Verplichte stal moest overlast scheepsjagerpaarden beperken

scheepsjager-met-schimmel
Eerst denk je: vreemd dat er in Veendam pas zo laat sprake is van een scheepsjagersstal. Dan valt je in dat het tamelijk jonge Stadskanaal de turfvaart langs Veendam een behoorlijke impuls gegeven moet hebben, zodat het aantal scheepsjagers flink groeide. Met alle gevolgen van dien, want, mensen, scheepsjagers stonden ook in 1791 al niet best bekend.

Ene Roelf Jans Kram diende zich dat jaar februari aan bij de Oldambtster drost. Hij woonde bij het Benedenste Verlaat, dus aan de noordkant van Veendam. En hij vertelde

“dat door het omswerven der scheepsjagerpaarden op de publieke weg dagelijks allerlei overlast aan kinderen, huisen, thuinen en diepswallen geschied.”

Kennelijk lieten de scheepsjagers hun paarden nogal eens zelf hun kost opscharrelen. Meer hierover kon de drost lezen in een verklaring van de ingezetenen rond het Benedenste Verlaat, die Kram bij hem inleverde. Kram zelf toonde zich “wel genegen”,

“op verzoek zijner Naburen een scheepsjagerstal tot berging van gemelde paarden alhier op te richten, gelijk in of bij Groningen, Martenshoek en Sapmeer voorlange in trien is gebragt,”

Met dat “trien” werd train bedoeld, zeg maar: gang. In zo’n stal moesten de scheepsjagers verplicht hun paarden stallen, anders had het natuurlijk geen zin. Voor zijn onderneming verzocht Kram om toestemming van de drost, op dezelfde voorwaarden en met dezelfde stallingstarieven als het stadsbestuur eerder had vastgesteld bij de scheepsjagersstal van Sappemeer.

De drost vond het blijkbaar niet raadzaam hierin zelf een beslissing te nemen. Hij stuurde Kram door naar het stadsbestuur.

Wordt vervolgd.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 631 (gerechten Oldambt) 6135.


Manslacht, een bijgeloof

Cornelis Bloemaert, 'De herder en de moordenaars', ca. 1625. Rijksmuseum.

Cornelis Bloemaert, ‘De herder en de moordenaars’, ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.

In eerste instantie is het woord manslacht verwarrend. Ook volgens het Middelnederlands Woordenboek en het WNT betekent het niets anders dan doodslag, een moord zonder voorbedachte rade. Bij Ludolph Smids, tussen 1673 en 1685 arts in Groningen, heeft het weliswaar daarmee te maken en is het daar ook vast van afgeleid, maar betekent het toch iets anders – bij hem staat manslacht voor een plotseling “toeval”, dat is een bezwijming, een flauwvallen,

“bestaande in een schielijke ontroeringe, gesproten uit de tegenwoordigheid van een moordenaar, die niet alleen de menschen, maar ook paarden, koejen &c. overkomt.”

Dit verschijnsel zou “vermaard” zijn in Friesland, Groningen, Westfalen en Holland, zowel in steden als op het platteland. Nader omschreven leek het sterk op vallende ziekte, want:

“De getroffen lijder valt neer, word zeer benaud, schud en trekt zijn ledematen &c.”

Smids, die er niet in geloofde en het een “vuil bygeloof” en ook een “bedrieglijke en bygelovige ziekte” noemt, wist ook wat men voor een preventieve maatregel hield, en met welke middelen men manslacht dacht te kunnen genezen. Dat voorkomen lag bij de moordenaar, die uiteraard zeer in verlegenheid kon worden gebracht door zo’n katzwijmcasus in zijn onmiddellijke nabijheid. Hij kon zulk een onheil afwenden door elke morgen behoorlijk te bidden.

Men dacht de kwaal met magische middelen achteraf te kunnen genezen, allereerst door het slachtoffer een stukje brood te geven dat afgesneden was met een mes of degen, waarmee ooit een moord werd begaan. Ook het drinken van enig bier of water, omgeroerd met zo’n wapen, bood soelaas. Als zo’n wapen niet voorhanden was, dan hielp het om iets te drinken uit de schoen van een moordenaar, Nog een andere geneeswijze bestond eruit dat de moordenaar op de gezondheid van de lijder dronk.

Smids vertelt ons van een Groninger koekebakkersvrouw, die met haar man in de Boteringestraat,  in een kelder onder het huis van burgemeester Eeck woonde. Zij stond voor haar deur op straat en viel daar plotseling neer, toen een bepaalde officier van de infanterie passeerde:

“Sy wierd in de kelder gebracht en gaf binnen korten tijd de geest, terwijl het genene volk den officier van een moord verdacht hield en geloofde dat deze vrouw door de voorschreven manslacht ter neder was geveld.”

Uiteraard wist Smids wel beter. Het moest door iets in haar lichaam gekomen zijn, al kon dat allerlei oorzaken hebben. Hij verwees nog naar een geleerde verhandeling van prof. Antonius Deusing, een hoogleraar geneeskunde aan de Groninger Academie die zijn kennis vooral aan Arabische medici ontleende en die ook medicus provincialis was geweest.

Bron


Legendarische ooievaarszwermen

ooievaarszwerm-wikimedia

Ooievaarszwerm – Wikimedia commons.

“Den 24 Augustus 1687 verschenen eenige honderden Ojevaaren boven de stad München, die zich in twee troepen verdeelden en heen en weder vlogen zonder nochtans malkander op het lijf te vallen of te bestrijden. Des avonds zetteden zy zich op twee kerken neder en bleven daar die nacht, maar vertrokken des morgens met groot getier.”

Aldus, iets later, de Groninger medicus Ludolph Smids. Dit voorval was des te vreemder, omdat er in jaren geen ooievaars in München waren gesignaleerd.

Aan zo’n menigte samenkomende ooievaars was volgens hem ook een volksgeloof verbonden, namelijk dat dit verschijnsel de dood van een aanzienlijk personage voorspelde.

In Spanje zou dat werkelijk eens gebeurd zijn. Toen in 1466 de aanstaande schoonzoon van koning Alfonso van Castilië voor de voltrekking van zijn huwelijk op weg was naar Alfonso’s hof, viel er een dermate groot aantal ooievaars te zien, dat de zon er geheel door verduisterd werd. Kort daarop stierf de schoonzoon in spe aan een blindedarmontsteking. Daardoor trouwde Isabella van Castilië later met Ferdinant van Arragon, en dankzij dit paar kwamen uiteindelijk de Habsburgers op de Spaanse troon. Men ziet: een ooievaarszwerm kan de geschiedenis een beslissende wending geven.

Bij nog weer een andere historische zwerm bleef zo’n sterfgeval echter uit. Die werd in 1355 gezien bij Creutsburg aan de Werra, in Midden-Duitsland. De humanistische geleerde Joachim Camerarius schreef erover –

“Zy vergaderden (zegt die vermaarde schrijver) in groten menigte ontrent en boven gemelde stad en zetteden zich op de daken en stadsmuuren neder, doch vlogen na twee dagen van daar tot over de rievier Wertha, alwaar zy zich op een vlak veld, in slagording stelden en weder schielyk van daar weeken nadat zy drie Ojevaaren met hunne nebben hadden omgebracht en aldaar gelaaten.”

