Bijenman blijkt smokkelaar

bijenkorf-ca-1800

Op de boeldagen van dat voorjaar “eenige korven met ymen hebbende gemijnd”, betaalde koper Hiltjo Benes deze bijenvolken niet. Daarom zetten de wedmannen van Midwolda en Winschoten een invorderingsprocedure op gang. Weldra ontdekten ze dat

“de trekker weegens sluikerijen in detentie bij de geweldige te Groningen is geraakt”.

Als een debiteur gevangen zat, mochten de wedlieden (een soort gerechtsdeurwaarders) de gemijnde goederen zonder veel poespas terugnemen. Ondanks het al gesloten bijenseizoen – het was al eind oktober – stonden Benes’ imen niet in zijn woonplaats Beerta, maar nog in Westerwolde, waar ze waarschijnlijk ergens op de heide waren neergezet. Met een aanbevelingsbrief van de Oldambtster drost reisden beide wedlieden derwaarts, en in Vlagtwedde kregen ze van de Westerwoldse drost een gerichtsvoogd mee, zodat hun zoektocht naar Benes’ bijen geen al te groot probleem zal hebben gevormd.

Uiteraard was ik benieuwd naar de smokkel waaraan de onfortuinlijke bijenhouder zich schuldig zou hebben gemaakt . Dat delict deed zich ruim een maand eerder voor. Op donderdag 13 september 1798 hielden belastingcontroleurs even buiten het stad-Groninger Kleinpoortje aan

“een praamschip belaaden met elsenhout, waarin bij visitatie onder het hout verborgen zijn bevonden agtien ankers vaten en een aam vat alle gevuld met genever…”

De schuit kwam over het Winschoterdiep, helemaal vanaf de Winschoterzijl aan de andere kant van Winschoten en was op dat ellenlange traject voortgetrokken door één enkele scheepsjager met zijn paard. Die man was echter – wellicht tot zijn grote teleurstelling – niet de eigenaar van de omgerekend 839 liter jenever. Dat bleek de bovengenoemde Hiltjo Benes,

“oud in het 23ste jaar, geboortig van Finsterwolde en thans woonende in de Beerta, zijnde van kostwinning een bijeker”.

Op basis van getuigeverklaringen, verhoren en zijn bekentenis viel te constateren dat de imker deze jeneverplas de vorige dag had aangeschaft en ingeladen bij een koopman Huisinga in de Pekela, om precies te zijn in een Westerwolds gedeelte van deze veenkolonie, waar veel minder accijns lag op jenever en andere waren, en waar dus wel meer contrabande vandaan kwam.

Oorspronkelijk hadden er ook veel meer ankervaten jenever in Benes’ praam gelegen, wel 50 stuks, maar het grootste deel was bestemd geweest voor enkele kooplui in Winschoten. die hun aandeel in de smokkelwaar ’s nachts hadden laten afhalen bij de Winschoterzijl.

Enfin, Hiltjo Benes had zich schuldig gemaakt aan sluikerij, “een misdrijf, ten uitersten strafbaar”. Op 12 oktober was hij daarom veroordeeld tot een boete van 900 gulden, uiteraard met verbeurdverklaring van de jenever. Bovendien moest hij de rechtskosten betalen. Het gehele bedrag graag binnen tien dagen te voldoen, of anders volgde een andere straf.

De periode verstreek zonder dat Hiltjo Benes betaalde. Vandaar dat hij op 15 november voor acht jaar werd verbannen uit heel Groningerland. Durfde hij zich binnen die periode toch in dit gewest te wagen, dan zou hij de rest van zijn straf moeten uitzitten in het Tuchthuis.

Hiltjo Benes zag zijn bijen niet weer terug. Van hem ontbreekt verder ieder spoor.

En dan te bedenken dat hij uit zo’n goed nest kwam. Zijn vader was namelijk niet alleen boekweitmolenaar (of grutter of gorter) in Finsterwolde, en daarmee een gezeten middenstander, maar ook ouderling van de gereformeerde gemeente, een gezaghebbende functie die men in het Oldambt, eenmaal benoemd, voor de rest van zijn leven bekleedde. Het verhaal van de ouderlingszoon die wat bij wilde verdienen met jeneversmokkel moet dan ook het gesprek van de dag zijn geweest in Beerta, Finsterwolde en omgeving.

Bronnen: RHC Groninger Archieven,

  • Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6140 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen of apostilles);
  • Toegang 1 (Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1354 (sententies in belastingzaken, meest wegens smokkel).

Het effect van een revolutie

De W van Willem, de prins-stadhouder, is ontsierd, maar nog wel leesbaar. Met drie lijnen zijn Borgemeesteren ende Raadt, de heren van het voormalig stadsbestuur, geroyeerd. Erboven staat nu de Municipaliteit, de patriotse opvolging:

dsc09461

De herziening doet denken aan bepaalde postzegels die je vroeger wel eens voorbij zag komen. Er was een regime vervangen, maar het duurde nog even voordat er nieuwe postzegels waren gedrukt. Intussen werd dan op de oude zegels het portret van het gevallen staatshoofd overgestempeld. Meen zulke zegels wel te hebben gezien van Duitsland, uit 1945. Hitler bleek daarop nog wel te onderkennen, als je er enige moeite voor deed.

