak als er op een tevoren bepaalde dag een schouw van de dijkrichters aan zat te komen en er dus nog het nodige moest gebeuren. Die kerspeldienaar werd daar ook nog eens voor betaald; door de nieuwe methode zou hij erbij in kunnen schieten. Klugkist en zijn buren wilden daarom graag, dat de dijkrichters hun oekase nader zouden motiveren.
Op vrijdag 16 mei beloofde de drost om Klugkist en de dijkrichters “nader te verstaan en soo doenlijk te reguleeren”. Beide partijen kregen daarom een uitnodiging om op maandag 19 mei in het rechthuis van Noordbroek te verschijnen.
Van deze bijeenkomst vond ik geen verslag. Merkwaardig is, dat hierna in het rekestprothocol een verzoekschrift van de Zuidbroekster dijkrichters is ingeboekt, dat (deels) lijkt te reageren op het rekest van Klugkist en zijn buren, maar waarvan de kantbeschikking gedateerd is op 10 mei, dus nog voor de apostille op het rekest van Klugkist. Misschien maakte de klerk een foutje bij het overschrijven – dat gebeurde wel vaker – maar beide rekesten zijn überhaupt laat ingeboekt, namelijk pas tussen 16 juli en 4 augustus, zodat ik vermoed dat er wat anders aan de hand is geweest. Ik denk dat de dijkrichters wel even voor of op 10 mei een verzoekschrift hebben ingediend, maar dat afschrijving vanwege het protest door Klugkist c.s. alsnog is aangehouden tot na de bespreking met beide partijen, waarbij de tekst, in elk geval die van de kantbeschikking, alsnog is aangepast.
Onder aanvoering van wedman Swijghman, beweerden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam dan,
“dat in dit caspel de gewoonte is de anseggingen en kerkenkundigen prævie te doen voor en al eer de wegens en straten (gemaakt) wordende, sijn in dit variabel saisoen seer nadelig, als wordende op gestelde dagen dickwijls door de regen daarvan belet en de kerkenkundiging niet haastiger als van 14 dagen tot 14 dagen kennende geschieden, passeert te mets de bekwame tijd [en] dewijl door de lange droogte de kleywegen en straten haast te hart en enbekwaam werden deselve na behoren te kunnen maken en schonen, ’t geen niet te redresseren is, tensy de dijckrigteren in haar q[ua]l[i]te werden geouthoriseert een generale kundiging te laten doen, dat een jegelijk der ingesetenen van Zuidbroek en Muntendam ten allen tijden gehouden zijn haar wegen en straten goet en schouwvry te hebben, en de dijkrichters dieswegen vrei staat alle saturdag of wat dag in de week goet vinden, na manier der naburige kaspels, deselve te schouwen en de nalatigen te breuken na gewoont.”
Met andere woorden: In Zuidbroek en Muntendam was het volgens de dijkrichters de gewoonte om iedere periodieke schouw op zich aan te kondigen, maar door het veranderlijke weer en onvoorziene regen ging naderhand vaak de goede gelegenheid voorbij voor schoonmaak en -schouw. Anderzijds maakte langdurige droogte de kleiwegen te hard en ongeschikt voor elk onderhoud. Verder speelde parten dat er (om wat voor reden dan ook) slechts eens in de twee weken een kerkdienst was waarbij een schouw kon worden aangekondigd. In plaats van een aankondiging per schouw, vonden de dijkrichters het daarom beter (eens per jaar in het voorjaar) een algemene aankondiging te doen. De dijkrichters mochten en konden dan ook op elk gewenst moment, vooral op zaterdag maar in principe op elke werkdag, schouwen en nalatigen beboeten. Op die manier was het geregeld in de naburige kerspelen en zo wilden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam het ook gaan doen. Daarvoor vroegen ze toestemming van de drost.
Wat de dijkrichters er niet bij vertelden, dat ze zo veel meer armslag kregen bij hun controles. Naast een disciplinerend, zat er ook een financieel kantje aan de zaak. Telkens opnieuw een schouw moeten aankondigen, kostte nu eenmaal meer geld dan een algemene afkondiging ineens. Bovendien werd het telkens aankondigen van een schouw door de kerspeldienaar overbodig. Dat spaarde toch ook menig stuivertje uit.