Bron


Tandpijn in Anloo

Wallerant Vaillant, De naaister (uitsnede), ca. 1675.. Collectie Rijksmuseum

Wallerant Vaillant, De naaister (uitsnede), ca. 1675. Collectie Rijksmuseum.

“Toen ik in 1680, den 31 Marty, yet tot Anloo verrichte in het Landschap Drenthe, so verhaalde my den Heer Advocaat Harm. Ketel, dat sijne Suster, 15 jaren oud, veeltijts met een deerlijke Tandpijn gequelt wierde; dat den Barbier een gesonde Kies uitgerukt hadde, en den schuldigen had laten sitten; maar dat sy gisteren, den kies dagelyks stokelende en moeyende, daar een halve verroeste spelde had uytgehaalt, so datse nu geheel verlost was van pijnen.

Dit sal, dunkt men, een waarschuwing strekken aan de Doctoren en Barbiers om alles nauwkeurig te ondersoeken (…) én aan de meisjes, die gedurig spelden in de mond dragen, ofte de tanden daarmede zonder ophouden in stukken krabben.

L. Smids M.D.”

Bron


Sint Maarten en Sinterklaas? Weg ermee!

Dat tradities vroeger heel anders werden ingekleed en beleefd en dus zeker niet voor altijd en eeuwig vaststaan, maar meegaan met hun tijd, toont ons een ingezonden brief in de Groninger Courant van 22 november 1853. De anonieme schrijver, mogelijk een verlichte schoolmeester of predikant, fulmineerde zowel tegen Sint Maarten als Sinterklaas.

Beide gebruiken wilde hij veredelen, en hij hoopte op publieke instemming voor zijn pleidooi, want hij besefte maar al te goed hoe moeilijk het was om oude gewoonten te veranderen. Hoewel het om kinderspel ging, was dàt nou juist geen kinderspel.

Over de recente Sint Maartensviering vertelt hij dan dat het heerlijk weer was, zodat kinderen veel plezier hadden:

“dewijl ieder gaarne met een fakkeltje liep om van de goede menschen een appel, een cent of zoo iets te vragen, waarbij dan over ’t geheel zeer walgelijke liedjes werden gezongen.”

Die versjes vormden dus zijn eerste mikpunt. In Sappemeer was een jaar eerder een beter versje ingevoerd, wat natuurlijk navolging verdiende, maar volgens de auteur – en daarmee komen we aan zijn tweede doelwit – zou het nog veel beter zijn om “de bedelarij met die lietjes” te verbieden, omdat door die verfoeilijke praktijk “reeds vroeg de natuurlijke tegenzin in het bedelen verloren gaat…”

Zo’n verbod moest er volgens hem ook komen voor het nieuwjaarslopen en de bedelarij “die eenige dagen voor paaschen plaats heeft door de kinderen”. Immers, het toestaan daarvan was onverenigbaar met de alom aangewende pogingen tot opvoeding van de “geringen stand”, door al die bedelarij verslapten velen de handen “voor het eerlijke werk”.

Daarbij kwam dat niemand je kon vertellen wat dat lopen met lichtjes te maken had met die goeie ouwe bisschop Martinus. “De geheele St. Maartenspret is dus onzin”, concludeerde onze N.N. Wellicht was de oorsprong heidens, “doch hoe het zij, die gewoonte is verouderd”. Vandaar dat hij Sint Maarten wilde omturnen tot een symbolisch kinderfeest en dat te verplaatsen naar 31 oktober:

“Om daartoe te geraken, is op de laatste St. Maartensavond te Beerta door eenige kinderen een toepasselijk liedje gezongen, behelzende een afscheid aan St. Maarten , om vervolgens den 31sten October met de fakkels te verschijnen.”

Mogelijk verried de scribent hiermee zijn woonplaats. Dik kans dat het de schoolmeester van Beerta was: Hermannus Bouman, schrijver van een sociale roman en pedagogisch kopstuk.

In elk geval had onze scribent nog veel meer dan aan Sint Maarten de schurft aan Sinterklaas,

“eene dag voor de jeugd nog meer onnut, ja verderflijk als de St. Maartenspret”.

Eerst beschreef hij heel aardig hoe het destijds met Sinterklaas toeging op het Oost-Groninger platteland, waarbij ons natuurlijk meteen de afwezigheid van Zwarte Piet opvalt, want die bestond destijds nog niet:

“zie — de koopvrouw in suikergoed weet zeer goed dat zij hare waar aan de huizen te koop moet presenteren als de kinderen op school zijn, of zeer omzichtig gaan de ouders of dienstboden des avonds naar de winkels, om het aan te halen wanneer de kinderen reeds te bed zijn en alzoo daarvan niets vernemen. — De avond van die dag komt, de kinderen scharen zich om het vuur en een mandje of voorschoot ophoudende, zingen ze vol ootmoed en geloof: Sinterklaas die goede bloed enz. tot er als uit den schoorsteen iets naar beneden valt. — Voor het paard van de Sint legt reeds eens moesblad in een mandje dat des morgens is verwisseld voor een heel portie suikergoed enz. De kinderen leiden zich des avonds ter ruste, slapen echter kunnen ze niet terstond uit vrees dat Nicolaas komen zal; en heeft men de onvergeeflijke dwaasheid van iemand voor Sint Nicolaas te laten spelen, dan dient het geschrei van de kinderen ons tot bewijs, dat zij een afkeer hebben van het bovennatuurlijke.”

Volgens onze nurks kweekte Sinterklaas bijgeloof aan en hoorde diens festijn thuis in vorige eeuwen, toen “onkunde en bijgeloof werden gevoed om te kunnen heerschen”.

Ook op de karaktervorming had die hele Sinterklazerij volgens hem een funeste invloed:

“Nu zijn er kindereu die ontdekken, dat de ouders hun alles in het mandje nederleggen. Geven zij hun dat te kennen, zoo is het volgend jaar dikwijls een zakje met zout het geschenk van de brave Sint, en wie duid het dus een kind ten kwade dat het zijn geheim bewaard en zich houd alsof het van niets weet om telkens nog iets te. ontvangen. Hiervan zijn overvloedige voorbeelden en dus tevens, dat de kinderen vroeg genoeg word geleerd om tot hun voordeel te huichelen.”

Door zulke feestdagen werd er zoveel bedorven, dat het een jaar kostte om dat te herstellen. Sinterklaas was bovendien al even doelloos als Sint Maarten. Daarom zag de auteur het graag afgeschaft, om de kinderen voortaan te vermaken met Kerst:

“Rigten we dan , evenals in Duitschland geschied, eene kersboom op, waarin de geschenken voor de kinderen worden opgehangen. Laat hun daarom in ’t rond huppelen met het lied op de tong: Jezus is een kindervriend enz. Dan krijgen onze kinderen een nuttig en in de christelijke maatschappij voegend aanzien, dat gezegend zal werken voor hunne volgende leeftijd.”


Een zee-eenhoorn in het Schuitendiep en andere aardkundige raadselen van weleer

2015-08-03-017

Wat ondergrondse boomstammen, kienhout, de zondvloed, de Stobbevenne bij Roderwolde, de grote veenbrand van 1684 etc. met elkaar te maken hebben.