In dit geval gaat het om een formulier voor een Groninger setma, een beslaglegging van huisraad bij een debiteur door een deurwaarder, uit 1797. Deze formulieren zitten in een band, het formulier ervoor, uit 1794, heeft nog de oude gedaante. Intussen vond de Bataafse Revolutie plaats.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven Oldambt) inv.nr. 280 (setmata).


Zondagavond was dé uitgaansavond

Over de kerkeraad van de hervormde gemeente Midwolda lijkt in 1840 even weer een oude geest vaardig. Eerst wordt een ongehuwde zuster van de gemeente, die desalniettemin in staat van zwangerschap verkeert, het avondmaal ontzegd. Zoiets was lang niet vertoond. Ook nemen de consistorialen de ongebonden jeugd op de korrel:

“Aangemerkt zijnde, dat in sommige herbergen of kroegen zich vooral des zondagsavonds ene menigte jongelieden vereenigden en er een groot deel van den nacht bij drank en spel doorbrengt…”

Zondagavond was destijds nog dé uitgaansavond, na een vrije dag die volgde op een meestal zeer fysieke zesdaagse werkweek met veel meer werkuren per dag dan nu.  Op maandag was men dan vaak brak, reden om niets uit te voeren, ‘maandag te houden’ op een ‘blauwe maandag”.

Enfin, de Midwoldiger kerkeraad keek er met argusogen naar. Zoiets kon alleen maar nadelig werken op “onze redelijkheid en goede orde”, oordeeelden de consistorialen niet geheel en al zonder reden. Ze stuurden dan ook een gezantschap naar de Heer Burgemeester. Die moest zulke nachtelijke gelagen tegengaan en erop toe laten zien.

Wat het resultaat van de missie was, staat helaas niet in het boek met kerkeraadshandelingen. Daarvoor moeten we naar het gemeentearchief.


Schipper stoot knecht met kloetstok

Twee Friese ducatons (1760 en 1776), redelijk gaaf en afgesleten. Zoek de verschillen!

Twee Friese ducatons (1760 en 1776), redelijk gaaf en afgesleten. Zoek de verschillen!

In zijn gehoorkamer vond de Oldambtster drost die ochtend de schipper Hindrik Pieters,

“woonagtig in Friesland op het dorp Heeren Veen genaamt”.

De vorige dag had deze Pieters, zo vertelde hij, zijn schip ergens in de contreien achter Veendam vol laten laden met turf, om dat schip ’s avonds door een scheepsjager naar Veendam te laten slepen. Daar betaalde hij bij het “Collecthuis” de verschuldigde uitvoerrechten voor de turf. Hij wilde “met alle mogelijke spoed” zijn reis vervolgen, maar merkte toen hij op zijn schip terugkeerde, dat zijn knecht Wybe Deddes zijn werk niet goed had gedaan, waardoor het vertrek werd opgehouden. Terwijl de schipper zijn knecht over zijn laksheid onderhield,

“gaf dien knecht hem qualijk bescheid. Hierop wierd rem[onstran]t (= Pieters) min of meer toornig en heeft het ongelijk gehad, dien knegt in ijver met de boom of kloetstok, zijnde een instrument welke hij moeste gebruiken tot zijn arbeid, aan de wang te stoten, waarover de knegt een geschreeuw hebbende gemaakt en deze stoot su harder hebbende opgegeven, dan bevonden is te zijn, daarbij voegende dat zulks met opzet zoude zien geschied, van welk laatste hij rem[onstran]t ten eenenmaal ignorant is…”

Kortom, het was per ongeluk gebeurd en de knecht stelde zich nogal aan – de schade viel wel mee. Nu was de schipper bang dat het gerecht, waarbij de knecht blijkbaar zijn beklag al had gedaan, de zaak op zijn zwaarst (dus strafrechtelijk) zou opvatten, zodat er nog een gerechtelijk vooronderzoek zou plaatsvinden, wat dan voor nog meer vertraging zou zorgen. Daarom vroeg Pieters, ter vermijding van zo’n vooronderzoek, meteen om een schikkingsvoorstel, waarbij hij zich ook bij voorbaat neerlegde. Met de knecht was hij, zo zei hij, intussen al overeengekomen dat die kon vertrekken. Hij gaf deze het loon dat hij tot dan toe verdiend had met nog twaalf weken toe. Normaal gold in het Oldambt bij een dergelijk ontslag dat er zes weken loon extra uitgekeerd werd, dus het surplus was in dit geval het dubbele. Wellicht voelde de schipper zich, ondanks zijn bagatellisering van het geval, toch wel schuldig.

Hindrik Pieters diende zijn verzoekschrift in op 21 augustus 1798. Na overweging van wat er relevant was in deze zaak, veroordeelde de drost hem de volgende dag tot een boete van twee zilveren ducatons (= 6 gulden en 6 stuivers) naast de gerechtskosten. Voor het totale bedrag zal Pieters zeker een week hebben moeten varen.

