Baas mishandelt gratis knecht met eiken stok

Een paar eeuwen geleden kon je dus in dienst zijn bij een baas zonder dat je veel beloning kreeg. Dat is wel bekend, denk ik, maar dat er ook mensen waren die er helemaal geen geld mee verdienden, en dat jarenlang achter elkaar, was toch wel nieuw voor mij. Maar dit blijkt wel degelijk uit een rekest dat ene Klaas Harms in 1776 indiende bij de Oldambtster drost. Hij vertelde deze bovenbaas van de regio:

“dat zig als knegt hebbende besteet bij Jan Lubbers en bij den selven bijna de tijdt van drie jaren voor kost en klederen hebbende gedient gem[elde] Jan Lubbers zig niet heeft ontzien om op den 23 deser den rem[onstrant] met een eijken stok te slaan en daarop uit zijn dienst te jagen, met weigeringe van hem jets te geven.”

Normaal hoorde een baas, als hij een dienstbare binnen de contractperiode op staande voet ontsloeg, wel zijn of haar loon te betalen, met nog iets toe. Klaas Harms vond dat hem groot onrecht was aangedaan, maar had uiteraard niet het geld om te procederen en hij vroeg de drost om zijn voormalige baas en hemzelf in een commissie te horen.

Op 25 maart willigde de drost dit verzoek in en drie weken later was de zitting. Daarin lukte het de drost partijen tot een schikking te laten komen, zij het dat die vooral voor de oud-werkgever slecht uitpakte. Jan Lubbers was duidelijk de verliezer, want hij moest zijn voormalige knecht, die dus slechts kost en kleren bij hem verdiende, 9 gulden betalen, terwijl hij ook nog opdraaide voor de kosten van de procedure. Omdat hij deze schikking vrijwillig accepteerde, moet hij er toch wel een beetje spijt van hebben gehad dat hij zijn gratis knecht met een eiken stok mishandelde.

Helaas zijn de namen Klaas Harms en Jan Lubbers te algemeen voor het lokaliseren van de plek waar zich dit verhaal precies afspeelde. Het kan overal in het Wold-Oldambt zijn geweest.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Blijde boodschap in dorre takkenwoestenij

dsc03560

Ook op het Lopster koor: dit wapen op de grafzerk van Johannes Daniel Metting, 32 jaar oud toen hij in 1726 overleed. Hij was de laatste acht jaar van zijn leven predikant van Engelbert, maar stierf bij zijn ouders in Loppersum.

Pathuis beschreef de voorstelling van het wapen zo:

“Op een gewelfd terras een bladerloze boom, waarvan de kruin is afgesneden, met twee takken aan beide kanten en een op de linkerboventak gezeten vogeltje.”

Die bladerloze, afgeknotte boom en dat vogeltje doen mij eerst denken aan een inmiddels tot kinderversje afgezakt liedje uit de vroege zestiende eeuw: ‘Daar was een sneeuwwit vogeltje al op een stekeldorentje’ (tekst, muziek). Het gaat over een nachtegaal die zich laat gebruiken als postduif voor een jongejuffrouw die heel erg graag wil weten hoe het met haar geliefde gaat, van wie ze zo lang niets gehoord heeft. Dat liedje eindigt onbestemd, de erg mooie, maar wat droevige melodie doet vermoeden dat er geen happy end aan vast zit voor de hunkerende juffrouw.

Als het wapen wat met het lied heeft uit te staan, is het vast oud. Maar of het een familiewapen betreft, weet je niet. Toegepast op de persoon van dominee Metting, zou de afgeknotte boom kunnen staan voor diens vroegtijdige dood en de vogel voor diens blijde boodschap in een dorre takkenwoestenij. Mettings grafsteen rept ook van Jezus als “dierbare bruid”, typisch taalgebruik van de wat meer bevindelijke vleugel in de toenmalige gereformeerde kerk, die in deze streek goed vertegenwoordigd was. Ik vermoed dat het wapen  vooral daarop aansluit.


Gijzelaar leeft in weelde door schrijfwerk

Koopman Jan Ritzes en zijn vrouw, woonachtig te Noordbroek, leefden op te grote voet en raakten diep in de schulden. Daarom werd eerst hun huisraad verkocht en vervolgens hun vastgoed. Maar bij de verdeling van de opbrengst viste een grote particuliere schuldeiser, koopman Conraad Verver uit de stad, beide keren achter het net. Van zijn vordering – ruim 1230 gulden groot – zag Verver niets terug. En dat begrootte hem zeer. Toen hij dan ook hoorde dat zijn debiteuren van plan waren naar Oost-Friesland te verhuizen, “off zullen tragten op de eene off andere wijse alle verdere poursuite van regten te ontgaan”, kwam hij subiet naar de Oldambtster drostenborg met een verzoek: of de drost Jan Ritzes op water en brood in de gijzelkamer wilde zetten. Verver betaalde de kosten.

Na een dagje onderzoek besloot de drost Ververs verzoek in te willigen. Jan Ritzes werd op de gijzelkamer in het rechthuis van Zuidbroek “geïncarcereerd wegens desselvs gemaakte en onbetaalde schulden”. Verver zou voor het water en brood 5 stuivers per dag gaan betalen. Dat was nog minder dan het lage tarief van 7 stuivers daags voor de kost van gevangenen op een van de poorten in de stad, dus verrekte karig. Wedman Mellema van de rechtstoel Zuidbroek kreeg bevel Jan Ritzes in te rekenen.

Dat gebeurde op 9 mei 1775. Ruim drie maanden later, op 14 augustus, liet Conraad Verver zich opnieuw in de gehoorkamer van de drostenborg vinden. Dit keer had hij “in ‘t sekere” vernomen dat Jan Ritzes,

“geïncercereert om met water en brood te worden onderhouden, ter plaats van zijne carceratie gelegentheijt heeft gevonden en toegelaten word om door middel van schrijven van ’s H[oog]Ed[el] Ger[ichts] clercquen eenige penningen voor zig te verkrijgen en deselve dagelijx opnieuw in weelde en overdaat te verteren, waardoor tewege werdt gebragt dat zijne tegenswoordige staat, in plaats van een staat van quellinge voor hem te zijn wegens zijn voorgaand wangedrag, deselve daardoor een staat van genoegen en verlustigingen is geworden, en in plaats van een exempelaar voor anderen te zijn, zoo schijnt het geschikt te zijn anderen op te wekken…”

Dat de gijzelaar veel plezier aan zijn gijzeling beleefde, was natuurlijk niet de bedoeling. Verver verzocht de drost daarom, Jan Ritzes over te brengen naar de toren van Zuidbroek. Blijkbaar was het daar een stuk minder gezellig dan in de gijzelkamer van het Rechthuis. Als de drost dit niet wilde, dan was een alternatieve maatregel om de schrijflonen die Jan Ritzes van de klerken beurde, aan Verver te geven, “tot stuur der kosten van de incarceratie”.

Inderdaad verslechterde nu het regime voor de gijzelaar. De drost gelastte kastelein Cuipers van het rechthuis ervoor “zorg te dragen dat niemant eenige toegang heeft tot Jan Ritzes”. Dat betekende dat klerken, noch leveranciers meer bij de gijzelaar mochten komen. Ook kreeg Jan Ritses voortaan alleen nog maar “schoon water en broodt”.

