Agrarische grisailles
Geplaatst op: 15 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 1 reactieVertelde al dat de grisailles op het plafond van de Auricher Ständesaal me deden denken aan de ornamenten uit de champagnejaren op Oldambtster boerderijen. Hier de vier hoekstukken:
– Scheepvaart en handel gesymboliseerd met roeispanen, een anker, een vat en een mercuriusstaf:

Een spade, een karn en een dorsvlegel etc., staande voor landbouw:

Een korenschoof, een zeis, een hooivork etc., eveneens voor landbouw:

En een variatie op die laatste:

Zijlker en de armoe
Geplaatst op: 15 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieSprekend over de oorzaken van de armoe onder de “arbeidende volksklasse”, noemt de jong-liberale boer Jan Freerks Zijlker uit Nieuw-Beerta in 1843 allereerst de
“te geringe mate van ontwikkkeling der verstandige vermogens, der zedelijke krachten en van den godsdienstzin, waarvan weder te weinig eergevoel en zucht tot onafhankelijkheid, welke haar anders zoude aansporen om zich zelve te helpen ; eene overgroote mate van dierlijkheid intusschen, en een leven bij den dag, bij gebrek aan verstandig overleg en vooruitzigt de noodwendige vrucht moet zijn. Dit heeft dan ook ten gevolge, dat een groot aantal huwelijken van menschen, die de kinderschoenen nog maar naauwelijks hebben uitgetrokken, alleen uit nood worden aangegaan; terwijl buitendien die verbindtenissen , door nuttelooze geldverspilling in dienstbaren staat, meesttijds worden voltrokken, zonder middelen om zelfs in de eerste levensnoodwendigheden te kunnen voorzien (…)”
Hij wilde de “in het maatschappelijk leven zoo belangrijke volksklasse” zeker niet beschuldigen, veeleer troffen volgens hem de meer gegoeden blaam.
“Deze toch, die volgaarne de vruchten plukken van den zuren, doch karig beloonden arbeid huns armen broeders, deinzen veelal terug, zoodra het eenige moeite en opoffering geldt ter wezenlijke en duurzame verbetering van deszelfs lot.”
Bron: Jan Freerks Zijlker, De Groninger landbouwer en zijn vak (Groningen 1843) pag. 13-14.
Mestvervalsing door schippers
Geplaatst op: 10 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“Wel is waar, de aanzienlijke hoeveelheid koemest, welke alhier door schippers te koop wordt aangeboden, zou van grooten dienst kunnen zijn, wierd men daarvan niet veelal afgeschrikt door de steeds klimende prijzen en de bejammerenswaardige vervalsching aan den mest door allerlei min dienstige inmengselen en het inpompen of begieten met veel waters, teneinde hunne schepen diep geladen en den mest krachtig te doen schjjnen, terwijl de lading verkocht zijnde, de beste mestdeelen worden uitgepompt.”
Bron: Wiardus Siccama (Hoogezand 1807).
Steiloren en loboren
Geplaatst op: 9 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
In de Oldambtster rekesten van juli 1769 kwam ik meermalen een verzoek tegen om een veiling te mogen houden van “steil- en loboorde swijnen”. In het ene geval ging het om een 60 à 70, in het andere om een 80 à 90 stuks. Deze varkens zullen vast bedoeld zijn geweest voor vetmesting en slacht in oogsttijd en najaar. Waar het mij hier om gaat, is die aanduiding van de varkens als steil-, dan wel loboorde.
In eerste instantie vond ik die termen slechts terug in een verhandeling over het vetmesten van varkens, gepubliceerd in 1827, maar twintig jaar eerder geschreven door notaris Wiardus Siccama uit Hoogezand.
Deze Siccama hield koeien voor de mest op zijn arme zand- en veengronden, maar bleef vooral ’s zomers zitten met overtollige melk. Met die melk begon hij in 1804 varkens vet te mesten, om precies te zijn een tweetal éénjarige steiloorde varkens, die hij ook wel “Westfaalsche” noemde. Het ene werd 250 pond en het andere 223 pond. De opbrengst van de melk die erin ging becijferde de notaris op bijna 7 duiten de kroes (= ongeveer twee wijnflessen vol), wat niet eens zo gek veel onder de zomerprijs van melk voor menselijke consumptie was: 8 duiten of 1 stuiver per kroes (’s winters was melk anderhalf maal zo duur).
In 1805 herhaalde Siccama de proef met vier loboorde varkens, of, zoals hij ze definieerde: “groote inlandsche met breede en lang nederhangende ooren”. Deze groep verdeelde hij in twee “zultvarkens” die begin augustus al werden geslacht – voor degenen die zult niet kenden voegde Siccama nog het recept aan zijn verhandeling toe – en twee “herfstvarkens” die in de traditionele slachtmaand november op de ladder gingen. Deze laatste groep kreeg de melk in het najaar gemengd met het meer gewone varkensvoer gemalen gerst of gerstemeel. Na afloop van de cyclus berekende Siccama ook voor deze twee groepen weer de opbrengst per kroes melk. De zultvarkens, respectievelijk 106,5 en 97,5 pond aan geslacht gewicht, leverden 4,5 duit per kroes melk op, terwijl de herfstvarkens, 246 en 257 pond zwaar, ruim 6 duiten per kroes melk rendeerden.