Rest nog de vraag waarom een Friese schipper in Groningerland turf ophaalde. In de eigen provincie was immers turf genoeg voorhanden, zowel bij hoge als lage veenderijen. Maar wellicht vervoerde de Heerenvener de brandstof naar Holland. Daar werd in allerlei bedrijven immers nogal wat Groninger plaggeturf gebruikt. En of de vervoerder nou uit Friesland kwam, of uit Groningen, qua reistijd en kosten maakte dat weinig uit.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6139 (rekesten en apostilles 1796-1798).


Kinderen die men Moeder noemt

het-kind-genaamd-moeder

Bij het doornemen van de Oldambtster rekesten stuitte ik weer eens op de meisjesnaam Moeder. Een voornaam die heel verwarrend is, als je hem voor het eerst tegenkomt: het kind krijgt als het ware een volwassen functie toegedicht. Reden om nu eens te kijken wanneer en waar deze voornaam in zwang was.

Heden ten dage is de naam uitgestorven. In Drenthe kwam hij niet voor, in Friesland juist wel, maar sporadisch: 18 maal in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maar daarvoor juist niet. Met zijn 85 dopen en geboorteaangiften van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw lijkt Groningerland niet alleen de oudste papieren te hebben, maar is de naam Moeder vooral ook Gronings. Ook al hield hij het hier minder lang vol dan in Friesland.

Verdeeld naar halve eeuwen ziet de frequentie van de Groningse vernoemingen er zo uit:

Voor 1650

2

1650-1699

29

1700-1749

38

1750-1799

12

1850-1849

1

1850-1899

3

Omdat het aantal bewaard gebleven doopboeken uit de zeventiende eeuw veel kleiner is dan dat uit de achttiende, zal het werkelijke aantal Moeders toen veel groter geweest zijn. Best mogelijk dus, dat het hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw in werkelijkheid al een neergang impliceert. Vanaf die tijd is er werkelijk een neergang geweest, tot de naam in de twintigste eeuw uitstierf.

Alle Groninger Moeders zijn hieronder met kruisjes bij hun doop- en geboorteplaatsen in kaart gebracht:

meisjes-die-moeder-heten-spreiding-blogversie

Het kerngebied is duidelijk het Oldambt, vooral op de grens van klei en veen. Er is een uitstraling naar noordelijk Fivelingo en Hunsingo, De stad Groningen bracht een stuk of wat Moeders voort, het Gorecht een enkele. In Westerwolde en het Westerkwartier was de naam non-existent.

Zoomen we nog even in op de plaatsen met de hoogste frequenties:

Meeden 15
Noordbroek 8
Beerta 6
Finsterwolde 4
Veendam 4
Hornhuizen 4

Zowel Noordbroek als Beerta kende ooit een vrij forse doopsgezinde minderheid. Meen dat Meeden ook wel doopsgezinde inwoners had, maar weet dat niet zeker. Op het eerste gezicht zou de naam Moeder wel eens kunnen samenhangen met die minderheid. Hoewel die zelf natuurlijk niet vertegenwoordigd is bij de hervormde doopinschrijvingen – het zal dan gaan om een indirect effect.


Winschoter jeugd al vroeg baldadig

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Op den ingediende req[ueste] van de kerkvoogden van Winschoot dat door het spelen en door het smijten van ballen en steenen door de jeugd op en om het kerkhof aldaar de glaazen in de kerk als ook de pannen op dezelve zoo zeer worden beschadigt, dat opgemelten (= de kerkvoogden HP) in hunne qualiteit niet alleen daar zeer groote kosten van hebben, maar zulks merkelijk tot verhindering van den Godsdienst is, en dewijle de orders op de klagten daarvan afgegeven het gehoopt effect niet hebben gehad, zoo verzoeken meergemelde kerkvoogden dat gij zodanige ordres daartegen gelievt te stellen, dat zulke insolentiën in ’t vervolg niet worden gepleegt ten welken einde in consideratie geven of niet dienstig was dat nevensgaande condigzedul aldaar worde gepubliceerd…”

Aldus het verzoekschrift dat de kerkvoogden van Winschoten op 12 april 1796 inleverden bij de drost van het Oldambt. Na een korte bespreking stond de drost inderdaad toe dat hun waarschuwing in de kerk zou worden voorgelezen.

Helaas is de tekst van het kondigcedeltje niet opgenomen in het rekestenprothocol van de drost, en beginnen de notulen van de Winschoter kerkvoogdij pas in 1821, maar heel misschien bevindt het in de kerk voorgelezen briefje zich bij de in- en uitgaande post die wèl voor dat baldadige jaar 1796 bewaard is. Binnenkort maar eens nagaan.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 6138 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen of apostilles 1794-1796).