Ludolph Smids (1649-1720) groeide op te Groningen als wees in een welvarend katholiek milieu. Zijn voogden stuurden hem eerst naar een Latijnse school in Antwerpen en vervolgens naar een klooster in Westfalen, vanwaar hij op zijn 21-ste terugkeerde naar zijn vaderstad Groningen om geneeskunde te studeren, Deze opleiding maakte hij naderhand af in Leiden. In 1673 vestigde hij zich andermaal in Groningen, nu als arts. Door zijn overgang naar de gereformeerde kerk en zijn tweede huwelijk met een gereformeerde juffrouw raakte hij gebrouilleerd met zijn familie, en besloot daarom in 1685 naar Amsterdam te verhuizen, waar hij zich tot een nogal gezwollen dichter en een universele geleerde zou ontwikkelen.

Als arts publiceerde Smids in 1688 enige ‘Aanmerkingen’ op een tweedelig traktaat (1681-1683) door zijn Amsterdamse collega Stephanus Blankaarts, welke aanmerkingen naderhand aan Blankaarts werk zijn toegevoegd in een convoluut. Deze verzamelband is in zijn geheel bij Google Books te vinden. In zijn Aanmerkingen haalt Smids nogal eens medische gevallen uit zijn Groninger tijd aan. Bij gelegenheid ga ik daarop in. Dit keer iets over een geologisch zijpad dat beide heren insloegen.

In deel II van zijn traktaat (pag. 209-210) vertelt Blankaart over bomen die in Cornwall onderin tinmijnen waren aangetroffen. Ook elders in Engeland kwamen wel eens ondergrondse bomen bloot te liggen, namelijk bij het verstuiven van duinen en Engeland was wat dat betreft geen uitzondering, want dat gebeurde in Holland eveneens. Uiteraard gaf dat discussie:

“Daar werd met groote vlijt over getwistredend hoe dat dese boomen in de grond komen: het gemeene (= gewone) volk is van gevoelen, datse door de Sondvloed sijn ter neergeslagen en met slijk bedekt. Sommige aartkenders twijfelen of het niet een sonderlinge soort van boomen is, die uit de natuur in de holen der aarde gewassen zijn, gelijk men gelooft dat er enige planten wassen. ..“

Blankaart zocht het zelf liever niet in zulke “verre oorsaken”. Hij geloofde eerder aan een grote overstroming die de bomen ontwortelde en met zand en slik bedekte : “Daarom vind men daar gemeenlijk rivieren of morassen by”. In zijn eigen verklaring noemde hij de zondvloed niet, maar sloot deze toch ook niet uit.

In zijn Aanmerkingen (pag. 123-124) valt Smids zijn collega min of meer bij op basis van Groninger bevindingen. Dat er een aparte soort bomen onder de grond groeide, wees hij vanwege veenkoloniale vondsten van de hand:

“Men vindse buiten Groningen bykans in alle veenen als in Sappemeer, Wildervank &c., te weten onder het veen en bovenop het sand en juist (…) met de stamme naar het noordwesten. De turfschuitenschippers brengen dit hout mede als wat bysonders, nu rot en vermolmd, en heeten het keenhold.”

Dat ‘keenhold’ kennen wij nu als kienhout. De stammen waar het eind zeventiende eeuw van afgenomen werd, bevonden zich onder de veenlaag en op de onder het veen liggende zandlaag. Ze kwamen dus tegen het eind van de turfwinning op bepaalde locaties tevoorschijn. Smids verwijst impliciet naar de Stobbevenne bij Roderwolde, waar in het laatste jaar dat hij in Groningen woonde een grote veenbrand had gewoed:

“Toen in de heete somer van 1684 het veen by het meir langs ontrent Rowolde en Paterwolde was in brand geraakt, soo wierde daar in de uitgebrande kuilen een denneboom ontdekt van 40 voeten, boven het sand en, als gesegt is, onder het veen, ook met de wortel naar ’t noordwesten.”

Volgens Smids waren zulke bomen “door een geweldigen vloed omgeworpen en door het meegesleepte zand overstulpt”. Die vloed, bij verschillende oudere schrijvers het “Dilivium Cimbricum” geheten, zou in 340 voor Christus tussen de Rijn en de Elbe hebben huisgehouden. Volgens Smids vormde hij een plausibele verklaring :

“Dit moet niemand onmogelijk en ongelooflijk schijnen, nademaal midden in de Stad Groningen, tegenover de trappen van het Raadhuis, onder de herberg van den Daniel, eertijds eenige stukken van een oud schip zijn opgegraven. Voeg hierby dat hoorn van een zee-eenhoorn, gevonden van den arbeiders in het Schuitendiep…”

De Groninger bodem herbergt heel wat verrassingen, mag je hieruit concluderen. Dat wordt nog wat bij het ingraven van de Zuidelijke Ringweg, straks.

Met dank aan Otto Knottnerus voor het attenderen op deze bron.


Diaken laat zieke vrouw voor zijn huis op straat liggen

Die zaterdag, de 20ste maart 1789, stopte er een paard en wagen voor de apotheek van Johannis Adamus Crebas in Winschoten. De wagen kwam van Westerlee, waar de diaconie hem had gehuurd voor het vervoer van

“een arme valetudinaire vrouw, thuis behoordende in Oostvriesland, welke niet te voet kon worden getransporteert”

Valetudinair betekent: ziekelijk, sukkelend. De wagen stopte voor Crebas zijn huis, omdat hij boekhoudend diaken was van het kerspel Winschoten. Waarschijnlijk verwachtten de Westerleesters dat Crebas zou zorgen voor het verdere vervoer van de patiënte. Nadat ze haar bij hem hadden “gepraesesenteerd”, konden ze echter nog niet meteen terug naar hun eigen dorp, want Crebas vond al direct uit dat de Westerleesters eigenlijk bij de lutherse gemeente moesten zijn. Naar haar eigen zeggen was de vrouw immers “van de augsburgsche confessie”.

De luthersen hadden hun kerk nog op Winschoterzijl, aan de grens van het Oldambt met Westerwolde. Maar een diaken van de lutherse gemeente, Daniel Schooman, woonde in Winschoten. Toen de vrouw bij hem uitgeladen werd, bestond hij het om

“voors[zeide] ellendigen, welke aan zijn huis door de diaconen van Westerlee was afgezet, op de straat te laaten liggen, zonder zig haar aangaande te bekreunen…”

De diakenen van de hervormde gemeente Winschoten maakten hier naderhand bij de drost nogal een nummer van. Ze verkeerden in de veronderstelling, zo schamperden ze, dat Schooman

“even zo genegen als hij verpligt was (…) aan een lid van zijne Kerk de pligt van christelijke handreikinge te doen…”,

maar dat viel dus nogal tegen. De hervormde diakenen meenden “dat zulk een handelwijs niet behoorde plaats te hebben” en daarom hadden zij zich het lot van de zieke vrouw aangetrokken:

“zoo hebben rem[onstran]ten zig niet durven onttrekken, maar zig veeleer verpligt gevonden als diaconen die de leer van Jesus volgen in de behoevten van deeze noodlijdende, door haar eigen geloofsgenoten niet geholpen, te voorzien.”

