Kamer in het armenklooster gekraakt

Dat is gek, Veendam had in 1783 een klooster, terwijl die alom in Groningerland allang waren afgeschaft en de plaats zelf niet eens zo lang bestond. Het ging dan ook niet om een klooster met monniken of nonnen, maar om een “armenklooster”.

Dat blijkt uit een klacht van de Veendammer diaconie, die het bewuste vastgoed blijkbaar in eigendom had. De klacht ging over het echtpaar Beerent Jans en Annegien Tonnis. Dit had een paar weken eerder de euvele moed gehad

“in te breeken in een van de kaamers van ’t arme-klooster in Veendam”.

Zoals uit het vervolg van de klacht blijkt, betrof het eerder een soort van kraakactie, dan inbraak. De kamer (= eenkamerwoninkje in een rij) werd eigenlijk bewoond door Jan Jumkes, “zijnde een man van over de 80 jaaren oud”. Zonder zijn medeweten en bewilliging was het echtpaar op een onbewaakt moment bij hem ingetrokken en Jan Jumkes klaagde bij de diakenen dat hij en zijn huisraad door Beerent en Annegien (die hem misschien verzorgden?) “zeer worden mishandelt”, zodat “hij hun onmogelijk bij zig konde houden”.

Met medeweten van de Oldambtster drost lieten de diakenen het stel vervolgens tot twee maal toe door de kerspeldienaar aanzeggen “dat zij het arme klooster wederom zouden hebben te ontruimen”, omdat de diakenen

“hun die inwooning niet toestaan wilden, nog ook behoefden, vermits die persoonen geen onderstand benodigt waren, maar zig zelve nog kunnen het nodige door handen arbeid besorgen.”

Ze maakten, kortom, gebruik van sociale huisvesting zonder daar überhaupt het recht toe te hebben. Beerent Jans en vrouw weigerden echter gevolg te geven aan die aanzeggingen. Daarom verzochten de diakenen de drost, om er nu de wedman op af te sturen, die ze dan met zijn sterke arm uit het armenklooster moest zetten.

Aldus gebeurde, want de drost gaf op 24 juni 1783 zo’n machtiging aan de plaatselijke wedman.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen).

 


Hunsingoër boderoute, 1652

kerspelen-1769-rondgang-hunsingo

In februari 1652 moest de bode Roeleff Philips vanuit de stad een placcaat van Gedeputeerde Staten rondbrengen en aanslaan bij de rechthuizen in  Hunsingo. Waar hij dat gedaan had, tekende de wedman ter plaatse zijn naam op een lijst, die Philips had genoteerd op de achterkant van een placcaat. Doordat dit stuk bewaard is, weten we welke route Philips volgde: vanuit de stad eerst naar het noorden tot Baflo-Rasquert, daarna zwenkte hij naar het westen,  om vanuit Vierhuizen zo’n beetje de kustlijn te gaan volgen tot Uithuizen. Vanaf die plaats volgde hij tot slot een wat kronkelige weg naar het zuiden, terug richting stad.

Willem G. Doornbos vond het stuk en vertelt erover in de jongste aflevering van GroninGen, het orgaan van de Nederlandse Genealogische Vereniging afdeling Groningen. Doornbos vindt de route na Kantens een minder logische, maar zouden de kronkels daarna niet ingegeven kunnen zijn door de aanwezigheid van met puin verharde trekpaden? In februari met een paard over gewone kleiwagen trekken, moet bepaald niet vlot gegaan zijn.

Dat de reis meerdere dagen moet hebben geduurd, blijkt uit de beloning van de bode. Hij ontving er een pond groot voor, 6 gulden. Voor een vakbekwame ambachtsman in loondienst vertegenwoordigde dat een à twee weken loon. Ik denk niet dat de bode zo lang onderweg was, in de som zullen ook de kosten voor logies onderweg verdisconteerd zijn,.


Ontslagen klerk weigert afgifte sleutels en papieren

klerk-c
Zo’n secretarie was nogal een hiërarchische toestand. In het Oldambt stond de drost bovenaan, hij was door het stadsbestuur benoemd om recht te spreken en te besturen. Daaronder had je de landschrijver, vooral prominent als aanklager in strafprocessen. En daar weer onder ressorteerden een of meerdere klerken, aangesteld door de landschrijver, maar beëdigd door de drost.

Net als een boerenarbeider was zo’n klerk totaal afhankelijk van zijn bazen. In 1777 meldde landschrijver R.F. van Iddekinge aan de drost, hoe hij genoodzaakt was om zijn klerk Sigefridus Klugkist te ontslaan, omdat die

“zoo wegens lichaams constitutiën, als andere omstandigheden, (…) buiten staad wierde gebragt om sijn ambt naar behoren waar te nemen.”

Een ambtenarenpensioen was er nog niet bij, de drost ontsloeg Klugkist van zijn eed en beëdigde in één adem door diens opvolger Bernardus Vliege.

Deze Vliege was een telg uit een familie van lagere beambten in de stad. Bernardus Vliege zal in de gunst hebben gestaan bij de Van Iddekinges, anders zou de Oldambtster landschrijver deze post niet aan hem hebben vergeven. Het bleef echter niet heel lang koek en ei tussen beide mannen. Ruim twee jaar later voelde Van Iddekinge zich reeds “genecessiteert” om Vliege te ontslaan.

Maar Vliege nam dit niet, zo lijkt het. Hij weigerde tenminste

“de sleutels van de tavel alwaar de boejen in zijn opgesloten, alsmede de andere sleutels en papieren de secretarie van den Oldambte toucherende, so onder hem berustende, over te geven.”

De landschrijver stelde de drost in kennis van deze weerspannigheid en verzocht hem om Vliege te gelasten tot afgeving van de sleutels en papieren. Als Vliege dat dan nog steeds zat te traineren, moest de wedman maar worden ingezet om het spul bij hem op te halen.

Drost Berghuys voldeed op 12 juli 1779 niet aanstonds aan dit verzoek. Hij wilde eerst Vlieges kant van de zaak horen en eiste dat de ontslagen klerk hem daarover binnen twee etmalen een schriftelijk bericht zou sturen.

Dat deed Vliege en op de 15e gaf de drost een afschrift van Vlieges bericht door aan de landschrijver. Ook gelastte hij Vliege nu

“zonder enig uitstel de sleutels en papieren tot de secretarie van den Ol-ambte behorende, soo onder deselve berustende mogten zijn, aan de wedm[an] J. Hellema te overhandigen.”

Wat betreft het ontslag en “gepraetendeerde jura” – d.w.z. vacatiegelden en schrijflonen die de landschrijver volgens Vliege nog aan Vliege moest betalen – schreef de drost nog een hoorzitting uit, waarvoor hij beiden door de wedman liet uitnodigen.

Die hoorzitting was op 17 juli, ’s ochtends vroeg in de drostenborg. Er werd overeengekomen dat Vliege een ontvangstbewijs voor de afgegeven sleutels en papieren zou krijgen, waarin deze allemaal zouden zijn opgesomd. Deze inventarislijst moest de landschrijver ondertekenen. Aan de andere kant moest Vliege nog wat achterstallig werk afmaken, het ging dan om het afschrijven van boedelinventarissen en het overbrengen van concept-akten op perkament. Vliege moest deze stukken binnen drie dagen klaar maken en aan de landschrijver geven. Bij die gelegenheid zou Vliege dan zijn achterstallige schrijflonen krijgen, “alsmede desselfs andeel in ’t lodt der bakkers”. Blijkbaar speelde de klerk een rol bij de broodzetting, het vaststellen van de minimumprijs voor brood. Met het “ombrengen” (van de kennisgevingen bij de bakkers) mocht Vliege zich echter absoluut niet meer bemoeien – waarschijnlijk vloeiden hier inkomsten voor hem uit voort, al was zo’n rondgang natuurlijk ook een uitgelezen mogelijkheid om Jan en alleman van het ontslag op de hoogte te stellen. Nog steeds werden een “reficier” (?) en een enkele sleutel vermist. Zodra die gevonden werden, moest Vliege ze aan de landschrijver afgeven. De landschrijver kreeg ook nog bijna 9 gulden van Vliege wegens gerechtskosten in een bepaalde zaak. Als alles over en weer overhandigd zou zijn, diende de landschrijver Vliege nog “een behoorlijke acte van ontslag” te geven,

“waar mede alle wedersijdsche praetensiën zullen zijn vereffent en gemortificeert, terwijl de Hr. Lands[chrijver] anneemt de zaken wegens geleverd francijn an de boekverkoper Oomkes te Groningen te zullen voldoen”.