“Kan iemand hem aanschouwen en niet denken aan Judas Iscarioth?”

aj-de-sitter1536_4356

Albert Joan de Sitter (1748-1814), drost van het Oldambt tussen 1783 en 1788, invloedrijk parlementariër tijdens de Bataafse Republiek, en van 1800 tot 1810 opnieuw drost van het Oldambt, was als volksvertegenwoordiger niet bepaald geliefd bij radicaal-democratische patriotten. Destijds was de politiek al even gepolariseerd als nu en qua schelden deed men heus niet onder voor wat we nu op sociale media mogen lezen. Zo maakten een radicaal pamflet De Sitter na het indienen van een ontwerp-grondwet in 1797 uit voor:

“Een monster in de natuur, gezwooren vijand van de Conventie, waarin hij nu wederom – schaamt U eeuwig, gij Kiezers – den boventoon zingt. Kan ijmand hem aanschouwen en niet tegelijk denken aan Judas Iscarioth? De laatste egter was beeter, zo naardien hij zig verhing. En deez durfd nog blijven leeven! Wie veragt geen man die nog kosten nog moeijten ontziet om uw, Lieve en braave Landgenooten, met de haatelijkste Couleuren af te maalen bij een Volk welk hij tragt te misleijden en met zijn Compagnon[s] Bicker en Van Marle ijvert bij nagt en dag tot verwoesting van Nederlands kwijnend heijl. Laten wij verder zwijgen van een Kaerel die uijt de Hel schijnd opgedonderd, om alle staatkundige listen en boosheeden, welke men immer kan bedrijven, te begaan en daarom overwaardig is om naar diezelfde gezegde verblijfplaats hoe eer zoo beeter verweezen te worden.”

Bron: Korte Caracterschets der Mannen welken het ingeleeverd Plan van Constitutie voor de Bataafsche Republiecq, tot een grondslag der deliberatie van de Nationale Vergadering, representeerende het Volk van Nederland hebben aangenomen (januari 1797), zoals geciteerd in De Navorscher, Nieuwe Serie XV (1882) 257-267.


De dijken “alle sligt weg effen grond” – Finsterwolde en de Kerstvloed van 1717

Collectie RHC Groninger Archieven 2376-38.

Collectie RHC Groninger Archieven 2376-38.

Ed[e]l Hoogw[elgeboren] Heer R. ten Winkel, Drost der Oldambten,

Het carspel Finserwold berigt UEd[ele] Hoogw[elgeborene] in schuldige onderdanigheid de ellendige en droevige staat door de sware storm den 25. decemb[er] ons over gekomen, waardoor verscheiden huisen weggespoelt en de rest doorgaans van muuren en omslag ontbloot, de goederen weggespoeld, ses menschen verdronken met verscheide vee, so en in dier voegen dat de meeste kleine huisen niet konnen bewoont worden en alles in een desolate staat gesteld is.

Angaande de dijken berigten [wij] UEd Hoogw. dat van de Heerendijk af (waar vanwegens een grote kolk in ’t Loijrak, ter plaatze daar de kolk 1686 is geweest, geen seker berigt weten) tot an de Bellingwolderzijl hier en daar een entje van een kap, na dat wij van verre konnen zien.

Van Bellingwolderzijl tot an de plaatze van de H[ee]r Borgem[eeste]r Julsinga zal[iger] ged[achtenis] is behalven de genoemde kolk de kap ten eenemaal weg, zijnde bij elke zijl nog een diep gat of kleine kolk ingelopen gelijk doorgaans in dit geheele pand verscheidene binnengaten gespoeld zijn. Van de H[ee]r Borgem[eeste]r Zal[iger] ged[achtenis] plaatze tot an de pastorie overal doorgaande gaten met nog hier en daar een entje of bultje van een kap. De pastoriedijken en de rest tot an het loeg alle sligt weg effen grond. De Muusdijken tot an de scheiding van Finserw[olde] alle doorgaans weg.

So dat genoemde carspel in zulken desolaten staat is gesteld dat het voor de ingesetenen desselfs onmogelik is de schade te herstellen. Hebben UEd[ele] Hoogw[elgeborene] volgens gewone pligt dit berigt laten toekomen [met het verzoek] of mogelik eenig middel konde uitgevonden worden waardoor de ellendige ingesetene geholpen en getroost mogten worden,

Finserwolde den 29. decemb[er] 1717,

Berent Hindricks als Dicrechter
Hindrick Dercks als Dicrechter

Commentaar. De Kerstvloed van 1717 maakte qua Groningerland vooral slachtoffers langs de kust tussen Zoutkamp en Uithuizermeeden, maar dat betekende niet dat men er elders geen last van had. Zo vielen er acht doden in Finsterwolde. In het bovenstaande bericht van vier dagen later hebben de lokale dijkrechters weet van zes slachtoffers – twee zijn dus nog niet gevonden.

In Finsterwolde spoelden verscheidene huizen in hun geheel weg, van de rest waren de muren ingestort en stond alleen het gebintenstel nog overeind met eventeel een zolder die nog wat beschutting kon bieden. Dat was alleen bij de grotere huizen, de boerderijen het geval. De meeste kleine huizen waren onbewoonbaar. En Finsterwolde was destijds vooral een dorp van kleine huizen, deels bewoond door vissers die hier direct aan de kust visten op bot en garnaal.