Qua gewicht verschilden de steiloren en de loboren, mits tot halverwege de herfst vetgemest, dus niet veel. Alleen brachten de Westfaalse steiloren meer op per kroes gevoederde melk dan de vaderlandse loboren. De importvarkens gaven, kortom, een hoger rendement.
Volgens de Stichting Zeldzame Huisdierrassen kwamen in het Nederland van begin negentiende eeuw twee typen varkens voor:
“een klein steilorig varken en een groot grootorig varken. De eerste had kleine, steile oren, korte stevige benen en was overwegend wit van kleur met fijne borstels. Dit ras is in het midden van de negentiende eeuw geheel verdrongen door het grote grootorige varken. Dit grootorige varken had een vuilwitte kleur, soms geelachtig, en was laatrijp. Ook kwamen bij dit ras bonte en zwarte varkens voor. De oren waren hangoren (loboren). Het lichaam was bezet met lange borstels.”
De bij Siccama nog efficiëntere steiloren zijn later dus weer verdrongen door loboren. Dat kwam vooral doordat de inlandse, eerder minder renderende varkens gekruist waren met Engelse, Duitse en Deense rassen.
Met het kleintje bij haar in de kist
Geplaatst op: 7 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
In 1723 trouwen Bartolt Onnes, een boer uit Beerta, en Grietien Melles, die afkomstig is van Winschoter Zuiderveen. Op een pagina in zijn notitieboek houdt Bartolt bij wanneer zijn kinderen geboren, of, zoals hij het zelf zegt: “jonck geweest” zijn. De pagina is een aaneenschakeling van tragiek. De eerste zoon, Onno, wordt in 1724 geboren en blijft in leven, maar dat geldt niet voor de volgende kinderen Mello (1725), Mello (1726) en Wobbegien (1728) die geen van allen ouder worden dan anderhalve maand. Ontroerend is, bij alle feitelijkheid, de laatste notitie:
“1730, den 8 januarij is mijn vrouw in de kraam bevallen saavens om 5 uur en van een jonge soon en voort doot geweest en den 11 dyto is myn vrouw ’s morgens om 10 uijr in den heere ontslapen en den 16 dyto ter aerde bestet met het luijtije bij haar in de kyste. Out geweest 32 jaar, een mant , 21 dagen.”
Bron: Notitieboek Bartolt Onnes, Beerta. Particuliere collectie. Digitale kopie bij de Johannes a Lasco-bibliotheek te Emden.
Passagier maakt amok – een hachelijke zeereis tussen de Eems en Oostmahorn
Geplaatst op: 4 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties“DOKKUM. Niet ver van hier, onder of omtrent de schans Oostmahorn, is voor eenige weken het volgende geval gebeurd. Een schipper nevens zyn knecht met zyn schuit met hout geladen van Hamburg naer Harlingen zeilende, en één passagier medevoerende, raekte, wanneer hy de Eems wilde invaren, met denzelven in woorden en vervolgens tot daden. De passagier wilde den knecht en schipper dwingen zee te houden; doch zy daer tegen zich verzettende, schoot de passagier met een kleen zakpistool, waerop één kogel stond, den knecht, terwyl dees bezig was met peilen, in de zyde.
De schipper, door deze geweldenarye en boosaertigneit geheel ontzet en verbysterd, begon den dwingeland om lyfsgenade voor zich en zyn knecht te smeeken en bragt den geweldenaer tot bedaren, hoewel slechts voor een korten stond. Want de passagier eenigen tyd daerna merkende dat men nader aen land kwam, begon de horens der balddadigheit weder op te steken en met een spykerhamer den schipper zoo deerlyk te slaen, dat hy negen verscheide kwetsuren bekwam.
De knecht, schoon niet lang te voren door een kogel getroffen, sprong, zoo gekwetst als hy was, den schipper te hulp en weerden zy beiden zich zoo dapperlyk, dat ze den woedenden aenvaller onder kregen, ’t geen echter niet vlotte zonder dat den knecht door den bespringer nog een wonde toegebragt werd met een mes dat op een der ribben afstuitte. Na veel worstelens evenwel ontwrong de knecht den booswicht het mes en bragt, volgens zyne eigen bekentenis, den zelven voorts twee sneden toe, naer best weten, aen den ondersten kinnebak of wat lager in den hals, waerdoor de gekwetste sterk bloedde en eindelyk buiten boord raekte.