Hoe dan ook, de drost willigde het verzoek van de dijkrichters in. Dominee Klugkist en zijn nabers dolven het onderspit. Wel vond de drost dat de zijlvestendienaar (dezelfde als de kerspeldienaar?) niet mocht worden benadeeld. Die bleef zijn inkomen houden uit het doen van aanzeggingen inzake wegonderhoud, gedaan uit naam van de drost.
—
Bron: RHC Groninger Archieven toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6118 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).
Goa van mien laand oaf! (4)
Geplaatst op: 4 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis 10 reactiesVoordat er in 1769 een polder voor Oostwold in de Dollard kwam, werd dat kerspel aan de Dollardkant nog begrensd door de oude dijk van 1701. Echt ver van de parallelle weg met de huizen lag die dijk niet. Ertussen lag een strook met landerijen, die in 1737 deels in handen was van dominee Klugkist van Oostwold en Ebel Reints, een grote boer ter plaatse. Met lede ogen zagen zij aan
“dat enige visschers en andere personen te Oostwold van of na de dijk gaande over der Remonstr[an]ten landerijen met koorn bezaaayt of bewassen, bijpaden maken, tot groot nadeel van de eijgenaars…”
Ze wilden graag dat de drost hier maatregelen tegen nam, in dier voege
“dat jedereen mag worden geïnterdiceert over der remonst[ran]ten landerijen bijpaden te maken, maar dat zij de ordinarisse passagie zullen moeten gaan, bij zeekere poena voor de overtreders, als moge worden toegestaan dat hiervan kerkenkundinge werde gedaan.”
De drost antwoordde dat hij de zaak “tot genoegen” van de verzoekers zou regelen. Er kwam dus inderdaad een verbod, zo ook een kerkenkondiging van dat verbod. De armetierige garnalen- en botvissers van Oostwold moesten voortaan wat verder lopen naar de zee. Met name aan de westkant van Oostwold zal ze dat best moeite hebben gekost.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechterlijke archieven Oldambt) inv.nr. 6118 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).
Arme, maar nijvere schoenlapper krijgt gratis woning
Geplaatst op: 3 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
“Op den ingediende requeste van Jacob Klasens en cons[or]t[en], diaconen des carspels Nieuwolda, hoe dat dezelve wel genegen waren met beraat en goedkeuring der overige kerkeraad door handtekening hieronder blijkbaar, an eenen Pieter Hindricks schoenlapper alhier met zijn zwaar gaande huisvrouw en twie kleyne kinderen toe te staan, an zeker armhuisje alhier een kamer en agterhuisje te laten timmeren en afschieten met het gebruik der halve tuin, en hem daarin zonder beswaringe van gront of huis voor zijne en zijns vrouws leven te laten wonen, zijnde en blijvende hetzelve diaconiegoet, alleen het vrieje gebruik desselfs an hen voor hun leven.
En zijn hiertoe bewogen door het goede getuignisse en gedrag dezes mans, zijn diepe armoede, zijn swaklijk lighaam, zijn swaar gaande vrouw en kleyne kinderen, en dus grote nootsake om vrie te wonen, zijn ijverlust en neerstigheijd om met zijn eijgen handen werkende zijn broot te gewinnen, de liefdadigheijd van andere om hem te geven alles wat deeze timmering moet kosten en ingevalle deeze kosting meerder mogte kosten dan het gegevende beloopt, dat genoemde Pieter Hindriks ’s jaarlijks na vijf ten hondert daarvoor tot rente zal betalen zonder aflossinge van het capitaal, blijvende de diaconie dus hierin niet alleen kosteloos, maar zullen ook eijndelijk het profijt desselfs genieten…”
Met andere woorden: de diaconie en de kerkeraad van Nieuwolda wilden de arme en ziekelijke schoenlapper Pieter Hindriks, wiens vrouw zwanger ging van hun derde kind, toestemming geven tot de aanbouw van een eenkamerwoninkje met achterhuis (schuur) aan een al bestaand armhuisje, waarbij Pieter en zijn vrouw dan de halve tuin zouden mogen gebruiken en dat hun leven lang voor niets. Dat de diaconie dit wilde doen kwam, afgezien van ’s mans armoe etc., vooral door zijn vlijt. Anderen gaven de schoenlapper het geld om zijn huis te kunnen laten bouwen, en mochten de bouwkosten hoger uitvallen dan door deze liefdadigheid binnenkwam, dan leende de diaconie Pieter de rest tegen 5 % rente, waarbij hij en zijn vrouw niets van de hoofdsom hoefden af te lossen. Uiteindelijk zou het huisje overigens wel aan de diaconie toekomen.