Kortom, het geval bood ze een prachtkans zich te profileren als véél christelijker en liefdadiger dan de lutheranen. Een beetje schijnheilig was dat wel, gezien het vervolg, want aan die menslievendheid hing natuurlijk een prijskaartje. Om die reden stonden de Winschoter diakenen rap, namelijk vier dagen later al, in de gehoorzaal van de Oldambtster drost, waarbij ze het voorval uit de doeken deden, aanvoerden dat ze niet verplicht waren om de vrouw te ondersteunen, en vroegen om zijn toestemming voor het terugvorderen van het aan haar gespendeerde geld bij de lutherse collega’s.

Volgens het diaconiereglement voor de stadsjurisdicties van 1783 was een hervormde diaconie, die ook als eerstelijns algemeen armenfonds moest optreden, wèl degelijk verplicht tot voorlopige steun in zo’n geval, waarna ze de uitgaven sowieso kon terugvorderen bij het dichtstbijzinde armenfonds van de dissenterkerk waartoe de persoon in kwestie behoorde. Wettelijk stond de hervormde diaconie van Winschoten dus al in haar volste recht. Na een hoorzitting verplichtte de drost de lutherse diaconie dan ook tot het “refundeeren” van de hervormde voorschotten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6133: rekesten met apostilles.


Opkomst en neergang van de PSP

ledental-psp-1957-1990Vond een aardig staatje met de ledentallen van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) tussen 1957 en 1990. Van die partij ben ik nog een poosje lid geweest, eind jaren 70, daartoe overgehaald door het legendarische, illustere en overdadig bebaarde gemeenteraadslid Sander Doeve, die me in café De Pijpela verzekerde dat er wel meer anarchistisch angehauchte types lid waren van zijn partij.

Ik was zelfs nog een tijd actief voor de PSP als ‘wijkhoofd’ (nee niet: blokhoofd, hahaha), een functie waarvoor ik op gezette tijden alle leden in de Oosterpoortwijk bezocht met een schoudertas vol roodpaars gekleurde brochures, posters en ander propagandadrukwerk. Dat paars kwam van het feminisme, dat alle heren in het partijpand aan de Tuinstraat dwong tot het zittend plassen op de plee. Met een bont gezelschap progressieve jongelingen  zong ik mee in het PSP-koor Ontstemd, en schreef daarvoor op oude volkswijsjes actuele liedteksten, zoals de Politiestaat en Argentina 1978. De liedjes, kennelijk keurig bewaard in het IISG, werden veelal gearrangeerd door Kobus Koopmans, die tegenwoordig, na een lang verblijf in Amsterdam, met zijn vrouw een galerie en bed and breakfast runt in de oude marechausseekazerne (!) van Nieuweschans. Ook Sander Doeve is trouwens na een lang vertoeven elders teruggekeerd naar Groningerland – hij is nu voorzitter van de GroenLinks-afdeling Oldambt.

De PSP dus. Wie bovenstaand grafiekje bekijkt, ziet dat er eigenlijk vier stadia zijn geweest in de levenscyclus van deze partij. Eerst is er een bescheiden groei geweest vanaf de oprichting tot midden jaren 60. Vreemd genoeg heeft de partij destijds niet kunnen profiteren van de anti-Viêtnamoorlogstemming, wellicht was ze in de ogen van veel mensen toch wat te intellectualistisch en radicaal. Daarna heb je twaalf jaar stagnatie tot 1977 en met de neutronenbom- en kruisrakettentoestanden beleeft ze dan een geweldige opgang. De hoogtijdagen hebben echter slechts vijf jaar geduurd. Zelfs op haar absolute hoogtepunt in 1982 telde de PSP minder dan 10.000 leden. Fase 4 bracht vervolgens een gestage neergang tot een niveau onder dat van de late jaren 60 en de eerste helft van de jaren 70. De no nonsensepolitiek brak baan, links radicalisme was uit de mode, de grote stropdas daalde vanuit de hemelen neder en de PSP fuseerde met CPN, PPR, EVP èn de Vereniging GroenLinks (waarvan ik ook nog lid ben geweest) tot het veel constructievere GroenLinks, een ontwikkeling die de meest verstokte radikalinski’s uit alle bloedgroepen ten sterkste hebben betreurd.


De grammofoon was total loss

Vanmiddag op bezoek geweest bij de dochter (80) van Derk Ploeger, een indertijd alhier bekende anarchist die later jarenlang secretaris van de lokale PSP-afdeling was. Genoeglijk gepraat over Domela Nieuwenhuis, geheelonthouding, vegetarisme en de anarchistencamping. Ze trof bijna nooit iemand die iets van die sfeer afwist. En had een fraaie anekdote over een propagandatocht in Finsterwolde.

Dat moet in de jaren 50 geweest zijn. Het betrof een anti-stemcampagne (‘Denk zelf’, ‘Alleen een ezel kiest ezels’). Zij zat voorin het VW-busje aan de microfoon oproepen te doen voor een meeting en een mannelijke kameraad zat achterin het VW-busje tussen het praten door plaatjes met rooie strijdliederen (zoals de Internationale, het Morgenrood en Ga ga Marianne) te draaien.

In Finsterwolde kregen ze communistische jongens achter zich aan, die waren op de fiets. Gaven ze nou wat klappen achterop die bus? Enfin, de chauffeur wist wel raad. Hij voerde heel langzaam de snelheid van het busje wat op, zodat ook de communistische achtervolgers wat sneller gingen pedaleren. Tot de chauffeur pardoes op de rem trapte en de stalinisten achterop het busje knalden. Dit was het smadelijke eind van hun achtervolging!

Maar met de strijdliederen werd het die dag – helaas – ook niet veel meer. De man die achterin het busje de plaatjes draaide, was namelijk met plaatjes en al een heel eind naar voren gekukeld. En de grammofoon was total-loss.


Hoe Hendrik Hindrik verdrong

Wie veel oude Groninger bronnen leest, weet dat hier in het noorden ooit veel meer Hindrikken dan Hendrikken rondliepen. Hindrik was de regionale variant en Hendrik de Hollandse of nationale variant. Hendrik kwam pas later op en heeft op enig moment Hindrik overvleugeld.

Maar wanneer was dat? Dankzij Alle Groningers is dat gemakkelijk te achterhalen. In onderstaande grafiek zijn per kwarteeuw alle Hindrikken en Hendrikken uit Groninger doop- en geboorteaktes verwerkt van 1700 tot 1899. De rode lijn van Hendrik passeert de blauwe lijn van Hindrik in het derde kwart van de negentiende eeuw, als de provincie Groningen steeds meer geïncorporeerd raakt in de nationale eenheidsstaat, voor welke ontwikkeling de spoorwegen een mooi symbool zijn:

hindrik-en-hendrik-1

NB: Mogelijk hebben de invoerders van Alle Groningers per abuis wel eens een Hindrik in een Hendrik veranderd, maar dat maakt weinig uit. Correctie zou de ontwikkeling alleen maar pregnanter doen uitkomen,

In bovenstaande grafiek gaat het om absolute aantallen en loopt het aantal Hendrikken in de achttiende eeuw langzaam op, maar lang gebeurt dat in gelijke tred met het aantal Hindrikken. Pas in het tweede kwart van de negentiende eeuw komen de lijnen naar elkaar toe. Hoe Hindriks marktaandeel in percentages zich ontwikkelde, is daarom nog weergegeven in onderstaande grafiek:

hindrik-en-hendrik-2-marktaandeel-hindrik

Van lieverlee verloor Hindrik wel al wat terrein, maar in het eerste kwart van de negentiende eeuw was dat nog een overtuigende voorkeursvariant. Daarna begint een snelle afname en rond 1900 is die variant duidelijk in de minderheid geraakt.