Met dat francijn werd het in de secretarie gebruikte perkament bedoeld. Vliege kocht dat blijkbaar gewoonlijk in, waarbij de betaling ook via hem verliep.

De uitspraak van de drost maakt duidelijk, dat veel zaken door elkaar waren gaan lopen in de Oldambtster secretarie. Het ontwarren van de kluwen kostte echter ook weer niet zoveel moeite. De reden voor het ontslag van Vliege zou wel eens geweest kunnen zijn, dat hij opspeelde over geld dat de landschrijver hem nog schuldig was. Het ontslag ervoer Vliege als onrechtvaardig, vandaar dat hij sleutels en papieren verdonkeremaande.

Heb nog even gekeken waar Vliege na zijn ontslag bleef, maar er viel geen spoor meer van hem te vinden.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nrs. 6126 en 6128, rekesten d.d. 7 april 1777 en 12-17 juli 1778.


Oldambtster boerenzoon belandt in befaamd verbeterhuis

vierige-kolom-v-blog

De vierige Colom was in de zeventiende eeuw nog een Amsterdams drukkershuis, vooral bekend van een atlas. In een gekleurde versie van die atlas staat dit beeldmerk, dat vast ook op het uithangbord te zien was.

Als zoon van een dikke eigenerfde boer en een domineesdochter was Peter Evers een van de rijkste erfgenamen van Scheemda en Eexta. Maar de jongen, opgevoed door zijn grootmoeder in de stad, wilde niet deugen.

Misschien was dat al zo voordat hij dienst nam in het leger, waar hij cadet of officier-in-opleiding werd in het regiment van de Ommelander generaal baron Lewe. Omdat hij nog minderjarig was, moesten zijn voogden hiervoor toestemming geven – misschien waren ze hem ook wel beu, graag van hem af en blij toe dat hij ergens ver weg zat. In september 1779 als achttienjarige deel uitmakend van het garnizoen te Namen, gedroeg hij zich echter dermate slecht, dat ze zich opnieuw met hem moesten bemoeien. Maar wat ze ook met hem probeerden, hij ging er lijnrecht tegenin. Daarom bespraken ze zijn gedrag uitvoerig met de Oldambtster drost, die het toezicht had over alle voogden. Niets hielp, de maat raakte vol en ze konden

“eindelijk niets beter voor hunne pupille oordelen, dan hem in een fatsoenlijk verbeterhuis besorgen.”

Met medeweten van de drost informeerden ze eens links en rechts eens naar mogelijke adressen, en uit een brief van Utrecht begrepen ze dat

“aldaar een goede occasie ten dien opsigte te zijn in ’t verbeterhuis De vierige Colom genaamt.”

De drost onderzocht nauwkeurig de feiten en daarbij bleek hem ”ten vollen” de waarheid van datgene wat de voogden naar voren hadden gebracht. Op 23 september 1779 machtigde hij ze om hun “pupil” Peter Evers uit de militaire dienst te halen en “provisioneel te bestellen en te doen bewaren” in genoemd verbeterhuis,

“op hope van verbeteringe zijner slegte en gevaarlijk conduite en tot voorkominge van ergere gevolgen.”

De jongeling kwam terecht in een illuster oord. Maar eerst iets over verbeterhuizen in het algemeen – dat waren een soort van particuliere gevangenissen en/of gestichten voor ontsporende en ook wel geesteszieke rijkelui(skinderen), die er meestal geplaatst werden door hun te schande gemaakte families.

‘De vierige Colom’ (vurige Kolom) was in de achttiende eeuw misschien wel Neerlands bekendste verbeterhuis. De naam werd afgeleid van de vuurzuil in het bijbelboek Exodus, die de joden de weg wees naar hun Beloofde Land. Toegepast op de bewoners – die moesten ergens doorheen om nog goed terecht te kunnen komen.

In De vierige Colom zat van 1730 tot zijn dood in 1746 de drankzuchtige en agressieve koster van de Utrechtse Domtoren, die de beruchte sodomietenvervolging met een verklaring op gang bracht. Zijn dochter bezorgde hem er een plaatsje. Eind 1761 werd de jonge Pieter ’t Hoen, later de man van het patriotse opinieblad De Post van den Nederrhijn, hier voor een jaar opgesloten door zijn ouders. Ook speelt het huis een rol in het satirische geschrift De Boere Studeerkamer uit 1767: een onbetrouwbare boekhouder plaatste er zijn overspelige vrouw. En veertig jaar later duikt het huis nog op in Loosjes’ Historie van Mejuffrouw Susanna Bronkhorst, waarin een vader zijn lichtmis van een zoon de keus geeft tussen de Duivel en Beëlzebub: ofwel twee jaar opname in De Vierige Colom, ofwel keihard van de vroege morgen tot de late avond werken op vaders kantoor, om de aangerichte schade terug te betalen. De lichtmis koos toch maar liever voor het laatste…

Ongetwijfeld heeft Peter Evers veel geleerd tijdens zijn verblijf in De vierige Colom. Of hij zich moreel verbeterde, is de vraag. In elk geval keerde hij terug naar het Oldambt. In 1787 trouwde hij in Scheemda met de Noordbroekster kasteleinsdochter Hilligje Broekema, vrijwel zeker een huwelijk beneden zijn stand. Uit een boedelinventaris van 1803 blijkt toch nog steeds een zekere welvaart. In 1817 stierf hij – volgens zijn overlijdensakte was hij rentenier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6128.


Schadevergoeding wegens wandluizen

Avdries Both - De wandluizenjacht, ca. 1620.

Andries Both – Op wandluizenjacht.

In de zomer van 1778 kocht Jan Harms Bolman (die zichzelf Baalman noemde) een huis met een tuin aan het Oosterdiep te Veendam. Op dat moment werd het nog bewoond door een Jan Harms Tempel en vrouw, maar die ontruimden het huis per 1 november, zodat Bolman erin kon trekken. Dat bleek echter geen onverdeeld genoegen, want Bolman

“die behuisinge daarop aanvaardende en willende reinigen of schoonen, tot deszelfs grote surprise daarin wandluisen heeft bevonden.”

Destijds kwamen wand- of weegluizen of bedwantsen zoals ze tegenwoordig heten, wel vaker voor. Zo “krielde” in 1775 een woning in de Pekela ervan, zodat de kersverse bewoonster, de vrouw van een afwezige schippersknecht, tot een huurstaking overging. Ook in de archieven van het Neder- en het Volle Gericht in de stad kwam ik ooit een paar meldingen tegen. Al met al zijn het niet echt veel gevallen, maar in de Groninger Courant werd er nog wel eens geadverteerd met middelen die een eind aan wandluizen moesten maken, zodat deze parasieten waarschijnlijk wel vaker voorkwamen dan incidenteel.

Door het ongedierte moest Bolman extra kosten maken

“ter removeringe van dien en suivering der behuisinge, uit welke hoofde hem actie van schadevergoeding sustineert geschapen te zijn.”