Voor dit plan vroeg de diaconie van Nieuwolda in 1737 om toestemming aan de drost, die deze grif gaf. Pieter genoot veel krediet onder de mensen!
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6118 (rekesten met apostilles), het verzoekschrift d.d. 12 april 1737.
Werken voor nop en toch belasting betalen – Oldambtster timmerlui dubbel gepakt
Geplaatst op: 1 januari 2017 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Voor 1764 was alle werk aan de Oldambtster terechtstellingsplaats in Zuidbroek collectief ‘beewerk’. Dat wil zeggen dat de kerspelen mannen leverden, die dit werk zonder loon, maar met gratis eten en drinken moesten doen. In 1764 werd besloten het anders te doen, omdat aanbesteding toch wel wat goedkoper was en ik denk niet dat het wat middeleeuws aandoende systeem daarna terugkeerde.
Het timmerwerk op de executieplaats gebeurde voor 1764 eveneens collectief en wel door de timmerlui van drie of vier kerspelen gezamenlijk. Bij elke terechtstelling trad dan een ploeg uit een ander dorpenkluster aan. Naar dat collectieve werk verwijzen “de gezamentlijke timmerluiden in het Woldoldambt woonagtigh”, als ze in 1732 onder aanvoering van hun Veendammer voorman Jan Jans Bruins de drost eraan herinneren
“hoe genootsaakt zijn bij alle execuitiën (in cas door UWelgeboorene haar wort geordonneert) de voorvallende zaken, hetzij maken van een galg, rad, kaak of jeets anders, wat name mogten hebben, præsent te moeten wezen en haar werk te doen bij poenalen daar op gestelt, of door UWelgeb[oren] Gestrenge te statueren…”
Desalniettemin moesten in alle kerspelen die timmerlui ook nog eens het hunne bijdragen aan de misen van justitie, ter betaling van de scherprechter en zijn personeel. Volgens het verzoekschrift van de Omdambtster timmerlui was dit “zeer schadelijk voor de remonstranten”. Daarom vroegen ze de drost om een vrijstelling van deze last.
De drost zag duidelijk de billijkheid van hun verzoek in, maar bevrijdde de timmerlieden er niet categorisch van. Hij hield het op 25 november 1732 bij een zware aanbeveling aan de kerspelen:
“verwagt van de ingezetenen van het Wold Oldambt de timmerluiden van de mijzen der justitie te libereren, mits dezen an de respective schatbeurderen zal worden geïnsinueert.”
De timmerlui moesten het rekest met deze kantbeschikking dus aan de schatbeurders van hun dorpen laten zien, die het dan eventueel nog in een kerspelvergadering konden brengen. Die schatbeurders werden door de boeren gekozen, ze inden o.a. verponding (grondbelasting), zijlschot, misen van justitie, roderoedegeld (voor het salaris en het kloffie van de veldwachter) en meentelasten (aan onderhoud wegen en waterlopen). Als een timmerman in een kerspel zo’n schatbeurder en de boeren tegen had, dan kon hij naar die vrijstelling fluiten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerecht Oldambt) inv.nr. 6117 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen).
