Goa van mien laand oaf ! (2)
Geplaatst op: 13 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Zoals verteld, sleten landarbeiders, op weg naar hun werk, in 1771 een pad uit in de kersverse Oostwolderpolder. Dat pad kruiste de percelen en sloten van twee boeren, die met hun grondeigenaren gingen klagen bij het bevoegd gezag, dat er prompt een fikse boete op zette.
Omdat het me niet zou verbazen als er later toch een weg vanuit Oostwold op het tracé van dit arbeiderspad kwam, heb ik eens gekeken hoe de wegen in Oostwold en de Oostwolderpolder liepen. Op bovenstaande kaartje – een bewerkte uitgave uit 1857 – staan die wegen aangegeven, evenals de dijken en de percelen.
De twee belangrijkste wegen zijn met bruin geaccentueerd. Dit was ten eerste de weg die van Oostwold (midden onder) via Goldhoorn naar Finsterwolde (rechts) voerde – en nog steeds voert.
Haaks hierop liep met een kleine bajonetachtige verspringing de tweede weg de Oostwolderpolder in. Aan die Polderweg stonden en staan nog steeds de boerderijen. Deze weg onsloot primair het middendeel van de polder, waar de percelen niet opstrekten vanuit de oude hoofdas, zoals bij Oostwold en Goldhoorn, maar als het ware ‘dwars lagen’. Ongetwijfeld is deze constellatie doordacht op een tekentafel, en niet spontaan ontstaan zoals de gegispte en verboden arbeidersroute. Overigens is het eerste, zuidelijkste stukje van deze Polderweg vanaf de hoofdweg tegenwoordig allang verdwenen. Blijkbaar kon men er daar wel zonder.
Maar er is nog een weg, die vanaf Oostwold de polder invoert. Die weg, de huidige Noorderstraat, op de kaart niet geaccentueerd en daarom secundair, begint drie percelen/heerden westelijker dan de Polderweg, bij de dubbele kniebocht in de oude weg, vlakbij de kerk van Oostwold. Deze secundaire landweg loopt eerst naar de dijk van 1701 waar hij rechtsaf dwars over de dijk en de drie opstrekkende heerden richting de Polderweg voert. Vanuit de kern van Oostwold met zijn arbeiderswoninkjes lijkt deze weg inderdaad iets sneller naar het centrale deel van de polder te voeren, dan de Polderweg. Volgens mij zou deze secundaire weg wel eens de opvolger geweest kunnen zijn van het uitgesleten arbeiderspad.
Goa van mien laand oaf !
Geplaatst op: 11 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesZe hadden er maar wat last van, de twee eigenaars, mevrouw Zwarte en dr. Cremers, en de twee beklemde meiers, namelijk Wybe Garbrants en Derk Jacobs, van twee opstrekkende heerden op de pas ingedijkte polder onder Oostwold. In het voorjaar van 1771 klaagden ze bij de Oldambtster drost,
“dat vele personen en wel speciaal de arbeiders om te gevoegelijker naar hun werk te konnen komen, zig de vrieheit aanmatigen om dwars over hunne landen off heerden te gaan en een geheel padt ten dien einde te maken, ja zelfs door de sloden, hoewel ook opgemaakt, de passage te nemen, alles tot groot nadeel der suppl[ian]ten..”
Bovendien vreesden ze dat het uitgesleten pad te zijner tijd zou leiden tot een gewoonterecht van overpad. Dat konden ze niet toestaan. Omdat het onmogelijk was om die arbeiders een civiel proces aan te doen, vroegen ze de drost om toestemming voor een kerkenkondiging,
“waarbij enen jegelijken worde verboden een padt over hunne landen te maken, en veel weiniger de sloden daartoe te misbruiken, ten zij genoegzame regtens konnen antonen daartoe gequalificeert te zijn.”
De eigenaars en landbouwers wilden graag dat de drost een boete op deze overtreding zette. Die gaf inderdaad toestemming tot de kerkenkondiging van het verbod en stelde maar liefst een pond groot – 6 gulden – op de overtreding. Dat bedrag zal voor veel van die arbeiders een à twee werkweken loon hebben vertegenwoordigd.
Waar de boerderijen precies stonden heb ik nog niet uitgezocht. Maar het zou me niet verbazen als er toch een weg vanuit Oostwold vlak langs liep.
De Werdegang van ’t scheldwoord moffen
Geplaatst op: 10 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 3 reactiesJe hoort of leest het nog maar zelden: het scheldwoord ‘moffen’ ter aanduiding van Duitsers. En dat is natuurlijk goed zo. Maar sinds wanneer zijn we het eigenlijk minder gaan gebruiken?
Vanwege een kleine discussie over deze Werdegang besloot ik eens via Delpher te kijken hoe vaak de term vanaf de oorlog in de loop der jaren voorkwam in de redactionele kolommen van een voor dit doel bruikbare krant. Mijn keus viel, zoals wel vaker, op de Leeuwarder. Ik had zo’n beetje verwacht dat het gebruik van de term vanaf de jaren 50 zou afnemen, maar dat bleek dus niet het geval:

Na 45 is er aanvankelijk drie, vier decennia lang een voortdurende toename geweest. In eerste instantie zal dat mede gelegen hebben aan het dikker worden van de kranten. Neemt niet weg dat de frequentie na de tweede helft van de jaren 60 nog steeds toeneemt, tot ze in de periode 1975-1984 het grootst is. Pas vanaf toen nam het gebruik van het scheldwoord moffen af.
Ik heb niet naar de individuele artikelen gekeken, maar dat decennium rond 1980 vormt ook het herfsttij van de jaren 60 in ideologische zin. De oorlog is dan onder de stolp van de wederopbouw vandaan getrokken en blijkt nog levend verleden. Jongeren zetten zich af tegen de veronderstelde passiviteit van hun ouders en identificeren zich met verzet, wat wel degelijk ook zwaar ontaard is, denk maar aan: RAF en sympathisanten, krakersrellen, en de kroningsdag van 1980. Ik vermoed dat in radicaal-linkse kringen het scheldwoord moffen wat vaker in de mond genomen werd, en dat dat bijdroeg aan de piek in de grafiek.
‘Alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs’ – een rekest van de Groninger brouwers om lastenverlichting (1768)
Geplaatst op: 8 juli 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reacties
Ziehier een lijstje van wat een brouwte van elf tonnen bier een Groningse brouwer kostte en wat dezelfde brouwte die ambachtsman opleverde. De grootste kostenposten blijken de benodigde 12 mudden gerst (bijna 38 gulden) en de vrij forse belasting (gemaal) die hij over het gerstemout moest betalen (ruim 23 gulden of bijna 60 %). Met de kleinere posten wegens het malen en mouten van de gerst, voor de turf, de hop, de overige belastingen voor huis en knechten, voor vaten, vervoer en verlies, voor lekkerij en proefbier, huishuur, lonen en huisvestingskosten van het personeel, kwam zo’n gehele brouwte op 104 gulden. Aan inkomsten stonden hier tegenover 77 gulden voor de 11 tonnen (à 155 liter) bier, 12 gulden voor gist dat verkocht werd aan bakkers, en een rijksdaalder voor ‘draf’, een min of meer vaste stof die bij het brouwproces overbleef en die verkocht werd als veevoer. In totaal beurde de brouwer zo 91 gulden en vijf stuivers voor zijn brouwte, zodat hij er een verlies op leed van bijna 13 gulden.