Het was dus uit met de pret. Toch hield Ritzes het nog drie maanden vol. Op 29 november 1775, een week voor Sinterklaas, bleek dat dat hij per brief en ook via via Conraad Verver had benaderd met het verzoek om vrijlating. Verver meldde de drost

“dat gevoeglijk die vertogen door anderen, zijne bekenden uit den Oldambte zijn ondersteunt…”

Het (familie)netwerk van Ritzes kwam dus in actie, waarschijnlijk ook met financiële toezeggingen. Bovendien stond de winter voor de deur, zodat Verver strakjes ook de turf in de haard van de gijzelkameren moest gaan betalen. Verver kon er daarom mee leven dat Jan Ritzes uit de gijzeling werd ontslagen.

De drost gaf wedman Mellema inderdaad opdracht om Jan Ritzes vrij te laten. Eerst moest Verver echter nog wel de rekening voldoen. Voor de 203 dagen gijzeling à 5 stuiver bedroeg die bijna 51 gulden.


Bron: RHC Groninger Archieven. Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6125 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Veendammer schipper raakt in één klap zijn hele gezin kwijt

Groninger Courant 17 november 1775.

Groninger Courant 17 november 1775.

De zware noordnoordwesterstorm in de nacht van 15 op 16 november 1775 mag dan in Groningen weinig schade hebben aangericht – ook al was het hier de zwaarste storm sinds de Kerstvloed van 1717 – elders, met name rond de Zuiderzee en de Zaanstreek, veroorzaakte ze dijkdoorbraken en richtte ze ook op nog andere wijze enorme schade aan. Langs de Oostfriese waddenkust kwamen bovendien Groningers om, zoals blijkt uit het verzoekschrift, ruim een maand later in de Oldambtster drostenborg ingediend door Mecke Tjasses.

Deze Tjasses vertelde er hoe hij

“als schipper met zijn schip van Hamburg komende niet alleen het ongeluk gehadt heeft tusschen den 15 en 16 november jongst door een grote storm zijn schip bij Benserzijl te verliesen, maar daarenboven vrou en drie kinderen daar bij verlizen en hij suppl[iant] nakent en bloot in levensgevaar van ’t schip zijnde geraakt door eene hoge zee, waardoor thans in eene lamentabele toestant is gebragt.”

Tjasses, die met zijn initialen tekende, wilde ter verlichting van zijn leed graag een collecte houden in de dorpen van het Wold-Oldambt. Zijn verzoek was of de drost hier toestemming voor wilde geven.

Over deze Mecke, ook wel Meeko of Mekko Tjasses is verder weinig bekend. Hij lijkt niet voor te komen in de scheepsberichten van de Groninger Courant. Oorspronkelijk was hij afkomstig van Zuidbroek, maar hij trouwde eind 1759 in Veendam met Aaltje Jacobs. Zij was uit die plaats afkomstig en daar vestigde het paar zich ook. Het liet er immers drie kinderen dopen, namelijk Trijntje, Annechien en Jakob, die respectievelijk 15, 13 en net 9 jaar oud waren toen het schip bij Bensersiel aan de noordkust van Oost-Friesland verging. Bij die gebeurtenis raakte Mecke dus in één klap zijn hele gezin kwijt.

Het kan niet anders of het verhaal over de situatie waarin Mecke verkeerde ging al behoorlijk rond. De drost constateerde in elk geval dat het overeenkomstig de waarheid was. Daarom kreeg Mecke zes weken de tijd om een “liefdegave” te verzoeken van de Wold-Oldambtster ingezetenen

“ter herstellingen van desselvs deerniswaardige omstandigheden”.

Het is de eerste en tot nu toe enige keer dat ik een dergelijk verzoek van een rampzalig getroffen particulier in een Oldambtster rekestenprotocol geregistreerd vond.

Mecke Tjasses hertrouwde in 1777 met een meisje uit Muntendam, maar daarna ontbreekt ieder spoor van hem. Mogelijk verloor hij alsnog zijn leven op zee.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6125.


Een ondraaglijke vrouw

dronken vrouw

Ze waren in 1751 getrouwd, Jan Haijes en Grietje Gosses. Beiden kwamen uit Veendam. Zij was een weduwvrouw en hij een jongeman.

Ruim twintig jaar later deed hij zijn beklag over haar in de Oldambtster drostenborg. Hij vertelde er dat zij

“zig zedert eenige tijd sodanig slegt en ongeregelt heeft aangestelt dat het voor suppl[iant] ten eene maal ondragelijk is, zijnde [zij] meest alle tijd vol en dronken, verquistende en verpangelende alles dat maar kan bekomen, hebbende voor eenige tijdt selv in persoon de glasen in hunne behuisinge ingeslagen, zijnde somtijds eenige dagen geheel niet in huijs, wordende geen eten voor suppl[iant] klaargemaakt en, met één woord, de gehele huishoudinge totaal versuimt.”

Wat ik zo mooi vind in dit citaat is het woord ‘verpangelende’ – verpangelen stond destijds voor verruilen en versjacheren. Kennelijk verkocht Grietje alle huisraad voor drank. Om te voorkomen dat haar man volledig zou worden geruïneerd, zo vond hij, moesten er maatregelen genomen worden. Daarom vroeg hij de drost om een onderzoek in te stellen.

De drost belegde in eerste instantie op 19 oktober 1772 een hoorzitting met man en vrouw alleen, maar wilde naderhand voor een beter beeld ook de drie naaste buren ter weerszijden van het paar horen, plus de personen die beider advocaten nog eventueel zouden willen oproepen.

Ruim een week later, op 27 oktober hoorde de drost deze mensen aan. Jan Haijes benadrukte nog eens “graag in vrede te willen leven” met zijn vrouw – een scheiding lag dus niet in zijn bedoeling.

De drost gelastte Grietje uiteindelijk

“zig mede conform de publijke egtverbintenisse, haar met haar man te comporteren”.

Als ze dat niet deed, zou de drost “op de eerste valabele klagte” andere maatregelen nemen. Uitdrukkelijk zei de drost er echter bij dat dit ook voor Grietjes man gold. Blijkbaar wilde hij Jan Haijes niet helemaal vrijpleiten van zijn vrouws onhandelbaarheid.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt)) inv.nr. 6124 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop genomen).


Geen recht voor bezwangerde meid

In haar rekest vertelde Stijntie Haijkes hoe ze het afgelopen jaar als dienstmeid had gediend bij de wed. Cornelis Berends in Midwolmerhamrik. Daar was ook een Jan Jacobs, de zoon van Jacob Takens, als knecht aan het werk. En die had haar “tegens haar sin en wil gedwongen tot de vleeselijke conversatie”. Zodoende was ze zwanger geraakt. Zoals destijds wel vaker, zou verkrachting de basis van een huwelijk moeten zijn. Eerst beloofde Jan haar trouw, maar nu puntje bij paaltje kwam weigerde hij “haar te eeren”.

Daarom wilde Stijntie een proces tegen hem beginnen. Maar ze was slechts een dienstmeid zonder bezit en kon dat dus niet betalen. Nou bestond er een regeling in dit soort gevallen, waar Stijntie graag gebruik van wilde maken. Ze verzocht om het “jus gratiae”, oftewel het armenrecht: de toewijzing van een gratis advocaat om haar zaak te bepleiten. Haar verzoek tekende ze met een kruisje – ze kon dus niet eens schrijven.