Het verdriet van Winschoten – de torenklok kwam almaar niet klaar
Geplaatst op: 31 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
In september 1732 stonden de Winschoter kerkvoogden alweer in de gehoorkamer van de Oldambtster drost, maar nu voor een heel andere kwestie. Dit keer stelden ze aan de orde
“hoe door Roelf Kunst woonagtigh bij ’t Waar is angenomen om een nieuwe wijzer als mede de oude wijzers an de Winschoter toren te maken, repareren en verbeeteren, als mede het uirwerk in goede orde te brengen, waarmede nu al een geruimen tijt is bezig geweest en ten deele geperfecteert, maar nalatig zijnde om alles in order te brengen, strekkende tot groot nadeel van rem[onstran]ten in haar q[uali]te…”
Waarschijnlijk kregen de kerkvoogden regelmatig van hun kerspelgenoten te horen dat de torenklok nog steeds niet werkte, want in het algemeen was men daar wel wat afhankelijker van dan nu: veel mensen hadden geen klok in huis, laat staan een horloge op zak. Als de torenklok het dan ook nog eens niet deed, moesten ze steeds anderen vragen om de tijd, een afhankelijkheid die wellicht vooral de dienstbaren, die toch al in alles afhankelijk waren, beschroomde en tegenstond.
De naam Kunst, om weer terug te komen op het rekest, doet uiteraard denken aan de bekende schilder van pastelportretten, wiens geboorteplaats Nieuwolda ook vlakbij Het Waar ligt, de woonplaats van de man over wie de Winschoter kerkvoogden klaagden. Roelf Kunst zou bijvoorbeeld een oudoom van de portretschilder kunnen zijn geweest, maar in de gauwigheid heb ik geen familierelatie kunnen vaststellen. Belangrijker vind ik ook de vraag waarom iemand in een tijd van bijna louter patroniemen Kunst heet, of zich zo laat noemen. En dan kom ik erop dat de onderscheidende (bij)naam) samenhangt met de uitzonderlijke beheersing van een ambacht, waarbij het niet uitmaakt of dat schilderen, vergulden of heelkundig opereren betreft.
In elk geval lijkt de Roelf Kunst van Het Waar te maken te hebben gehad met de handicap of karakterzwakte dat hij iets niet kon afmaken, en/of dat voltooien steeds uitstelde. Procrastinatie, daar hebben wel meer mensen last van, tot groot verdriet van henzelf en opdrachtgevers. Maar aan het bestek waarop de Winschoter kerkvoogdij Kunst aan het werk zette, mankeerde blijkbaar ook wel iets, namelijk een duidelijke opleverdatum met een boeteclausule. Anders had de kerkvoogdij helemaal niet naar de drost hoeven stappen. Deze vroegen ze nu om toestemming
“…ten laste van hem Roelf Kunst gemelte angenomen werk te laten verveerdigen in cas door hem zelfs inwendig korten tijd niet werd geperfecteerd.”
Met andere woorden: ze wilden alsnog een onverbiddellijke deadline op korte termijn en als Kunst die niet haalde, het werk op zijn kosten aan een ander gunnen.
De drost gaf de kerkvoogden hun zin. Roelf Kunst kreeg nog drie weken de tijd, en zo hij de tijdwijzers en torenklok van Winschoten dan nog niet klaar had, mocht een ander het gaan doen, na een aanbestedingsprocedure die Kunst dan zou moeten betalen.
Aangenomen dat de kerkvoogden wel eens in Kunst zijn werkplaats waren wezen kijken en dat Kunst inderdaad een (aaanzienlijk) deel van de klus geklaard had, zal hij wel razendsnel aan het werk zijn gegaan. Hij moet toch immers ook hebben geïnvesteerd in materialen, zoals verguldsel. Dat zou allemaal verloren geld zijn, als hij niet aan het drostenbevel voldeed.
Brooddronken wulpsheden van Winschoter ‘voesiefloiters’ geweerd met roderoede
Geplaatst op: 30 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Kerk Marktplein Winschoten. Foto: Ripperda (Flickr cc).
