Gernaat – de oorsprong en verspreiding van een familienaam
Geplaatst op: 30 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIedereen kent natuurlijk Genoat, het nummer van Ede Staal over zijn lievelingskostje garnalen en de venter die dit goedje langs ’s heren wegen verkocht. Maar genoat is, met een kleine modificatie naar een meer algemeen Nederlands, ook een familienaam: Gernaat.
In 2007 komt deze familienaam verhoudingsgewijs het meest voor in de gemeente Oldambt en belendende gemeenten, hoewel hij ook redelijk vertegenwoordigd is in Overijssel, Gelderland en de regio Amsterdam. Maar zelfs in de Limburgs mijnstreek zijn er Gernaten, daar waarschijnlijk terechtgekomen door arbeidsmigratie vanuit Oost-Groningen.
In 1947 was dat ook al zo, al was toen de spreiding wel veel geringer – maar liefst 77 % van alle dragers van de achternaam Gernaat woonde toen nog in de provincie Groningen. Daarentegen kwam de naam toen in Utrecht, de regio Rotterdam en Zeeland helemaal niet voor.
Je zou misschien verwachten dat de naam in 1811 aangenomen is door een garnalenvisser of -venter, maar dat blijkt, althans qua datering, een onjuiste aanname. Want hij is veel ouder. Hij duikt in 1687 op in Woldendorp, wat toen nog vlakbij de Dollard lag. Een generatie later vind je hem in Zuidbroek en omgeving, en nog een generatie later leven er Gernaten in Nieuwe Pekela. Na 1800 breidt de olievlek zich uit naar het westen (Hoogezand en Sappemeer), maar ook dan blijft de naam een typisch Oost-Groningse.
Toch zie je hem in de achttiende eeuw ook wel in Zeeuwse stukken, maar dan met voornamen die in het Groningse weinig voorkomen, zoals Jonathan en Bastiaan. Kennelijk betreft het een ander geslacht en is de familienaam in Zeeland later uitgestorven.
Ik zocht het even uit, omdat ik in het Oldambtster rekestboek over 1768 een Harm Jans Gernaat tegenkwam, die geschorst werd als lid van een schippersgilde te Nieuwe Pekela. Die schorsing duurde niet lang, want dezelfde schipper vind je een jaar later in de scheepsberichten van de Groninger Courant, als gezagvoerder van het schip ‘De Gezusters’ dat naar Trondheim in Noorwegen voer.
Een internationale familie
Geplaatst op: 29 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
In februari 1768 komt Derk Jans van der Linde uit Westerlee bij de Oldambtster drost. Hij meldt er dat zijn vrouw Lutgert Isaacs overleden is. Op zich niet iets om de drost mee lastig te vallen – de man zou dan zelf geen leven hebben – maar zoals uit de retro-acta burgerlijke stand blijkt, was Lutgert meermalen getrouwd geweest, wat een erfrechtelijk gecompliceerde situatie gaf. De boedel moest nog met de “overige erfgenamen” worden verdeeld, aldus Derk. Zijn probleem: drie van Lutgerts erfgenamen bevonden zich “buiten lands”,
“namentlijk Derk Geerts die in Amsterdam woonagtig is en Menne Geerts die na Vrankrijk vertrocken is en Gerardus Geerts in Oostindiën”.
Die waren niet in een vlucht en een zucht in Westerlee. Hun vader Geert Geerts wilde ze wel vertegenwoordigen, en op Derk zijn verzoek gaf de drost daarvoor toestemming.
Het hele geval zou louter voor genealogen van belang zijn, ware het niet dat het verzoekschrift van Derk van der Linde een mooi voorbeeld geeft van wat er onder buitenland verstaan werd. Dat Frankrijk en Indië eronder vielen, kunnen we begrijpen, maar hij schaarde er ook Amsterdam onder. Dat was geen vergissing of zo, mensen uit Groningerland beschouwden destijds hun provincie nog als vaderland en andere provincies als buitenland. Moet ergens een mapje met voorbeelden hebben, dat ik nu even niet vinden kan, maar onder andere betreft het Sicco Tjaden, de bevindelijke predikant van Nieuwe Pekela. Wordt nog eens vervolgd.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6121 (samengevatte verzoekschriften met de daarop genomen besluiten).