De schipper en de knecht, welke laetste zeer gevaerlyk gewond was, vervolgens op de schans aengekomen zynde, heeft het gerecht van Oostdongeradeel kennis van deze zaek genomen, en daervan het bekomen bericht den Heeren Raden des Hofs van Vriesland toegezonden. Waerop de Heer Procureur Generael dezes landschaps, nevens twee chirurgyns, den schipper en deszelfs knecht in persoon ondervraegd, beschouwd, en dus het geval van naby onderzocht hebben. Wat de gevolgen hier van zyn zullen, wil de tyd leeren.”
Bron: Nederlandsche Jaerboeken 1753, deel II, juli, pag. 593-594.
De buurtterrorist
Geplaatst op: 3 mei 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHet gebeurde een paar dagen voor de jaarwisseling van 1753 op 1754, “na sonnen ondergang bij nagte”, in Noordbroek. De “samenkomste der gildebroeders”, d.w.z. de borrel voor de mannen die in de buurt woonden, in dit geval die bij Nanno Thonnis, was misschien vrolijk begonnen, maar hij eindigde triest. Remke Alberts werd namelijk “zeer deerlijk” mishandeld en zelfs met een mes bewerkt door Jacob Harms Hamster.
Hamster was een typische Oldambtster boerennnaam – denk ook maar niet dat een arbeider zonder veel geld tot een civiel, boetstraffelijk proces zou zijn toegelaten. Met Hamster gebeurde dat wel. Ontnuchterd gaf hij de feiten toe, met een beleefd verzoek aan de drost om de boete vast te stellen na hoor en wederhoor.
Maar in die zitting wist hij niets anders tot zijn verontschuldiging in te brengen dan zijn dronkenschap.
De landschrijver veegde de vloer met hem aan. Volgens hem had de mishandeling op een “een quaadaardige wijze” plaatsgevonden en viel er van Hamster zijn excuus heel wat af te dingen. Hamster was niet zo dronken geweest, “of hadde in allen dele zijnne volkomen kennise gehadt”. Het ging in zijn geval, benadrukte de landschrijver, om een persoon
“die wegens zijne brutaliteiten van een jeder zo zeer gevreest wierd, dat de getuigen zelvs niet dan met schruipel hunne verklaringen durfden afleggen”
Kortom: een buurtterrorist. De landschrijver vond daarom dat de wet in alle gestrengheid moest worden toegepast.
Dat zou dan eigenlijk een lijfstraf betekenen. Maar het was nou eenmaal een boetstraffelijk proces. De drost echter, wist hier wel raad op. Hij veroordeelde Hamster tot een boete van 100 dukatons (315 gulden), een bedrag waarvan destijds twee volwassenen een jaar lang konden leven. Verder draaide Hamster nog voor de gerechtskosten op. En op de koop toe kreeg hij een “serieuse vermaninge”. De drost waarschuwde hem, dat hij zich voortaan als een “geschikter ingeseten” moest gedragen en zorgen moest dat
“geene de minste klagten tegens hem weder inkomen, of dat er anders tot zijn leedwesen nader in zal worden voorzien”
Als Jacob Harms Hamster negen jaar later sterft, laat hij aan vastgoed nog een tuintje en een paar graven na. Er ligt nog wat rogge op zijn zolder. De laatste koe is net verkocht. Hij zal het grootste deel van zijn eigendommen hebben verzopen. Maar voor het gerecht is hij niet meer geweest.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78: boek uitspraken, 19 februari 1754.
Uithangbordenjurisprudentie 2
Geplaatst op: 30 april 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
In 1755 sleepte de weduwe Timen Willems haar ex-huurder Aeisso Ebels voor het Oldambtster gerecht, omdat hij het pand dat hij van haar huurde, zou hebben verlaten onder medeneming van “het uithangbort voor de deure, de platen uit de haart, en de sloten van de deuren”. Omdat het zaakje me sterk deed denken aan een soortgelijk proces dat in de stad Groningen speelde, besloot ik het uit te zoeken.
In het stad-Groninger proces ging het over de vraag of een bepaald uithangbord aard- en nagelvast goed betrof. Dat uithangbord was daar meegenomen door de oude eigenaar, nadat die het pand verkocht had en eruit verhuisde. Nu staan losse uithangborden ook wel eens op boedelinventarissen en het gebeurde bovendien wel dat uithangborden meeverhuisden van het ene naar het andere adres. In het stad-Groninger geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof, dat als zodanig bij het huis hoorde te blijven. Van het gerecht kreeg hij gelijk, omdat het bord sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.
Ook in de Oldambtster zaak speelde de verkoop van het pand een rol bij de twist over o.a. het uithangbord, alleen was het pand hier eerder het eigendom van de huurder geweest.
Die huurder, Aeisso Ebels, kwam oorspronkelijk van Scheemda, toen hij in 1746 in Oostwold trouwde met zijn eerste vrouw, die daar geboren en getogen was. Een jaar nadien kregen ze een zoon, Ebel, conform de traditie genoemd naar zijn grootvader van vaderskant. Niet veel later overleed de moeder, en omdat Aeisso in oktober 1749 van plan was om te hertrouwen, werd er ten behoeve van dat zoontje een boedelinventaris opgemaakt, waaruit bleek hoe Aeisso’s huishouden er zakelijk voor stond.