Op 21 maart 1774 besloot de Oldambtster drost eerst maar eens om beide partijen te horen. Dat gebeurde een week of drie later. Bij die gelegenheid bleek dat Stijntie “niets tot stavinge van haar regt“ kon inbrengen. Ze had, met andere woorden, geen enkel bewijs voor Jans trouwbelofte,
zelfs niet een kostbare munt of penning zoals een jongeman anders wel ‘op trouw’ aan zijn beminde ten geschenke gaf. Daarom wees de drost Stijnties verzoek om het armenrecht af: aan zo’n bij voorbaat verloren zaak ging hij geen geld spenderen. Wel schold hij haar, misschien uit medelijden, de kosten van de verzoekschriftprocedure kwijt.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6124.


Honden afkerig van hondenbelasting

Blijkbaar kende men destijds in Engeland nog geen hondenbelasting, want toen het plan voor de invoering ervan in 1791 via de kranten bekend raakte, werd het weldra een mikpunt van spot. Zoals blijkt uit een krantenstukje dat zelfs door de Groninger Courant overgenomen werd. Het was gegoten in de vorm van een verzoekschrift van de honden aan Zijne Majesteit de Engelse Koning en volgde helemaal de conventies die ook in Nederland bij zulke teksten golden. Uiteraard ging het om satire: honden kunnen niet schrijven, laat staan verzoekschriften opstellen. Maar de gekozen vorm gaf de auteur mooi de kans om tegelijkertijd de democratische gezindheid op de hak te nemen die sinds de Franse Revolutie (1789), met haar Rechten van de Mens en Burger, ook in bepaalde Britse kringen bon ton was:

“Wy, Uwer Majesteits honden, brakken, bloedhonden, windhonden, jagthonden, patryshonden, waterhonden, herdershonden, bulhonden, slagershonden, schoothondjes en spitsdraayers (= teckels, HP), in een gemeene troup byeen vergaderd, smeeken ootmoedig verlof om Uwer Majesteits troon te mogen naderen met ons request en [dat] te vertoonen.

Dat uwe supplianten met de uitterste droefheid en angst hebben vernomen dat men van zins is eene belasting op hen te leggen, voor de gevolgen van welke uwe supplianten (= smekelingen, HP) des te meer reden hebben om te vreezen, dewyl zulks oorzaak zal wezen dat er eenige duizenden van hun een geweldigen dood zullen ondergaan.

Dat in deeze vrye en verligte eeuw – waarin zelfs de Lords niet hooger geacht worden dan uwe supplianten – zy nederig van gevoelen zyn, dat zy op dezelfde privilegiën aanspraak hebben en in een gelyk regt staan, en dat zy derhalve niet behoorden belast te worden buiten hunne bewilliging, daartoe gegeven door middel van hunne Representanten; en dat de stelregel, dat alle menschen gelyk zyn volmaakt toepaslyk is op Uwer Majesteits supplianten, die onderdaniglyk begrypen dat volgens dienzelfden regel, alle honden gelyk staan en dat de regten der honden niet gegrond zyn op eenig verdrag, maar dat zy natuurlyk en onverjarig zyn.

Verzoekende dat het Uwe Majesteit behage hen verder te handhaven by het privilegie om de beenen te kluiven en by de vryheid van het eten der klieken en by alle andere voorregten en gunsten die zy van onheuglyke tyden bezeten hebben, wanneer uwe supplianten by aanhoudendheid blyven blaffen enz.”

Bron: Groninger Courant van 24 mei 1791.

 


“Daaglijks slimmer en gevaarlijker” – een krankzinnige schipper in Veendam

Bron: Wikimedia.

Bron: Wikimedia.

Medio juni 1772 laten vier neven van de Veendammer schipper Egbert Luirts zich aandienen bij de Oldambtster drost. Onder meer gaat het om een Molanus en een Uneken, namen die tot de bovenlaag van de streek behoren. Ze melden dat hun neef Egbert

“voor veel jaren in een dementie is vervallen, waarvan destijdes gelukkig is genesen, maar nu van dit voorjaar een nieuw acces van het selvde ongemak hebbende gekregen, en thans zoo gevaarlijk wordende, dat geheel zinneloos is, en zeer gevaarlijk wordt, liggende het schip in Veendam, daar alleen met heen en weer vaart…”

Volgens zijn neven gaf Egbert zoveel blijken van waanzin, “ dat het geheel Veendam bekent is”. Daarom wilden ze dat de drost zou zorgen voor een tijdelijke voorziening tot Egberts broers, “mede schippers zijnde en thans van huis”, zouden zijn teruggekeerd.

De drost wilde eerst van Egberts buren vernemen, hoe die ertegen aankeken. Daarbij bleek hem dat de neven de waarheid spraken. Ze kregen toestemming om Egbert voor zijn herstel te plaatsen bij de “chirurgus” (chirurgijn) Oosterveldt te Vlagtwedde. Ook mochten ze een oppasser regelen voor Egberts schip en desnoods wat geld opnemen voor de uitgaven aan het een en het ander.

Ruim een half jaar later stonden Egberts “nabestaande vrinden” opnieuw voor de deur van de drostenborg. De therapie van de “medicus” Oostervelt was geen succes geweest, integendeel:

“dit zoo ongelukkig zijnde uitgevallen dat de patiënt daaglijks slimmer en gevaarlijker word, soo dat grote ongelukken te vresen staan, dewijl door gemelte medicus als onherstelbaar is terugge gesonden “.

De familie, die er natuurlijk erg mee in de maag zat, had al gesproken met de voogden van het Sint Anthoniegasthuis in de stad. Achter dat gasthuis bevond (en bevindt!) zich de Dolhuisgang: een rijtje kamers, waar krankzinnigen tegen een kostgeld konden worden geplaatst. Daarvoor was de toestemming van de drost nodig, maar ook moesten er curatoren of bewindvoerders worden aangesteld om Egbert zijn schip te verkopen en de zorgkosten te betalen. In februari 1773 hoorde de drost eerst nog weer de twee naaste mannelijke bloedverwanten van vaderszijde, de twee naaste mannelijke bloedverwanten van moederszijde en de twee naaste buren. Daarbij bleek hem nog eens ten overvloede dat Egbert Luirts

“ten eenemalen van zijne zinnen berooft is, dus onbeqaam zijne goederen te administreren, en zelvs niet buiten gevaar aan zijne eigene conduite kan worden overgelaten”

Daarom werden als bewindvoerders aangesteld Egberts volle broers Hindrik en Obbe Luirts alsmede neef Molanus uit Wildervank. Zij mochten Egberts eigendommen te gelde maken, zijn schulden betalen en verder de boekhouding voeren en zorg dragen voor Egbert,

“door deselve in het gasthuis bij de Oosterpoort tot Groningen off elders op een versekerde plaatse uit te besteden”

De bewindvoerders moesten eerst een eed afleggen. Na drie jaar verwachtte de drost inzage in hun administratie, die dan op orde moest zijn.