Veendammer schippers en de verzekerde vaart naar Frankrijk en de Oostzee
Geplaatst op: 28 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 8 reactiesNog steeds is de vraag, wanneer de internationale zeevaart vanuit de Groninger veenkolonieën ontstond, niet erg precies beantwoord. Dat het eind achttiende eeuw zou zijn geweest, zoals de befaamde geograaf Keuning nog dacht, is inmiddels wel achterhaald. Maar wanneer gebeurde het dan?
In 1757 speelden schippers uit Veendam en Wildervank de eerste viool bij een rekest over de turfaccijns aan de Staten van Holland. Destijds moeten ze in elk geval al kind aan huis zijn geweest in Amsterdam. Maar de vaart over de Zuiderzee of de Waddenzee is nog lang niet die naar havens aan de Oostzee, of langs de Atlantische kust van Frankrijk.
De lokale historicus Top wees er op, dat Veendammer schippers in 1758 dankzij een zeer strenge winter extreme winsten maakten op ladingen turf naar Hamburg. Maar dat kan een incidenteel succes geweest zijn, dat in de jaren erna niet opgevolgd is door een meer geregelde vaart.
Zeker is dat in die jaren in Veendam en Wildervank al schippersgilden bestonden, een soort van onderlinge verzekeringsmaatschappijen tegen averij en schipbreuk. De oudst bekende gilderol (statuten) van zo’n gilde, daterend uit 1756, sloot schippers die verder voeren dan de Noordzee nog van schadevergoeding uit. Dat maakte een dergelijke vaart, hoe lucratief ook, er natuurlijk niet aantrekkelijker op. Vast staat ook dat op de werf van Jan Jacobs Pik aan het Beneden-Westerdiep te Veendam uiterlijk 1765 het eerste zeeschip gebouwd is. Tegen die tijd moet de echte zeevaart dus zijn gevestigd.
Onopgemerkt lijkt tot nu toe te zijn gebleven een “ampliatie”van waarschijnlijk bovengenoemde gilderol uit het begin van 1761. Namens het “oudste schippersgilde in Veendam” vroegen Jacob Jans Pik (de zoon van bovengenoemde hellingbaas) en twee andere olderluiden destijds de Oldambtster drost om deze wijziging en uitbreding van hun gilderol goed te keuren en te bevestigen, d.w.z. rechtskracht te verlenen.
In hun motivatie voerden Pik c.s. aan
“…dat zedert jaren de commercie van deze provintie zeer vermeerdert, en daardoor de scheepvaart meer en meer en verder word uitgebreit, zoodat de schippers van hunne gilde verder en op andere plaatzen varen, als in hunne gilde articulen zijn uitgedrukt, waardoor [zij] niets contribueren, en nogthans in cas van ongeluk de faveurs van de gilde willen genieten. Hetgeen daaglijks oorzake geevt tot verschillen en processen.”
De olderlui wilden van dat gekrakeel af en vandaar dat de gezamenlijke gildebroeders op hun laatste bijeenkomst van 9 januari hun gilderol wijzigden en uitbreidden met een aantal nieuwe tarieven voor verzekeringspremies, welke tarieven tevens een mooie indruk geven van de nieuwe bestemmingen, onlangs gekozen door leden van het gilde:
“Dat schippers op Noorwegen varende, van jeder reise zullen betalen 1-5-„; van de Eijder en de Ever mede 1-5-„; op Bourdeaux 2 gl.; aan deze kante van het Haije Zant 1 gl. 12 st[uivers]; op de Oostzee 1-15 gl.; van een doorgaande reise van de Oostzee op Vranckrijk of van Vrankrijk op de Oostzee, te weten een doorgaande reise, 3-10- „; die op Engeland varen zal van jeder reise betalen 1 gl. 12; zo jemant van de gildebroeders in de Oostzee of Vranckrijk of Engeland mogten lossen of laden zal van jeder reise betalen 1 gl.”
Naast kustvaart op havens aan de Duitse Bocht en in Noorwegen die in guldens en stuivers de laagste verzekeringspremies vergde, is hier dus sprake van bestemmingen tot het Heizand (het Kanaal), in Engeland, in de Oostzee en Zuidwest-Frankrijk die qua inleg wat duurder waren. Voer iemand tussen zulke bestemmingen heen en weer, dan golden de hoogste tarieven.