Aeisso en zijn overleden vrouw bezaten een huis met een grote tuin. Daarnaast hadden ze 1,5 deimt (= bijna 0,7 ha) bouwland. Naar later blijkt bevond dit land zich in Oostwold tussen de Hereweg en het Koediep, en ten oosten van kerkeland. Een deel hiervan was afgesplitst en verpacht als heem (= huisplaats), waarvoor Aeisso en vrouw een jaarlijkse grondpacht van 5 gulden beurden. De rest van het bouwland gebruikten ze blijkbaar zelf, of verhuurden ze los.
In hun huis bevonden zich spullen waaruit je kunt opmaken wat Aeisso Ebels voor de kost deed. De vier weegschalen van messing, de grote en kleine metalen gewichten, de aangebroken vaten met tabakspijpen en de niet nader gespecificeerde winkelwaren laten zien dat hij kruidenier was. De 8 “bouteljes”, 20 bierglazen en 15 roemers vind je evenmin in een gewoon huishouden – naast of in zijn winkel tapte Aeisso wijn en bier. Op zijn schuldenlijst staat onder meer een bedrag van 30 gulden aan Steven Hillebrands Oostinga, de bierbrouwer van Midwolda. Dit bedrag vormde de waarde van ruim acht vaten bier. Ook Timen Willems, wiens weduwe later het uithangbord etc. zou opeisen, vinden we op de schuldenlijst, bij hem stond Aeisso voor ruim 96 gulden in het krijt. Al met al geeft de inventaris de indruk van een redelijk welvarend middenstandshuishouden. Getuige haar lijfstoebehoren zat Aeisso’s overleden vrouw ook goed in de kleren, al had hij haar zilveren oorijzer met gouden stiften reeds verkocht.
Het meeste goed hield Aesso aan; de voogden over zijn zoontje betaalde hij een afkoopsom. In juni 1750 trouwde hij in Oostwold met zijn tweede vrouw, die van Heiligerlee kwam. Vreemd genoeg werd er pas een huwelijkscontract opgemaakt, toen zij hoogzwanger was van hun eerste kind. Volgens het stuk ging het om “nawoorden met de vrienden” (= familie). Hadden verwanten eerst mischien bezwaren tegen het huwelijk gehad? Hoe het ook zij, Aeisso’s tweede vrouw kreeg tussen 1751 en 1762 zes kinderen, die allemaal ook in Oostwold werden gedoopt.
Waarom Aeisso en zijn tweede vrouw in de financiële problemen raakten is onbekend, al speelde ziekte in zulke gevallen vaak een belangrijke rol. Samen met de voordochter van zijn eerste vrouw, die nog recht had op haar erfdeel, had Aeisso het bouwland al voor zijn hertrouwen verkocht. Als hij er al wat van overhield, dan was dat niet genoeg als reservepotje. In 1750 en 1751 leenden hij en zijn tweede vrouw in totaal 600 gulden van Timen Willems en diens vrouw te Heiligerlee. Waarschijnlijk om van die schuld af te komen, verkochten Aeisso en zijn vrouw eind 1751 hun huis en tuin te Oostwold met “alles wat aard- en nagelvast is” voor ruim 800 gulden aan dit echtpaar, dat het huis vervolgens weer aan Aeisso verhuurde.
Deze oplossing bood maar een paar jaar soelaas. In het najaar van 1754 was de huurschuld van Aeisso Ebels dermate opgelopen, dat de weduwe Timen Willems het nodig vond om beslag op zijn inboedel te laten leggen. Aeisso leende vervolgens 250 gulden van zijn schoonvader, maar hij en zijn gezin verlieten wel het huis, waarbij hij dus onder meer het uithangbord meenam, mogelijk om met behulp van het oude huismerk klandizie mee te trekken naar zijn nieuwe adres.
Maar, zoals gezegd, de weduwe Timen Willems nam dit niet. Op 26 mei 1755 liet ze Aeisso een gerechtelijk bevel overhandigen, dat hij het uithangbord, de haardplaten en de sloten van het huis weer aan haar terug moest geven. Volgens haar behoorde dit spul bij het huis. Aeisso bestreed dit, getuige zijn verweer op 9 juni in de rechtsstoel Midwolda, dat hij het “bredt” rechtmatig had meegenomen,
“doordien het selve hem door de b[rouw]er Steven Oostinge is vereert en door hem is laten schilderen, te meer daar het maar los hing…”
Waar Timen Willems’ weduwe het uithangbord etc. deel vond uitmaken van het vastgoed, beschouwde Aeisso het dus als los goed, omdat hij het kreeg van zijn bierleverancier en het zelf liet beschilderen. Bovendien hing het sowieso los. Ook beide haardplaten – vaak fraaie stukken vanwege de daarin gedreven voorstellingen – zaten volgens hem niet vast. De liggende wilde hij nog wel teruggeven, maar de staande wilde hij houden. Wat betreft de deursloten ontkende hij “die weggebroken en tot sig genomen te hebben”. Maar hij liet de beslissing graag over aan de drost, vandaar dat die een commissie belegde met beide partijen, om tot een uitspraak te komen.