Ik had het er laatst over dat de Winschoter jeugd al vroeg vandalistisch was, omdat ze in 1796 stenen en ballen op het dak en door de ramen van de lokale kerk gooide, en dat – ’t was godgeklaagd – zelfs tijdens de preek, maar dat ze zò vroeg baldadig zou zijn, nee, dat had ik nou ook niet gedacht.
In 1731 deden de Winschoter kerkvoogden er namelijk al hun beklag over bij de drost. En daarbij herinnerden ze hem aan een maatregel die hij tien jaar eerder nam:
“…hoe uw Hoogwelgeboorne Gestr[enge] op den 13 Januarij 1721 de ingesetene van Winschoot heeft gelieven te inhibeeren en verbieden om tot eeniger tijd in gemelte kerke of op gemelte kerkhof te speelen en tappen in de huizen daar an gelegen, welke ordinatore ook is gepubliceert, soo is ’t nogtans dat niet alleen geduirende en onder de godsdienst zoo van prædicatiën als catechezatiën, maar zelfs ook tusschen de prædicatiën, veel speeleriën en andere brooddronkenheden, met speelen, vloeken, sweeren, op de vuisten te floejten als anders worden gepleegt, het welke strekt tot de uitterste disrespect van de godsdienst en grote schade van de kerke, welke mede door het smijten van steenen in de kerkglazen wort toegevoegt.”
Dit lijkt nog ernstiger geweest te zijn dan ruim zestig jaar later! Anno 1731 riepen de Winschoter kerkvoogden al om meer straf en een strenger optreden:
“verzoekende dat uw Hoogwelgeb[orene] bij dezen de ingezetenen van het zelve caspel of wie het ook mogte zijn naader en swaarder poenaal alle wulpsheden in de kerke [en ] op en om het kerkhof te plegen gelieve te inhiberen en verbieden en dat de orders gehouden zijn voor de delinquenten en de broodheeren en- vrouwen voor hare boden, zodane poenaal (als daarop gestelt zal worden) te moeten voldoen en verder de roroede gelast geduirende, onder en tusschen de prædicatië en cathechisatiën zig omtrent de kerke te mogen ophouden om alle delinquenten ingevolge vorige order met adsistentie van de gerigtsdienaar ter plaatze de facto te roven en te excuteren.”
Dat laatste klinkt veel dreigender dan het was. Met ‘roven’ werd inbeslagname van een sieraad of stuk kleding bedoeld, een onderpand dat ervoor garant moest staan dat de overtreder van het verbod, of anders diens kost- en werkverschaffer, de boete werkelijk betaalde. Executeren had destijds nog de brede betekenis van ‘uitvoeren’, in dit geval vooral handhaving van het gevraagde verbod om zich op zondag op het kerkhof te mogen bevinden.
In zijn tamelijk korte apostille of kantbeschikking zette de drost echter geen zwaardere boete dan er al stond op overtreding van het al tien jaar bestaande omgevingsverbod. Blijkbaar vond hij het probleem toch wat minder ernstig dan de kerkvoogdij het hem voorstelde. Wel gaf hij de roderoede (of veldwachter) opdracht om te doen wat er gevraagd werd, te weten ’s zondags toezicht houden op het kerkhof, om daar vandalistische jongeren te weren, aan te houden en te beboeten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6117 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen), 27 november 1731.
Luguber landschap in Beerta
Geplaatst op: 29 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Dik van Lokhorst, Hond achtervolgt schaap. Collectie Rijksmuseum.
“Hebben zig geaddresseert Hindrik Jans en cons[orten] hoe dat voor eenige dagen derselvere schapen door de honden van Sikko Fokkes zijn gebeeten, waarvan de gedooden alsnog op het land zijn liggende en de wolle wort gedistrueert, waarvan nogtans wel eenig zou kunnen worden geborgen, dog zulks zonder U Hoog Edele consent zig niet durvende anmatigen, derhalven versoeken de supplianten dat U Hoog Edele Geb[orene] dezelve salvo partium jure om de wolle der gedoode schapen tot zig te mogen nemen believe te authorizeren.
is geapostilleert:
Het versogte in dezen wort remonstr[anten] salvo jure geaccordeert en sal dezen ter secretarij worden geprothocolleert.