Als Egbert ergens ondergebracht is, dan was dat waarschijnlijk niet in het Groninger Sint Anthoniegasthuis. In de rekeningen van deze instelling, waar het kostgeld voor een krankzinnigenkamer 30 à 50 stuivers per week bedroeg, ontbreken over 1773 en 1774 namelijk de kostgeldontvangsten die zouden bewijzen dat Egbert daar zat.

Misschien is hij ook wel opnieuw genezen verklaard en nooit weggeweest uit Veendam of daar teruggekeerd. Hij zou daar namelijk in 1802 sterven.

Heb zo’n vermoeden dat ik hem in het vervolg van de serie rekestboeken nog wel vaker tegen zal komen.


De dijkcoupures van de Oostwolderpolder

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dijkcoupure Stadspolder.

De dijkcoupure is een soort icoon van Groningerland, en dan vooral van de strook bij de Waddenzee die uit polders bestaat. Zo’n gat in de dijk, gemaakt voor een weg, doorbreekt niet alleen de beslotenheid van een polder en het continuüm van de haar beschermende dijk, maar ze stelt ook gerust: hier is in principe geen gevaar meer te duchten en mocht de nood aan de man komen, dan dichten we dat gat onmiddellijk met de balken uit het belendende schotbalkenhuisje.

Zolang er dijken uit de actieve dienst zijn genomen, maar nog wel werden aangehouden voor de achterwacht, als ‘slapers’, hebben de dijkcoupures symbool gestaan voor hun gemankeerde staat. Een optimistisch symbool: hier zou het water niet meer zo gauw komen, op deze plek brak een nieuwe wereld baan.

Hoewel de dijkcoupure dus een soort icoon en symbool is, weten we weinig over het ontstaan ervan. Dat dit meer voeten in de aarde had, dan je zou denken, blijkt impliciet uit een tweetal rekesten over de eerste dijkcoupures in de Oostwolderpolder die vanaf maart 1769 werd aangelegd.

Over deze indijking ging een commissie, gekozen door de gezamenlijke kweldergrondeigenaren. Namens deze “ gecommiteerde volmachten tot de anstaande indijkinge” ging de heer Wiardus Siccama, burgemeester van Groningen en eigenaar van de Ennemaborg en veel kweldergronden, niet lang na de start van de nieuwe dijkaanleg naar de Oldambtster drost, om een dubbele doorsteek in de oude, nu overbodig wordende Dollarddijk van 1701 te bepleiten.

Siccama vertelde de drost eerst hoe hij en zijn consorten genoodzaakt waren

“wegens de grote uitstrek der angewassene in te dijken landen deselve met een bequame weg te voorsien, dienende teffens voor een publijcque passagie voor de reisende man.”

Maar omdat de nieuwe polder zich helemaal uitstrekte van de Goldhoorn bij Finsterwolde tot Midwolderhamrik (= Nieuwolda), kruiste de gewenste weg zowel bij Oostwold als bij Midwolderhamrik de oude dijk. Vandaar het verzoek aan de drost, om die dijk op die plekken deels af te mogen graven, waarbij Siccama als maten van het graafwerk aangaf 5 voet diep en 14 voet breed (ca. 1,5 m x ca. 4,2 m), “om te dienen tot een doorvaart”.

Op 8 mei 1769 sprak de drost echter uit, dat hij eerst zelf de zaak ter plaatse in ogenschouw wilde nemen, en dat samen met de volmachten of dijkrichters van de kerspelen Oostwold en Midwolderhamrik.

Uit de rekesten blijkt verder niet of dit inderdaad gebeurd is, maar twee jaar later, in mei 1771, komt de zaak van de dijkcoupures in de Oostwolderpolder opnieuw aan de orde. Dan is het niet langer de inpolderingscommissie die er achteraan zit, maar zijn het volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder die zich in de drostenborg laten vinden, waar ze ingaan op de hachelijke toestand van de dan nog in gebruik zijnde dijkpassages:

“dat tot nog toe over de dijk een soorte van een sogenaamde tuimeldrift hebben, om na de nieuwe ingedijkte landen, boven vermelt, te komen, dog dit niet zonder gevaar konnende geschieden waardoor veel ongelucken zijn gebeurt en nog meer te vresen staan…”

Met tuimeldrift werd gewoonlijk een furieuze woede beschreven, maar dat is hier dus niet het geval. Zoals de term hier gebruikt is, bleek uniek. Ik vond geen enkel equivalent en ook geen woordenboekverklaring. Toch kan ik me wel iets bij dat tuimeldrift voorstellen: een weg parallel aan de dijk oplopend tot diens kruin en aan de andere kant gelijkelijk aflopend tot aan diens voet. Tuimeldriften in die zin zijn er nog steeds, bijvoorbeeld bij Delfzijl. Die van 1771 zullen echter vrij wat krapper bemeten zijn geweest, vandaar dat een wagen er vrij gemakkelijk op omsloeg, zeker als je in aanmerking neemt dat de dijk van 1701 veel steiler was, dan de later aangelegde. Om ongelukken in het vervolg te voorkomen, vonden de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder het hoogst noodzakelijk

“op een directer en meer gemakkelijker wijse over de dijk na deze landen convenientis een ander en bequamer doorvaart te maken,”

wat niet zonder toestemming van de drost als kolonel-dijkgraaf kon. Die hield nu dan (eindelijk?) een “oculaire inspectie”, maar niet, zoals je zou verwachten, met de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en Oostwolderpolder, maar met de dijkrichters van Zuidbroek en Eexta. Mogelijk waren deze kerspelen uit het achterland hier vanouds verantwoordelijk voor dijkonderhoud en was er over hun inbreng bij de coupures proces geweest, hetzij voor het Termunterzijlvest, hetzij voor de drost in Zuidbroek, hetzij bij de Hoge Justitiekamer in de stad Grtoningen.

Hoe dan ook, uitdrukkelijk schreef de drost in zijn beschikking, dat hij met instemming van genoemde dijkrichters vergunning verleende om onder Oostwold en Oostwolderhamrik

“twee doorvaarten over en door de oude Dullaerdtdijk te mogen maken, beide correspondeerende op de nieuwe angelegde weg zig uitstreckende over de polder.”

Van de breedte der gewenste dijkcoupures haalde hij echter twee voet af. Er mocht dus wel vijf voet grond van de kap der oude dijk afgegraven worden, maar anders dan de heer Siccama een paar jaar eerder wenste, bleef dat beperkt tot een breedte van twaalf voet. Ook trof de drost een voorziening voor het geval dat de nood aan de man mocht komen:

“mitz nogthans dat die twee dijkgaten van terzijden met genoegsame sware greinen posten sufficant en hegt zullen moeten worden bekledet en verders met vaststaande balken en losse tezamen passende grenen posten worden voorsien, welke losse posten genumert in de naast bestaande behuisingen zullen moeten worden bewaart, om ingevalle van sware stormen en hoge zeewateren tusschen de vaststaande balken in de dijkgaten op de kant te worden gesettet en met mest angevult [om] in cas van noodt te konnen dienen tot keringe der zoute vloeden.“

Er was dus nog geen sprake van schotbalkenhuisjes. Het vulhout moest worden bewaard in de meest nabij gelegen huizen. Ook komt mest als stouwmateriaal nu misschien wat vreemd voor. Maar verder gaat het om bekende regelingen, die nog heel lang hebben bestaan en misschien nooit zijn afgeschaft.