Begin 1761 moet de internationale veenkoloniale zeevaart buiten de Noordzee dus geaccepteerd zijn als assurantiewaardig. Voor het geval dat daar nog eens ruzie over ontstond, voorzag de ampliatie van de gilderol in een extra clausule:
“Hierover dispuit of verschil voorvallende wat en hoeveel de gildebroeders moeten betalen of andere verschillen, zullen met pluraliteit van de gildebroeders op hunne ordinaire comparitiën worden beoordeelt en gedecideert, waaraan zig jedereen gewillig submitteere.”
Bij onenigheid guld derhalve de democratische stelregel van de meeste stemmen gelden. Op 2 februari 1761 keurde de Oldambtster drost deze wijzigingen en aanvullingen goed, om ze meteen te registreren. Voortaan kon men gerechtelijk dus terugvallen op deze regels. Mogelijk zijn er in het civiel-rechtelijke prothocol van het Oldambt (en in hogere instantie dat van de het Volle Gerecht in de stad) de kwesties te vinden die aanleiding gaven tot deze ampliatie.
—
Bronnen:
- Paul Brood e.a., 350 jaar Veendam en Wildervank (Bedum 2005) 44-48.
- RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en daarop genomen besluiten), dat van 2 februari 1761.
Een goed woordje voor de ontslagen roderoede
Geplaatst op: 27 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHoe hij precies zijn plicht had verzaakt, wordt nergens duidelijk. Waarschijnlijk trad hij niet op tegen brutale bedelaars of een jachtovertreding, want dat waren zijn hoofdtaken. Mogelijk speelde dronkenschap hierbij ook een rol. Hoe dan ook, Jan Harms Dik werd in het voorjaar van 1758 “wegens onagtsaamheit’ ontslagen als roderoede van de Beerta, en bovendien nog eens acht dagen op water en brood gezet. En dus moesten de plaatselijke predikant en kerkvoogden een voordracht van drie kandidaten maken, waaruit de Oldambtster drost een nieuwe roderoede kiezen kon.
Maar de lokale kerkvoogdij zette Jan Harms Dik weer op die nominatie, omdat hij
“ongeluckig in ‘t geval is gekomen, zijnde anders en gants geschickt en wel oppassende man, gesien bij de meenste caspellieden.”
Ook deed de kerkeraad van Beerta (d.w.z. de ouderlingen en een diaken) in een aparte verklaring een goed woordje voor de ontslagen roderoede, in de “gunstige verwagtinge” dat de drost hierop een voor Dik positief besluit zou willen nemen,
“doordien genoemde persoon exempt dit eene ongeluk of slofheit anders een gantsch geschikt en nugteren man is en wel gesien bij de meeste caspelluiden”.
Naast de populariteit van hun ontslagen veldwachter, was er echter nog een reden voor de kerkeraad om voor Dik op te komen – hij en de zijnen zouden wel eens tot armoe kunnen vervallen en daarmee kwam er dan “een sware last” voor rekening van de diaconie,
“als bestaande sijn familie in een vrouw met 5 kinderen, hebbende de vrouw reets gedurende de hegtenisse eenige onderstant van de diaconie genoten”.
Met zoveel eensgezindheid in de Beertster gemeenschap kwam de Oldambtster drost inderdaad tot een “gunstige reflexie”. Hij benoemde Jan Harms Dik opnieuw tot roderoede van Beerta, maar boekstaafde wel het een en ander, zodat er als het ware een dossier was, mocht Dik opnieuw in de fout gaan.
Uit het hele geval blijkt, hoe dicht de roderoeden, als afkomstig uit een landarbeidersmilieu, zelf op de armoedegrens zaten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en daarop genomen besluiten).