Actum den 3 Martius 1732
(onderstont)
G. Schaffer, drost“
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechten Oldambt) 6117 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).
Commentaar: Blijkbaar bleven de doodgebeten schapen dagenlang op het land liggen, hangende een gerechtelijke taxatie van de schade als opmaat voor een procedure om schadevergoeding tegen hondenbezitter Sikko Fokkes, die in Beerta woonde. In de maartse buien bedierf de wol en dat vonden de eigenaars zonde. Daarom vroegen ze toestemming de schapen te mogen scheren of villen. Zo’n toestemming van de drost ging meestal ook wel wat tijd overheen, intussen moeten de aangevreten schapenkadavers nog langer op het land hebben gelegen.
Grondgebruik en paardenbezit in Midwolda
Geplaatst op: 28 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Het rechterlijk archief van het Oldambt bevat een lijst met alle boeren en andere paardenbezitters, anno 1797 aangetroffen te Midwolda, welke lijst zal zijn opgesteld met het oog op het leveren van wagenbeurten, bijvoorbeeld voor Franse troepen op doortocht. De lijst, oorspronkelijk getiteld “Overgave van die landgebruikers van Midwolda als meede de burgers van haar paarden” noemt primair de grootte van het grondgebruik van al deze paardenbezitter en moet daarmee primair opgesteld zijn aan de hand van het schatregister, zeg maar het kohier van de verponding, dat was een grondbelasting die door de lokale schatbeurder geïnd werd. De collector of gaarder van de commiezepenningen leverde de opsteller daarna waarschijnlijk de aantallen paarden. Hoe de systematiek verder was, is me onbekend, maar het lijkt erop dat er een route werd gevolgd van oost naar west langs de hoofdweg. Omdat het resultaat zo een bonte afwisseling van areaalgroottes was, heb ik die volgorde omgezet in eentje naar grootte van het grondgebruik. Met de aantekening dat een deimt ongeveer 0,45 hectare is, ziet de lijst er dan zo uit:
| Naam | Bijzonderheden: | Aantal deimten: | Aantal paarden: |
| Tonnis Ebels wed. | man was zijlvest etc. |
133 |
6 |
| Johan Hora Siccama | regent, Ennemaborg |
120 |
6 |
| Klaas Tonnis (Kremer) | zijlvest, kerkvoogd |
113 |
6 |
| Uipko G. Stikker |
88 |
4 |
|
| Aiso Daniels |
86 |
4 |
|
| Wypko Uidens |
85 |
4 |
|
| Poppo Hillenius wed. |
80 |
4 |
|
| Tiddo Pieters |
80 |
4 |
|
| Galtje Jacobs | (Geertsema) |
80 |
4 |
| Freerk Ubbes |
80 |
4 |
|
| Tonko Menses |
79 |
4 |
|
| Pieter Pieters |
76 |
3 |
|
| Gerrit U. Stikker |
75 |
4 |
|
| Menno Abels |
74 |
3 |
|
| Aiso Pieters |
73 |
3 |
|
| Hanno Juikes |
72 |
3 |
|
| Eltjo Jans |
70 |
3 |
|
| Wildrik Menkes |
70 |
3 |
|
| Harmannus Beerents |
70 |
4 |
|
| Luitjen Aalders |
68 |
3 |
|
| Luilf kinder kinder |
64 |
3 |
|
| Hinderk Jans |
63 |
3 |
|
| Febe Hinders | (Buiskool) |
60 |
3 |
| Beerent Pieters |
60 |
3 |
|
| Harm Heijes |
60 |
3 |
|
| Lubbert Jans |
55 |
2 |
|
| Eltjo Luitjens |
50 |
2 |
|
| Onno Jans |
50 |
2 |
|
| Harm Fokkens |
26 |
– |
|
| Jan Derks |
25 |
2 |
|
| Oewe Okkes Joling |
20 |
2 |
|
| G.J. van Hasselt | hervormd predikant |
20 |
2 |
| Engel Roelfs |
16 |
– |
|
| Roelf Engels |
16 |
– |
|
| Jacobus Molema | molenaar |
8 |
2 |
| Hindrik Olferts |
8 |
2 |
|
| Harm Tiddens wed. |
6 |
– |
|
| Jan S. Muller |
5 |
2 |
|
| Jan Themmen | koopman |
4 |
– |
| Emmo Cornelis |
– |
2 |
|
| Tonnis Duirkens |
– |
1 |
|
| Hindrik Alberts Krol | herbergier Praage |
– |
1 |