Het lijstje hoort bij een verzoekschrift, dat eind 1767 bij de Staten van Stad & Lande werd ingediend namens de 71 of 72 bierbrouwers van de stad Groningen, Appingedam en de beide Oldambten. In dat rekest klaagden ze dat hun nering voortdurend achteruit ging, “zo door de anhoudende hooge prijs van de garst als meede de hooge impositjen op moud en meer anderen reedenen”, waardoor ze niet langer in staat waren “om met eenig voordeel goed bier te kunnen maaken”. Uiteraard waren de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) niet vertegenwoordigd, want daar had je geen bierbrouwers: de herbergen moesten er volgens het stapelrecht hun bier betrekken van de brouwers uit de stad. Hoe dan ook, in de eerste maanden van 1768 hoorde een statencommissie de brouwers enige malen over hun klachten aan, waarbij de brouwers nog een uitvoerige schriftelijke toelichting op hun verzoekschrift produceerden, waarvan bovenstaande kosten-batenanalyse de bijlage vormde.
Opmerkelijk, maar gezien hun doel niet verwonderlijk is, dat de brouwers in die toelichting het fiscale regime als primaire oorzaak aanwezen van de malaise in hun bedrijf. Toen de brouwerijen nog bloeiden, zo rond 1700, bedroeg de impost op een mud gerst slechts 13½ stuiver, maar inmiddels moesten ze bijna 2 gulden en dus drie maal zoveeel betalen. De provincie won daar echter niets bij, want destijds bracht de impost in een half jaar meer op, dan anno 1767 in een heel jaar. Aan die dalende opbrengsten kon je goed het verval van hun bedrijfstak aflezen, aldus de brouwers.
Een reden die vaak als veel belangrijker wordt voorgesteld voor het verval van hun nering, noemden de brouwers slechts op de tweede plaats:
“Het in gebruik komen van coffij en thee heeft de brouwerijen zodanig doen verminderen, dat in ’t begin van deze eeuw in deze Stad alleen over de 80 brouwers geteld wierden, welk getal present tot op 32 verminderd is, en zo in de Provincie insgelijks…”
Trekken we de 32 stedelijke brouwers af van de bovengenoemde 72, dan houden we er 40 over in Appingedam en de beide Oldambten (inclusief veenkoloniën). Als de achteruitgang hier even sterk was als in de Stad, dan moeten dat er rond 1700 zo’n 100 geweest zijn. In totaal ging het aantal brouwers in de hele provincie dan terug van 180 rond 1700 tot 72 in 1768. Veel van die resterende brouwerijen stelden echter nog maar weinig voor, want volgens de woordvoerders was nog niet de helft in staat “dat weinige mout zo zij in de zomer nodig zijn, in voorrraad te bekomen”. Deze brouwden dus alleen nog in de warme maanden, en moesten voor elke brouwte de benodigdheden kopen, zo weinig geld hadden ze achter de hand.
Volgens de brouwers waren er in dertig jaar tijd wel 50 vakgenoten op de fles gegaan. De “neringloosheid” en geringe afzet van veel van de overige bedrijven maakte dat brouwers nogal eens een bedorven brouwte moesten weggooien, terwijl ze daar wel hun kosten aan hadden gehad. Het stak ze dat zij wel belasting over hun zure, onbruikbaar geworden bier moesten betalen, terwijl wijntappers en andere ambachtslui dat niet hoefden te doen voor hun bedorven en daarmee onverkoopbaar geworden waren.
Er kwam nog een ‘statiegeld-kwestie’ bij. Vroeger hadden de meeste klanten hun eigen vaten, waarvan ze de vervoerskosten naar en van de brouwers zelf ook betaalden. Nu kwamen de vaten louter nog voor rekening van de brouwers. Waarschijnlijk hadden brouwers in hun eigen voet geschoten, door uit concurrentieoverwegingen in een krimpende markt deze emballage-kosten van hun klandizie over te nemen: bij een voortdurend verminderende afzet en vastgestelde bierprijzen, zullen ze daarmee klanten hebben willen lokken. In elk geval hadden de brouwers zodoende anno 1768 een “menigte van vaten” onder de mensen zitten, “welke zij nooit weder te zien krijgen, schoon haar dikwijls zoveel en meerder kost als ’t bier waardig is, zo zij daarmede hebben uitgezet”. Naar raming van de rekestranten kostte dit de doorsnee- brouwer wel 400 gulden in het jaar.
Hun litanie stond ook stil bij het feit dat alle ingrediënten voor het bier dubbel zo duur waren als vroeger. Gerst deed bijna 3½ gulden de mud, waar het vroeger 1½ deed. Voorheen kwamen zulke hoge prijzen alleen voor in oorlogstijd, maar nu bij vrede. De hop, vroeger anderhalf stuiver per pond, kostte inmiddels het vier tot achtvoudige. Ook turf en hout waren duurder geworden, “ja alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs”. Dat gold zelfs voor de arbeidslonen, want waar “aanzienlijke borger kinder” voorheen betaalden voor hun opleiding in het bedrijf, was dat opgehouden nu dat bedrijf minder aantrekkelijk was. Bovendien had het stadsbestuur de leertijd tot de meesterproef met een jaar verlengd, “waar van wij dan thans den bitteren nasmaak ondervinden”.
Door de hogere belasting op mout prijsde het Groninger bier zich elders de markt uit, aldus de brouwers. Daar werd het mout immers niet belast. Dat was de reden dat de export van Gronings bier naar andere provincies geheel stilviel. Dit gold ook voor de afzet van het gist, dat de Groninger bakkers nu zelfs uit Holland en Overijssel betrokken, waar het goedkoper was omdat het mout er niet belast werd.
En dan had men nog de andere lasten die de Groninger brouwers moesten betalen, zoals over de ‘daar’ (een eest of droogoven voor het drogen van mout) en de ketel. Voor elke daar en ketel moest een brouwer 10 gulden per jaar schokken, terwijl bakkers maar een gulden hoefden te geven voor een oven, die zij dan ook nog konden gebruiken “tot een keuken en haardstede”, wat bij de brouwers niet zo was. Voor brouwers die slechts een beperkte hoogtijperiode in de zomer brouwden, was het bovendien onmogelijk geworden om hun daren en ketels tijdelijk uit het belastingregister te laten schrappen, een regeling die vroeger nog bestond. Afgezien van de bakkers waren de brouwers jaloers op de grutters, die wel drie maal zoveel gerst verwerkten als de grootste brouwer, maar helemaal niets betaalden, hoewel ze veel minder bedrijfsonkosten hadden.