Gronings was eerste taal in Groninger signalementen, maar bepaald niet dominant
Geplaatst op: 25 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 3 reactiesDe signalementen uit het Oldambtster register dat loopt van 1805 tot 1807 bevatten ook nogal eens informatie over de talen die mensen spraken. Ik heb deze taalgegevens in onderstaande tabel samengebracht, maar me, om het een beetje overzichtelijk te houden, daarbij beperkt tot de mensen die in Groningerland waren veroordeeld. Ook blijven aangeleerde vreemde talen buiten beschouwing:
| Naam | Geb. / woont | Leeftijd | Kwalificatie van gesproken taal: |
| Albertus Busweiler | Elburg | 19 | “Geldersche uitspraak” |
| Augustinus Rijkens | Groningen | 38 | “Groninger spraak” |
| Pieter Hindriks Brouwer | Meeden Oldambt. Woont in Grollo. | 40+ | “de Westerwoldsche taal” |
| Anje Hindriks | Wehe | 29 | “platte Groninger taal” |
| Sytze Auwerts | Opende, Friesland | 34 | “de Friesche taal” |
| Pieter Pot | Noorddijk | 44 | “wat verwijfde Groninger spraak” |
| Theodora Stevens | Maastricht | 20 | “een Groninger en wat Hollandsche taal, onder elkander gemengd” |
| Gerrit Wierst | Woont Strobos, Pekela. | 20+ | “de Friesche taal” |
| Jan Melschede | Woont Westerkwartier. | 37 | “gebroken Hoogduitsch met Hollandsch vermengd” |
| Doortje Hindriks | idem | 19 | “Hollands” |
| Rikste Jans | Bonderhamrik, woont in de stad Groningen. | 22 | “Oostfriesche spraak” |
| Cornelius Tiessens | Oldeboorn, Fryslan | 43 | “Friesch” |
| Hindrik Janssen | 28 | “Hollandsche taal” | |
| Wybe Reinds Valk | 17 | “eenigzints de Friesche taal” | |
| Frijdrik Willems | 15+ | “platte Groninger taal” | |
| Jan Jacobs Orsé | Zwolle | 20 | “Hollansche taal” |
| Jacobus Augustinus | Amsterdam | 24 | “Hollandsche taal” |
| Diever Jans | Finsterwolde en daar wonend. | 46 | “plat Groningsch” |
| Hindrika Roelfs | Wolvega | 36 | “De Friesche taal gemengd met Oostfriesch” |
| Klaas Hindriks | 38 | ”De Osnabrugsche taal” | |
| Johannes Bernard | Groningen en daar wonend. | 18 | “Groninger met Hollandsche gemengde spraak” |
| Eltje Remkes | Groningen | 55 | “Groninger spraak” |
| Hindrik Wilhelm Wiltes | Oldenburg | 17 | “lompen Oldenburger spraak” |
| Georg Hindrik Fernekamp | Estorf, Hannover | 47 | “niet zuivere Groninger spraak” |
| Harm Gleuns | Gronngen | 23 | “Groninger spraak” |
| Omme Godfried alias Wilhelm Schuckman | Woonde in Fivelingo | 49 | “Oostfriesche taal” |
| Harm Egberts | Woonde in Fivelgo. | 30 | “Drentsche taal” |
| Jan Alberts | Woonde in Fivelgo. | 16 | “Groninger taal” |
| Pieter Hindriks Nagel | Woonde in Fivelgo. | 18 | “Friesche taal” |
| Elisabeth Cornelis Frank | Leeuwarden, woonde in het Gorecht. | 22 | “Friesche taal, naar het Amsteldamsch zwemende” |
| Sijbrand Beerends | Dokkum, wonend Gorecht. | 53 | “Friesche taal” |
| Hindrik Ternauw | Hessenland | 50 | “Hollandsch met een Duitsche tongval” |
| Albert Michiels | Sappemeer | 61 | “Plat Groningers” |
| Heiltje Bonthuis | Groningen | 29 | “Groninger spraak” |
| Renske Harms | Dokkum | 30 | “sprekende weinig Friesche taal” |
| Jan Pieters | Woonde in de Oostwolderpolder. | 23/24 | “de gewone Groninger taal” |
| Hindrik Jans | Oud Lemge, Lipsland, woonde in ‘t Oldambt. | 26 | “een weinig de Lipsche taal sprekend” |
| Christoffel Wilhelm Limeken | Frankenhausen, Saksen | 20 | “de Hoogduitsche taal” |
| Jan Jans Postelijn | “de Friesche taal” |
Het talenpalet was opmerkelijk veelkleurig. Onder deze 39 personen werden immers 13 eerste talen gesproken. Het Gronings was hiervan wel de meest gesproken taal, maar het was absoluut niet zo dominant als je misschien verwachten zou. Het werd slechts gesproken door een minderheid in deze groep:
| Gronings | 9 |
| Gemengd Gronings-Hollands | 2 |
| Westerwolds | 1 |
| Drents | 1 |
| Gelders | 1 |
| Fries | 5 |
| Gemengd Fries-Oostfries | 1 |
| Hollands | 4 |
| Hoogduits-Hollands | 1 |
| Oostfries | 2 |
| Oldenburgers | 1 |
| Osnabrücks | 1 |
| Lips | 1 |
De mensen die in Groningerland geboren waren, spraken wel allemaal Gronings. In de zuivere variant heet dat Gronings vaak “plat”. Waar een gemengd Gronings-Hollandse taal gesproken werd, lijkt er een militaire achtergrond te zijn geweest, met verhuizingen van garnizoens- naar garnizioensstad. De man die een verwijfde vorm van Gronings sprak, was een meermalen veroordeelde sodomiet.