| Warner Willems | collector |
– |
1 |
| S.J. Bleeker | arts |
– |
1 |
| Gerrit Jacobs |
– |
1 |
|
| Eppo Tiddens | paardenhandelaar? |
– |
5 |
| Albers Fiebes | “van deze deimten wordt betaald.” |
10 |
|
| Jan Aalders |
10 |
||
| Meindert Jans |
8 |
||
| Okko Derksa |
8 |
Nog even van boven naar beneden: helemaal bovenaan staan de (stads)bestuurder en politicus Johan Hora Siccama, die ’s zomers op de Ennemaborg woonde, en vader en zoon Tonnis Ebels en Klaas Tonnis (Kremer), die o.a. zijlvest en kerkvoogd waren, de hoogste functies voor landbouwers op locaal niveau. Vader en zoon waren ook eigenerfden. Daarna volgt de bulk van de boeren, voor het leeuwendeel beklemde meiers met 50 tot 90 deimt grond in gebruik. Na die groep valt er qua landgebruik een gat – bij de burgers gebruikte de hervormde predikant nog relatief veel grond (20 deimt), maar de meesten zitten hier ver onder. De herbergier, de collector (= belastinggaarder) en de dokter hebben zelfs geen grond, maar wel paarden, die ze dan wel zullen hebben laten weiden op los gehuurd land of tegen betaling van weidegeld.
Omdat er ook mensen op de lijst staan, die wel de beschikking hadden over grond in het kerspel Midwolda, maar er niet woonden (zie de laatste vier namen) en hier dus ook geen paarden op stal hadden staan, is het paardenbezit nog het beste criterium voor een classificatie. Niet voor niets had men het elders, bijv. in Drenthe, over keuters, eenpaards-, tweepaards- en driepaardsboeren etc. om landbouwers naar stand te kunnen onderscheiden. Het kruistabelletje voor Midwolda ziet er dan als volgt uit:
| Aantal paarden: | Eigenaars met dat aantal: | Typering: |
| 0 | 8 | burgers en boeren van buiten |
| 1 | 5 | burgers |
| 2 | 11 | burgers, boeren tot 60 deimt |
| 3 | 12 | boeren met 60 tot 75 deimt |
| 4 | 10 | boeren met 75-90 deimt land |
| 5 | 1 | Paardenhandelaar? |
| 6 | 3 | bestuurders, eigenerfde boeren |
Hoop deze classificatie nog eens te kunnen vergelijken met een andere, veel bredere, op basis van de bekkenopbrengsten bij begrafenissen.
Wildervankster jager op ‘schadelyk wild’
Geplaatst op: 28 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Henry Alken – Spearing an otter. Van deze bezigheid lijkt me de familienaam Otterspeer afgeleid.
Hindrik B. Dost, woonachtig te Wildervank, kwam bij de Oldambtster drost om iets te verzoeken uit hoofde van een bijzondere kostwinning:
“zijn bestaan gedeeltelijk hebbende van het vangen van otters, vossen en roofvogels op gronden & langs wateren van diverse eigenaren die hem daartoe permissie verleenen.”
In je verbeelding zie je dan eerst een figuur, een soort trapper of pelsjager, dat de woeste gronden achter Wildervank afstroopte op die schadelijk gevonden dieren. Maar dan blijkt dat de opsomming uit diens verzoekschrift gewoon gecopieerd is, namelijk uit de publicatie van het Groninger Departementaal Bestuur de dato 28 december 1802, met nieuwe regels voor de jacht en visserij. Per 1 januari 1803 was het voorlopig streng verboden:
“enig wild hoegenaamd te schieten, of te vangen, op welke wyze zulks ook zoude mogen geschieden, het zy met schietgeweer, honden, strikken of anderszins na den laatsten december dezes jaars; met vrylating echter aan een iegelyk, op zyne eigene gronden of langs zyne eigene wateren, jagt te maken op schadelyk gedierte als: otters, vossen en roofvogels, mits daarvan vooraf aan het gerichte locaal kennis gevende.”