Schoolmeester schakelt concurrentie uit

Gerrit Dou - Schoolmeester scherpt zijn pen.

(Navolger van) Gerrit Dou – Schoolmeester scherpt zijn pen.

J.P. Bolhuis, de ongetwijfeld hardwerkende schoolmeester van Winschoten, zat het niet mee. Hij kreeg in 1785 te maken met concurrentie. Terwijl er op onderwijsgebied geen vrije markt bestond, integendeel. Daarom ging meester Bolhuis naar de Oldambtster drost en vertelde hem over de funeste gevolgen:

“Hoe dat zig zomwijlen d’een en d’ander personen onderstaan in het kaspel Winschoot eenige kinderen ter sluik in spel- en leeskonst [te] onderwijsen en niet alleen mijn wittig onderwijs onttrekken, maar ook kostwinninge onderkruipen en benadelen en die kinderen veel kwade gewoonten gewennen, die naderhand bij mij weder in school komende ter nauwer nood met veel moeite, ja wel geheel niet worden ontwend…”

Het betrof een overtreding van het schoolreglement voor de stadsjurisdicties en dat was dus tegen “de wijze en loflijke welmeeninge” van het stadsbestuur, de bazen van de drost. Met name ging het Bolhuis om een Lambert Jans en vrouw en een Hindrik Busker en vrouw.

Een flitsonderzoekje levert op dat Jans mogelijk op het Zuiderveen woonde, m.a.w. in het Winschoter buitengebied, terwijl Busker een telg lijkt van het aloude Winschoter schoolmeestersgeslacht Busscher. Beide bijschoolhouders zullen zo bezien hun reden hebben gehad om meester Bolhuis concurrentie aan te doen. In beide gevallen gebeurde dat volgens Bolhuis onder het voorwendsel van “breiders onderwijs” (zeg maar breilessen). Meermalen had Bolhuis de illegale concurrentie verzocht om met het lesgeven in spellen en lezen te stoppen. Graag wilde hij dat de drost maatregelen nam.

Dat deed de drost, want hij gaf de wedman van Winschoten opdracht om zowel bij Lambert Jans en vrouw als Hindrik Busscher en vrouw langs te gaan en ze aan te zeggen dat ze geen “privaat schoolonderwijs” mochten geven. Ook kregen ze dit nog zwart op wit in een briefje van de drost. Als stok achter de deur kwam er op overtreding van het gebod een boete van 6 gulden te staan. Bij een schoolgeld van een stuiver per week kwam dit neer op twee maanden schoolgeld van vijftien kindertjes. Dat zou ze leren!

Dat Bolhuis concurrentie kreeg kan aan twee dingen hebben gelegen: of zijn onderwijs was onder de maat of zijn school was te vol. Het laatste zal tot ‘t eerste hebben geleid. Ik vermoed ook dat Winschoten destijds flink groeide, zodat de onderwijsvraag er toenam. Handige ondernemers speelden hier natuurlijk op in.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6131 (verkort weergegeven verzoekschriften met de besluiten die daarop genomen zijn).


De vaars die niemand wilde

Haye Tonnis uit Finsterwolde vertelde de drost hoe drie maand eerder een zwartbonte enter vaars in zijn land was “komen weiden”. Haye informeerde links en rechts wie de eigenaar was, maar kon dat ook na lang rondvragen niet gewaar worden. Daarom bracht hij het beest naar de schutstal, waar het sindsdien had gestaan.

Hij liet het beest drie achtereenvolgende zondagen kondigen in drie kerspelkerken (naast Finsterwolde waarschijnlijk Beerta en Oostwold), maar ook dat leverde niets op: nog steeds kwam er geen eigenaar tevoorschijn. Uiteindelijk vroeg Haye de drost ermee akkoord te gaan om de vaars door de diakenen van Finsterwolde te laten verkopen, waarbij het overschot na aftrek van voer en logies, “ten provyte der armen” zou zijn.

Op 19 oktober 1784 gaf de drost hiervoor toestemming aan de Finsterwolmer diakonie. Helaas begint de oudste diaconierekening van Finsterwolde pas in 1785. Er is dus niet te achterhalen hoeveel de vaars opbracht en of dat een hoge dan wel lage prijs was.

Wel geeft dit gevalletje mooi de procedure weer, die gold als een dier op de schutstal niet werd afgehaald. De predikant of de schoolmeester riep het na afloop van de zondaagse godsdienstoefening om in de kerk, en als dàt nog niet hielp, kreeg de diaconie er de beschikking over om het voor de armen te verkopen. De opbrengst minus de schutkosten was dan voor het liefdadige doel: de armen van het kerspel.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731, inv.nr. 6130.


Hoe het Oldambt een nagelnieuwe galgeberg kreeg

zuidbroek-beckeringh-1536-631

Reconstructie, op basis van de Beckeringhkaart (1781), van de plekken in Zuidbroek, van belang voor de uitvoering van het Oldambtster strafrecht. Een gevangene kon vanuit het torencachot op de hoek van de Kerkstraat, via het Rechthuis op de hoek van de Heiligelaan en Uiterburen, waar hij zijn sententie te horen kreeg, bij snelrecht in één ruk door naar de gerichtsplaats ten zuiden van de Galgeweg voor het ondergaan van zijn straf. Deze gerichtsplaats lag ongeveer even ver van de toren af als de brug over het Winschoterdiep. Het was een vierkant terrein, de galg had twee staanders met er bovenop een aan beide zijden overstekende dwarsbalk, zodat er meerdere mensen in één keer konden worden opgehangen. Deze werden onderaan de galg begraven.

De gerichts- of justitieplaats aan de Galgeweg bij Zuidbroek bevond zich in het najaar van 1764 in een droevige toestand. De gracht eromheen was zodanig dichtgegroeid, dat je er met paard en wagen doorheen kon rijden. Op die manier konden de gerichtsdienaren en roderoeden opdringerig volk bij een terechtstelling niet meer afweren. Ook was de poort op de “invaart” of dam verdwenen. Op het vierkante terrein zelf, ruim 40 bij 40 meter groot, groeide allerlei struikgewas en kreupelhout, kortweg: “bos”. De schandpaal of kaak was van boven “zodanig verrot dat er geen kram in vast kan blijven”, terwijl de galg ook onbruikbaar werd bevonden: “Dezelve moet vernieuwt of tenminsten gerepareert worden”.