Over de kosten van aanleg en onderhoud sprak de drost zich ook uit. Hierover was mogelijk proces geweest met die van Zuidbroek en Eexta. Uitdrukkelijk bepaalde de drost dat de kosten niet voor rekening zouden komen van de kerspelen die hier dijkpanden in onderhoud hadden. Alleen degenen onder Oostwold en Oostwolderhamrik, “die zulks incumbeert”, moesten de coupures maken en onderhouden. Met die ‘geïncumbeerden’ bedoelde de drost degenen die voor de dijkgaten hadden geijverd, maar wat dat betreft negeerde hij Finsterwolde. Blijkbaar achtte hij het belang van dat kerspel bij de nieuwe coupures te gering.

Overigens bestaan de dijkcoupures van de Oostwolderpolder allang niet meer. Met het slichten van de oude dijk zijn ze verdwenen. Op beide foto’s staan dus andere dijkcoupures.

2014-07-17 098

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.


Voetangels in de tuin

Collectie Rijksmuseum.

Collectie Rijksmuseum.

Mejuffrouw Werumeus had er schoon genoeg van. Telkens kwamen er bij nacht en ontij “quaadwillige menschen” in haar tuin te Veendam. Niet alleen richtten die er veel schade aan “door het afplucken der rijpe vrugten, maar ook aan de bomen selvs door ’t afscheuren der tacken”. Als meest geschikte middel tegen deze vernielzuchtige dieverij zag ze het neerleggen van voetangels.

Zo’n voetangel was een soort van kraaiepoot met vier scherpe punten waarvan er eentje altijd naar boven wees. Als je daar bij donker op trapte, was je nog niet gelukkig, zeker niet als er bloedvergiftiging bij kwam.

Dat neerleggen van voetangels kon echter niet zomaar, besefte juffer Werumeus. Daarom wendde ze zich op 22 juli 1772 tot de drost van het Oldambt. Opdat iedereen er weet van zou hebben, stelde ze een afkondiging in de Veendammer kerk voor, of de “affictie eener notificatie vooraan de tuin”.

De drost stond haar toe om de dorpsgenoten door kerkenkodiging en zo’n notificatie te waarschuwen voor voetangels op haar tuin en erf. Het wèrkelijk neerleggen van de voetangels was echter een andere zaak. Daarvoor had ze eerst een afzonderlijke toestemming nodig. Kennelijk vond de drost dat alleen al een waarschuwing wel afdoende zou werken.

Overigens is ook in de stad-Groninger rekesten enkele malen sprake van het leggen van voetangels in tuinen. Dat moest altijd met een waarschuwing bij de omheining.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.


Wraakzuchtige ongehuwde moeder krijgt vernoemingsverbod opgelegd

Warner Willems (1739-1809) was net als zijn vader Willem Warners collector van Midwolda. Dat betekende dat hij in die omgeving verantwoordelijk was voor de registratie, heffing en inning van de directe belastingen zoals het hoofd- en heerdstedengeld, op de bezaaide landen, de hoornde beesten en paarden. Hij kwam dus veel onder de mensen en zijn functie bracht met zich mee dat hij maar beter van onbesproken gedrag kon zijn.

Dat was hij niet. Als ongehuwd man had hij een dienstmaagd, die sinds kort echter niet meer bij hem inwoonde. Deze Jacobje Klasens was hoogzwanger. In janauari 1772 vertelde ze rond dat het kind van hem was. Ze dreigde zelfs

“het kindt bij den doop met den name van denselven (namelijk Warner Willems) te doen benoemen, het welk nergens anders toe strekt dan om suppl[iant] in zijne ere en goede name te beledigen”

Dat wilde de collector niet over zijn kant laten gaan en daarom verzocht hij de drost Jacobje te verbieden

“om dit haar kindt met de name van den suppl[iant] of jemant zijner naast bestaande, ’t zij levende off reets gestorven [te benoemen], komende ook gene van de namen van rem[onstreer]des eerste bloedvrienden overeen met die van zijde van den suppl[iant]”.

Ook moest dit verbod aan de plaatselijke predikant worden meegedeeld, zodat die niet alsnog Jacobjes kind met de naam van Warner of een van diens naaste familieleden zou dopen.

De drost gaf Jacobje drie dagen de tijd om haar kant van de zaak te belichten, daarna zou hij de zaak afdoen. Ze moest dan voorlopig even wachten met het laten dopen van haar kind tot die “finale dispositie” .

Er kwam geen bericht van Jacobje binnen bij de drost. Die willigde daarom het verzoek van Warner Willems in en verbood Jacobje Klasens

“het kindt bij haar in onegte geprocreëert met de namen van Warner off Willem bij de Heijl[igen] doop te laten benoemen”.

Dit besluit, genomen op 29 januari, werd daarna zowel aan haarzelf als aan de plaatselijke predikant bekend gemaakt.

Pas op 8 maart, de verjaardag van prins Willem V, in Midwolda vaak aanleiding voor een bijzondere godsdienstoefening, zou de zoon van Jaobje in de kerk van Midwolda worden gedoopt. Hij kreeg de naam Claas, naar haar eigen vader.

Willem Warners zou pas vier jaar later, in maart 1776, trouwen met een meisje uit Nieuwolda. Het was een ‘moetje’: vijf maanden later werd hun zoon Willem gedoopt.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.

 

 


Schipper talmt met vervoer van graan

Op 18 december 1771 deed koopman Menno Sijpkens zijn beklag bij de Oldambtster drost. Hij vertelde hoe hij de schipper Albert Bisschop had ingehuurd om een vracht koren naar Amsterdam te brengen. Bisschop zijn schip was al dik een week eerder met dat graan beladen, maar hij maakte nog niet de minste aanstalten om het weg te brengen. Eerst kon het schip vanwege de lage waterstand niet over ’t Waar komen, zodat koopman Sijpkens een andere schipper erheen had moeten sturen om het te lichten, wat op 11 december gebeurd was. Daarna echter was Bisschop met zijn schip voor het huis van Sijpkens in Zuidbroek gaan liggen, en weigerde hij te varen “voor ’t aanstaande jaar”.

Sijpkens vreesde dat de inactiviteit van de schipper hem zou duperen, want de graanprijzen waren “zeer wisselvallig”. Bovendien kon het koren in het scheepsruim gemakkelijk bederven. Daarom vroeg hij de tussenkomst van de drost – of die de schipper wilde bevelen met zijn lading naar Amsterdam te varen voor het bedongen vrachtloon, “’t welk hem bij ’t ontladen direct zal worden betaalt volgens usance”. Daarbij wilde Sijpkens zich het recht voorbehouden om Bisschop aan te spreken op een schadevergoeding wegens prijsdaling of bederf, veroorzaakt “door des schippers versuim”.