Iemand die deze regels overtrad – eigenlijk een stroper, al valt die term niet – kreeg de eerste keer 25 gulden boete. Kon hij die niet betalen, dan dreigde hem enkele dagen gevangenschap op water en brood. Bij een tweede keer werd de boete opgeschroefd tot 50 gulden en “in cas van onvermogen” omgezet in een verbanning van drie maanden uit het Departement. Recidiveerde iemand dan nog eens, dan kwam hem dat te staan op twee jaar ballingschap. Uiteraard volgde bij alle drie de sancties de verbeurdverklaring van het gebruikte jachtgereedschap.
Hindrik Dost jaagde dus op schadelijk gevonden wild, maar dat op àndermans terrein en hij had specifiek voor dat doel permissie nodig. Hij wilde die jacht graag ongemoeid uitoefenen, “ook in de verboden tijd”, zonder dat hem dergelijke sancties dreigden.
De drost gaf hem inderdaad de gevraagde jachtvergunning, maar Hindrik moest wel eerst even naar de wedman van Wildervank om deze de “instrumenten die hij gedenkt te gebruiken” te vertonen, en om daarbij te verklaren
“dat hij geen andere zal nemen, bij verlies van den concessie & onder de poenaliteiten daartoe staande”.
Met die “instrumenten” zullen de door Hindrik te gebruiken jachtwapens bedoeld zijn, maar ik denk dat Hindrik toch ook wel de vergunningen moest kunnen tonen van de diverse grondeigenaars, op wier terreinen hij jaagde. Kon Hindrik zo’n vergunning niet op en voor een bepaald terrein laten zien, of jaagde hij met ander gereedschap dan het getoonde, dan werd hij vast alsnog beschouwd als een stroper.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6142 (samengevatte rekesten en apostilles), die van 3 mei 1803.
Sunt Steffen en ’t steffenrieden of steffenen
Geplaatst op: 26 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Twaide Kerstdag hait ’t in Stad. En ’t zegt de lu niks: houveul waiten, wat dat Kerst bedudt! Bie ons op ’t laand hait ’t bie d’aine „twaide Midwinter”, ieder vuilt wat dat is. Bie d’aander: Sunte Steffen. En dei dat zegt is van ’t boerwaark en denkt aan ’t steffenrieden. Peerden staon al zo laank op staal, van d’aine schonke op d’aander, worden weelderg en wensteg nao boeten. Nou, den ’t gele dek tr maor op en de braide boekraim aansjord, ’t haalf dek omslaogen en hup! dat zit. En nou maor rieden, aans wordt joe ’t gedaierte veurjaor maaldaartel op ’t laand…”
Bron: Geert Teis in Het Vaderland, 30 december 1923.
Over hetzelfde gebruik in Oost-Drenthe zie
Hoe menslievend Beerta Kerstmis vierde
Geplaatst op: 24 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenBericht uit Beerta:
“Het Kersfeest werd alhier op eene waardige wijze gesloten met een declamatorium , afgewisseld door zangstukken, meesterlijk door het zangkoor uitgevoerd, ten voordeele van de drie hier bestaande naai- en breiseholen voor minvermogenden, dat de som van 70 gulden heeft opgebragt. De zang en tevens het menschlieveud doel waarmede men te zamen was, bragt alle aanwezigen in eene blijmoedige stemming, en velen gewis verlieten de zaal met het heiligend gevoel van wél te hebben gedaan. Eere en dank het zangkoor, dat deze nuttige inrigtingen jaarlijks door het geven van een concert een subsidie verschaft waardoor ze grootendeels bestaan.”
Bron: Groninger Courant 29 december 1854.

Recente reacties