Nadat de drost de stukken bestudeerd had en in oktober nog wat getuigen liet horen, deed hij die uitspraak op 3 november 1755. Hij oordeelde
“dat destijds doe Timen Willems en zijn huisvrouw deze behuisinge van Eijsso Ebels hebben aangekogt een uithangbort voor het huis is geweest, mitsgaders onder- en bovenplaten beide vast in de haart, waar tegens niet komt te strijden, dat het uithangbort an den ged[aag]den door een derde zoude zijn vereert, aangezien die gepretendeerde vereeringe dog als anterieur zijnde in die koop geen verandering van zaken koste maken, daar hij ook genoegzaam als nagelvast moet worden geconsidereert uit hoofde dat het in haken hangende, en de spil etc. daar blijvende, het bort als een accessoor daarvan ook zekelijk niet heeft mogen weggenomen worden.”
De drost veegde Aesso’s bezwaren dus van tafel. Bij de verkoop van het huis hing het uithangbord in haken aan een spil (ophangijzer), die bij Aeisso’s verhuizing achtergebleven was. Het bord hoorde bij de spil, de spil bij het huis en daarom hoorde het bord bij het huis. Dat Aeisso het bord eerder van de brouwer kreeg, maakte niet uit. Hij moest het weer teruggeven aan de weduwe Timen Willems. Dit gold ook voor de beide haardplaten. Voor het wegbreken van de deursloten echter, vond de drost geen enkel bewijs. Alleen op dat punt sprak hij Aeisso vrij. Maar omdat het gelijk zo bij beide partijen lag, moesten beide partijen ook een bijdrage leveren in de proceskosten. Aeisso diende tweederde te betalen, de weduwe één derde.
Hoewel deze uitspraak aan duidelijkheid niets te wensen overliet, bleek Aeisso toch nog traag in het overhandigen van de spullen. Vandaar dat de drost voor december een afspraak in het huis te Oostwold arrangeerde. Als Aeisso dan nog steeds in gebreke bleef, kreeg hij een nieuw proces aan de broek, dat hij dan helemaal zelf moest betalen.
Ruim een half jaar later maakte de wed. Timen Willems te Heiligerlee plannen om te hertrouwen. Op de boedelinventaris die er dan voor haar kinderen gemaakt wordt, staat onder meer een hypotheek van 600 gulden, gevestigd op het huis in Oostwold. Inmiddels had ze dat kennelijk verkocht. Bij de twee koeien, de vaars, het schaap, de lammeren en de “waskebalie” in haar eigen achterhuis of stal, treffen we een uithangbord en haardplaten aan, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Oostwold. Ze beschouwde deze spullen nu als los goed, terwijl ze deze in handen kreeg doordat ze volgens haar en de drost tot het vaste goed behoorden.
—
Bronnen, afgezien van de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerecht drost Oldambt) de inv.nrs. 10 – civiele zaken rechtstoel Midwolda; 78 – boek van uitspraken, 3 november 1755; en 7210 – verzegelingen Oostwold.
Een onwaarachtige overval in het Kloosterholt
Geplaatst op: 29 april 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Als je van Eexta (linksboven) naar Winschoten (rechtsonder) langs het Winschoterdiep ging, kwam je langs het Kloosterholt, een vrij groot bos.
Dit zaakje diende op 10 december 1753 in een civiele zitting van de Oldambtster drost in de rechtstoel Midwolda. Landschrijver Gockinga eiste er uit hoofde van zijn aanklagersambt dat Albert Geerts Timmerman, wonend in de Eexta, “arbitraire soude worden gecorrigeert” omdat hij anderhalve maand eerder een valse aangifte had gedaan bij het Oldambtster gerecht,
“zeggende dat hij in ’t Kloosterholt door twee personen zoude zijn aangetast en met de pistool op de borst gedwongen zijn gelt over te geven, daar nogthans alles verdigt en onwaaragtig was bevonden.”
De landschrijver had het allemaal terdege onderzocht en de gedaagde gaf het feit grif toe, zodat vlug tot een schikking kon worden overgegaan. Helaas is onbekend hoe hoog de boete was, we krijgen alleen te horen dat de landschrijver het bedrag gerechtelijk mocht invorderen.
Je zou veel meer willen weten, met name over het motief van Timmerman om die overval te verzinnen. Waarschijnlijk wilde hij ermee verdoezelen dat hij door eigen schuld geld kwijt was geraakt. Door goklust? Ook dat is een gok.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 9: civiele rechtdagen rechtstoel Midwolda.