De drost liet er geen gras over groeien en ontbood beide partijen voor de volgende ochtend om negen uur. In deze zitting liet hij ze “breedvoerig” aan het woord. De schipper erkende hier volmondig dat Sijpkens hem had ingehuurd om dat koren naar Amsterdam te brengen, waarvoor hij ook best een goed vrachtloon had bedongen van 7 gulden per last. Opmerkelijk was, wat Bisschop hierbij vertelde over de route – hij was verplicht de lading graan

“ten spoedigsten na Hollandt te vervoeren over Vrieslandt, soo zulx gepermitteert mogte zijn, ofte anders bijlangs de Zoltkamp…”

Waarom het niet over Friesland zou mogen, staat er helaas niet bij – misschien omdat het al wat vroor en stevig ijs voor de Friezen ook weer zo zijn voordelen bood? Of zou het een fiscale belemmering zijn? In elk geval was de route over Friesland preferent. Vanuit Zuidbroek leek die sneller en/of minder gevaarlijk in dit jaargetij, dan die buitenom over de Wadden.

Hoe dan ook, de schipper noemde een voorwaarde die zijn opdrachtgever Sijpkens juist verzweeg. Volgens Bisschop hadden ze afgesproken dat “dat het graan hem binnenboordt zoude worden besorgt op den 5 deser”, dus op Sinterklaasdag, terwijl dat feitelijk pas twee dagen later gebeurde. Daarna kwam dan nog de episode met de lage waterstand bij ‘t Waar en de lichting van het schip. Maar die deed eigenlijk niet ter zake. De late belading van het schip door koopman Sijpkens vormde de èchte oorzaak van de vertraging, althans in de ogen van Bisschop. De schipper stelde zich in postuur en maakte bezwaar de lading nu nog te vervoeren, “gemerkt het geavanceerde saisoen”. Met midwinter, kortom, lag hij liever aan de wal.

De Drost vond dat verweer echter onvoldoende. Hij gelastte Bisschop de lading graan “op het spoedigste” naar Amsterdam te transporteren, en anders zou alle schade voor hem zijn. Ook mocht koopman Sijpkens daar een declaratie voor indienen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.


Woestijnsprinkhanen in Groningerland

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Terwijl een enorme veldmuizenplaag, die vooral in het Oldambt huishield, ogenschijnlijk even verminderde, leek het of zich eind september 1824 een nieuwe “verwoestende geesel” aandiende: er kwamen woestijnsprinkhanen neer, het eerst op de Oostwolder- en Finsterwolderpolder en wat later op de Noordpolder, bij Ulrum en ten zuiden van de stad Groningen. Gelukkig ging het slechts om geringe aantallen; bij Emden, in Oost-Friesland, waren het er wat meer.

In stukken die andere kranten grif overnamen, berichtte de Groninger Courant over de komst van de Gryllus migratorius, zoals Linnaeus het beestje had genoemd. Daarbij ging het blad uitgebreid in op de ‘natuurlijke historie’ van het dier, “om het oordeel van het publiek op ware gevolgtrekkingen te bepalen”. Zo zou de woestijnsprinkhaan in zijn vlucht sterk lijken op het insect, “’t geen wij vileinbijter of glazenmaker (Libella) noemen”, al was de sprinkhaan veel zwaarder en had hij extra springpoten, waarmee hij minstens 9 meter afstand kon overbruggen. Een wijfje droeg wel 150 eieren, die het in ‘t najaar afzette en die in het voorjaar uitkwamen. Na vier verpoppingen begon in juni “hunne hooge vlugt, met den wind heinde en verre voortgezweept”.

Het blad meldde dat de woestijnsprinkhaan slechts in warme nazomers vanuit Libië en Arabië overkwam, en dat hij in 1747 en 1748 “ontzettend veel schade” had aangericht in Silezië, Polen, noordelijk Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië. In september 1747 bereikte hij op een zuidoostenwind deze noordelijker gelegen Europese contreien via Walachije, Moldavië, Zevenbergen en Hongarije. Aanvankelijk schonk men er weinig aandacht aan, tot de afgezette eieren in april 1748 uitkwamen en in juni het zwermen begon.

“zoodat in het midden van die maand de verwoesting, door hen aangerigt in het gras en opgeschoten graan , alom de aandacht der regeringen tot zich trok, doch niet meer konde worden gestuit, en zij in augustus en september zich heinde en ver verbreidden.”

Hieruit moest de les getrokken worden dat een vroegtijdige bestrijding veel ellende kon voorkomen. Al kon een strenge winter ook handig zijn – die van 1748 op 1749 maakte een eind aan de woestijnsprinkhanenplaag.

Overigens bracht de krant graag een onderscheid aan met een inheemse sprinkhaan, die zich in Drenthe en Westerwolde blijkbaar wel eens tot een plaag ontwikkeld had: de locusta Germanica.

Bron:

Groninger Courant van 28 september en 12 oktober 1824.

 


Een spokende helhond in de polder

Een borries behoorde in Groningerland tot de plaagbeesten. Het was een spokende helhond die je ’s nachts op wierden en op driespongen de stuipen op het lijf kon jagen. Als je geluk had en de maan scheen, kon je hem vanaf een afstandje herkennen . Hij liep namelijk nogal raar, bewoog eerst de beide poten aan de ene kant van zijn lijf naar voren en deed dat dan met beide poten aan de andere kant. Hij had dus een schommelende gang. Een ander kenmerk was zijn dikke ruige staart, die altijd recht naar achteren stak. Maar als je pech had, en hem toch dichtbij tegenkwam, zag je zijn zwarte ogen, zo groot zo groot als schoteltjes, die vuur spuugden. De angst sloeg je je dan wel om het hart, als je dat meemaakte. Je moest je dan helemaal stil houden, niets zeggen, zelfs niet fluisteren, zelfs net met je ogen knipperen, helemaal stil wezen, dan kreeg hij geen vat op jou en verdween hij schommelend uit zicht.

Je zou het in een rationele omgeving als de Oostwolderpolder niet verwachten, maar daar banjerde nog een apart slag borries rond: de polderhond. Ter Laan nam er een verhaal over op in zijn Groninger overleveringen (1930):

“In Oostwólmerpólder leeft ’n borries, dij kin net zo goud in ’t wotter verkeren as op ’t laand. Dat is ’n pólderhond. Hai het ’n staart as ’n riezen bezzem.

Dou Baike van Oostwólle nóg dainde, het ze hom zulf zain; lutjemaaid was ter bie. Ze kinnen mit ’n woord van woarheid getugen, dat e hoelde van hoe-woeps, en dat e op kóp in de baarmsloot schoot.

Ook in Termunten het ter ’n pólderhond touhólden, ’n roege swaarde. Dij is tusschen twaalm en ain aan ’n snieder verschenen, dij te laank in haarbaarg zat. Keerl is ter aan doodgoan van schrik.”

Bron


Goa van mien laand oaf ! (3)

De twee voorgaande afleveringen in deze korte serie komen er in het kort op neer dat arbeiders uit Oostwold, op weg naar hun werk, in de nieuwe Oostwolderpolder dwars over percelen land en dwars door sloten een onofficieel pad uitsleten, tot groot ongenoegen van enkele boeren, die in 1772 gedaan wisten te krijgen dat er een forse boete op kwam te staan. De vraag is echter of die boete geholpen heeft en of het gelaakte overpad later misschien toch gelegaliseerd is. Op een latere kaart met o.a. percelen en wegen in de Oostwolderpolder voldeed inderdaad een secundaire weg aan de kenmerken van de illegale sluiproute. Die weg kan echter alleen dàn de opvolger van het overpad zijn geweest, als de klagende boeren daar ook opstrekkende heerden land hadden, die door de sluiproute werden gekruist. En dat roept de vraag op: waar eigenlijk lagen precies de percelen van Wybe Garbrants en Derk Jacobs op de nieuw ingedijkte polder?