Hij vervoegde zich daartoe eerst bij de verkopers, die hem na enig onderzoek gelijk gaven. Die verkopers waren echter niet Tempel en vrouw, omdat die wegens wanbetaling van hun hypotheeklasten uit hun eigendomsrecht waren gezet. De werkelijke verkopers waren de “administratoren van de Tontine of Contract van Overleving”, een soort beleggingsfonds voor kopers van lijfrentebrieven, die jaarlijks collectief, dus met zijn allen een gelijke lump sum aan rente kregen, zodat degenen die overleefden steeds hogere bedragen konden beuren. Dit Contract van Overleving, dat sinds 1763 te Groningen bestond, had kennelijk geïnvesteerd in een hypotheek op het huis van Tempel en zijn vrouw, en omdat deze debiteuren in gebreke bleven wat betreft het betalen van rente en aflossing, mocht het fonds van het gerecht het huis “op schade en bate” van Tempel en vrouw verkopen, waarbij het fonds de som die overschoot nadat de schuld van de veilingopbrengst was afgetrokkken, aan de andere crediteuren moest geven.

Dat was een vrij gecompliceerde situatie, waarbij er voor Bolman van alles kon misgaan. Vandaar dat hij zijn toevlucht nam tot de Oldambtster drost met het verzoek om zowel hem als de administratoren van de tontine en hun schuldenaar Jan Harms Tempel te horen, opdat er zo mogelijk een schadevergoeding voor Bolman kon worden vastgesteld.

De drost wees dit verzoek van Bolman toe en op 17 november vond de tripartite hoorzitting plaats. Hierbij kwamen partijen overeen dat Bolman 20 gulden van de tontine kreeg, naast de kosten die hij voor de gerechtelijke procedure had moeten maken. De tontine zou dit weer doorberekenen aan Tempel.

Wie een huis ontruimde, kon het dus maar beter zelf eerst schoonmaken, ook al was hij formeel geen eigenaar meer en daarmee huurder. Bij aanwezigheid van wandluizen was de laatste bewoner immers in rechte aanspreekbaar op een schadevergoeding aan degene die het huis betrok.

Bronnen naast de gelinkte:

RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nrs. 6127 en 6125 (rekestboeken met resp. het Veendammer en het Pekelder geval).


Een zwakzinnige reus

“Een zoon, die van jongs op seer elendig is geweest”, zo omschreef Aafje Hilbrands in 1778 het “eenigst kind” van haar en wijlen haar eerste man Freerk Jans. Waarom de jongen er zo slecht aan toe was, legde ze uit:

“als kunnende [hij] niet staen, gaan nog spreken, verstandeloos en gevoelloos, so dat er gestadig iemand met hem spelen moet, en hem als een kind oppassen en bedienen, zelfs zo verre dat ’t eeten en drinken hem agter in de mond moet worden [gegeven]”

Op dat moment was die zoon achttien jaar oud en

“niet alleen wegens zijn elendigen toestand, maar ook wegens desselvs grootte van lighaam veel kosting van oppassinge, kleeren, levensonderhoud benodigt…”

Gelukkig behoorde Aafje niet tot de allerarmsten in de samenleving. Naar blijkt uit de boedelinventaris, die opgemaakt werd voor haar hertrouwen in 1772, hadden zij en haar eerste man, die schipper was geweest, zowel een tjalkschuit als een eigen huis in Wildervank. Ook verder zaten ze goed in de spullen. Zo liet Freerk bij zijn “lijfstoebehoren” maar liefst 7 hemdrokken na, waarvan 3 met zilveren knopen. Verder bezat hij onder meer een zilveren horloge, een paar gouden hemdsknopen en een bijbeltje met zilveren sluitwerk, al met al een bewijs voor zijn welvaart.

Uiteraard werden er bij dat hertrouwen van Aafje “voorstanders” of voogden voor haar zoon Jan aangesteld. Met die voorstanders sloot Aafje een akkoord over Jans vaderlijke erfdeel. Afgezien van de lijfstoebehoren van haar overleden man, die voor haar zoon bestemd waren, nam Aafje alle bezit over. In ruil daarvoor zou ze haar zoon tot zijn achttiende “in kost, drank en klederen” onderhouden. Daarna zou zij de voorstanders voor het erfdeel van Jan 600 gulden geven en de lijfstoebehoren van zijn vader. Met toestemming van de drost waren die kleren en opsmuk naderhand verkocht voor 100 gulden, zodat de totale som gelds die de voorstanders van Jan in 1778 ter beschikking hadden, 700 gulden bedroeg.

Vanwege Jans toestand, waren er zes jaar eerder bij het akkoord al voorzieningen getroffen voor de periode nadat hij achttien zou zijn geworden. De voorstanders wilden hem bij zijn moeder laten blijven voor een kostgeld van 100 gulden per jaar. Daarmee zou het dan zeven jaar kunnen duren, voordat Jans vaderlijke erfdeel opgesoepeerd was. Maar Aafje wilde hem ook dan nog wel houden. Ze nam aan “het zelve uit het eigen goed, zo lang zij en ’t kind leeft, te onderhouden”.

Maar dat kostgeld van 100 gulden, afgesproken toen Jan twaalf was, bleek toch wel wat karig op zijn achttiende, toen hij enorm bleek te zijn gegroeid. Reden voor Aafje om zich met dat rekest tot de Oldambtster drost te wenden. Ze klaagde dat ze met het afgesproken bedrag “tot onderhoud en oppassen van ’t kind” niet toekon, waardoor het huishouden met haar tweede man er financieel sterk onder leed. Daar viel echter wel een mouw aan te passen. Jan had intussen namelijk nog 410 gulden geërfd van een oom die in West-Indië stierf. Onlangs overleed bovendien een “moeij” of tante van hem, waarvan hij de mede-erfgenaam was. Aafje vroeg de drost haar “verbeteringe van ’t kostgeld” te bezorgen, door haar beide erfenissen toe te wijzen. Mocht ook het geld daaruit opraken, dan zou ze Jans onderhoud alsnog geheel uit eigen zak betalen.

Uiteraard zouden die erfenissen voor Jan in ontvangst worden genomen door Jans voorstanders, die na zijn achttiende gewoon in functie bleven. Of zij het ermee eens waren, vertelde Aafje niet in haar verzoekschrift. De drost schreef een hoorzitting uit om zowel Aafje als de voorstanders te horen, maar de conclusie ontbreekt helaas in het rekestboek. Ook vond ik elders in het drostenarchief geen afrekening van de voogden, terwijl het archief van de rechtstoel Veendam-Wildervank helaas verloren ging, zodat een eventueel civiel proces niet meer naspeurbaar is. Dat is jammer, maar dan nog blijft het beeld hangen van een vrouw die financieel alle zeilen moest bijzetten voor haar zwakzinnige zoon. Ook toen al zorgden zorgkosten voor heel wat hoofdbrekens.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven,

  • Toegang 731 (gerechtelijke archieven Wold-Oldambt) inv.nr. 3901 (boedelinventaris Freederick Jans en zijn vrouw Aafjen Hilbrands 1772);
  • Idem, inv.nr. 6127 (rekestboek, in dit geval met verzoekschrift d.d. 8 september 1778).

Hond bijt ventster

johnston-9-honden

Honden in het dierenboek van Johnston (1660).

Dit keer een eenvoudig smartegeldzaakje.

Hinderine Jansens was al behoorlijk op leeftijd. Zwaar fysiek werk kon ze niet meer aan. Op geen enkele andere manier viel er voor haar nog wat te verdienen, “dan met lint en veters ter verkoop bij de huisen om te lopen”.

Dat venten met marginale handel stond laag in aanzien. Mogelijk werd ze wel eens met minachting bejegend. Maar vergeleken bij wat haar in Finsterwolde gebeurde, viel dat nog  mee. Niet voor niets zou ze een paar weken later, toen ze weer opgekrabbeld was, haar beklag over dat incident doen bij de Oldambtster drost.

Ze vertelde dexe hoogste gezagsdrager in het Oldambt hoe

“zig met de negotie voor eenige weken na ‘t carspel Finserwold hebbende begeven, hare waren ook bij Folkert Jans aldaar heeft zoeken te verkopen, ter welken occasie de hond van gem[elde] boer op rem[onstran]te is aangeschoten, haar een gat in de bille heeft gebeten…”

Ze had er zoveel “pijn en smerte” van, dat men haar op een wagen naar haar woonplaats Veendam moest vervoeren. Hoewel mensen van haar stand liever geen medicus inschakelden, kwam er dit keer een lokale dokter aan te pas, die haar ook medicijnen voorschreef. Nog afgezien daarvan had Hinderine geruime tijd het bed moeten houden, zodat ze niets kon verdienen. Door die agressieve waakhond zat ze dus met een behoorlijke schadepost.