Boerenmeid in zak gestopt, belandt in het diep
Geplaatst op: 27 april 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieNaderhand kon Habbo Sybolts (Hovinga) zich wel voor de kop slaan. Eind 1751 had deze boer uit Nieuwolda bij hem thuis een weddenschap met zijn twee inwonende knechten afgesloten. Volgens hem paste Aaltjen Pieters, zijn dienstmeid, “niet in de sak”. Zijn beide knechten dachten van wel. Ze pakten Aaltjen bij haar lurven, en stopten haar in de bedoelde zak, die ze dichtbonden. Kennelijk was de lol er toen nog niet af, en wilden ze haar nog meer schrik aanjagen. Ze legden haar in een looike, een dichte slee, die de ene knecht de deur uit en de andere knecht naar het diep toe mende. Een looike is een vrij robuuste bak, op vlak terrein slaat die heus niet zo snel om. Maar in dit geval werd de slee op de schuine diepswal gebracht. Daar kapseisde hij, zodat de nog steeds in de zak zittende Aaltjen in het diep raakte, waar ze met “groot gevaar” uit werd gered.
Het verhaal kwam landschrijver Gockinga ter ore, die de zaak onderzocht, voor het gerecht bracht en “arbitraire correctie” tegen Habbo Sybolts eiste. Ten eerste had Habbo met het aangaan van de weddenschap aanleiding gegeven tot het hele gebeuren. Bovendien verzaakte hij zijn zorgplicht als werkgever jegens Aaltjen, doordat hij niet had gemaakt dat ze meteen weer uit die zak vrijkwam. Had hij een appeltje met haar te schillen, misschien? Aaltjen was in elk geval niet meer bij hem werkzaam.
In de zitting van het Oldambtster gerecht, op 21 februari 1752, gaf Habbo de feiten toe. Hij vroeg de drost om de boete in een gezamenlijke commissie vast te stellen. Wel wilde hij graag dat het gerecht hem niet verantwoordelijk zou houden voor datgene wat er buiten zijn medeweten en buiten zijn huis was voorgevallen.
Een paar dagen later al, vond de commissie plaats. De drost stelde de boete vast op tien daalder (ƒ 15,-). Viel dat nog mee, daarnaast moest de boer de gerechtskosten betalen. Maar ook daarbij zou de drost niet het volle pond gaan rekenen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 78 (uitspraken in commissie).
Kwestie om een grafpaal
Geplaatst op: 26 april 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenConsternatie in de Beerta, anno 1752. Jan Andries had een paal laten zetten op een legerstede (grafplaats) die zich bevond op het plaatselijke kerkhof. Twee andere boeren, Melchert Berents en Hindrik Hindericus, hadden dit grafmonument weer verwijderd. Jan mocht dan wel denken dat die legerstede van hem was, zij meenden dat ze toebehoorde aan hun kant van de familieclan. En omdat ze er samen niet uitkwamen, stapte Jan naar de Oldambtster drost.
Jan baseerde zich op een akte uit 1740, toen hij Wypke Cornelis de weduwe van Jacob Jans trouwde. In ruil voor een afkoopsom aan hun kinderen, nam hij toen de hele boedel van Wypke en haar overleden man over. Die eerste man van Wypke, Jacob Jans dus, was in 1729 ook in die legerstede begraven, evenzo Wypke en bovendien enige kinderen van Wypke en hemzelf, zonder dat iemand daar bezwaar tegen maakte. Daarom meende Jan ook “te regte een pale geset te hebben”.
Melchert Berents en Hindrik Hindericus voerden daartegen aan dat Jans afkoopbrief van 1740 niets zei over de legerstede. In die akte mocht dan wel het goed overgedragen zijn van Wypke Cornelis en haar eerste man, maar Wypke was de tweede vrouw van Jacob Jans, en de afkoop raakte niet de nalatenschap van diens eerste vrouw Bouwina Huninga, waarvan Melchert en zijn kompaan Hindrik de schoonzonen waren. Van Bouwina kwam die legerstede. Bouwina had haar nooit van de hand gedaan, integendeel, twee jaar nadat haar goederen op hun vrouwen waren vererfd, hadden zij hun stiefvader Jacob Jans nog het geld teruggegeven, dat hij voor de verhoging van die legerstede betaald had.
Melchert en Hindrik wilden wel bekennen dat Jan “door toelatinge” gebruik van de legerstede had gemaakt, maar dat gaf hem nog geen recht van eigendom. Melchert had twee jaar geleden zijn kind ook in deze legerstede laten begraven. Hij en Hindrik konden wel “gedogen” dat Jan en zijn kinderen daar “des verzogts” begraven mochten worden, maar dat moest dan wel gebeuren op aanwijzing van hen.
Partijen hadden duidelijk geen zin om de kwestie nog hoger op te laten lopen en ze verzochten de drost om tot een uitspraak te komen. De drost bestudeerde de stukken en kwam op 30 januari 1753 met zijn conclusie. Hij wees de legerstede toe aan Melchert Berents en Hindrik Hindericus. Jan Andries had er volgens hem geen recht op.