Vooral de desolate toestand van het dorp maakt indruk. De dijkrechters besteedden echter twee maal zoveeel ruimte in hun verslag aan de staat van de dijken. Dat was hun taak, daarvoor waren ze aangesteld, en die dijken moesten uiteraard ook zo snel mogelijk weer in orde worden gebracht.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1605 (rood na de Reductie, archief stadsbestuur van Groningen 1594-1816) inv.nr. 335 (ingekomen missives) bundel 1717.

NB: De Groninger Archieven beginnen een publieksparticipatieproject in de vorm van een website waarop zoveel mogelijk transcripties van ooggetuigeveslagen en andere bronnen over deze ramp komen te staan. Voor meer informatie, ook in het algemeen over de watersnoodramp van 1717 zie deze pagina.


Boerenzoon loopt weg uit kosthuis

Je zou misschien denken dat boerenzoons traditioneel gewoon thuis op de ouderlijke boerderij bleven wonen, tot ze deze als volwassen kerels konden overnemen, maar dat was (lang) niet altijd zo. Tenminste, ik kwam al een paar keer tegen dat zo’n boerenzoon op een andere boerderij in de omgeving ging wonen, om daar dan in het bedrijf mee te werken en zodoende te kijken hoe het beroep ook uitgeoefend kon worden. Dit lijkt in het Oldambt zelfs een vrij gangbare praktijk te zijn geweest, waarbij de ouders of voogden, net zoals dat bij kinderen uit arbeidersmilieus het geval was, konden bepalen waar zo’n jongen precies terechtkwam.

Een geval waarbij dit misliep, deed zich in 1792 voor in (Nieuw-)Beerta. De weduwe van Jacob Hindriks, Meentje Roelfs, bezat destijds een heerd met 63 deimt (28 ha.) land op de Beersterhoven, waarop ze gerst, haver, bonen, rogge en weite verbouwde. Uit haar eerste huwelijk met Hindrik Jans had ze een zoon Hindrik, die een jaar eerder, op zijn achttiende, door zijn voogden in de kost was besteed bij Tammo Jurjens Brouwer in Nieuw-Beerta. Maar tot drie maal toe liep de jongen er weg en hij kwam dan terug bij zijn moeder, “klagende aldaar niet te kunnen wezen”.

Sowieso was de jongen al van een “trist temperament”, aldus Meentje, die van oordeel was, “dat verdriet en ongenoegen zeer nadelig is voor de gezondheid van haar zoon”. Weliswaar deed ze wat van haar verwacht werd en spoorde ze haar zoon “van tijd tot tijd” aan zich weer naar zijn kosthuis te begeven. Maar dan bleek telkens weer “dat hij daartegens zodanig is ingenomen” dat ze het inderdaad beter vond

“hem elders in de kost te besteeden, waar hij met genoegen zoude kunnen wezen, temeer daar zijne middelen overvloedig toereikende zijn en het niet ontbreekt aan eene gelegenheid om hem elders in de kost te besteeden waar hij met genoegen zoude kunnen verkeeren en zoo goed, zo niet beeter ovectie (= affectie?) hebben en het boerebedrijf, waartoe zijn inclinatie zich bepaald, te leeren…”

Twee van de voogden, de voormond en de sibbevoogd, waren daar echter tegen. Zij bleven er “sterk op aanhouden” dat Meentjes zoon terug zou gaan naar Tammo Jurjens Brouwer, en ze hadden zelfs geprobeerd hem op gezag van de Oldambtster drost daarheen te laten brengen. Daarom vond Meentje zich “uit hoofde voor haare betrekking als moeder en haare zucht voor ’t welzijn van haar zoon” genoodzaakt, zelf met de drost te gaan praten, temeer daar van het beleid van de beide eerste voogden ook niet naar de smaak was van de derde of vreemde voogd. Wat Meentje graag van de drost wilde, was het uitschrijven van een beraad met alle partijen.

Die zitting vond plaats op 19 juni 1792. In zijn daarin tot stand gekomen beschikking keurde de drost het gedrag van Meentjes zoon uitdrukkelijk af. Zoals het was gegaan hoorde het niet te gaan – de jongen had moeten luisteren naar zijn voogden. Maar die toonden zich inschikkelijk en daarom stond de drost toe, dat Meentjes zoon “op zijn begeerte” in de kost zou worden besteed bij Jan Edes in de Beerta. Dit gebeurde echter wel “met ernstige recommandatie” van de drost, “om zich niet ontijdig weder vandaar te begeeven” zonder medeweten van zijn voogden, want dan zou er wat zwaaien.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6136 (rekesten met kantbeschikkingen).


Rondtrekkende tandmeester doet ’t Oldambt aan

James Gillray - Het verlichten van de kiespijn (1796). Collectie British Museum.

James Gillray – Het verlichten van de kiespijn (1796). Collectie British Museum.