Naast de koffie en thee deed de wijn het bier concurrentie aan. Daarvan werd, “tot ruïne der brouwers” wel zes maal zoveel geconsumeerd als veertig jaar eerder. En dan had je nog de zogenaamde ‘knap’, dat was fijn gemalen, verbrande korst van zoete koek die met koffie werd vermengd tot een goedkoop koffiesurrogaat voor armelui. De brouwers meenden dat er jaarlijks in Stad & Lande wel 200.000 pond van dit goedje werd geconsumeerd. Juist wijn en knap maakten het verval van hun nering uiterst zichtbaar, want waar er
“tevoren kluinherbergen waren, ben nu in wijntappers veranderd en siet men op andere huisen en kelders zo in vroeger jaaren dun bier- en lekseltappers waren nu meede verandert in koffy-, thee- en knapwinkels”.
Tot besluit van hun klaagzang roerden de brouwers nog de fiscale rechtsongelijkheid tussen gerstemout enerzijds en anderzijds koffie en thee aan. Een pond goede thee kostte evenveel als een mud mout. Van die hoeveelheid thee konden evenveel mensen hun dorst lessen als dat er bier van die mout gebrouwen kon worden. Toch was die pond thee slechts belast met 6 stuivers (koffie deed de helft), terwijl van een mud mout maar liefst 2 gulden moest worden betaald, waarbij het ook nog eens zo was dat de teler van de gerst al belasting aan de provincie had betaald. Die gerst kwam bovendien uit “ons eigen land”, terwijl er honderdduizenden guldens het land uitvloeiden voor de koffie en de thee.
Om al deze redenen hoopten de brouwers de Staten ertoe te kunnen bewegen de belasting op het mout te verlagen, zodat hun “in vorige tijden ze zeer gerenomeerde, dog nu zo deerlijk vervallene brouwerijen” weer konden renderen.
Kregen ze gelijk van de statencommissie die meermalen met ze sprak? In het advies van die commissie aan de Staten lijkt het er eerst wel op. Zo erkende ze dat de exportpositie van de Groninger brouwers finaal ondergraven was door de verhoogde imposten tot 34 stuivers voor een mud gerstemout, 17 stuivers voor een mud havermout en 50 stuivers voor een mud weitemout (waaruit impliciet blijkt dat de brouwers ook wel haver of tarwe voor hun bieren gebruikten). Volgens het commissierapport belette deze impost immers “alle versendinge nae buiten dewelke bevoorens sterk hadde gevigeert”. Ook voor hun klacht over het niet kwijtschelden van belasting voor bedorven bier vonden de brouwers gehoor. Verder erkende de commissie de duurte van de ingrediënten en dat “de natie sodaenig was ontaert dat [ze] voor gesonde bieren slegte coffij, thee, genever, ja zelvs knap praefereerde”. Geen wonder dat het gemaal voor het bier de provincie in 1767 nog maar 51.000 gulden opbracht, waar dat vijf jaar eerder nog 61.000 gulden was geweest.
Blijkbaar stelden de brouwers in het overleg met de commissie voor, de imposten voor gerste-en weitemout met 12 stuivers per mud te verminderen en die voor havermout met 6. De commissie stelde dat dit de provincie hiermee weliswaar 17.000 gulden per jaar aan inkomsten zou derven, maar dat dit verlies mogelijk zou worden goedgemaakt doordat de brouwers dan wellicht weer een groter aantal mudden zouden aangeven. De provinciale Landdag zou deze stimulerende maatregel op proef kunnen aannemen.
Alleen pleitte daar ook veel tegen. Zo achtte de commissie de voorstelling van zaken, als zou de brouwersnering voornamelijk achteruit zijn gegaan vanwege de belasting, “ten eenemaal abusijf”. De impost op het mout was namelijk in 1716 voor het laatst verhoogd en sindsdien altijd gelijk gebleven. In Holland, waar die impost niet bestond, was het aantal brouwerijen in die periode eveneens sterk gekrompen. Het verval van de brouwersnering kon volgens de commissie dan ook
“nergens anders aan toegeschreven worden als aan een al te groot aantal van brouwers die nog in wesen sijn en hare brouwerijen gedenken voort te setten, niet tegenstaande de sterke consumtie van coffij, thee, wijnen en gedistilleerde wateren tijdelijks toeneemd en het debijt en vertier van de bieren nootsaakelijk doet verminderen…”
De provincie kon niet voor dat verval opdraaien. Aan brouwers stond het vrij om een andere kostwinning te kiezen, zoals dat ook in Holland en elders gebeurde. Om koffie en thee zwaarder te belasten, wat de brouwers eveneens voorstelden, zou een onvoorzichtige stap zijn, juist omdat de inkomsten daaruit voor de provincie nu zozeer van belang waren dat ze niet in gevaar moesten worden gebracht. Verlaging van de impost op mout was evenmin raadzaam, omdat de inkomsten van de provincie al achteruitgingen, terwijl de uitgaven vermeerderden. Ook betekende een concessie aan de brouwers dat de provincie andere belastingplichtigen eveneens tegemoet moest komen. De provincie zou haar zaken dan helemaal niet meer op orde hebben.
Uiteindelijk kwam de commissie in haar stuk niet tot een advies, en liet ze de zaak aan de Staten over. De heren van de Stad en de stadsjurisdicties, die veel meer belang bij de brouwerijen hadden, wilden nog wel graag doorpraten over het rapport. Die van de drie Ommelanden, waar met uitzondering van Appingedam geen brouwerij bestond, waren echter vastberaden – zij wezen het verzoek van de brouwers af. En omdat de Staten verdeeld waren, werd de kwestie van de agenda gevoerd. De brouwers konden dus fluiten naar hun begeerde lastenverlichting.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nrs 58 en 59 (resoluties Landdag) en 457 (rekesten in originali).
‘Het getal misdrijven is dan ook zeer gering’
Geplaatst op: 18 juni 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen“Van de stedelijke policie te Groningen mag met lof gewag gemaakt worden. Aan het hoofd van dezelve zijn twee commissarissen geplaatst; zij bestaat overigens uit 3 agenten van de eerste, 6 van de tweede, 6 van de derde, 54 van de vierde en 12 van de vijfde klasse. Volgens het rapport daaromtrent op het einde van het jaar 1850, door den eersten commissaris van policie gedaan, beijvert het personeel dier policie zich meer en meer om aan deszelfs roeping te voldoen. Het getal misdrijven, binnen deze stad gepleegd wordende, is dan ook zeer gering, hetgeen voor een goed deel aan de waakzaamheid der policie mag worden toegeschreven.
De toestand der policie in de gemeenten ten plattenlande mag niet voldoende genoemd worden. In de meeste gemeenten wordt dezelve onder de leiding van het hoofd des bestuurs (= de Burgemeester, HP) uitgeoefend door slechts eenen enkelen veldwachter. In sommige gemeenten als Appingedam, Bedum, Beerta, Delfzijl, Nieuwe Pekela, Termunten, Uithuizermeeden, Veendam, Vlagtwedde, Winschoten en ’t Zand zijn twee veldwachters aanwezig en in de gemeenten Hoogezand, Scheemda, Slochteren en Wildervank bevinden zich 3 veldwachters. De ontoereikendheid dezer policie wordt door vele plaatselijke besturen erkend, doch omstandigheden van financiëlen aard staan veeltijds eene gewenschte uitbreiding daarvan in den weg.”