Vanouds kwam werk aan de gerichtsplaats voor rekening van alle Oldambtster ingezetenen, die dat werk ook wel gezamenlijk hadden verricht. Eind september gelastte de Oldambtster drost, H.J. Veldtman, de Oldambtster volmachten (dorpsvertegenwoordigers) en schatbeurders (ontvangers van grond- en dijklasten) om zich op 2 oktober te laten vinden in het rechthuis van Zuidbroek, waar hij ze een voorstel zou doen. Hij schetste ze er de toestand van de gerichtsplaats, die nodig gerenoveerd moest worden. Zo diende de gracht weer voldoende breed en diep gemaakt te worden, opdat ze niet meer zo gauw zou dichtgroeien en ”om effect daarvan te hebben in cas van justitie”. De volmachten en schatbeurders mochten zèlf hun kerspelen laten uitmaken hoe deze het werk zouden willen uitvoeren. Als het weer een collectief karwei zou zijn, waarvoor het gehele Oldambt mannen zou moeten leveren, dan kwamen er meer dan 5000 mannen op, terwijl het werk gedaan kon worden door nog geen 100. En al die kerels zouden dan hun natje en een droogje moeten krijgen, wat bij 6 stuivers de man per dag neerkwam op 1500 gulden, terwijl de hele reparatie volgens de drost nog geen 300 gulden zou hoeven kosten. Als het graven van de gracht door de kerspelen gebeuren moest, dan zouden die wellicht protesteren. Wat betreft de kaak en de galg was ooit bepaald dat dit om de beurt door de timmerlieden van drie of vier kerspelen gezamenlijk zou geschieden, maar ook hierbij zouden de verteringen bij het werk groter zijn, dan de kosten bij aanbesteding. De drost stelde daarom voor het werk bij aanbesteding te laten uitvoeren. Die methode had duidelijk zijn voorkeur, die was het “best en profijtelijkst”, en daarvoor was het nu in het najaar ook het goede moment, “omdat de arbeiders het nu nog wel kunnen doen en de drukste tijd over is”. Bovendien, zo taxeerde hij, zouden ingezetenen er waarschijnlijk ook meer toe geneigd zijn.

Voor 9 oktober schreef hij een nieuwe bijeenkomst uit, intussen moesten de volmachten en schatbeurders hun achterban polsen, om te kijken waar de voorkeur naar uitging: aanbesteding of graaf- en timmerwerk door de gezamenlijke ingezetenen. Op 9 oktober bleek dat de keus gevallen was op aanbesteding, De drost mocht de bestekken laten schrijven. Daarbij werd hij geadviseerd door twee Oldambtsers, aangesteld door de gezamenlijke volmachten, die hiertoe Botjo Alberts (een boer uit Zuidbroek) en ene Jarko Willems (uit Scheemda of Nieuw-Scheemda) verkozen. Voor deze ene keer bewilligde de drost in zulke adviseurs, maar hij verklaarde uitdrukkelijk dat dit niet als precedent gold.

Uit een brief, op 25 oktober vanuit Oostwold geschreven door stadsbouwmeester Anthonie Verburgh, blijkt dat die ook bemoeienis had met het schrijven van de bestekken. Hij was onderweg naar Oostwold langsgeweest bij de drostenborg in Zuidbroek, maar had er drost Veldtman niet thuis getroffen. Voor Verburgh waren de exacte maten voor het grondwerk nog geen uitgemaakte zaak. Als de gracht extra diep moest worden, ruim 10 voet of bijna 3 meter, dan was een simpele “buining” (beschoeiing) niet meer voldoende, dan moest daar voor de stevigheid nog een “water gording” (gordel) omheen worden gelegd. De “kaak barg” of heuvel waarop de schandpaal kwam te staan, moest volgens Verburgh met “kijl soden” (driehoekige zoden?) worden opgezet, waarbij hij een voorkeur had voor een glooiing van 2 voet op 1 voet aan de basis, dus een helling van 45 %. Daarom moest die heuvel ook worden voorzien van een trap met leuning. De volgende zondag zou Verburgh weer met stadsrentmeester door Zuidbroek komen en dan konden ze nadere afspraken maken.

Op 2 november waren de bestekken klaar en werden deze samen met de algemene voorwaarden opgehangen in het rechthuis, waar gading makende aannemers ze konden laten afschrijven. Het grondwerk en het hout- en timmerwerk werden apart aanbesteed. De aannemer van het grondwerk moest allereerst het gehele “bos” op de justitieplaats verwijderen. Zijn volgende klus betrof de dam naar het terrein, die blijkbaar was ingezakt, want de aannemer moest deze ophogen en waterpas maken met de “Heerenweg” die tegenwoordig de Galgeweg heet. Voor de stevigheid moesten de grachtkanten van de dam met zoden worden opgezet. De “invaart” kreeg een breedte van 12 voet, ruim 3,5 meter, zodat er (al noemt het bestek dat niet) met goed fatsoen een kar overheen kon.

De gracht zou inderdaad zo breed en diep worden dat ze niet meer zo snel zou dichtgroeien en toeschouwers bij een terechtstelling op afstand bleven. De diepte werd egaal 9 voet (ruim 2,6 meter), bij een breedte van 15 voet (4,4 meter) op de bodem. Aan het oppervlak verschilde echter de breedte van het water: aan de noord-, oost- en westkant werd die 26 voet (7,6 meter), maar aan de zuidkant, waar het publiek zich blijkbaar ophield, een 30 voet (8,8 m). Ten opzichte van de bestaande breedte – 16 à 24 voet (ofwel 4,7 à 7 meter) – betekende dat inderdaad een aanzienlijke verwijding. Door het de grotere breedte aan de zuidkant werd de glooiing daar dus flauwer, maar het stuk water was er ook indrukwekkender.

De verbreding van de gracht gebeurde niet aan de binnenkant, bij de eigenlijke gerichtsplaats, maar aan de buitenkant. Aan de binnenkant mocht de aannemer alleen het bovenste laagje afsteken, zodat er zwarte grond zou overblijven. De wal daar moest vervolgens met zoden worden opgezet “ter hoogte als de justitieplaats kan worden” – die hoogte was dus nog niet bepaald, die hing af van de hoeveelheid grond welke aan de buitenkant van de gracht vrijkwam. Al die aarde moest op de justitieplaats worden geworpen, waar ze moest worden “gesligt” (geëffend). Zolang het ophogen van de justitieplaats duurde, had een tijdelijke goot er te zorgen voor de afwatering. Verder diende de aannemer de omgevallen palen op de justitieplaats of in het bos ten oosten van de gerichtsplaats te gooien, of te begraven op de gerichtsplaats. Met het werk moest hij al meteen in de week na de gunning beginnen. Hij kreeg er drie weken de tijd voor, op straffe van een gulden boete voor iedere dag overschrijding. De betaling gebeurde direct na de opneming en goedkeuring van het werk.

Het bestek voor het hout en timmerwerk schreef in de eerste plaats alle maten voor van de “buiningen” (beschoeiingen) langs de dam en rond de justitieplaats. Deze werden gemaakt van aangescherpte grenen posten, die “met een bequame loopheije” 4 voet (bijna 1,2 meter) de grond in geslagen moesten worden. Inderdaad kwam er een “gording” van eikenhout even onder de bovenkant omheen. Deze moest de aannemer bevestigen met “rongen” (ijzeren bouten). De beide buiningen aan weerszijden van de dam werden onder de dam door aan elkaar verankerd met een koppelstuk, dat aan de uiteinden met “verholen zwalve steerten” (goed weggewerkte zwaluwstaartverbindingen) vastgezet werd. Op de buiningen kwamen nog “schroden” te liggen tegen het inwateren van de kopse bovenkanten van de palen.