Inmiddels had er Folkert Jans als eigenaar van de hond op aangesproken, maar die weigerde haar eens vergoeding te geven. Daarom voelde de ventster zich genoodzaakt, de Finsterwoldiger boer daarover in rechte aan te spreken. “Dan aangesien zij in zeer armoedige omstandigheden verkeert”, en dus de kosten van een gerechtelijke procedure niet kon betalen, verzocht ze de Oldambtster drost haar het “jus pauperum” te verlenen. Dat was het recht om te mogen procederen voor rekening van het gerecht, dat in zo’n geval een gratis advocaat toewees – een regeling die vooraf ging aan onze pro deo advocatuur.

De drost besloot op 13 oktober 1778 nog voordat hij haar dat recht verleende, eerst beide partijen te horen. Op zijn aandringen bleken ze bereid tot een minnelijk vergelijk, zodat het niet tot een echt proces hoefde te komen. De boer uit Finsterwolde betaalde de lint- en veterverkoopster 12 gulden wegens haar “voorgegevene wonding” door zijn hond. En daarmee was de zaak afgedaan.

RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6127 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop).


Koe in de Tjam

kobell-ca-1800-vee-bij-bruggetje-bredius

Uit de regels kan je bijna nog opmaken hoe de stoom Luitje Alberts uit de oren kwam. Hij had een koe in de weide gehad bij Hindrik Cornellis in Finsterwolde en dat voor 8 stuivers weidegeld in de week. Maar het was niet goed gegaan met het beest. Het raakte te water:

“… gem[elde] koe in de zoogenoemde Tjam geraakt zijnde, dezelve daaruit door Hindrik Cornelis tegens een steile en hooge wal is opgetrokken; dat de koe hierdoor ten uitersten afgemartelt, Hindrik Cornelis dezelve zonder eenig hulpmiddels aan te wenden in het land heeft doen verblijven, door welke negligente behandeling de koe daarna gestorven is…”

Luitje was bij Hindrik langsgeweest om schadevergoeding te vragen. Maar Hindrik hield zich stil en antwoordde niet. Daarom wendde Luitje zich tot de Oldambtster drost met het verzoek om een hoorzitting uit te schrijven, zodat met beide partijen de hoogte van die schadevergoeding kon worden vastgesteld.

Op 8 september 1778 willigde de drost het verzoek in om ze te horen “en zoo doenlijk te reguleren”. Een vervolg heb ik niet kunnen vinden, niet in hetzelfde rekestboek, niet bij de uitspraken en evenmin in het civielrechtelijke prothocol. Ik vraag me zo af, of het zaakje wel eens een vervolg kreeg. Maar wie weet, kom ik dat nog wel eens tegen.


Grondkraak bij het Hoetmansmeer

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij die wel weergaf, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij dat wel deed, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Als je afgaat op de verschillende Groninger encyclopedieën en andere naslagwerken, werd het Hoetmansmeer, een meerstal in het hoogveengebied tussen Wildervank en Nieuwe Pekela, pas in 1804 drooggelegd en in boerenplaatsen opgedeeld. Dat mag zo zijn, maar die droogmaking kende een vrij lange aanloop, waaraan meestal voorbij wordt gegaan. In 1769 vroeg juffer H.H. Werumeus, de eigenares van het meeste veen aan de kant van de Ommelanderwijk, de stad namelijk al om droogmaking van het meer, waarop de stad in de zomer van 1770 besloot om samen met haar die drooglegging werkstelling te maken. Dat gebeurde in eerste instantie door een ringsloot aan de noordkant, waarin het meerwater kon afzakken. Terwijl de stad die sloot steeds verder zou verdiepen, zou juffer Werumeus de afwatering van de sloot naar haar wijk betalen en die wijk steeds dieper houden dan de ringsloot. Voor de vervuiling van haar watergangen met meerstalwater zou de stad haar een vergoeding geven. Maar waarschijnlijk doordat de juffer weldra stierf, lag het werk in 1776 stil. Met haar opvolger C.H. Gockinga, die dat jaar aan de bel trok, werd weliswaar in 1778 een nieuwe overeenkomst gesloten, zodat in 1785 de perceelsgrenzen door het meer konden worden “opgetrokken”, maar erg veel schot zat er dus ook toen nog niet in de zaak, wat deels wellicht zijn oorzaak vond in enkele diepere kolken in het meer.

In elk geval bestond er in de jaren 1770 al een “commissie tot het aftappen van het Hoetmansmeer”. Ook lag een deel van het meerland destijds al droog. Want toen voornoemde commissie in de zomer van 1776 de oevers naging en onderzocht, zag een van haar leden, dr. Forsten,

“een aanmerkelijke antal banken boekweitenlandt, gelegen op het droog gewordene landt bij en omtrent Hoetmans Meer”.

En dit boekweit (een brandcultuur) groeide nota bene op zijn grond, in de opstrek van de veenplaats nr. 35 aan het Oosterdiep in de Wildervank. Bij nader onderzoek bleek Forsten ook, dat het veen hier was “gebrand, bearbeijdt, besaaijt en beheerdt” door zijn pachter op die plaats, te weten Stoffer Hindriks Smit. Alleen gebeurde dit zonder Forstens voorkennis en toestemming, ja, Forsten kreeg er zelfs helemaal geen pacht voor! En dat terwijl sommige van de bewerkte akkers al “eenige jaren schenen geboekweijdt te wesen” – bij andere percelen ging het om “geheel nieuw landt, nieuws toegemaakt”.

Eigenlijk was hier dus sprake van een grondkraak… Uiteraard wilde Forsten van zijn meier weten hoe dit zat en Stoffer Hindriks Smit gaf daarbij grif toe

“gemelde boekweijtenlandt gebrandt, bearbeijdt en besaaijt te hebben, voorgevende dat landt van Rem[onstran]ts overleden veenbaas gekogt te hebben, die nu al in de drie jaren overleden is geweest, daar een gedeelte landt onlangs is toegemaakt, ook in de jaarlijkse rekeninge in praesentie van de veenbaas met meergemelde meijer geen de minste mentie off verantwoordinge van dat landt geschiedt is.“

Met andere woorden: Smit beweerde de grond te hebben gekocht van Forstens veenbaas, maar omdat die goeie man al drie jaar dood was, kon dat onmogelijk opgaan voor het deel van de grond dat nog maar sinds kort bewerkt werd. Bovendien ontbrak elk schriftelijk bewijs voor zo’n transactie en Smit lulde zich zo compleet vast. In elk geval vond Forsten reden om naar de Oldambtster drost te stappen. Hij achtte het

“ten hoogsten noodig dese geweldadigen handelwijse tegen te gaan en voldoeninge te erlangen van het gepasseerde”

en vroeg op 29 juli 1776 de drost om Smit ter verantwoording te roepen en hem te verbieden dat land nog langer te gebruiken. Via de wedman van Wildervank werd dit “exploot” bij Smit bezorgd.

Voor ik verder ga met de civiele zaak eerst iets over de achtergrond van beide partijen. De ene zou je een Goliath kunnen noemen en de ander een David.

De Goliath was dan de gepromoveerde jurist Hindrik Forsten (1711-1796). Waarschijnlijk betrof het een zoon of kleinzoon van de rond 1700 in Wildervank prominente verlaatsmeester, wedman en veengenoot Jan Harms Forsten. De familie Forsten ging het bijzonder naar den vleze, haar wapen prijkt op een herenbank in de Wildervankster kerk. Hindrik stond met zijn ene been in de geleerde wereld, want toen hij stierf liet hij volgens de kranten-advertenties een “fraaye verzameling” van Latijnse, Franse en Nederlandse boeken na over rechtsgeleerde, godgeleerde en historische onderwerpen. Deze bibliotheek kwam in de stad, waar Forsten ’s winters woonde, onder de hamer van de academische auctionaris Bolt. Even tevoren was Forstens vastgoed al geveild: een “menigte porcelen landerijen, veen en dallen”, meest gelegen te Wildervank, naast wat grondpachten aldaar, twee huizen met tuinen en last but not least een veenplaats op het Gasselternijveen.