—
Bron: Verslag toestand provincie over 1850, hoofdstuk Openbare veiligheid, in: Groninger Courant 29 juli 1851.
Commentaar: Met een corpssterkte van 83 manschappen in de stad met zijn 33.643 inwoners (volgens de Volkstelling van 1849), was er in de stad op elke 405 inwoners 1 politieman. Op het platteland moet die verdeling inderdaad heel wat dunner geweest zijn. Hier hadden bijna alleen stedelijke kernen (Appingedam, Winschoten), de grotere Veenkoloniën (Hoogezand, Veendam-Wildervank, Nieuwe Pekela) en akkerbouwgemeenten met enerzijds een rijke elite en anderzijds een grote arbeidersbevolking (Uithuizermeeden, Scheemda, Beerta) een meerkoppige politiemacht.
Een verlaten sterkte in een kale, maar vette landouw. Nieuweschans en Nieuw-Beerta, 1857
Geplaatst op: 15 juni 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
De sjoel van Nieuweschans (links) in 2008.
De Provinciale Drentsche en Asser Courant bevatte in 1857 een reisbeschrijving van iemand die vanuit Oost-Friesland komende, het Oldambt aandeed. Mogelijk was dit een Drents familielid van de predikant van Nieuweschans, want dat is de eerst aangewezen kandidaat voor de gastheer, bij wie de auteur een nacht logeert. Diens beschrijving
“’t Was omstreeks twee uren toen wij de Nieuwe Schans naderden en ons, bij den aanblik op hare wallen en op het roode boveneind van eene ophaalbrug, in gedachten in Rudolfs veste, het oude Coevorden, verplaatsten. Een levend wezen bewoog zich op den wal, waar vroeger zoo menigeen gewapend in het harnas stond , maar wellicht had nooit een der zonen van Mars, hoe verheven zijne roeping ook was, met zooveel genoegen op een naderend voorwerp getuurd, dan hij, die op dit oogenblik zijn oog vestigde op de diligence van Leer naar Groningen. Vóór de ophaalbrug, die den toegang tot de Nieuwe Schans opent, werd ons volgens oud, wij zeggen met goed, maar toch noodzakelijk gebruik, door een Nederlandsch ambtenaar ernstig gevraagd, of wij ook voorwerpen In ons gevolg hadden, der financiële attentie van moeder de schatkist waardig, en met al de kalmte der ziel, alleen het eigendom van hem, die rein is van den toeleg van sluikerij , stonden wij voor het aangezigt van den visiterenden Nederlander en antwoordden: “Neen, Mijnheer!”
Nadat deze ambtenaar zijn pligt had gedaan, reikten wij verheugd de hand toe aan hem, die uit vriendschap ’s Rijks wallen had beklauterd en wien het reeds goed was geweest dat hij in de verte het voertuig had mogen zien, uit welks holte een tweetal zou afdalen dat een welkom! hartelijk welkom! wachtte in zijn huis. Na groet en wedergroet stapten wij met ons drieën de Nieuwe Schans binnen, en weinige oogenblikken later zat in het stadje een viertal (waaronder de dame, wier geleider ik tot hiertoe was en de vrouw des huizes) zóó gelukkig te keuvelen, als dit alleen mogelijk is waar liefde en vriendschap zamenwonen.
Toen het middagmaal, gekruid door ernst en luim over oud en nieuw, over naaste en verre bloedverwanten, over vrienden in de nabijheid en in de verte, over geringe en meer belangrijke zaken was geëindigd, deden wij met onzen gastheer eene wandeling in en om de Nieuwe Schans, terwijl de dames een vertrouwelijk tête a tête hielden en de huisvrouw de genoegelijke zorg op zich had genomen om de beide wandelaars een smakelijk kopje thee te bereiden. Nieuwe Schans, eene verlatene sterkte, maar toch in al zijne geringheid niet in zoo desolaten toestand als Coevorden, is een zeer klein plaatsje. (…) Wij waren verrast door de entree in de Nieuwe Schans , wetende, dat menige roode poort, als een oven gefatsoeneerd, weinig bekoorlijks voorspelt. En hier – wij bevonden ons niet in eene akelige naauwe straat (…) maar eene ruime vlakte met boomen beplant, waar men met genoegen de frissche lucht inademt en de dorpsjeugd vrolijk spelende rond dartelt. Onder de openbare gebouwen mag het kerkje zich wel laten zien en zou zelfs het torentje, als het een helderder uiterlijk bekwam en eene wijzerplaat wier cijfers te lezen waren, aan het geheel voegen. (…) Het penseel en de kwast van den dorpsschilder zou hier dus in één dag veel tot verfraaijing en tot gemak tevens van den poorter en van den vreemde kunnen aanbrengen. “Van den vreemde?”, vraagt gij welligt eenigzins verwonderd. Ja lezers! van den vreemde, want de Nieuwe Schans ziet welligt door zijne middellijn meer rijtuigen en chaissen passeeren, dan vele der aanzienlijkste dorpen van Nederland, en op Pinksteren bijvoorbeeld, moet het er zoo druk fijn, als op den weg van ‘s Gravenhage naar Schev[en]ingen. (…)
Buiten de Nieuwe Schans is het gras-, niets dan gras- en bouwland en, helaas! weinig geboomte, en waarom? Had dan nooit een Nieuw Schansser of die om de oude veste wonen lust om te leven en zich te bewegen onder het groene loof van welig geboomte? Wel zeker, en dit toonden de bewoners van het plaatsje zelf door hun groen gewelfde binnenplein, maar de Mammon, de lijfarts der tegenwoordige Maatschappij, ontzegt den landman dit genot en geeft hem weliger wasdom van het in die vette oorden zoo gebenedijde koolzaad, in ruil. Dit zooveel welvaart aanbrengend product der akkers, ’t welk in den bloeitijd eene zee van golvend goud vertoont, wil de opene lucht. En wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen! (…)
Wij keerden na eene korte wandeling, waarop wij in ’t verschiet eene scheepstimmerwerf ontmoetten, naar de Nieuwe Schans terug, dat wij voor gezien hielden zonder een bezoek te hebben gebragt aan de Synagoge, vergastten ons aan een smakelijk kopje thee, bragten onder levendige kout den avond door die voor ons even vlugtig en wel zoo genoegelijk als in Frascatie te Amsterdam of in de opera te ’s Gravenhage, heenvloog, sliepen, terwijl de volmaaktste rust om ons heerschte, tot klokke acht, orberden met de huisgenooten en al de gezonde Nieuwe Schanssers een smakelijk ontbijt, vergastten ons des middags aan een viertal, gedurende hun kortstondig leven wèlgevoedde en onder het zorgvolle bestuur van onze gastvrouw ook wèlgebraden Nieuwe Schansser haantjes, dronken te zamen een goed glas wijn, klonken te zamen een hartelijk: “Tot wederzien” en te 3 uur zaten wij, na groet en wedergroet gewisseld te hebben, in de diligence op Groningen.