Wybe Garbrands
Wat betreft Wybe, ook wel Wijbo Garbrands (Kremer) viel dit relatief eenvoudig na te gaan, omdat hij, zijn nazaten en hun bedrijf in het boerderijenboek van deze omgeving voorkomen. Hij was de zoon van een doopsgezinde kramer in Nieuw-Scheemda (vandaar de familienaam), en groeide volgens diens boedelinventaris uit 1744 op tussen rollen linnen, baai, Rowaans en gestreept goed, tierentijn, laken, damast, sarsy, vijfschacht, katoen, neteldoek, karpetten en lappen, hozen en handschoenen, garen, gespen, veters en band, kant en lint. Maar zijn vader was niet alleen stoffenkoopman. In zijn winkel had hij ook kruidenierswaren als blauwsel en stijfsel, koffiebonen en thee en (in tonnen en vaten) olie siroop en traan, jenever, naast wat apothekerij te koop. Bovendien werden er de wat fremdkörperig overkomende, maar blijkbaar commercieel aantrekkelijke ijzerwaren zichten en scheuvels verkocht.

Zo’n ouderwets winkelmagazijn vormde een boeiend geurenlandschap! Toch zou Wybe Garbrands zijn vader Garbrand Wybes niet opvolgen, in meerdere opzichten niet. Ten eerste zou hij boer worden. In 1762 trouwde hij met zijn dorpsgenote Abeltje Alberts (Lantinga) en vestigde zich met haar in Oostwold. Hoeveel kinderen ze precies kregen is door hun ouderlijke geloof onbekend, maar in 1774 stapten Wybe en zijn vrouw, zoals wel meer doopsgezinden, te Oostwold over naar de Gereformeerde Kerk, wat niet alleen inhield dat ze belijdenis deden, maar ook dat zij en hun nog levende kinderen Albert (1768) en Jantje (1773) allemaal door ds. Van Bolhuis werden gedoopt. Naderhand bediende de predikant van Oostwold dit sacrament ook bij de later geboren kinderen Garbrand (1776), Kornelius (1778) en de tweeling Jan en Diewer (1783).

In december 1789, toen alle kinderen nog minderjarig waren, overleed Wybe Garbrands. Zijn weduwe zette het boerenbedrijf alleen voort, zonder dat ze hertrouwde. Misschien had ze hulp van haar oudste kinderen. Wijlen haar man zou ze 38 jaar overleven – ze stierf in 1827 te Oostwold op hoge leeftijd. Mogelijk woonde ze in bij haar zoons en bedrijfsopvolgers. Volgens het boerderijenboek waren dat Garbrand Wijbes Kremer in de jaren 1805-1819 en Jan Wijbes Kremer in de periode 1819-1854. Tijdens diens bestier van de boerderij werd het kadaster ingevoerd. Volgens HisGis, de digitale verwerking van de oudste kadastergegevens (ca. 1830), lag het land van Jan Wijbes Kremer in twee opstrekkende heerden ten oosten van Oostwold:

Hisgis Oostwold Jan Wijbes Kremer BLOG

Op de oostelijkste opstrek stond de boerderij aan de noordkant van de weg. Dat areaal begon een eind zuidelijker van de weg in zand en veen bij land van de buurman Otto Samuels Knottnerus, omvatte ten noorden van de weg nog een stukje oud kleiland en liep dan over de dijk van 1701 diep de Oostwolderpolder in, zelfs nog tot voorbij de Oude Geut. Dit laatste gold ook voor de tweede opstrekkende heerd, al begon die nog wat zuidelijker, namelijk bij de ringsloot van de Oostwolder- of Huningameerlanden. In groen heb ik de secundaire weg aangegeven, die van het uiteind van de noordelijke arbeidersbuurt in Oostwold, naar de as met de boerderijen in de Oostwolderpolder voerde. Van die weg vermoed ik, dat hij de opvolger was van de sluiproute die de arbeiders van Oostwold volgden. Overigens bezat de kleinzoon van Wybe Garbrands ook nog heemsteden of huisplaatsen in Oostwold en Midwolda, maar die doen er qua overpad in de polder natuurlijk weinig toe.

Derk Jacobs
Het traceren van de grond, bewerkt door Derk Jacobs, had wat meer voeten in de aarde. Zijn naam komt niet voor in het boerderijenboek en dat bevat evenmin namen die erop lijken. Daarom moest ik voor hem toch echt de bronnen in. Hij groeide op in Oostwold in een, naar het zich laat aanzien, vrij groot gezin. In 1772 trouwde hij op 31-jarige leeftijd met de vijf jaar jongere Siebentje Dieterts uit Bellingwolde, maar van dit paar zijn hoegenaamd geen kinderen bekend.

In hun huwelijksjaar namen Derk en Siebentje het huis in Oostwold van zijn moeder over, met de beklemde heerd land waarop dat huis stond. Deze heerd strekte zich uit van het Koediep in het noorden tot de ringsloot van het Huningameer in het zuiden en omvatte dus geen land in de Oostwolderpolder. De grond was het eigendom van de diaconie van Oostwold en deed op dat moment nog een weinig indrukwekkende 25 gulden aan pacht per jaar. Bij de koop in zat het boerenbeslag en het gereedschap dat op de plaats werd gebruikt. In totaal betaalden Derk en zijn vrouw er 1600 gulden voor, niet echt veel voor een Oldambtster boerderij. Siebentje ondertekende de koopbrief met een kruisje, wat ze bij andere akten zou blijven doen ­– kennelijk had ze geen schrijven geleerd. Derks broer en zus en hun echtgenoten tekenden de verzegeling eveneens, en zulks ten teken dat ze met de overdracht van het erfgoed instemden.

Omdat er met de grondeigenaar, de diaconie van Oostwold, iets verkeerd was gegaan, werd er jaren later alsnog een beklembrief voor dit stuk vastgoed opgemaakt. Bij die gelegenheid werd de beklemming altoosdurend gemaakt, waarbij de diaconie opmerkelijk genoeg wat afdeed van de pacht, voortaan 18 gulden per jaar. Het mooie van deze beklembrief is, dat hij de zwetten of aanpalende percelen benoemt:

  • noord: kerkhof
  • oost: de Kerklaan
  • zuid: de ringsloot van het Huningameer
  • west: de diaconie van Midwolda

De noordzwet, het kerkhof, lag wat minder noordelijk dan het Koediep – mogelijk ging er wat van de grond af, wat dan de lagere pacht verklaart. Uit de andere zwetten blijkt dat de heerd zich vlakbij en (schuin) tegenover de kerk- en pastoriepercelen bevond; de grond bestond oud kleiland, veen en zand.