Kortom, Hindrik Forsten was een jurist, academicus en grootgrondbezitter. Wie de David was, blijkt uit de boedelinventaris van Forstens  pachter Stoffer Hindriks Smit (1775). Smit bezat toen een huis en tuin (Oosterdiep Wildervank nr. 35) met ongeveer 8 deimt land, wat neerkomt op 3,6 hectare. Dat land was gedeeltelijk weiland, want aan levende have had Smit twee koeien, een enter (éénjarige) vaars en een “hokkeling bolle” (stierkalf dat gemest werd), twee koekalveren en een schaap. Voor het melken van de koeien beschikte hij over melkgereedschap, voor het verwerken van de melk tot boter had hij een karn. Maar hij was niet louter veehouder, want hij bezat tevens een boekweitzeef, een zaaistok, een boekweitschoffel en vier dorsvlegels voor zijn graan. Afgaande op deze eigendommen was Smit een keuterboer met een gemengd bedrijf. Een keuterboer die het juist niet zo voor de wind ging. Van het aankoopbedrag van zijn veenplaats resteerde immers nog 1000 gulden schuld aan Forsten, en dat met het lopende jaar rente, te weten 40 gulden. Bovendien had de “heer en meester” Forsten nog een jaar grondpacht van Smit tegoed: 25 gulden. Forsten was daarmee veruit de belangrijkste schuldeiser van de keuterboer, die volledig aan Forsten was overgeleverd. Nogal stom dus, om zonder Forstens toestemming diens drooggevallen grond bij het Hoetmansmeer in gebruik te nemen, temeer daar Smit zijn rente- en pachtschulden bij Forsten nog verder liet oplopen dan in 1775 al het geval was.

Op 13 augustus 1776 kwam de zaak van Forsten contra Smit voor het eerst voor het Oldambtster gerecht. Forsten eiste een vergoeding voor de schade, te begroten door de drost, en ook moest Smit voortaan afblijven van het boekweitenland bij het Hoetmansmeer. Smit gaf in een volgende zitting toe dat hij dit land had gebrand, ingezaaid en bewerkt zonder daarvoor toestemming van de grondeigenaar te hebben, of die er pacht voor te betalen. Op 10 september erkende Smit in een andere procedure, dat hij Forsten inmiddels twee jaar rente en pacht voor zijn eigenlijke veenplaats schuldig was. Dat Forsten Smit echter ook nog wat moest voldoen, mogelijk arbeidsloon voor turfgraverij, bleek uit hun schikking de dato 24 september, die een week later in het civiele prothocol van de Oldambtster drost geboekt werd. Bij die “conventie” kwamen beide partijen overeen:

  • Dat Smit met onmiddellijke ingang zijn tuin en akkerland in eigendom zou afstaan aan Forsten. Wat er nog te oogsten viel, mocht hij houden, evenals zijn bult mest. Dat inhalen van de oogst moest echter wel zo snel mogelijk gebeuren.
  • De rest van zijn 8 deimt grond, het groenland, mocht Smit nog tot november gebruiken voor zijn vee.
  • Het huis op de grond mocht hij nog tot mei 1777 blijven bewonen. Hij mocht het huis, dat hij mogelijk zelf liet bouwen, dan afbreken voor het bouwmateriaal, maar als hij dat niet voor 1 mei deed, dan werd ook dit huis ’t eigendom van Forsten.
  • Op deze manier werden alle schulden van Smit aan Forsten betaald en ook de rekeningen over en weer. Wel waren de rechtskosten alleen voor Smit, met uitzondering van de daggelden, die hem werden kwijtgescholden.
  • Uiterst opmerkelijk was, dat Smit het gekraakte en gewraakte boekweitenland nog vier jaar mocht blijven gebruiken. Waarschijnlijk deed Forsten deze concessie omdat Smit nogal geïnvesteerd had in het voor de boekweitteelt geschikt maken van dit land.

Hiermee verloor Smit op termijn al zijn vastgoed. Dankzij zijn grondkraak trad de keuterboer toe tot het leger van bezitslozen. Alleen in mooie verhalen wint een David van een Goliath.

Bronnen (afgezien van de gelinkte)
Alles in RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 1468 (Veenkantoor) inv.nrs. 218 (droogmaking Hoetmansmeer), 221 (verpachting stadsplaatsen), 250 (idem);
  • Toegang 2041 (Register Feith, afschriften) inv.nr. 1069 (voorwaarden aftapping Hoetmansmeer);
  • Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (rekest Forsten);
  •  Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 47 (civiel proces).

Bultje krodde bracht daalder op

krodde-1786

Volgens een lijstje van “kooren gewas” op zijn boedelinventaris, verkocht de doopsgezinde koopman en boer Luitje Reinders uit Sappemeer in 1786 vooral haver (ruim 97 mud), boekweit (55 mud), rogge (36 mud) en “Turkse rogge” (bijna 8 mud). Dat laatste graan kwam waarschijnlijk van zaaigoed uit Turkije.

Verbazingwekkend is vooral de laatste post. Reinders wist zelfs nog een bultje krodde te verkopen. Het onkruid bracht een daalder op. Misschien werd er wel olie van gemaakt.


Van een scharensliep die met de noorderzon verdween

David Teniers - De Scharensliep (Louvre?)

David Teniers – De Scharensliep.

Diaconieën, de lokale fondsen voor armenzorg, hadden nogal eens iets te verhapstukken bij de Oldambtster drost. Vaak maakten ze onderling ruzie over de vraag wie er verantwoordelijk was voor de bedeling in een bepaald geval. Ook was er nogal eens mot over de nalatenschap van bedeelden. En een enkele keer verkochten ze vastgoed aan iemand die duidelijk niet solvabel was.

Dat laatste was het geval in 1762 te Veendam. Daar verkocht de diaconie toen

“een kamertje met een tuin staande en gelegen bij Scholtehuisen in Veendam”

aan Siwert Arents Scheerenslijper en vrouw. Dat dit eenkamerwoninkje geen riant onderkomen was, moge blijken uit de prijs, zegge en schrijve 42 en een halve gulden, een bijzonder laag bedrag als je weet dat een arbeiderswoninkje aan de onderkant van de woningmarkt destijds, althans in de stad Groningen,150 à 200 gulden deed. Bij de stulp van de Veendammer scharensliep zat ook nog een klein lapje grond, een tuin die jaarlijks een gulden en zeven en een halve stuiver aan grondpacht kostte. Wat ook echt niet veel was.

Siwert Arends was waarchijnlijk familie van de Arend Sywerds die in 1762 buiten de Oosterpoort van de stad Groningen woonde, en wiens vrouw Gesien Naarsingh met liedvellen ventte. Maar Siwert groeide op in Wildervank, zoals in 1759 bleek bij zijn huwelijk aldaar met een Aaltje Margaretha Andries uit Norden. Twee jaar later hertrouwde hij in Groningen met Leentje Geerts. In 1766 en 1768 kreeg dit stel in hun woninkje bij Veendammer Scholtehuizen een zoon Jan en een dochter Trijntje, mogelijk waren er eerder en later nog kinderen voor de doop gestorven. In elk geval boerde Siwert als scharensliep nog relatief goed, want van de 100 % hypotheek op zijn huisje, loste hij 10 gulden af, bijna een kwart van het aankoopbedrag.

Er resteerde dus nog een schuld van 32 en een halve gulden aan de Veendammer diaconie, niet alleen de instantie waarvan Siwert en vrouw hun huisje kochten, maar ook hun geldschieter. Die 10 gulden was het enige dat ze betaalden, voor de rest trokken ze zich niets aan van de betalingsvoorwaarden in het koopcontract. Sterker nog, ze betaalden ook de grondeigenaar “ïn geene jaaren” grondpacht.