Wij zagen op den hoogen dijk nog ééns om naar het vriendelijk plaatsje en naar onzen gastheer en zijne wederhelft en naar de dame, die wij tot binnen de groene wallen der sterkte hadden begeleid en daar eenigen tijd eene gevierde logé zou zijn. Nog even meenden wij in het verre luchtruim een witten afscheid-wuivenden zakdoek te zien en toen daalden wij af in den polder, waardoor een goede kunstweg naar het nieuwe Groninger Kanaän, Nieuw Beerta, liep. ’t Is eene kale, maar vette landsdouw, die het dorp omgeeft waar de Groninger Nabobs wonen, in huizen, die elkanderen – eigenlijk wèl een weinig vervelend voor het oog des reizigers – gelijken als het eene ei op het andere. Naast den voerman op den bok gezeten, konden wij de buitenplaatsjes of “burgten” (…) op ons gemak beschouwen. Elk huis heeft drie uitstekken , waarvan het eerste het smalst en de trots is der bewoners. Daar bevindt zich de pronkkamer met staatsiegordijnen en vloerkleeden, prachtige meubels, piano, porceleinkastje, lustres en wat de steedsche weelde al meer eischt. Achter dit heiligdom, dat alleen verwarmd wordt door de zon – wijl de schoorsteen daarboven is digtgemetseld en ook des winters (indien men ons goed onderrigtte) in strikte non-activiteit wordt gehouden – kijkt het middenste gedeelte van den burgt, het eigenlijke woonhuis van het gezin, ter wederzijden met één raam, [uit] op den openbaren weg, en daarachter treedt het derde uitstek of de stal en schuur, die zeer lang en van een monsterdak voorzien is, waaronder de schatten zijn opgetascht die ’t zomerzweet beloonen (rijkelijk zouden kunnen beloonen, ook aan hen, die de meeste druppels lieten vallen, maar het niet doen) forsch tevoorschijn. Elk huis heeft om zich een grooten tuin met Engelsch werk, prieeltjes, vijvertjes, enz. enz. en daarin zagen wij hier en daar een heerschap stappen, dien men het – ons dacht het althans zoo – kon aanzien dat hij het ééns was met den kiezer-poëet in Anno 1848, die op zijn biljet schreef:
“48 is een belangrijk jaar;
1648 verdreef men den Spanjaar;
1748 kwam de Boer tegen den Heer in verzet;
en 1848 stelt de Boer den Heer de Wet.
Dus (hier behoorde eigenlijk ingevuld te zijn: Dus stem ik op)
ZIJLKER, Boer in de N.-Beerta.”
—
Bron: Het vijfde en zesde vervolg van ‘Reisverhaal van Assen naar ’s Gravenhage. In den trant van den Drentschen Assessor met zijne beide neven op reis naar Amsterdam’, Provinciale Drentsche en Asser Courant 3 en 7 november 1857.
Nieuw-Beerta wilde Beerta splitsen
Geplaatst op: 1 juni 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn de paar eeuwen dat ze nu bestaan, vertonen de Groninger gemeenten, net als die bijna overal elders in het land, één constante: ze waren voortdurend te klein. Gemeentelijke herindeling is dan ook een synoniem voor samenvoeging en schaalvergroting. Van splitsing wordt hoogst zelden vernomen.
En toch is er wel eens zo’n splitsing ter sprake gebracht in de Tweede Kamer. In 1851 was dat, vlak na de liberale revolutie die onder meer een boer uit Nieuw-Beerta, Jan Freerks Zijlker, naar die Kamer bracht.
Uit diezelfde plaats, Nieuw-Beerta, kwam een adres van de vier voornaamste ingezetenen, gesteund door de handtekeningen van allerlei andere dorpsgenoten. In dat adres meldden de Nieuw-Beertsters dat ze bij de koning een verzoekschrift hadden ingediend “ter verkrijging eener splitsing van de gemeente Beerta”. Aan de Tweede Kamer de vraag of zij daaraan wilde meewerken.
Afgaande op het adres, was de gemeente Beerta een weinig evenwichtig samengesteld geheel. Met de Oudedijk, de Kroon- en de Stadspolder herbergde Nieuw-Beerta ongeveer de helft van de inwoners der gemeente Beerta, maar deze helft bracht “ver meer” dan de helft van de gemeentelijke inkomsten op. Toch leverde Nieuw-Beerta, als uitkomst van het plaatselijke censuskiesrecht, slechts een derde van de kiezers voor de Beertster gemeenteraad. In Oud-Beerta woonde kennelijk een veel groter aantal mannen dat aan de vermogenseis voldeed. Raadsverkiezingen verliepen toen anders dan nu, want niet de hele raad trad eens in de vier jaar af, maar periodiek een beperkt aantal leden. De meerderheid kon zich op die manier veel forser doen gelden. In de gemeente Beerta was dat ook zo: slechts twee van de elf raadsleden woonden in Nieuw-Beerta.
Daar kwam bij dat er vaak verschil van mening bestond tussen Oud- en Nieuw-Beerta. Volgens de Nieuw-Beertster adressanten werd hierdoor “de ontwikkeling van een zelfstandigen werkzamen volksgeest” tegengewerkt – met andere woorden: om wat gedaan te krijgen moest de minderheid in het gevlei komen bij de meerderheid. Ook de afstand naar Beerta vormde in hun ogen een probleem. Als het niet mogelijk was om Nieuw-Beerta een status als zelfstandige gemeente te geven, dan wilden de Nieuw-Beertsters graag samengaan met Nieuweschans. Volgens hen kon Oud-Beerta dan mooi fuseren met Finsterwolde.
De Tweede Kamer besloot de zaak op de lange baan te schuiven . Te zijner tijd zou er een wetsvoorstel kunnen komen, heet het. Wel kwam het verzoekschrift van de Nieuw-Beertsters ter inzage te liggen, maar verder werd er niet meer van gehoord.
Bruinvissen in het Beertsterdiep
Geplaatst op: 30 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
GRONINGEN, den 23 april. Den 20 ll. ontdekte men des morgens vroeg in het Beersterdiep, te Beerta, twee groote bruinvisschen, die met eene ongemeene snelheid hunne cours naar de Beersterzijl zetteden, doch, deze gesloten vindende, met even gelijke spoed, onder gedurige vervolging van sommige inwoners dier plaats, terug keerden naar de Winschoterzijl. Na vele vergeefsche geweerschoten op hun gedaan te hebben, gelukte liet eindelijk dezelve te vangen.
Bron: Leeuwarder courant 27 april 1827.
Commentaar: Op het kaartje is de route van de dieren aangegeven: van de Westerwoldse A bij Nieuweschans, via het tussenliggende Zijlsterdiep ten oosten van Winschoten door het Beertsterdiep langs Beerta naar de Beertsterzijl, terug bij de Dollard. Vooral de achtervolging langs Beerta moet spectaculair geweest zijn.