Nu hoorde bij elke heerd een legerstede en Jan was bang dat de kerkvoogden hem (bijv. bij verhoging van het kerkhof) nog (financieel) zouden kunnen aanspreken op deze kwestieuze legerstede. Daarom stelde de drost ook nog even vast, dat hiervan in het vervolg geen sprake kon zijn.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78 (prothocol van uitspraken).
De Winschoter nachtwacht
Geplaatst op: 25 april 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenOp 6 november 1770 geven de gezamenlijke kluftmeesters van Winschoten bij de Oldambtster drost te kennen, hoe zij,
“overwegende de dieverijen welke aldaar van tijd tot tijd, voornamentlijk in de winter gepleegt zijn en vrezende dat de hoge prijs van allerleij eetwaren welke onvermijdelijk een nijpende armoede met zig sleept, de genoemde wanhopige middelen zullen vermeerderen, nodig geoordeelt hebben om een nagtwagt aan te stellen.”
Dit besluit was genomen na een overleg met de afgevaardigden van de verschillende gilden (buurten). In dit overleg waren ook financiering en andere zaken geregeld. Maar omdat de nieuwe nachtwachten zonder rugdekking van de drost geen verdachte personen konden aanhouden en ondervragen, of andere “maatregels” konden nemen “om an het heilsame oogmerk te kunnen voldoen”, vroegen de kluftmeesters de drost om de aanstelling van deze “ratelwagt” goed te keuren en om de wachters bovendien de genoemde bevoegdheden toe te kennen.
Een week later was de drost er wel uit. De kluftmeesters kregen toestemming voor een “provisionele” (tijdelijke) aanstelling van wachters, op voorwaarde dat ze ervoor zouden zorgen “dat door die wagters gene excessen werden begaan”. Mochten de wachters iemand in verzekerde bewaring stellen, dan moesten ze dat ook meteen doorgeven aan de plaatselijke wedman.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 6122 (rekesten met apostilles).
‘De grootsten en edelsten van Finsterwolde opgesomd’
Geplaatst op: 15 april 2016 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 1 reactieSinds een optreden van Domela Nieuwenhuis heerste er een gespannen sfeer in Finsterwolde. Bij de raadsverkiezing van 1889 stelde zich zelfs een socialist kandidaat: de logementhouder Hommes. Toen het tot een herstemming kwam tussen hem en de liberale boer Mellema, spande de gevestigde orde zich in om Mellema zoveel mogelijk stemmen te bezorgen. Destijds bestond er nog geen algemeen kiesrecht, alleen huisvaders die een bepaalde som aan hoofdelijke omslag betaalden, mochten stemmen. Dit censuskiesrecht sloot middenstanders al wel in-, maar arbeiders uit. Die middenstanders waren echter bang om klanten kwijt te raken. Hommes verloor dan ook de stemming met 62 stemmen tegen 66 voor Mellema.
Bij de socialisten, die blijkbaar anders hadden verwacht, heerste enige bitterheid over deze uitslag. In hun lijfblad Recht voor Allen publiceerde de Oldambtster correspondent de namen van de belangrijkste tegenstanders, “opdat zij naar verdiensten vereerd worden”:
“De kern van de kliek vormen de burgemeester-kassier Schortinghuis en de notaris Koning; de hulp van eenige landbouwers is hun niet onwelkom, zooals die van de Barlagens, den kleinen Bontkes en den langbeenigen Bontkes. De kandidaat Mellema zal zich natunrlijk ook dapper geweerd hebben. De burgemeester laat de wethouders Onnes en Muntinga naar zijn pijpen dansen; het kassierschap van dien burgemeester kan voor zijne omgeving zijne goede zijde hebben! Al hadden we ’t ook niet gezegd, dan wist ieder dat de dominee (Niermeijer, HP) er bij behoorde, die op den preekstoel zijn bijbel en zijn Jezus vergeet en zijn gehoor op de schandstreken en slechte bedoelingen van D[omela] N[ieuwenhuis] gaat onthalen. De dokter Schönfeld doet ook al mee; de arme menschen, die aan zijne behandeling worden toevertrouwd, zullen ook wel denken, jou liefde voor de dubbeltjes is grooter dan die voor het menschdom, wat toch wel de plicht eens geneesheers moet zijn. Als liefdesbode tusschen al die grootheden dient de kommissionair De Vries, iemand die overal te vinden is waar wat te halen valt en die dus zijn beroep wel eer aandoet. Dan nog verdienen eenige onderwijzers, die stellig bevreesd zijn dat hunne schrale bezoldigingen verhoogd zullen worden, genoemd te worden en bakker Siks, die als burgerman zeker verheerlijkt is met al deze voorname lui op een rijtje voor te komen. Voeg hierbij nog de konkurrenten (logementhouders) van Hommes, dan hebben we de grootsten en edelsten van Finsterwolds ingezetenen opgesomd.“ (namen door mij vet gezet, HP)
De burgemeester, de dokter, de dominee, de notaris, de voornaamste boeren en enkele onderwijzers, heel de dorpselite spande dus tegen de socialisten samen. Over notaris Koning en dokter Schönfeld heb ik later wel eens oud-tantes van me horen spreken, altijd in positieve zin. Voor hun mening gingen ze af op hun vader, de schoenmaker Geert Perton, die op zijn ouwe dag CHU stemde. Ook al had hij in het Finsterwolde van voor 1919 geen stemrecht omdat hij geen hoofdelijke omslag betaalde, hij behoorde blijkbaar toch wel tot de reactionaire krachten in het dorp.