Midden op de dam, “en wel tegens voornoemde anker of grondholt”, verrees een “hameije” (balkenpoort) met twee deuren. De staanders of deurposten bestonden uit zware balken van 10 – 12 duim (ongeveer 30 centimeter in het vierkant). Deze waren vanaf de grond 11 voet (3,2 meter) hoog en staken vijf voet (zeg anderhalve meter) diep in de grond, waar ze in inkepingen in het anker “vast gerongt” werden. Tussen de palen moest dan op de ankerbalk van de buiningen nog een extra anker komen, eveneens met ijzeren bouten vastgezet aan het onderste anker en de staanders. Met andere woorden: er werd gezorgd voor een zeer solide constructie, die toegangspoort lag maar zo niet omver! Bovenop beide staanders moest een “klapmuts” (gepunt hoedje) komen met een overstek van een centimeter of 5 tegen het inregenen van de kopse paalkanten. De buiten- en binnenmaten van beide poortdeuren, die naar de wegkant opensloegen, de regels en latten erin, het bevestigingsmateriaal en het hang- en sluitwerk werden eveneens precies voorgeschreven.

Wat betreft de kaak op de justitieplaats, moest de aannemer op de plaats die hem nog aangewezen werd een paal neerzetten van 14 voet (ruim 4 meter) lang en 18 x 18 duim (zeg 47 x 47 cm) breed. Het onderste, 4,5 voet (of 1,3 meter ) lange deel bleef vierkant en ging de grond in. Het 9,5 voet (of 2,8 meter) lange deel boven de grond moest de aannemer “zindelijk” bewerken tot een achtkant. Net als op de hameipalen van de poort kwam er een klapmuts op de nieuwe schandpaal. Deze kwam opnieuw op een heuveltje te staan, dat de aannemer van het houtwerk “circul rond” moest maken en diende te voorzien van “kijlzoden” aan de buitenkant. De glooiing werd ook hier 2 op 1 voet, dus 45 %. Om de helling te overbrugging kwam er een trapje van grenenhout tegen het bergje aan.

Afgezien van dat trapje en de buiningen moest al het hout uit het bestek van “Drents, Westerwolds of Westveels eiken” zijn, een bepaling die ik ook van stadsbestekken ken. Al dit hout moest “zonder waan, spint, holle oesten en in de winter gekapt” zijn (dat laatste waarschijnlijk omdat er dan het minst kans op werking was). Voordat het hout zou worden verwerkt, wilden de aanbesteders dat eerst keuren. Na het op maat zagen mochten er geen zaagsneden of iets dergelijks in aangetroffen worden.

Beide aannemers moesten hun eigen gereedschap “en bequame arbeiders en knegten” gebruiken. Die van het hout- en timmerwerk diende klaar zijn op 1 januari 1765. Miste hij die deadline, dan kwam hem dat te staan op een boete van 3 gulden voor iedere dag dat zijn werk langer zou duren. Ook hij werd meteen na goedkeuring betaald, zo belooft het bestek.

Op 9 november waren de inschrijvingen binnen en vond er nog een afmijning plaats in het rechthuis te Zuidbroek. Daarbij werd ingezet vanaf het laagste bod “en die dan eerst mijn roept, zal aannemer zijn”. Qua grondwerk trok ene Eppo Jacobs aan het langste eind met een bod van 295 gulden, voor het hout en timmerwerk werd Hindrik Schreuder uit Zuidbroek voor 650 gulden de gelukkige.

De eerste kreeg op 8 december, de ander op 7 januari zijn aanneemsom betaald. In beide gevallen ging het om het volledige bedrag, ze hadden hun werkzaamheden dus binnen de gestelde termijnen afgerond. Bij elkaar opgeteld bedroegen de aanneemsommen 945 gulden, maar er kwam nog het een en ander overheen voor keuringen en verteringen bij besprekingen in het rechthuis, waarvan ene Louis Davion blijkbaar de waard was. Tot mijn verrassing zaten er ook nog een een paar kwitanties van Tjasse Jans, de later ontslagen roderoede van Zuidbroek, in het dossier. In februari kreeg hij nog 6 gulden “voor het oppassen van de gerigtsketenen en boeijen” die zich gewoonlijk blijkbaar op de gerichtsplaats bevonden, terwijl hij in maart nog de lanen naast de justitieplaats maakte en de dam onder de poort, die blijkbaar ingeklonken was, aanvulde. Al met al waren de ingezetenen van het Oldambt zo ruim 1111 gulden kwijt voor hun nagelnieuwe justitieplaats.

Gek genoeg zit geen bestek van de galg in het dossier. Waarschijnlijk was het daarmee nog niet zo slecht gesteld en is die in losse daghuren en niet op bestek gerepareerd. In de resoluties, rekesten en rekeningen van de stad is er in elk geval geen bewijs te vinden dat de stad hiervoor opdraaide. Het gehele werk was, afgezien van de drost, landschrijver en stadsbouwmeester, een puur Oldambtster zaak.

Op basis van de maten in beide bestekken zou men de justitieplaats dus niet algeheel, maar wel voor een aanzienlijk deel kunnen reconstrueren. Weliswaar is het onmogelijk dat in het echt en op de oude lokatie te doen, want dan moeten daar waarschijnlijk een of meerdere huizen voor wijken. Bovendien lijkt me dat omwonenden hier niet bepaald op zitten te wachten. Maar een maquette op schaal is natuurlijk wèl mogelijk. Een oud-aannemer/timmerman of iemand anders die hier zin in heeft, kan zich bij mij melden voor foto’s van de beide bestekken, die op zich vrij goed leesbaar zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 inv.nr. 6310.


Zwijnen in de moestuin

paulus-potter-twee-varkend

Tammo Pieters uit Winschoten klaagde op 24 november 1783 bij de Oldambtster drost over zijn plaatsgenoot Folkert Luitjes. Folkert had namelijk drie zwijnen van Tammo naar de lokale schutstal gebracht, omdat die zwijnen

“in desselvs moes hadden geloopen en daarin schade gedaan”.

Veel mensen hadden slechts één enkel zwijn “op het hok”, een zwijn dat dan ook nog vaak gezamenlijk eigendom was. De drie van Tammo waren dan relatief veel, ik denk dat hij een wat professionelere varkensfokker of een slachter was. Verder viel dit akkefietje voor in de slachtmaand . Braken de drie varkens misschien uit, nadat ze het doodsgekrijs van een soortgenoot hadden gehoord?

We weten het niet, maar toen Tammo op de hoogte was gesteld dat zijn zwijnen in de schutstal verbleven, vervoegde hij zich, om ze vrij te krijgen, meteen bij Folkert om hem de aangerichte schade te vergoeden. Maar Folkert vroeg maar liefst 3 gulden, hetgeen Tammo “enorm” vond, veel te veel vergeleken bij de weinige schade die zijn varkens naar zijn mening hadden aangericht in Folkert zijn groentetuin.