Terwijl het Groninger stadsbestuur met een zekere regelmaat verzoekschriften behandelde van kunstenmakers, kermisartiesten en ambulante medische dienstverleners, ontbreekt deze groep bijna geheel in de rekesten aan de Oldambtster drost. Dat soort vertier of zorg moest elders worden gezocht, zo is de conclusie. Het Oldambt kende in de achttiende eeuw, voor zover ik weet, ook geen kermissen en jaarmarkten waar zulke rondtrekkende professionals emplooi konden vinden. Daarvoor moest een Oldambtster ingezetene naar de stad, naar Wedde of Zuidlaren.

Een uitzondering als F.J.M. Heitman bevestigt de regel. In oktober 1784 diende hij zich aan bij de drost. Hij vertelde wervend dat hij zijn

“kunst in tanden en kiesen te trekken op veele plaatsen met bijzonder goede uitwerking heeft geoeffent”

en dat hij nu van zins was, dat in het Oldambt te doen. Zonder toestemming van de drost mocht dat niet, vandaar Heitmans met pluimstrijkerijen opgesierde verzoek om hem “voor eenigen tijdt” vergunning te verlenen voor het beoefenen van zijn ‘kunst’ .

Heitman kreeg die vergunning voor vier weken. In een maand tijd konden blijkbaar alle urgente Oldambtster gebitsproblemen wel worden opgelost, in de ogen van de drost.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechten Oldambt) inv.nr. 6130.


Voetangels op Veenhuizen

Het buitenhuis Veenhuizen bij Noordbroek, gesloopt in 1853.

Het buitenhuis Veenhuizen bij Noordbroek, gesloopt in 1853.

Soms stond er een kopstuk in de gehoorkamer van de Oldambtster drost. Zoals op 21 juni 1791 Campegius Hermannus Gockinga, dan nog stadssecretaris, maar een dozijn jaren later deel uitmakend van het landsbestuur. Hij bewoonde Veenhuizen, een uitgestrekte en fraaie buitenplaats met veenborgje, Engelse tuinen, loofbossen, bergjes en heremiethut even ten westen van Noordbroek aan het diep naar Sappemeer.

Gockinga vertelde de drost dat dit buitengoed

“voor eenige jaaren door sijne voorsaat met eene wijke ofte graft van plus minus 18 tot 20 voeten is omringd, opdat daardoor en het geduirig geloop in de bosschen en wel inzonderheid de menigvuldige dieverijen van hout of anders werde voorgekomen, dan dat de remonstrant (dus Gockinga, HP) echter ondervind dat deze precautiën niet geheel en al toerieken bevonden worden, en alzoo genoodzaakt is tot conservatie van jong plansoen, en ’t welk van tijdt tot tijdt staadt te vermederen, en de middelen te adhibeeren en waartoe geene betere kan vinden dan het leggen van voetangels en klemmen…”

Dat leggen van voetangels en klemmen wilde Gockinga niet niet doen zonder voorkennis en toestemming van het gerecht, vandaar zijn verzoekschrift, waarbij hij alvast deze toezegging deed:

“zullende op de avenuën der plaatze behoorlijke aanslaagen plaatzen ten einde een ieder zich voor alle ongelukken en schade kan wagten.”

Maar die waarschuwingsbordjes of -biljetten langs de wegen naar Veenhuizen vond de drost niet genoeg. Gockinga kreeg toestemming voor zijn plan, maar onder voorwaarde dat dit vooraf “door kerkenkondiging in het carspel Noordbroek” bekend werd gemaakt.

De streek rond Veenhuizen was niet erg dichtbevolkt, wat er woonde waren voornamelijk pachters van de heer Gockinga. Die stalen vast geen hout uit diens bossen. De dag dat Gockinga zijn rekest inleverde, 21 juni, de langste dag van het jaar, markeerde echter het eind van de baggel- of turfgraafcampagne. Zelfs in de negentiende eeuw lag er nog veel (laag)veen en heide ten zuidwesten en zuiden van Veenhuizen, naast nogal wat afgegraven gronden en petgaten waarin water stond. Ik denk dat we daar de daders moeten zoeken, in de baggelaars of turfgravers die er in het voorjaar in de campagne werkten. Of ze de kerk van Noordbroek wel eens van binnen zagen, weet ik niet, maar ze zullen vast hebben gehoord van de voetangels in Gockinga’s bossen.


Herbergier houdt vooruitgang op

Zuidwending ca. 1830. HisGis.

Zuidwending tussen Veendam en Pekela, ca. 1830. HisGis.

Dat er behoorlijk primitieve toestanden konden bestaan in een vroege veenkolonie, wordt weer eens aangetoond door een rekest uit augustus 1790. Daarin geven Roelf Willems en Willem Derks, volmachten van de ingezetenen van de zuidkant “van de zogenaamde Zuidwending” aan, dat er tot dan toe alleen een voetpad langs hun Meedemerdiep was, waarvoor “enkelde batten” over de dwarswijken gelegd waren, die door de ingezetenen moesten worden onderhouden. Een pad met zulke vaak één plank brede, leuningloze bruggetjes was ten ene male onvoldoende,

“en wel voornamentlijk in ’t begraven hunner doden, die na Veendam moeten woren gebragt, ’t welk des somers met scheepjes geschied, maar in de winter wanneer het ijs zodane transport niet gedoogt, bijna ondoenlijk is.”