De tweede taal onder deze groep mensen was het Fries. Het werd hier half zo vaak gesproken als het Gronings. Pas op de derde plaats, zij het vlak na het Fries, kwamen de verschillende varianten van het Nederduits, maar het Hollands was bijna even vaak te horen. Van de Nederduitse varianten heet de Oldenburger “lomp”, wat spoort met de heersende vooroordelen tegen Velingen en hannekemaaiers.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief Drost der beide Oldambten) inv.nr. 6838: register van signalementen 1805-1807.
Tatoeages in een signalementenregister
Geplaatst op: 24 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHeb gefascineerd zitten lezen in een register met signalementen, dat in de jaren 1805-1807 bijgehouden werd door iemand van het gerecht der beide Oldambten. Er staan gezochte, ontsnapte en vooral verbannen criminelen in beschreven, meest uit Groningerland, maar qua zwaardere delicten ook wel uit Holland, Brabant en Duitstalige gebieden. En passant leer je het een en ander over de zelfkant van de samenleving, de ziekten waaraan mensen leden en de talen die ze spraken.
Het is bijvoorbeeld een uitstekende bron om te weten te komen hoeveel mensen tatoeages droegen. Niet veel, zo blijkt, want van de bijna 130 signalementen in het Oldambtster register, zijn er slechts drie met een tattoo, terwijl dat toch een element was waaraan je iemand gemakkelijk kon herkennen, zodat een signalement er niet gauw aan voorbij ging.
Zo had Jan Luitjes, geboren in Noordbroek, 27 jaar, wonend op de Stadspolder bij Beerta, “op de beide armen een wapen, het een van Spanjen en het ander van Ierland”. Was Jan behept met een hang naar het vreemde en exotische? Waarschijnlijk niet. Mogelijk had hij gevaren of gevochten – Spanje was die andere nagel aan de doodskist van Napoleon, er sneuvelden destijds vele Nederlanders in een smerige guerilla-oorlog.
Jacob Jans, ook wel Jan Jacobs Kuik genaamd, was een “schraal” mannetje van om en nabij de 50, die in Fivelingo veroordeeld was wegens diefstal. Over zijn tatoeage zegt zijn signalement: “op de rechterhand getekend met een geprikt anker en ’t jaar getal 1803”. Dat jaar 1803 was een incidenteel vredesjaar in de Napoleontische aaneenschakeling van oorlogen. Jan ging naar zee toen de kanonnen daar even zwegen.
Vanuit Holland kwam het tweevoudige signalement van de roofmoordenaar Joseph van Halen (30), ook wel Verhalen, bijgenaamd de Bloedschijter. Voordat hij opgepakt werd, zwierf hij rond met zijn “poppekas”, zijn vrouw en vier kinderen, waarvan de oudste zoon viool speelde. Voordien was Van Halen dertien jaar lang zeeman geweest. Toen de koets waarin de autoriteiten hem lieten vervoeren, bij Oudewater omsloeg en hij ontsnapte, kwamen in zijn nieuwe, meer uitgebreide signalement ook zijn drie tatoeages te staan: “op de hand en arm en hart een zeemansteken”.