Dit spul stelde weinig voor, maar nog tijdens hun verloving, namelijk eind 1771, kochten Derk en Siebentje van de weduwe Geertsema de vaste altijddurende beklemming van 13 deimt oud land (binnen de dijk van 1701) en 22,25 deimt ingedijkt nieuw land (in de Oostwolderpolder). Een deimt is iets minder dan een halve hectare – het hele areaal, zal dan ruim 17 hectare geweest zijn. Na verloop van zes jaar, waarvoor een hogere pacht gold, zou de voortaan vaste huur voor oud en nieuw land samen ƒ 313 gulden en 10 stuivers per jaar bedragen. In totaal telden Derk ern Siebentje ruim 6080 gulden voor de grond, in vijf termijnen. Dit vastgoed was dus vier maal zo duur als de kleine boerderij van Derks moeder. Voorlopig weten we dat er poldergrond bij zat, maar helaas noemt de verzegeling geen zwetten. Het oppervlak en het huurbedrag zijn later echter nog zeer herkenbaar.

Eind 1785 maakten Derk en Siebentje hun mutuele testament op, waarbij de langstlevende alles zou erven. Wel zouden de lijfstoebehoren (kleding, sieraden etc.) van de overledene direct naar de naaste erfgenamen gaan, die in ruil dan de begrafenis moesten betalen. Kennelijk voelde Derk zijn einde naderen, want nog geen jaar later, in september 1786, bleek hij overleden. De voogden over de oom- en tantezeggers van hem en zijn vrouw namen in een akte genoegen met het testament, voor zover dat door de drost in een een rekestprocedure was goedgekeurd. Blijkbaar was er toch wat frictie geweest met de familie.

Siebentje hertrouwde weer een jaar later, in 1787, als kinderloze weduwe met Harm Everts (Everts) eveneens uit Oostwold. Volgens hun huwelijkscontract bracht zij het vastgoed van haarzelf en haar eerste man in het huishouden in. De erfgenamen van haar eerste man had ze blijkbaar afgekocht. In 1792 gold dat wellicht ook voor haar eigen familie, want toen vermaakte ze in haar nadere testament dat vastgoed aan haar tweede man. Samen kochten zij in 1809 nog een huis met tuin in Oostwold, misschien als belegging, misschien ook om er zelf te gaan wonen.

In 1826 overleden ze beiden, zij in februari op 80-jarige leeftijd en hij in september. Zijn erfgenamen lieten vervolgens het vastgoed veilen. Volgens de advertenties zou dat gebeuren in twee kavels: ten eerste een boerenbehuizing met de vaste beklemming uit 1771, bestaande uit 6,6 bunder oud kleiland en 11,125 bunder polderland (dus ruim 17 ha), doende samen nog steeds een pacht van ƒ 313,50, waarbij nog 1,25 bunder van de oude boerderij gevoegd was; en ten tweede het huis dat Siebentje en haar tweede man in 1809 hadden bijgekocht.

In de koopakte is echter sprake van drie kavels. Ten eerste ging het om een “boerenbehuizing en schuur (…) met tuin en appelhof (…) en de beklemde landerijen daaronder behorende”, welk land zich uitstrekte van de Oude Geut in de polder (in het noorden) tot aan land van Otto Samuels Knotnerus in het zuiden. Hieruit blijkt dat Siebentje en waarschijnlijk haar eerste man de oude boerderij van zijn moeder verruilden voor een nieuwe, dichterbij de betere grond. Overigens was de oostzwet van deze landerijen de wed. van Wybe Garbrands, de boer die met Siebentjes eerste man Derk Jacobs werk maakte van de sluiproute dwars over hun polderpercelen. De tweede veilingkavel was het huis dat in 1809 aangekocht werd door Siebentje en haar tweede man, en dat getuige de zwetten vlakbij de kerk van Oostwold stond, en bij de derde ging het om de oude huisplaats bij en tegenover de kerk en pastorie. Hier stond niet langer een huis op – de boerderij van Derk Jacobs zijn moeder was intussen dus gesloopt.

Dat derde perceel bleef onverkocht, omdat het niet aan de hoogste bieder werd gegund. Een erfgenaam van Siebentjes tweede man kocht kavel 2, het huis verworven in 1809. Voor ons van belang is uiteraard alleen de eerste veilingkavel: de relatief nieuwe boerenplaats met de beklemming van een deel grond in de Oostwolderpolder. Dit vastgoed ging bij de veiling voor 7150 gulden over in handen van Fiebo Jurjens Oosthof, landgebruiker te Oostwold, en diens naam komt voor in het eerste kadaster van enkele jaren later. Volgens Hisgis lagen Oosthofs gronden destijds hier:

Hisgis Oostwold erven Fiebo Jurjens Oosthof BLOG

De meest oostelijke opstrekkende heerd, waar de zoon van Wybe Garbrands de buurman van was, kocht Oosthof dus van de erfopvolgers van Derk Jacobs en zijn vrouw Siebentje. Maar een eind naar het westen had hij in het verlengde van de noordelijke arbeidersbuurt nog een opstrekkende heerd. Over beide liep de secundaire weg die mogelijk ontstond uit de illegale sluiproute. De opstrek ten westen van Oostwold moet al langer in het bezit van Oosthof zijn geweest. Overigens is de boerderij op het meest oostelijke opstrek ten zuiden van de weg, te identificeren met nummer 119 in het boerderijenboek, dat de geschiedenis van deze boerderij pas in 1843 laat beginnen.

Slotsom
De conclusie luidt dat Wybe Garbrands en Derk Jacobs, de boeren die in 1772 klaagden dat de arbeiders van Oostwold dwars over hun land naar het werk in de polder liepen, vlak naast elkaar opstrekkende heerden hadden tussen de hoofdroute naar de polder, die voor die arbeiders een omweg vormde, en de secundaire weg, waarvan ik veronderstelde dat hij de opvolger was van de sluiproute.

Die secundaire weg echter, bleek voor zover hij hun percelen haaks kruiste, ten tijde van het eerste kadaster, dus ruim een halve eeuw later, het eigendom van de ingelanden van de Oostwolderpolder, en niet van individuele boeren. Nam het polderwaterschap de weg dan intussen over? Dat zou moeten blijken uit zijn besluiten en rekeningen, die berusten in het archief van de Oostwolderpolder, dat zich tegenwoordig in het hoofdkantoor van waterschap Hunze en Aa’s te Veendam bevindt. Binnenkort ga ik daar maar eens heen.

Maar ook in het geval dat die secundaire weg al vanaf de polderaanleg het eigendom van de gezamenlijke ingelanden is geweest, en dus niet de opvolger van de illegale sluiproute kan zijn, zijn we een stuk dichter bij de locatie van het overpad. Het moet immers sowieso de aangegeven opstrekken hebben gekruist. Aannemende dat het uiteind van de strook met arbeiderswoningen op oud land ten noorden van Oostwold het startpunt van de route vormde, en de arbeiders ’s ochtends en savonds de kortste weg naar en van de boerderijen naar hun woningen volgden, kan hier hoogstens de winkelhaak die de secundaire weg vormde, afgesneden zijn.

Bronnen:

  • Boerderijen en hun bewoners, Uitgegeven door de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842-1967) (Winschoten, z.j. [1968]), met name gedeelten over Oostwold en de Oostwolderpolder (p. 293-304 en 379-395).
  • RHC Groninger Archieven (GrA), Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 7210: verzegelingen Oostwold (1721-1788), doorgenomen vanaf 1768.
  • GrA, Toegang 112 (archief notarissen Winschoten) inv.nr. 60: akte notaris Rudolf de Sitter Winschoten 1826 nr. 192 d.d. 8 december 1826.