Je ziet het voor je: de verkleumde nabers die met bemodderde, misschien zelfs verijsde stevels een doodkist over de wiebelige bruggetjes moesten dragen. Er was allang geprobeerd om hier verbetering in te brengen, zij het “vrugteloos”, totdat de ingezetenen en de landgebruikers eindelijk besloten

“om een rijdweg te vervaardigen bijlangs de zuidkant van de Zuidwending, van het huis van Jacob Jans Timmer tot aan het einde van de Zuidwending, en ten dien einde dubbelde batten over de wijken te leggen, onder expresse voorwaarde dat deze weg door niemandt anders als door de geïnteressseerdens wierde gebruikt tot hun gemak en gerijf om deze door hunnen landen beter te kunnen bereiken en dus de colonie tot beter perfectie te brengen en ook vooral om hunne doden in de winter met meerder gemak na de begraafplaatzen te kunnen transporteeren.“

Alle ingezetenen en landgebruikers hadden hiertoe een intentieverklaring getekend, een enkeling uitgezonderd: namelijk dezelfde Jacob Jans Timmer wiens huis in het bovenstaande citaat het westelijke, Veendammer uiteind van de Zuidwending markeerde. Niet alleen weigerde deze Timmer toestemming te geven voor, en bij te dragen in de kosten van de nieuwe weg, “uit hoofde hij voor zijn persoon er weinig voordeel van kon hebben”, ook wees hij volstrekt het aanbod van de andere inwoners van de hand om zijn aandeel dan voor hun rekening te nemen,

“…op die frivole uitvlugt dat hierdoor zijn herberg (als doende tappersneering) zeer door zoude komen te lijden en dat indien hem uit recompens daarvoor een tolhek bij zijn huis wierde vergunt, hij toegenegen zoude zijn, maar anders zulks niet gedogen wilde, een voorwaarde van dien natuir, dat daardoor het goed van der supplianten & hunne committenten te zeer zoude worden beswaard, als komen alreede de onderhouding van de batten met de aankleeve van dien tot haaren laste, maar ook vermeenen zij niet gerechticht te zijn om aan die persoon een tolhek te accordeeren.”

Partijen kwamen er zo niet uit en dus legden de Zuidwendinger volmachten de zaak voor aan de Oldambtster drost, die in augustus 1790 besloot om beide partijen te horen en ter plaatse poolshoogte te nemen. Die “oculaire inspectie” liet vervolgens nog bijna een jaar op zich wachten, waarna partijen op 9 augustus 1791 toch nog een “minnelijk accoord” sloten. Timmer gaf daarbij toestemming voor het leggen van de dubbele batten over zijn wijk, die ook

“op dezelve wijze zullen worden gemaakt, bekostigt en onderhouden als alle de andere batten, zoo over de wijken na de Pekela zullen worden gelegt…”

Hiertegenover beloofden de volmachten hem 195 gulden te betalen, als eenmalige vergoeding van de schade die Timmer meende te zullen lijden. Bovendien kreeg hij zijn rechtskosten vergoed. Al dat geld kreeg Timmer echter alleen dàn, als Burgemeesteren en Raad van Groningen hem een “gepriviligeert tolhek” zouden vergunnen. Was het stadsbestuur hiertoe niet bereid, of kwam de weg op een andere manier tot stand – blijkbaar waren de tolgelden deels bestemd voor het wegonderhoud – dan zou de overeenkomst alsnog “van nul en onwaarde” zijn.

Of de tol er kwam, is overigens twijfelachtig. Timmer raakte binnen het jaar failliet en ik ben geneigd dat toe te schrijven aan zijn halsstarrige, nogal asociaal overkomende houding, waarmee hij zich als herbergier bij zijn dorpsgenoten zeker niet populair zal hebben gemaakt.

Wordt mogelijk vervolgd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met apostilles of kantbeschikkingen).


Doopceel met juiste leeftijd levert jaar extra pensioen op

a-chelsea-pensioner

Pieter Jurjens was in 1780 lid geworden van “de sociteit te Winschoot onder de sinspreuk Aangenaam Vooruitzigt”. Dit ‘pensioenfonds’ keerde vanaf het zestigste levensjaar uit, zodat Pieter, die meende dat hij in 1731 geboren was, in 1791 zijn eerste bedrag kon beuren. Daarvoor moest hij dan wel kunnen bewijzen dat hij werkelijk zestig jaar oud was. Hij voorzag zich van een doopcedel en wat bleek uit dat briefje? Dat hij nog een jaar ouder was dan gedacht, “uit welke hoofde hij dan ook een jaar vroeger zoude hebben kunnen trekken”.