Groegroe – Het scheepsjagerspaard
Geplaatst op: 28 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Nog een evergreen van Groegroe, de vooralsnog onbekende dichter van leutige verzen. Dit keer gaat het over een scheepsjagerspaard, dat ondanks de mishandelingen een opmerkzaam dier bleek:
“Ik trek er de schuiten,
Door de rustige vaart ;
Ik werk als een ezel,
Al ben ik een paard,
‘k Verdien steeds mijn eten,
Met ’t meeste pleizier;
Dit heb ‘k voor op menschen,
Al ben ik een dier.Ik sta soms te wachten,
In regen en wind,
Als de baas zich genoeg’lijk
ln ’t bierhuis bevindt.
Soms komt hij beschonken
Uit ’t kroegje vandaan,
Zoo raar als hij dan doet,
Heb ik nooit gedaan!De menschen zijn, zegt men,
Zeer machtig en wijs,
Mijn baas geeft dien rijkdom
In kroegen vaak prijs.
Ik ben een lijn-trekker,
— Ik trek aan de lijn —
Maar wie zou nu feit’lijk
Een lijntrekker zijn?Hij slaat me zeer dikwijls,
‘k Weet zelf niet waarom,
Maar ’n mensch is verstandig
En wij zijn maar dom!
Soms gaat hij me schelden
Met ’n dronkemansstem,
Ik vind dat verschrikk’lijk
En schaam me voor hem!Ik moet vaak hard werken,
Tot laat in den nacht,
Toch komt van mijn lippen
Geen enkele klacht.
Ik trek steeds tevreden
De schuit door de vaart,
En wil nog geen mensch zijn,
Ik blijf liever paard.”
—
Bron: De Noord-Ooster 4 maart 1926.
Afscheid van Henk Kampen
Geplaatst op: 27 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 1 reactie
Ik bewonderde Henk Kampen al voordat ik hem leerde kennen. Dat kwam door de bijzonder fraaie kaartjes die hij gemaakt had voor de dissertatie van Jan van den Broek. Toen ik het boek las, zat ik daar gewoon bij te likkebaarden.
Henk bleek de vormgever van de Groninger Archieven. Hij was de man die de bewegwijzering en het programmablad voor de Dagen van de Groninger Geschiedenis verzorgde, diverse archiefwebsites ontwierp en smoel gaf aan menige tentoonstelling.
Vanmiddag, bij het afscheid nemen in het crematorium, kwam nog even ter sprake dat we complimenten vaak voor ons houden tot het te laat is. Gelukkig heb ik mijn bewondering niet onder stoelen of banken gestoken, toen ik Henk een jaar of zes, zeven geleden leerde kennen. Het staat me bij dat hij ze wat wegwuiverig en lacherig ontving en er misschien wat op afdong. Zelf was hij geneigd zijn prestaties te relativeren.
Henk Kampen zijn karakter leek wel wat op dat van mijn pa: introvert, liever op de achtergrond, bescheiden, aardig, oprecht, aan velen sympathiek. Net als mijn vader kon hij zich helemaal op zijn werk gooien – hij nam dat dus wel eens mee naar huis. Er was ook een verschil: Henk rookte met groot genoegen zijn shag, terwijl mijn vader nooit wat van tabak heeft willen weten. Maar dat maakte weer niets uit wat betreft de kwaal die ze beide in een half jaar tijd te gronde richtte. Een hersentumor is gewoon vette, domme pech.

‘Scheepsnamen’ door Groegroe
Geplaatst op: 25 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 8 reacties
Ene Groegroe schreef in de jaren 1926-1927 tegen de honderd lichte verzen voor de Noord-Ooster en het Nieuwsblad van het Noorden. Soms waren die briljant en zouden ze niet misstaan in de bloemlezing van Komrij. Later kwam er wat meer gelegenheidsmaakwerk doorheen en ook schreef hij wel eens een iets te opgelegd moralistisch stukje, maar getuige het feit dat een bundeling van zijn ‘leutige liedjes’ bij de Groninger toneel-uitgeverij Dijk minstens drie drukken haalde, moeten ze destijds tamelijk populair geweest zijn.
Wie zich achter het pseudoniem Groegroe verschool is intussen onbekend. Begin jaren 30 dook het nog een paar keer op in Breda en Amersfoort en daarna is er alleen nog maar stilte. Of de man overleed, of hij zette deze activiteit onder andere naam voort. Mocht iemand zijn ware naam weten, ik hou me aanbevolen!
Hier volgt een klassieker van hem: ‘Scheepsnamen’. Deze stond in de Noord-Ooster van 13 maart 1926. Op 5 februari 1927 verscheen nog een vervolg op dit succesnummer, ‘Contrasten’ geheten.
“Scheepsnamen
Als we dagelijksch de schepen
Eens nauwkeurig gadeslaan,
Zullen w’ elken dag opnieuw weer,
Voor veel vreemde dingen staan !
Laatst zag ik een heel oud scheepje,
Dat bijna gezonken was,
‘k Zag nog juist den steven,
waar ik „LUCTOR ET EMERGO” las!De schipper van „DE VROUWE ANNA’
Is nog altijd ongetrouwd !
En de baas van „WELTEVREDEN”
Kankerende weggesjouwd !
Van de schuit „EBEN HAEZER”
Is de schipper atheïst !
d’ Eigenaar van „VOL VERTROUWEN”
Een geboren pessimist !Van de „ORA ET LABORA”
(Deze naam is veel in trek)
Lag de baas languit te razen
En te vloeken op het dek !
De „EXCELSIOR” en „VOORWAARTS”
Voeren in een jaar al niet!
Van de „WELVAART”, „HOOP OP ZEGEN”
Gingen de patroons failliet !Altijd even ontevreden
Is de baas van „DANKBAARHEID” !
Aan het roer van „DE GEBROEDERS”
Stond een flinke, frissche meid !
‘k Zag een oude passagiersboot,
Thans met paardemest bevracht !
Men had er in beet’re tijden.
Op geschilderd : „NOOIT GEDACHT” !d’ Eigenaar van „WILHELMINA”
Is een vuur’ge bolsjewiek !
Van de „VOORSPOED” ligt de schipper
Al ruim negen maanden ziek !
De kap’tein van „QUO VADIS”
(Men weet wat die naam beduidt)
Ging er op een goeden morgen
Met de centen tusschenuit !”
Het debiet van foezel met de jaarwende
Geplaatst op: 24 mei 2016 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 2 reacties
“Aan de grenzen – zoo schrijft men ons – beleven velen weder dagen van angstige spanning. ’t Is toch algemeen bekend, dat tegen nieuwjaar het smokkelen op het drukst is, en dat zij, die er anders geen gebruik van maken, dan ook een paar liters of meer ‘verboden waar’ halen, om vrienden of andere bezoekers te kunnen onthalen. Dat zij zich aan een groot gevaar blootstellen, weten zij, maar houden toch vol, op gevaar af, dat zij eene maand gevangenisstraf zullen oploopen. Om eenige stuivers voordeel stelt men eenige guldens in de waagschaal. Maar wordt men aan de grenzen gaarne getracteerd op het ‘vocht van over de grenzen?’ O neen! Men heeft daar liever één glas schiedammer dan 2 glazen foezel; maar die ze schenkt wil gaarne eene groote hoeveelheid geven en weinig geld besteden.”