Omdat ze het “in der minne’ niet eens konden worden, verzocht Tammo de drost, om zijn zwijnen weer terug te mogen nemen uit de schutstal, “onder voldoening van schut- en voergeld”. Over de schadevergoeding moest er dan eventueel maar een apart proces komen, dat stond beide partijen vrij.

Inderdaad gaf de drost de schutstalhouder toestemming, Tammo zijn varkens tegen die voorwaarden te restitueren. Hiervan moest Folkert vooraf bericht krijgen. Afgaande op het rekestboek liet die niets meer van zich horen en of er nog een civiel proces volgde is nog maar zeer de vraag. Maar dat zal ik binnenkort eens nakijken.

Bron: RHC Groninger Archieven 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte rekesten met daarop gevallen apostilles of kantbeschikkingen).


Brouwersvrouw “met wanbegrippen in haar verstand” opgesloten in “secure bewaarplaats”

a-country-infirmary

Gedrieën gaven ze acte de présence bij de Oldambtster drost: de brouwer Jannes Camping uit Winschoten, de weduwe A.P. van Bolhuis uit Groningen en de burgerhopman J. van Bolhuis, eveneens uit de stad. De eerste comparant was de man, de tweede de moeder en de derde de broer van Elisabeth van Bolhuis. Camping voerde als echtgenoot het woord, zijn schoonmoeder en zwager vulden zijn woorden af en toe aan. Ze vertelden dat Elisabeth

“in zodanige staat zig bevind, dat niet alleen haar huishouding niet kan verwaaren, maar alle zodanige mesures neemt, dewelke tot totale ruïne van de suppl[ia]nts huishouding en die der zes nog in leeven zijnde kinderen zoude verstrekken, mogelijk door wanbegrippen in haar verstand veroorsaakt en door vriendelijke en alle aangewende middelen niet zijnde te remediëren, zoo dat geen middel tot beterschap van gem[elde] Elisabeth van Bolhuis kan worden aangewendt, dan dat dezelve op eene bekwame en secure plaats worde besorgt, waarop deselve van het geene daar toe mooglijk aanleiding mogt hebben konnen gegeeven [zou worden] gelibereerd.”

Elisabeth was dus geestesziek. Volgens de famile lag de zaak gevoelig – ze noemden deze “teeder”. Camping, gesterkt met zijn schoonfamilie, verzocht de drost om toestemming zijn vrouw

“op eene convenable plaats op behoorlijke conditiën, naar U H[oog] Ed[el] G[estrenge] welgevallen te bezorgen in bewaringe…”

Dit verzoek deed hij op 16 april 1783. Twee dagen later nam de drost zijn besluit na een tweede hoorzitting, waarin alle drie bovengenoemde personen nog eens aan het woord kwamen over “het ver-gaande wangedrag” van Elisabeth, waarbij ook nog een schriftelijke verklaring van de Winschoter kerkeraad aan de orde kwam,

“uit welk alle de waarheidt van ’t geposeerde en de nootzaaklijkheid eener voorziening (…) ten vollen zijnde gebleken.”

Daarom kreeg brouwer Camping inderdaad toestemming

“deszelvs huisvrouw )…) bij provisie ter haarer verbeetering in eene secure en geschikte bewaarplaats op convenabele conditiën te bezorgen.”

Wel verlangde de drost nog een nader, schriftelijk bericht van Camping over de concrete “bewaarplaats” die hij uitzocht, waarbij de drost hangende dat bericht zijn definitieve toestemming uitdrukkelijk voorbehield.

Tot zover dit rekest om toestemming voor opname van een geesteszieke vrouw. Ik meende me te herinneren dat ze in een van de krankzinnigenkamers van het Anthoniegasthuis in Groningen zat, maar dat bleek bij een check van de rekeningen niet het geval (het betrof een andere Elisabeth). Hoe dan ook blijkt uit het rekest nogal wat omzichtigheid, het was er ver vanaf dat iemand zomaar werd opgesloten, de overheid in de vorm van de drost had hier kennelijk een zware stem in.

Een ander idée reçue wil, dat opsluiting destijds onherroepelijk was en dat patiënten als Elisabeth levenslang opgeborgen werden. In Elisabeths geval gaat dat zeker niet op, zoals blijkt uit meerdere bronnen. Maar laat me, als ik dan toch biografische bijzonderheden ga geven, eerst teruggaan naar het begin.

Elisabeth van Bolhuis was in 1752 in de stad Groningen geboren als dochter van Abel Popko van Bolhuis en Margien Aling. Haar vader was brouwer en haar moeders brouwersdochter. Door de toenemende consumptie van koffie, thee en jenever nam de bierconsumtie destijds voortdurend af en de brouwers vormden derhalve een verarmende en ook danig slinkende beroepsgroep. Je zou zeggen: erg optimistisch kan Elisabeths vader niet zijn geweest.

Elisabeth trouwde in 1770, op haar achttiende, te Winschoten met Derk Bruning, vaker Bruining of Bruinink geheten. Hij was oorspronkelijk afkomstig van het Clooster onder Coevorden. Volgens een weinig imposante boedelinventaris uit 1773 was Bruining eveneens brouwer – zijn bedrijf stond op de Binnenvenne in Winschoten, een brouwketel, kuipen en vaten hoorden er sowieso bij en op de zolder lag nog voor 200 gulden aan havermolt en voor 50 gulden aan gerstemolt.

Die boedelinventaris werd opgemaakt voor de toen tweejarige zoon Hindrik, wiens belangen beschermd moesten worden omdat Bruining overleden was en Elisabeth dat jaar als weduwe hertrouwde met Jannes Camping uit het Drentse Ees, waarschijnlijk ook weer een brouwer(szoon). Van dit paar werden in Winschoten vier kinderen gedoopt:

  • 1774 – Abel Popko
  • 1775 – Harm
  • 1777 – Harm Jan Aling
  • 1781 – Annechien

Met het voorkind van Elisabeth zelf en een voorkind van haar tweede man had ze dus nog voor haar dertigste de zorg voor zes kinderen.

Na Annechien, Elisabeths enige dochter, duurde het vier jaar voor het volgende kind zich aandiende. In die periode was Elisabeth opgenomen. Dat ze weer uit de ”secure bewaarplaats” kwam, bleek in 1785, toen ze met haar man en kinderen naar Toornwerd bij Middelstum verhuisde. Ze gingen er boeren op een boerderij met 79 gras land (een kleine 40 hectare), wat destijds een redelijk fors bedrijf was.

In Middelstum kreeg Elisabeth nog twee zoons:

  • 1786 – Jannes
  • 1793 – Berend

Ze leefde nog in 1797, want dat jaar tekende ze als getuige de huwelijksakte van haar oudste zoon Hindrik Bruin in Zuidwolde. Ze moet toen dus compos mentis zijn geweest. Niet lang daarna zal ze zijn overleden.

Zoals het rekest van Jannes Camping aantoont dat iemand niet zomaar kon worden opgeborgen, zo toont de hervatting van Elisabeths levensloop aan, dat een opsluiting ook tijdelijk kon zijn. Als je er even over nadenkt, is dat ook logisch: een opname ging gepaard met kosten die men heus niet meer wilde blijven betalen als de patiënt aan de beterende hand was.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte rekesten met daarop gevallen kantbeschikkingen of apostilles).