In twee van de drie gevallen hingen de tatoeages dus duidelijk samen met het zeemansbestaan. Wellicht komt dat u bekend voor, maar dat wist u dan vooral over een latere periode.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief Drost der beide Oldambten) inv.nr. 6838: register van signalementen 1805-1807, in het bijzonder de pagina’s 5, 26, 37.
Seksenstrijd om een naberschapskas
Geplaatst op: 23 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenWeleer kende ieder dorp en elke stad buurten, waarbinnen de naberhulp plaatsvond. In Groningerland heetten die naberschappen in de stad ‘kluften’, en op het platteland ‘gilden’. In de stad omvatte zo’n kluft een twintigtal mannen, sterk genoeg om mee te helpen bij het dragen van een doodskist. Op het platteland zal een gilde niet veel groter of kleiner zijn geweest.
Een kluft of gilde beschikte over een eigen kas, waarin niet alleen de volgens een naberschapsreglement of gilderol vereiste entree- of intekengelden en contributies vloeiden, maar ook allerlei breuken (boetes) voor het niet voldoen aan naberplichten bij met name geboorte, ziekte of dood. Rotmeesters of oldermans, die de buurt ook naar buiten toe vertegenwoordigden, inden deze breuken. Eens in de zoveel tijd, als er weer eens flink veel geld in kas was, hield de buurt daar een feest van: de nabertering of potvertering. Zo’n feest kon in de eerste helft van de zeventiende eeuw nog wel eens drie dagen duren, maar dat was dankzij de niet aflatende ijver van de gereformeerde predikanten in de achttiende eeuw teruggebracht tot aanzienlijk bescheidener proporties.
Van zulke naberteringen had ik op basis van gerechtelijk bronnenmateriaal uit de stad nog nooit gemerkt dat ze gescheiden naar sekse plaatsvonden. Toch ging het er in Winschoten anno 1761 zo aan toe. Vrouwen en mannen hielden er apart hun potverteringen.
In Winschoten ontstond er heisa, omdat de vrouwen van de Wittevrouwenstraat (nu Langestraat) zich financieel tekort gedaan voelden en daarom bij de drost langs waren geweest. Hun verzoekschrift bleef echter niet bewaard, terwijl dat van de mannen uit die straat wèl geregistreerd werd. De mannen voelden zich benadeeld door de kantbeschikking die de drost aan de vrouwen afgaf. Op hun verzoek had hij ze namelijk structureel een derde van alle contributies en breuken in de naberschapskas toegekend.
Dat was tegen de zin van de mannen, die aan tweederde van de kasopbrengst blijkbaar nog niet genoeg hadden voor hun feestjes. Onder aanvoering van zilversmid J. de Grijs trokken de olderlieden van het Wittevrouwengilde op hun beurt naar de drostenborg. “Dog zij de vrouwen niet geheel begerende af te snijden van de voorvallende breuken, of dien verteringe”, deden het voorstel om de kas naar herkomst te verdelen: “Dat de vrouwen hare breuken werden geadjudiceerd en de overige ten profijte der mannen verbleven”. Dit voorstel werd gedaan “met de generale toestemminge” van alle mansleden van het Wittevrouwengilde, zo verklaarden de olderlieden in hun toelichting.
De mannen kregen hun zin. Inderdaad wees de drost nu de vrouwen, in plaats van een derde van alle inkomsten, slechts de breuken en contributies toe die van vrouwen afkomstig waren,
“zoo van intekeningen of wat dies meer mogte zijn, en wat naam het ook mogte hebben, niet uitgezondert, alleen tot profijt der vrouwen om op een vrouwelijke manier verteert te worden, zonder meer”.
De olderlieden moesten echter alle naberschapsinkomsten, ook die van de vrouwen, blijven innen. Kennelijk was er even sprake van geweest, dat De Grijs en consorten er wat dat betreft het bijltje bij neer wilden gooien, als de drost ze hun zin niet gaf.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop) 25 maart 1761.
Weduwe Oostindiëvaarder moest lang wachten voor ze weer kon trouwen
Geplaatst op: 21 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties“Wij onderges[chreven]Bewinthebberen van de OostIndische Compagnie, verklaren bij dezen dat Douwe Jans van Sapmeer den 13 maart 1755 zonder testament te maken, niets nalatende, is overleden, als blijkt bij ’t Grootboek van de Caab Ao 1754/5 fo. 496.