—
Bron: Provinciale Groninger Courant 24 december 1875.
Wat een scheerbaas verdiende
Geplaatst op: 23 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Kwitantie voor een jaar “raaseergeld”, op 22 april 1777 betaald door de heer Maurits Clant van Hankema uit Zuidhorn aan de chirurgijn Reinko Friebes Woltgraft in de stad.
De chirurgijn, gezien zijn achternaam mogelijk van Hoogkerker komaf, had kennelijk te weinig patiënten om van zijn medische praktijk rond te kunnen komen. Als de heer Clant zich twee maal per week liet scheren, dan verdiende Woltgraft met dit werk iets minder dan een stuiver per scheerbeurt. Bij vier scheerbeurten per week zou dat een halve stuiver zijn.
Zulke kwitanties wegens kleine persoonlijke dienstverlening zijn uiterst zeldzaam in archieven. Dat spul wordt altijd vrij gauw weggegooid.
Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 498 (familie Clant) inv.nr. 298: Stukken van diverse aard.
Helligje, een meisjesnaam
Geplaatst op: 18 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesKleine ontdekking. Zocht in AlleGroningers eerst op de klassiekerige boerenvoornaam Helenius, vervolgens op Hel*, waardoor heel veel schone Helena’s, maar ook een vertederend Heleentien hun opwachting kwamen maken en stuitte zo uiteindelijk op Helligje. Ziehier alle in Groningerland gedoopte meisjes van die naam:

Ergo: Helligje was een kortstondige hype te Wildervank, in de jaren 1770. Je vraagt je af wat al de ouderparen bezield heeft, want hellig, afgeleid van hel, betekende ook toen ook al vertoornd en (zeer) boos in onze noordoostelijke contreien.
Bij WieWasWie zie ik dat de naam in Holland destijds ook wel voorkwam, zij het sporadisch. De laatste melding via die bron is een overlijdensgeval in 1948, te Weststellingwerf.
Naschrift 19 mei:
Achteraf bedenk ik me, dat het een verbastering zal zijn van Hilligje, een meisjesnaam die vanaf 1684 duizenden malen vo0orkomt bij Alle Groningers.
Wie betaalt de beul? Een conflict in Beerta over criminele gerechtskosten
Geplaatst op: 16 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Eind 1785 maken twee vooraanstaande boeren uit Beerta, Helenius Jans en Jan Krijns, hun opwachting in de Oldambtster drostenborg. Mede namens “diverse landgebruikeren” in hun kerspel klagen ze dat door de dijkrichters aldaar
“verandering was gemaakt in de gewoone wijze van verdeling der misen van justitie tot nog toe in het kerspel Beerta vigerende, en waarmeede zij oordeelden ten uitersten gegraveert te zijn”.
Die dijkrichters, Jacob Hindriks en Andries Jans, collega-landbouwers die blijkbaar over een eigen achterban beschikten, voerden naderhand echter aan
“deze verandering na kerkenkondiging en bij meerderheid van de praesente leeden en dus wel en wettig gedaan te hebben”.
In Beerta was er dus een conflict over de inning van misen van justitie, oftwel de gerechtskosten van criminele procedures. Tot verdriet van de klagers werd er gebroken met de traditionele verdeling, terwijl de dijkrichters die de verandering doorvoerden, betoogden dat de kerspellieden formeel juist èn democratisch tot de wijziging hadden besloten.
Voordat ik inhoudelijk wat dieper op het conflict inga, eerst iets over het wettelijke kader. De precieze omschrijving van de misen van justitie en de manier waarop deze in het Oldambt moesten worden betaald, vind je in een reglement, vastgesteld bij resolutie uit december 1709 van het Groninger stadsbestuur. Weliswaar had dit bestuur het voor het zeggen in het Oldambt, maar bij belangrijke zaken bekommerde het zich toch wel om draagvlak, zoals ook hier, want de hele regeling kwam pas tot stand na een uitgebreide overlegronde met de Oldambtster dorpsvolmachten. Al meteen in de eerste artikelen van het reglement is de invloed van die kant ook bespeurbaar, immers, de drost en de landschrijver (dus de zetbazen van de stad) mochten niets declareren voor hun strafrechtelijke werkzaamheden (onderzoek, verhoren, uitspreken en doen uitvoeren van vonnissen) terwijl ook de wedlieden en hun substituten hun werk in dit opzicht “gratis” moesten doen. De achterliggende, maar onuitgesproken gedachte was, dat deze functionarissen al salaris beurden voor dit werk, dat dus niet nog eens extra beloond hoefde te worden. Alleen als de wedlieden en substituten bij de opsporing reis- en logieskosten maakten, mochten ze een gelimiteerd bedrag van 6 gulden declareren. Uitdrukkelijk bepaalt het reglement ook dat de roderoeden niet mochten worden ingezet bij de bewaking van gevangenen. Gebeurde dat wel, dan kwamen deze veldwachters immers niet toe aan hun gewone werk: het patrouilleren in hun kerspelen. Alleen als het volgens de drost niet anders kon, mocht hij de roderoeden voor bewakingswerk gebruiken.
Dat gezegd zijnde, bestonden de belangrijkste gerechtskosten bij criminele procedures uit de rekeningen van de scherprechter en diens dienaren voor de door hen toegediende tortuur en lijfstraffen. Deze kosten waren voorwaar niet gering! Voor de all-in behandeling van een enkele Oldambtster delinkwent mocht de beul 113 gulden rekenen, voor twee delinkwenten 146 gulden en voor drie stuks 179 – de kosten per delinkwent daalden dus naarmate de bende groter was. Ter vergelijking: het levensonderhoud van een enkele persoon kostte destijds ongeveer 150 gulden per jaar.
Wat betreft de betaling van de scherprechters- en bijkomende kosten bepaalde het reglement van 1709 dat de drost deze in eerste instantie moest voorschieten. Vervolgens mocht hij de kosten bestrijden uit de goederen van de veroordeelde delinkwent (waarbij gestolen goed natuurlijk terug moest naar de wetmatige eigenaar). Omdat de meeste delinkwenten ook toen al weinig bezaten – ‘van een kale kikker plukt men geen veren’ – kwam het gros van misen van justitie voor rekening van de Oldambtster ingezetenen. Artikel 14 van het reglement uit 1709 geeft aan hoe dit moest gebeuren:
“Den opheff tot betalinge van bovenstaande mijsen sal in de respectieve carspelen werden gedaan nae de deimptallen in het provinciael register bekent, dogh wordt aen een ijder van deselve de liberteijt gelaten, om de verdeijlinge in de hare te maken, ofte over de landerijen, ofte over de behuisingen soo als sulx bequaamste sal connen geschieden…”
De kosten werden dus over de kerspelen verdeeld, waarbij als grondslag gold het aantal deimten land (1 deimt = 0,45 hectare) waarvoor die kerspelen aan de provincie verponding (= een grondbelasting) betaalden. Vandaar dat de schatbeurders, die binnen de kerspelen de verponding inden, ook verantwoordelijk waren voor de inning van de misen van justitie. Deze schatbeurders werden gekozen door de landgebruikers (dus voornamelijk de boeren). Hoe het kerspelquotum in de misen binnen het kerspel verdeeld werd over de ingezetenen, moesten de kerspelen zelf weten – het reglement uit 1709 gaf ze de vrijheid om of de landerijen (dus het lokale verpondingsregister) als grondslag te nemen, of de huizen (dus huishoudens). Omdat veenkoloniën en polders vaak nog geen verponding hoefden te betalen, regelde het reglement tevens hoe in zulke uitzoneringsgevallen de misen opgebracht moesten worden.