Kennelijk zagen ze in 1773 geen andere uitweg meer, dan met stille trom te vertrekken,

“sonder dat men met seekerheid weet, werwaarts na toe, of waar ter plaatse sig thans ophouden, hebbende sij sig sedert hun vertrek niet het minste aan ’t kamertje bekreunt…”

Dit bleek ook uit een verklaring van de naaste buren, die de Veendammer diaconie eind 1777 voorlegde aan de Oldambtster drost. Het kamertje van de scharensliep werd intussen door een Pieter Jans en vrouw bewoond, “die ook onderstand van de diaconie in Veendam genieten”.

Doordat Sywert Arends Scheerenslijper en zijn vrouw met de noorderzon waren vertrokken, kon de Veendammer diaconie ze niet op de gewone manier voor het gerecht dagen. Natuurlijk zou de diaconie het verdwenen stel kunnen indagen via een ‘edictum ad valvas’, met aanplakbiljetten op allerlei plaatsen, “dog geconsidereert het kamertje en tuin van soo geringe valeur is”, begon de diaconie daar liever niet aan. Bovendien zouden de scharensliep en zijn vrouw zich er waarschijnlijk niets van aantrekken. En toch moest de zaak “in order gebragt” worden.

Daarom verzocht de diaconie de drost om het vastgoed buiten zulke procedures om weer aan de diaconie toe te wijzen, uit hoofde van de resthypotheek en vanwege de wanbetaling. Als de diaconie weer “meester en eijgenaar” was, wilde ze het kamertje met de tuin opnieuw verkopen. Ook daarvoor vroeg ze toestemming aan de drost. Uit de opbrengst zou ze dan eerst de achterstallige grondpacht aan de grondeigenaar betalen. Vervolgens zouden de restschuld en onkosten van het bedrsg af gaan, en “so onvermoedelijk deze verkoop so veel mogt rendeeren” dat er nog wat overbleef, dan zou dit restant ofwel voor Arends zelf, ofwel diens schuldeisers zijn.

Op 3 januari 1778 stemde de drost in met dit voorstel, want van de scharensliep en zijn vrouw was nog steeds niets vernomen. In zijn beschikking week de magistraat op een enkel puntje echter af van wat de diaconie voor ogen stond. Zij had het eventuele overschot aan het gerecht willen overdragen, maar de drost vond dat ze dat voorlopig zelf wel kon bewaren voor de scharensliep of zijn schuldeisers.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6127 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Oude Mei – dé ingangsdatum voor arbeidscontracten

paulus-laman-aanleiding

Vandaag bleek me dat dat de Anleiding tot de eerste beginselen der Groninger Regtskennis van Paulus Laman sr. op Google Books staat. Het betreft een eenvoudige compilatie uit 1738 van rechtsregels uit de verschillende delen van Groningerland, welke rechtsregels in de juridische praktijk van de verschillende rechtsgebieden ook werkelijk naast elkaar werden gebruikt: als het eigen Landrecht op een punt tekortschoot, speelde men gemakkelijk leentjebuur.

De Landrechten vulden elkaar zodoende aan, wat het werk van Laman inhoudelijk van universele waarde voor de gehele provincie Stad & Lande maakte. Qua taal had het dan nog voor een beperkt, academisch publiek bedoeld kunnen zijn, maar Laman schreef zijn boek in ’t Nederlands en niet in ’t Latijn. Zoals de titelpagina zegt, gaf hij het uit “ten dienst van ‘t gemeen” – relatieve leken moesten er wat uit op kunnen steken. Vanwege dat didactische doel hield Laman het bij de alleszins bevattelijke vraag-antwoordvorm die we ook kennen van de destijds populaire catechismussen en tractaatjes. Zijn Anleiding werd daarmee een gewild boek, dat later nog meermalen is herdrukt en geactualiseerd, met name door zijn zoon, mogelijk ook de eerste die de tekst überhaupt onder ogen kreeg.

Na mijn ontdekking van het boek, dat ik nog nooit had ingezien, ben ik vanuit de inhoudsopgave meteen naar het hoofdstuk over de dienstboden gegaan, niet alleen omdat talloze voorouders van me die nederige functie hebben bekleed, maar ook omdat ik in de rekesten van het Oldambt nogal wat arbeidsrechtelijke zaken rond dienstboden tegenkom (vooral ontslagkwesties). Dat hoofdstuk van Lamans boek begint met een droge definitie van wat onder een dienstbode moet worden verstaan, maar met het antwoord op de volgende vraag raken we al op spannender terrein. Die vraag 2 gaat erover, op welk tijdstip in het jaar de dienstboden van Stad & Lande in dienst moeten treden:

“Als geen aparte tydt bedongen is, drie dagen na de eerste Sondach in May of November (…) by verbeurte van het loon. By Placcaat van den 4 november 1723 is gestelt drie dagen na de sondach na den 12 May of na den 12 November invallende.”

Hier is dus sprake van een provinciale regel, die in 1723 werd herzien. Voordien was de eerste zondag na 1 mei of 1 november de richtdatum voor indiensttreding, nadien werd het de eerste zondag na 12 mei of 12 november. Die verschuiving hangt samen met een kalenderwisseling van 1700 op 1701. Op oudejaarsdag 1700 verdween de oude kalenderstijl, op 12 januari 1701 verscheen de nieuwe stijl en de tussenliggende dagen werden dat jaar geschraptt, waarmee het eerste kalenderjaar wel twaalf dagen was ingekort, maar natuurlijk niet de looptijd van allerlei jaarcontracten die nu doorliepen tot 12 mei, zijnde ‘de oude mei’ in nieuwe gedaante. De rechtsregel van 1723 kan je dan zien als een aanpassing aan deze almaar voortgezette praktijk. In alle Noord- en Oost-Nederlandse provincies werd in 1700-1701 de kalender aangepast en in al die gewesten gold de ‘oude mei’ sindsdien als een belangrijke ingangsdatum voor contracten. Zo stond 12 mei in Friesland bekend als de “âlde Maaie”.

Sinds 1701 markeerde de oude mei dan vaste trouw- en verhuisdata, het ingaan van arbeids- en huishuurcontracten, en, daarmee samenhangend, dienstbodenvakanties. Met Sint Maarten had je ook zo’n periode, maar die was minder in zwang, naar mijn stellige indruk.

Ben wel eens in discussie geweest met een collega-historicus, die studie maakte van een tamelijk beperkte regio in Groningerland en stellig meende dat het fenomeen ‘oude mei’ daar nu juist niet bestond. Volgens haar ging het om een “totaal ander gebied”. Inderdaad staat het placcaat van 1723 het bedingen van een “aparte tydt” toe, maar of een hele streek daarmee kon afwijken van de door de provincie voorgeschreven data? Ik betwijfel het. Natuurlijk waren er wel individuele uitzonderingen zoals Aaltjen Klasens, die zich volgens haar rekest bij de Oldambtster drost , “van St. Niklaas 1776 tot St. Niklaas 1777 als dienstmaagt (…) hadde besteedt”. Maar dergelijke uitzonderingen tref ik bar weinig in de bronnen aan en ze bevestigen daarmee volgens mij de algemene regel.

Oude Mei in Hekkum onder Adorp. NvhN 12.12.1908. De bewuste boer was de grootvader van Freerk Veldman, oud-directeur van de Menkemaborg.


Drie veenkoloniale Oostindiëgangers

de-wapens-van-de-verenigde-oost-indische-compagnie-en-van-de-stad-batavia-17e-rm

Collectie Rijksmuseum.

We zijn een beetje gewend om de VOC als een Hollandse aangelegenheid te zien, maar op de VOC-schepen voer toch ook menige Groninger mee. Hetgeen ook blijkt uit Oldambtster rekesten.

I
Zo wilde Anna Geerts, de weduwe Douwe Jans, eind 1759, begin 1760 graag hertrouwen met Harm Meijnderts. De predikant van Noordbroek had hun huwelijk al een keer gekondigd, maar op last van de Oldambtster drost waren de verdere “proclamaties” opgeschort,

“doordien er geen zeker berigt voorhanden was, waaruit den doot van Douwe Jans haar vorige man consteerde”.