Omdat het reglement van Aangenaam Vooruitzigt bepaalde “dat de eerste optekening maar alleen provisioneel (voorlopig) is en dat de waare ouderdom eerst bij de trekking moet worden getoond”, meende Jurjens dat zijn vergissing hem niet kon worden aangerekend, “te meer daar het met geen kwaad opzet om de sociteit te benadelen kon geschieden”,

Vandaar dat hij zich welgemoed wendde tot de de directeuren van de ouderdomssociëteit, Ubbo Jans Groenier en consorten, om een jaar extra uitkering. De directeuren echter, maakten bezwaar. Vervolgens diende Jurjens een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Op 20 april 1791 gaf die te kennen inderdaad beide partijen in een hoorzitting te willen horen.

Van ruim twee weken later dateert de drost zijn uitspraak. Hij gaf Jurjens gelijk. Niet alleen kreeg die zijn jaar extra pensioen, ook werden zijn proceskosten vergoed.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).


Wildervankster kwestie: links of rechts draaiende draai?

cabeling-35

Wildervank rond cabeling 35. Collectie Groninger Archieven 1536-5824 (detail).

Jan Geerts Lever en Geert Klaassens hadden samen met Jan Jans Otten een ‘draai’ (of draaibrug) in gebruik, liggend over het Westerdiep op cabeling 35 in de Wildervank. Deze draai moest nodig vernieuwd worden, daarover waren ze het alle drie roerend eens. Vandaar dat ze de nodige materialen kochten en er timmerlui bezig gingen met het maken van de draai.

Toen ontstond er ruzie. Otten, die als bouwheer optrad, maakte namelijk aanstalten de mandelige draai andersom in het diep te leggen dan tot dusver het geval was en Lever en Klaassens klaagden bij de drost dat ze hem maar niet konden overhalen

“de draaij weder te leggen dat op de westzijde kan afdraaijen, maar vermeend bevoegd te zijn, die op de oostkante te mogen afdraijen”

Lever en Klaassens vertelden de drost dat ze hierdoor “zeer benadeelt” werden. Jammer genoeg specificeerden ze dit niet, het enige dat ik kan verzinnen is dat je aan de korte kant van de draai wat sneller uit en thuis bent, maar verder?

Toch vonden Lever en Klaassens het nodig, hun buurman een bouwstop op te leggen, tot hij zou hebben aangetoond dat hij de brug mocht leggen zoals hij wilde. Aan de drost vroegen ze een mandaat (bevelschrift) met die inhoud te tekenen en dat stuk door de plaatselijke wedman aan Otten te laten afgeven.

Beide heren kregen hun zin. Mogelijk is hier een civiel proces uit voortgevloeid, maar daar lijkt op voorhand weinig over te vinden, want de rechtstoel Wildervank liet geen archief na.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).


Verplichte stal moest overlast scheepsjagerspaarden beperken (II)

Jacob Maris, 'Jaagpad'. Collectie Rijksmuseum.

Jacob Maris, ‘Jaagpad’. Collectie Rijksmuseum.

Ik had gehoopt een resolutie of beschikking te vinden, die me het reglement voor de schaapsjagersstal in Veendam zou geven, maar helaas, dat bleek vooralsnog een vrome wens.

Wel vond ik het reglement van Sappemeer dat de adspirant-stalhouder Kram in Veendam wilde overnemen – een volgende keer meer over dat stuk – en een soortgelijk rekest als Kram bij de drost indiende, maar dan uit 1804 en met een schets van de toestand in Zuidbroek.

Dat Zuidbroekster verzoekschrift kwam van Willem Haijkens Nieborg die daar aan het Trekdiep (= Winschoterdiep) woonde, en wel ten oosten van de Pijp (= stenen boogbrug), dus aan de kant van Scheemda. Hier bestonden al geruime tijd soortgelijke problemen als te Veendam in 1791. Nieborg vertelde:

“…dat de scheepopjagers, dewelke met een of ander schip van de kant te Scheemda gearriveerd zijn, zedert lange jaren gewoon zijn om, wanneer het weder zulks slechts enigzinds toelaat, hunne paarden te voeren op de publicque weg voor en bezijden des Rem[onstran]ts behuizinge, waardoor de publieke passagie aanmerkelijk word gehinderd; de weg, bijzonder op de kant door de voetgangers gebruikt word, in natte saizoenen bijkans impassabel word gemaakt en waarvan ook de scheepopjagers zelve en hunne paarden in nat of kout weer zeer veel ongemak hebben”

Volgens Nieborg ware deze “incoveniënten” gemakkelijk uit de weg te ruimen. Hij had een geschikte stal naast zijn huis en was genegen die open te stellen

“tot het gebruik der scheepjagers als een jagersstal, gelijk in naburige dorpen ook plaats heeft.”

Voor het zover was, moest de drost echter de stallingstarieven vaststellen en de manier waarop Nieborg (bij wanbetaling) het stallingsgeld mocht innen.

Op 29 februari gaf de drost zijn goedkeuring aan het plan en stelde hij het gevraagde reglement vast, zodat Nieborg ermee aan de slag kon. Helaas is dat reglement niet afgeschreven in het rekestboek, maar ook hier in Zuidbroek zal men zich hebben gericht naar naar een ouder model en daarover beschikken we dus wèl.

Wordt vervolgd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6972 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).