Nu terug naar Beerta. Volgens de zich gedupeerd achtende boeren had schatbeurder Geert de Craker hier de kerspellieden bij publieke kerkenkondiging opgeroepen om op 1 november 1785 in de kerspelschool te komen voor een vergadering over de misen van justitie, waarvoor hij net een rekening van de drost had ontvangen. Volgens die convocatie was het de bedoeling dat de kerspelluiden “besetters daartoe” zouden aanstellen. Als men zou afgaan op het lokale verpondingsregister was zo’n aanstelling niet nodig, dan kon de schatbeurder immers becijferen hoe hoog de aanslag per deimt zou zijn om daarmee de individuele nota’s voor de landgebruikers te becijferen. Daarentegen veronderstelt de aanstelling van bezetters, dat de verdeling van de criminele gerechtskosten hier over de huishoudingen gebeurde. Dat was in Beerta zelfs de “oude gewoonte”, eentje die ook naar de zin van de klagende boeren was. In de vergadering merkten die tot hun schrik, dat “zommige perzonen” het voorstel deden om het anders aan te pakken, namelijk om
“de misen van justitie beneevens het roroede- en deurwagtersgeld over de landeriën te verdeelen en voorts met de ingeseetenen welke geen landgebruik hebben over een zeker tantum door hen lieden op te brengen, te accordeeren”.
Hoewel de niet-boeren , oftewel de burgers, met elkaar dus nog wel een zeker bedrag moesten betalen, zou grondgebruik dus de nieuwe grondslag worden voor de heffing van de misen in Beerta. Hiertegen protesteerden aanwezige landbouwers onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Sterker nog, zij vonden dat het hele voorstel niet eens in “omvrage” mocht komen, gezien de inhoud van de convocatie door de schatbeurder. Het gevolg hiervan was, dat de vergadering in de kerspelschool het voorstel niet inhoudelijk besprak en “vrugteloos” eindigde.
Maar de krachten in Beerta die aanstuurden op landgebruik als voornaamste grondslag voor de verdeling van de misen, lieten het er niet bij zitten. De schatbeurder stelde een nieuwe, en nu waarschijnlijk betere kerkenkondiging op, waarbij de kerspellieden opgeroepen werden voor een nieuwe samenkomst in de kerspelschool. Andermaal kwam daar het voorstel aan de orde om landgebruik in plaats van huishoudingen als grondslag voor de heffing te nemen. Opnieuw protesteerden de boeren onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Die dolven bij een stemming echter het onderspit. Jan Hindriks en Andries Jans, de dijkrichters van Beerta, machtigden vervolgens de schatbeurder Geert de Craker om de in totaal 277 gulden van de drostennota te verdelen over de landgebruikers, naar 1¾ stuiver per deimt. De schatbeurder liet hiervan ook kerkenkondiging doen.
De zich hierdoor gedupeerd achtende boeren vonden dit een “weederrechtelijke handelwijse” en vreesden de “onlusten welke daaruit in eventum zouden kunnen voortkoomen”. Zij vroegen de drost daarom hen te horen in een zitting, waarbij ook de dijkrichters aanwezig zouden zijn. Deze sessie vond aanvankelijk plaats op 17 januari 1786, maar daar kwam men aan een inhoudelijke behandeling niet eens toe, omdat partijen wederzijds elkaars recht aanvochten om mede namens anderen het woord te voeren. Pas toen beide partijen handtekeningen bij hun achterban hadden opgehaald, kon de procedure verder. Op 7 februari gaven partijen te kennen, dat ze om kosten te besparen liever geen formeel proces wilden voeren. Ze gaven beide een “deductio facti”, een feitenrelaas, aan de drost, die het verzoek kreeg op basis daarvan een uitspraak te doen. “Ter voortkooming van verdere onaangenaamheeden in het carspel” willigde de drost dit verzoek graag in.
Hij moest er nog wel even op broeden, want zijn uitspraak kwam pas ruim acht maanden later, op 24 oktober 1786. Daarin ging hij “om des vredes wille” voorbij aan de formele rechtshandlingen tot dan toe. Ook zei hij niet te willen tornen aan de vrijheid van een kerspel om de misen van justitie intern of over de landerijen of over de huishoudens te verdelen. Voor de eerste tien jaar stelde hij voor de Beertsters echter een regeling vast, die ze daarna alleen met tweederde meerderheid in twee opeenvolgende, wettig bijeengeroepen vergaderingen mochten veranderen. Inhoudelijk was deze regeling meer op de hand van de kerspelmeerderheid waarvan de dijkrichters de woordvoerders waren, dan van de klagers. De voornaamste grondslag voor de heffing bleef namelijk het landgebruik, al bepaalde de drost ook
“Dat wijders de zoogenaamde burgerij en ambagtslieden in het kerspel Beerta provisioneel en geduirende de eerste tien jaaren boven ider hondert gulden die de landgebruikers moeten opbrengen, zullen betalen voor hun quota in de misen van justitie twintig Car. Gl. “
De boeren betaalden dus voortaan vijfzesde en de burgers en middenstanders eenzesde van iedere aanslag. Als mocht blijken dat er veranderingen optraden in de relatieve draagkracht van iedere groep, kon men dat aan de orde stellen bij de drost:
“Edog indien tegens de ommekomst deezer tien jaaren de burgerij mogt oordeelen door verval haarrer leeden daarbij beswaart te zijn, of de boerschap mogte oordeelen dat de borgerij florisanter geworden, meerder moeste opbrengen, zullen partijen zig alsdan daarover te hebben te addresseeren bij het Ed[el] Gerigte om in deezen gereguleert te worden, zullende anders geen klagten van een van beide ingekomen zijnde, gerekent worden, en deeze quotisatie van twintig booven ’t hondert nog nieuws tien jaaren te continueeren en zoo vervolgenswijders van tien tot tien jaaren.”
De drost mocht dan wel zeggen dat hij niet aan de vrijheid van het kerspel wilde tornen, die vrijheid was hiermee feitelijk toch danig beperkt.
Overigens gaf hij de schatbeurder toestemming om de achterstallige penningen die deze voorschoot, alsnog te innen bij de degenen die tot dan toe betaling hadden geweigerd.
—
Bronnen (alle RHC Groninger Archieven):
- Resolutie Burgemeesteren en Raad van 6 december 1709;
- Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6131: verzoekschriftprocedure 20 december 1785- 7 februari 1786;
- Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 79: uitspraak van 24 oktober 1786.

Recente reacties