Die vorige man zou nog kunnen leven en als Anna dan hertrouwde, maakte ze zich schuldig aan bigamie, een delict dat nog uiterst streng werd bestraft. Gelukkig voor Anna echter, kreeg ze een bericht van de Heren Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, dat de dood van haar eerste man bevestigde. Met dat bericht gewapend, verzocht ze eind 1760 de drost zijn bezwaar in te trekken en de predikant van Noordbroek te machtigen om door te gaan met de kondigingen. De drost stemde hiermee in en het aardige is dat hij zijn klerk de VOC-verklaring liet overschrijven in het rekestboek:

“Wij onderges[chreven] bewinthebberen van de OostIndische Compagnie, verklaren bij dezen, dat Douwe Jans van Sapmeer, den 13 maart 1755 zonder testament te maken, niets nalatende is gestorven, als blijkt bij ’t Grootboek van de Caab (= Kaap de Goede Hoop, HP).
Ao 1754/5 fo. 496.
In Amsterdam 25 maart 1760
/stond/
G. Bors van Waveren
Jacob van Gnevel”

II
Een tweede verzoekschrift dat ons een glimp van een veenkoloniale VOC-medewerker oplevert, kwam van Hindrik Franssen. Hij was zelf varensgast en een tijdje eerder met zijn schip thuis gekomen. Daar wachtte hem minder prettig nieuws: zijn in de Borgercompagnie wonende schoonzus was overleden, onder achterlating van vijf kinderen. Intussen zat haar man, Hindriks broer Roelf Franssen in Amsterdam, waar hij zich volgens een “mondelijke tijding” had “geëngageert op een schip naar Oostindiën”. Op die manier was er toezicht op huishouding, noch kinderen. Dat kon niet, vond Hindrik, die als varensgast natuurlijk zelf niet langdurig aan de wal kon blijven en de drost daarom het voorstel deed om de diakenen van Veendam de ”directie over den boedel” over te laten nemen. Van die diakenen voorspelde Hindrik dat ze het op termijn sowieso voor het zeggen zouden krijgen (“als ter welker last de kinder naa alle gedagten zullen moeten vervallen”). Inderdaad bleek de drost op 2 juni 1772, toen hij ook de Veendammer diakenen over het geval aanhoorde, dat Hindrik de waarheid sprak. Daarom kregen de diakenen opdracht de huisraad van de boedel te verkopen om van de opbrengst de kinderen te ondersteunen. Zodra hun vader Roelf Fransen zich weer binnenslands mocht vertonen, moesten de diakenen aan hem rekening en verantwoordigng afleggen over hun administratie. En als er dan nog wat geld overschoot, moesten ze dat geld aan hem overhandigen, samen met de kinderen.

III
Een derde rekest dat ik in dit opzicht tegenkwam, was dat van Sijpke Hindriks, de weduwe Jacob Itzes uit Veendam. Zij vertelde de Oldambtster drost dat haar man in de winter van 1773 voor de kamer Enkhuizen was vertrokken met het Oost-Indische Compagniesschip ‘Hoog Carspel’ onder het bevel van de “manhaften schipper” Pieter Helmes. Bij die gelegenheid had haar man haar nog een brief geschreven vanaf Texel. Het was kennelijk zijn laatste levensteken, want later vernam ze dat hij op 20 mei 1775 op het schip De Mercuir was komen te overlijden. Ook hoorde ze dat de Compagnie hem nog steeds 79 gulden aan salaris schuldig was. Bij dat geld, een half jaarloon voor een arbeider, had ze natuurlijk alle belang. Alleen was er een complicerende factor: haar mans naam was verbasterd in de VOC-boekhouding terechtgekomen,

“het welk buiten twijffel geoccasioneert is, doordien vermelde eheman van de rem[onstra]nte in leven swaar ter taal en uitspraak zijnde, deszelvs naam niet distinct genoeg heeft geuit.”

Dankzij wijlen haar mans binnensmondse gemurmel vormde het dus een probleem om vanuit het verre Veendam dat geld los te krijgen. Om die reden moest Sijpke zelf of een gemachtigde van haar naar Enkhuizen om haar recht op dat geld te bepleiten. Nu leefden er nu nog twee kinderen van haar man en haar: een dochter Lammegien en een zoon Idze, beide nog minderjarig en samen voor de helft erfgenamen van het tegoed. Sijpke of haar gemachtigde kon het geld dan wel gaan opvragen en beuren bij de bij de VOC-Kamer Enkhuizen, maar waarschijnlijk kreeg zij of hij zonder machtiging van de drost om ook de helft van de kinderen op te vragen slechts de helft van het geld mee. Daarom wilde ze graag een verklaring dat zij als ‘legitima tutrix’ (wettig voogdes) het ouderlijk gezag had over de kinderen van haar en Jacob Idzes. Op 14 juli 1777 gaf de drost haar die verklaring.

Kortom
Nagelaten betrekkingen van VOC-personeel hadden het nogal eens moeilijk. Er ontbrak bijvoorbeeld bewijs voor het overlijden van een Indischgast, zodat diens weduwe niet hertrouwen kon. Of zo’n Indischgast liet de boel de boel en zijn kinderen in de steek. Of zijn naam stond verkeerd in de VOC-administratie, zodat zijn erfgenamen maar moeilijk aan de erfenis konden komen.

Naar de Oost gaan, stond sowieso al niet in zo’n gunstig daglicht. Vaak ging het om mannen met een vlekje. Soms moesten mannen er ook wel heen van familie en/of gerecht, omdat ze een misstap hadden begaan. De sterfte was groot, aan boord zowel als ginds. Overlevenden zetten het nogal eens op een zuipen. “Verlopen Oostindiëvaarder” was niet voor niets een scheldwoord. Politici die het publiek een VOC-mentaliteit voorhouden, kletsen dan ook finaal uit hun nek.

Bronnen: RHC Groninger Archieven , Toegang 731 (gerechten Oldambt) de inv.nrs. 6120, 6123 en 6126.


Slachtoffer gifmoord laat minder na dan gedacht

haren-van-de-zeis

Soms kwamen ook inwoners van andere jurisdicties iets verzoeken bij de Oldambtster drost. Op 8 april 1777 waren dat bijvoorbeeld Hindrik Jans en Geeske Jans, een echtpaar dat “te Horen onder Wedde woonagtig” was. Zij maakten zich bij hem bekend als de ouders van de “ongelukkig laast overleden” Lambert Hindriks te Oostwold, die getrouwd was geweest met de “onlangs gedecolleerde” Geeske Tjabbes. Voor welke “ondaadt” hun schoondochter onthalst werd, staat niet in het verzoekschrift van het Wedder echtpaar, maar daarvoor kunnen we te rade gaan bij de Oldambtster criminele sententies en dan blijkt dat het gaat om gifmoord op twee achtereenvolgende echtgenoten.

Wijlen de zoon van het echtpaar, Lambert Hindriks (geb. 1748 te Wedde) en wijlen hun schoondochter Geeske Tjabbes (geb. 1752 te Beerta) waren een week voor pinksteren 1776 getrouwd in Oostwold. Ruim een half jaar later wilde Geeske al van Lambert af. Ze kocht rattenkruid in Midwolda en mengde een deel daarvan op tweede kerstdag door de “soupenbreij” (karnemelkse pap), die ze haar man gaf, toen die hongerig van een buurtbijeenkomst kwam. Hij at zijn bordje niet leeg, omdat hij de brij niet lekker vond, maar was de hele nacht misselijk en benauwd geweest. De volgende dag echter, was hij gewoon naar zijn werk gegaan . ’s Middags zich opnieuw heel minnetjes voelend, waarbij hij ook moest overgeven, was hij naar huis gegaan. Daarop gaf zijn echtgenote hem de rest van het gif in “soupen broodt”, waarin ze ook de kliek van de brij had verwerkt. Op 28 december stierf haar man, voortdurend brakend en onder helse pijnen. Op 3 januari 1777 werd hij begraven.