Wringenveiling
Geplaatst op: 3 april 2016 Hoort bij: Drenthe, Geschiedenis, Ommelanden 3 reacties
Zevenhuizen.
Op 17 april 1769 bereikte de Oldambtster drost via wedman Mellema een rekest van koopman C. Helder. De laatste maakte in zijn verzoekschrift kenbaar,
“hoe deselve wel genegen was om bij uitmijninge te laten verkopen 80 à 90 eiken wringen met prop en slagpalen”.
Zo’n evenement trok mogelijk veel publiek en je mocht het daarom niet organiseren zonder toestemming van de drost. Vandaar het rekest, waarmee Mellema vast een grijpstuiver verdiende. Maar consent vormde in zulke gevallen zelden een probleem en ook nu weer verleende de drost het dadelijk.
Koopman Helder kwam vermoedelijk uit Slochteren of anders de stad. Wedman Jan Mellema, die als afmijner of veilingmeester zal hebben gefungeerd, vervulde zijn functie in de rechtstoel Winschoten. Daar zal dan ook de uitmijning of veiling dan ook hebben plaatsgevonden, eerst bij opbod en vervolgens bij afslag (de eerste die dan “mijn” of “mienend” riep was koper van ’t aan bod zijnde kavel).
Tot zover even de persoonlijke aspecten aan het rekest. Dan de voorwerpen die onder hamer kwamen: de ‘wringen‘ of ‘vringen’. Hier werden draaihekken mee bedoeld, bestemd voor gebruik op dammen van weilanden – eigenlijk is de term wring of vring een afkorting van vreding of bevred(ig)ing (afschutting).
Idealiter hing en hangt zo’n damhek (zie foto’s) op twee dampalen:
- Ten eerste de ‘draaipaal’ met er bovenop de ‘prop’ waarop de ‘bovenboom’ scharnierde. Die prop zat vlakbij de zware, als hefboom fungerende ‘wringsteert’ van de bovenboom.
- Ten tweede de slagpaal met de houten vork of ijzeren schoot, waarin je het smalle uiteind van de bovenboom kon laten vallen om het hek te sluiten.
In Winschoten kwamen er in april 1769 dus ruim tachtig van die setjes onder de hamer. Je zou denken dat koopman Helder ‘s winters enkele timmerlui aan het werk had om ze te prefabriceren. Alles op de bonnefooi – hij was dan een ondernemer met enige durf. Maar naar ik aanneem, zal hij vooraf hebben gezien dat er in Winschoten en omgeving een markt voor zijn hekken was.
—
In het Oldambt zijn die ouwe hekken niet zoveel meer te vinden wegens graanteelt en vervanging door moderne metalen hekken, maar in Noord-Drenthe zie je ze hier en daar nog wel:

Tussen Anloo en Gasteren.

Eelde. Uiteind bovenboom bij de slagpaal ontbreekt, met provisorische oplossing.

Peize.

Bij Een – afgedanktie wringen naar Fries model, met een dubbele schoor waarvan de punt boven het hek uitkomt.
—
Bron naast de gelinkte: K. ter Laan, Groninger woordenboek, het lemma ‘vring’.
Geneesmiddel tegen kanker gevonden (1783)
Geplaatst op: 31 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“PARYS den 1 DECEMBER. Men heeft dezer dagen een geneesmiddel gevonden voor een der zorgelykste kwalen, namentlyk voor de kanker. ’t Is aan [een] eenvoudigen herder, dat het menschdom die heilzaame ontdekking verschuldigt is. Hy heeft dit middel aan den oever der zee gevonden, het is namenlyk niet anders dan peck, hetwelk naar men zegt het kwaad in den grond wegneemt. Dan hoe geringer het schynd, hoe meerder de uitvinding van hetzelve te waardeeren is.”
—
Bron: Groninger Courant 12 december 1783.
Commentaar: Hoewel destijds veel meer mensen overleden aan ziekten als pokken, mazelen, dissenterie, malaria enz., werd kanker toch bijzonder gevreesd. De vinding van een geneesmiddel ertegen was daarom belangrijk nieuws. Alleen maakte men mensen blij met een dooie mus, iets wat ook vandaag de dag nog wel eens het geval is.

Recente reacties