In Amsterdam 25 maart 1760
/stond/
G. Bors van Waveren
Jacob van Gnevel”
Deze verklaring werd op 24 november 1760 ingeleverd bij de drost van het Oldambt door Anna Geerts, wed. Douwe Jans. Al een hele poos eerder, waarschijnlijk in 1759, had Anna zich tot de predikant van Noordbroek gewend, met het verzoek om haar nieuwe huwelijk met Harm Meinderts driemaal af te kondigen. Maar omdat ze niet kon bewijzen dat haar vorige man, de Oostindiëvaarder uit bovenstaande verklaring, werkelijk overleden was, stak de drost een stokje voor de tweede en derde kondiging, zodat het huwelijk vooreerst niet door kon gaan.
De zekerheid moest uit Amsterdam komen. In maart 1760 schreef de VOC op haar verzoek dus de verklaring die de dood van haar man op Kaap de Goede Hoop bevestigde, welk bewijsstuk ze in november aan de drost liet zien. Die gaf vervolgens de predikant toestemming tot de verdere afkondiging van haar huwelijk, maar copieerde voor alle zekerheid nog wel even het bewijsstuk. Voor het huwelijk van Anna en Harm was er verder geen beletsel. Het vond plaats op 14 december.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
Borgercompagniester dissenters tegen extraatje voor de dorpsschoolmeester
Geplaatst op: 20 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn de achttiende eeuw bedroeg het schoolgeld in Groningerland gewoonlijk 1 stuiver per kind per week, behalve als dat kind naast lezen en schrijven ook rekenen leerde, want dan werd het minstens 2 stuivers per week. Als een kind dus 40 weken naar school ging, wat gemiddeld vast aan de hoge kant zal zijn geweest, en daar, zoals meestal, slechts lezen en schrijven leerde, dan ving de schoolmeester van zo’n kind al met al 2 gulden per jaar. Had hij geen bijbaan en gaf hij louter onderwijs, dan moest zo’n schoolmeester voor een gangbaar minimum-inkomen zo’n tachtig kinderen onder zijn hoede hebben. Dat was wat veel gevraagd en daarom werden op vele plaatsen deze schoolmeestersinkomsten aangevuld met vaste tractementen, gratis huisvesting, de opbrengsten uit kosterijland, schrijf- en rekenwerk voor derden, bijbaantjes en sinecures.
In het gedeelte van Borgercompagnie dat onder Veendam hoorde, was dat in 1756 blijkbaar nog niet het geval. Maar als een schoolmeester ergens te weinig verdiende, was hij natuurlijk snel weer weg. Ook kreeg een dorp waar een schoolmeester een karig bestaan had, op voorhand niet de beste leerkrachten. Dat zullen dan ook de redenen zijn geweest, waarom de ingezetenen van de Borgercompagnie nadachten over een betere bezoldiging voor hun dorpspedagoog.
Dat najaar waren ze meermalen bijeengeroepen door “de ouderluiden der gilden”, dat wil zeggen de voornaamste mannen van hun buurten, voor overleg over een vast tractement dat de schoolmeester zou moeten gaan verdienen,
“zijnde telkens de overstemminge geweest dat de huisgesinnen die boeren bedrijf hebben en de schippers die op Holland varen in ’t jaar sullen geven 8 st[ui]ver in twe egale termienen en de overige die slegs een huis met een tuine besitten 4 st[ui]ver.”
Er waren dus twee inkomensklassen: aan de ene kant de boeren en grotere schippers, en aan de andere kant alle andere huizenbezitters. De eerste klasse zou dubbel zoveel aan het extra tractement voor de schoolmeester bijdragen, als de tweede. Over huurders wordt niet gesproken, mogelijk waren die vrijgesteld.