Eerst leek er geen vuiltje aan de lucht voor de gifmengster, maar op 14 januari was haar mans lichaam weer opgegraven. Bij hun lijkschouwing vonden de medici arsenicum album, witte arseen. Daarop bekende Geeske de gifmoord en dat niet alleen, ze bleek ook haar vorige man, de uit Lippe afkomstige Christiaan Hendriks, te hebben omgebracht met rattengif in de brij. Met die eerste man had ze het nog korter uitgehouden – op 30 juli 1774 waren ze in Beerta getrouwd, en na zeven weken stierf de Lipsker. Met die eerste man, zegt het vonnis er nog bij, had ze “in geene betamelijke huwelijksgenegenheijdt” geleefd. Die sententie, uitgesproken op 8 februari, 1777, hield voor Geeske dus onthoofding in. Na de voltrekking zette de beul haar hoofd op de pin van het rad, tot voorbeeld van anderen die mogelijk zoiets van plan waren.

Exact twee maanden later kwam het echtpaar uit Wedde zijn opwachting maken in de Oldambtster drostenborg. Hun zoon Lambert, verklaarden ze, was “in ongemeenschap van goederen” met Geeske Tjabbes getrouwd geweest. Een afschrift van de akte met de huwelijksvoorwaarden hadden ze bij zich. Dit betekende dat zij als ouders erfgenamen waren en recht hadden op de zaken die hun zoon bij het huwelijk met Geeske had ingebracht in hun gezamenlijke huishouden, namelijk:

  • Zijn “lijvestoebehoren” (= kleding en eventuele opsmuk als edelmetalen knopen en gespen);
  • 10 pond vlas (een reservering voor zijn doodskleed?);
  • een oud schaap en een lam;
  • een “zwade en een zigte met het haartuig” (= diverse zeisen met aanscherpmateriaal);
  • en een jaar verdiend (boerenknechten)loon, te weten de somma van 60 gulden.

Omdat ze “zeer behoeftig” waren – mogelijk droeg hun vermoorde zoon aan hun inkomen bij – verzochten de Wedder ouwelui de drost om deze goederen uit de boedel van Geesje Tjabbes te halen, “soo verre deselve aldaar in natura bevonden worden”. Ook wilden ze graag Lamberts loon graag terug, nadat het huisraad van Geeske zou zijn geveild.

In zijn kantbeschikking erkende de drost dat Lambert Hindriks’ lijfstoebehoren inderdaad waren aangetroffen in de boedel van de ter dood veroordeelde. Deze kleding moest wedman Stheeman tegen een ontvangstbewijs aan Lamberts ouders geven. De “zwade en zigte met haijrtuig” kende de drost eveneens aan hun toe, “bij aldien ontdekt wordt waar hetzelve is berustende”. Blijkbaar werd dit maaigereedschap vermist; de gifmengster kon het hebben verkocht, maar het zou natuurlijk ook nog bij de boer en werkgever van Lambert kunnen liggen. Ook de contanten, het vlas, het oude schaap en het lam bevonden zich niet meer in de boedel, maar daarvan ontbrak volgens de drost het bewijs dat ze werkelijk waren ingebracht. Daarom wees hij wat dat betreft die zaken het verzoek van het Wedder echtpaar van de hand.

Met andere woorden: de ouders van de vermoorde man kregen alleen diens kleding overhandigd. Op termijn konden ze misschien nog hopen op diens maaigereedschap, maar naar alle andere (vermeende) bezittingen konden ze fluiten. Het laat zich raden hoe de ouders zich voelden, temeer daar de kleding van hun zoon waarschijnlijk niet eens opwoog tegen het salaris van de advocaat die ze voor hun verzoekschrift in de arm hadden genomen.

Bronnen:
– RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (verzoekschriften met daarop gevallen kantbeschikkingen).
– Idem, oude notatie Rechterlijke Archieven V (Wold-Oldambt) ss dl. 3 folio 54 e.v. (vonnis Geesje Tjabbes d.d. 8 februari 1777) – nieuwe notatie inv.nr. 5694.


Hoe er handpalen kwamen bij de Muntendammer Tille

strijkpaal-in-het-noordelijk-scheepvaartmuseumfoto-martin-hillenga

Hand- of strijkpaal in het Noordelijk Scheepvaartmuseum. Foto: Martin Hillenga.

Zuidbroek en Muntendam vormden nog één geheel als kerspel. Voor gezamenlijke rekening van Zuidbroeksters en Muntendammers was in de zomer van 1776 weer eens de Muntendammer Tille gerepareerd en dat met “grote kosten”. Telkens werd er schade aangericht aan de brug, “al meenst door de passerende schepen, die met gewelt er tegen aan varen”. Dat vonden de kerspellieden van Zuidbroek en Muntendam uiteraard vervelend, ze wilden ‘t voortaan zo veel mogelijk zien te voorkomen en daarom besloten ze “aan de beide einden” van de brug,

“op ene behoorlijke distanctie eene paal met een handt te zetten, teneinde de schippers voordat aan dezelve quamen, de zeilen mogten strijken en de paarden tusschen beiden niet voort doen trekken.”

Een dergelijke strijkpaal of handpaal vindt men nog in Akkrum. Ook beschikt het Noordelijk Scheepvaartmuseum over een fraai exemplaar, dat bij Appingedam aan het Damsterdiep gestaan heeft. Wanneer en hoe zulke palen in gebruik kwamen, was tot nu toe eigenlijk in nevelen gehuld.

Terug naar Zuidbroek en Muntendam. Als het bevoegd gezag niet achter het palenplan stond, zouden de schippers niet aan het gebod voldoen en het hele project dus nutteloos zijn. Daarom zonden de kerspellieden van het dubbeldorp een afgevaardigde uit hun midden naar de Oldambtster drost. Niet alleen vroeg deze de regiobaas om zijn goedkeuring van het plan, maar ook om diens rugdekking voor het opleggen van een boete aan de “wanwillige” schippers die tussen beide palen nog gebruik van zeil of trekpaard maakten. Deze boete moest worden geïnd door een opzichter in het gebied tussen beide palen, voor welke functie de kerspellieden al iemand op het oog hadden: ene Hindrik Harms Backer, “wonende aan de til”. Ook verzocht het kerspel om toestemming van de drost

“hiervan behorelijke notificatie te geven aan alle die zulks mogt aangaan, op de convenabelste wijze”.

Op 23 september 1776 gaf de drost de kerspellieden van Zuidbroek en Muntendam inderdaad vergunning om

“ter wederzijden van de nieuwsgemaakte Muntendammer Tille een uitstekende handt pale op te rigten, en wel op de distanctie aan weerkanten van hondert treden, wordende de schippers, schuitejagers en wie zulks verder mogte aangaan, bij dezen zeer ernstig gelast een gewaarschouwt om bevorens die handt tot aan de Til de passeren, derzelver zeilen en masten te strijken alsmede de treklijnen los te maken, en zulks bij de poena van drie Car[oli] g[ul]den ten laste der contraventeurs…”

Overtreders moesten dus een boete betalen van drie gulden, een bedrag waarvoor het gros van de schippers meerdere dagen moest werken. Inderdaad stelde de drost Hindrik Harms Backer aan tot opzichter. Backer kreeg de bevoegdheid de boete bij “dadelijke pandthalinge” te innen bij de “quaadwilligen”, wat wil zeggen dat hij bij wijze van onderpand spullen van een schipper in beslag mocht nemen, tot deze de boete had voldaan. Backer kon echter slechts de helft van het geld in eigen zak steken. De andere helft moest hij aan de diaconie van Zuidbroek en Muntendam overhandigen. Bovendien gaf de drost het kerspel Zuidbroek toestemming om twee afschriften van dit besluit aan de strijkpalen op te hangen, “om te mogen strecken tot een jeders narigt”.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (samengevatte verzoekschriften met daarop genomen kantbeschikkingen).