In de dorpsvergadering die deze regeling zou omzetten in een “willekeur”, zeg maar plaatselijke verordening, bleek iedereen het ermee eens,
“uitgenomen eenige, en dat wel voornamelijk die van een ander religie zijn, welke niet willen of zij moeten er toe gedrongen worden…”
De katholieken, lutheranen en doopsgezinden wilden dus niet zomaar bijdragen. Hun redenen staan er niet bij, maar het reguliere onderwijs was ingericht naar gereformeerde (= hervormde) inzichten, viel ook onder het toezicht van de gereformeerde kerk en maakte bovendien gebruik van gereformeerde teksten zoals de Statenvertaling en de Heidelbergse catechismus. Dat de dissenters van de Borgercompagnie hun medewerking weigerden, was dus ook weer niet zo vreemd. Al maakten hun kinderen wel degelijk gebruik van de lokale school, zoals nog blijken zal.
De dorpshotemetoten stapten namelijk op 8 december 1756 naar de drost van het Oldambt. Ze verzochten hem dat de de dorpsgenoten die hun toestemming voor de willekeur weigerden te geven, hun “tegenreden” bij hem in zouden brengen. Bleven ze in gebreke, dan zou de de willekeur voor rechtsgeldig moeten worden gehouden.
De drost keurde de willekeur alvast goed, maar verbond er wel de voorwaarde aan dat de weigeraars hiervan bericht zouden krijgen. Daarna kregen die weigeraars acht dagen de tijd om op te komen voor hun belangen, “zo eenige wesentlijke mogten hebben”.
Die acht dagen werden er wat meer. Op 16 januari 1757 staken acht weigerende gezinshoofden de koppen bij elkaar en tekende ze een volmacht voor Derk Franssen en Berent Eckel om hun positie bij de drost te verdedigen. Op 25 januari dienden Franssen en Eckel zich aan in de drostenborg. Ze beloofden daar namens hun achterban om in plaats van de verplichte bijdrage, jaarlijks een vrijwillige gift aan de schoolmeester te doen. Daar ging de drost mee akkoord, op voorwaarde dat hun kinderen “van ‘t regt van de school sullen werden uitgesloten”, als zij “gene genoegsame gifte” betaalden. Bovendien moest de schoolmeester hun kinderen dan weigeren, zoniet, dan zou hij zijn tractement verliezen.
Of de dissenters er financieel wat mee opschoten, lijkt me vatbaar voor twijfel, maar de principekwestie hadden ze gewonnen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
Schipbreuk op de Dollard
Geplaatst op: 18 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenJnte Alberts had de Pekelder schipper Klaas Jacobs Jonker geld geleend voor zijn schip. In ruil daarvoor kreeg hij het gereserveerd eigendomsrecht over dat schip: als de schipper de rente niet meer betaalde, kon Jnte het schip opeisen en laten verkopen.
Dat de schipper op zeker moment niet meer aan zijn verplichtingen voldeed, kwam doordat zijn vaartuig “in de Dollardd is gebleven”. Geluk bij dit ongeluk was nog dat ene Nanne Hindrix een groot deel van het “opgoed” – denk maar aan mast, zeilen, tuigage, eventuele deklading – had weten te bergen. Maar hoewel Jnte Alberts daar als eigenaar recht op had, weigerde Nanne Hindrix het geborgen materiaal terug te geven, “ten zij wegens bergloon was voldaan, waarover niet eens konnende worden”.
Daarom liet Jnte Alberts zich op 28 oktober 1755 in de Oldambtster drostenborg te Zuidbroek vinden. Hij vroeg de drost om zowel hem als Nanne Hindrix te horen en dan een besluit tre nemen.
In de zitting beloofde Nanne de spullen aan Jnte te geven, op voorwaarde dat ze gerechtelijk zouden worden verkocht. Hij zou zich dan tevreden stellen met 25 gulden uit de opbrengst. Hij wilde bovendien zijn eigen rechtskosten voldoen.
Partijen bleven het oneens over een zoekgeraakt ankertouw. De drost oordeelde dat Jnte zelf maar moest weten of hij daarover nog een proces wilde beginnen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
De Damster Nescio
Geplaatst op: 8 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
De Appingedamster correspondent van de Nieuwe Groninger Courant, het blad waaruit het Nieuwsblad van het Noorden in 1896 dit reportage-achtige stukje overnam, kon best wel beeldend schrijven. Zijn laatste zin preludeert op Nescio. Ritmisch echter, had hij er nog wel wat aan mogen doen, want wat dat aangaat ontspoort het stukje halverwege..
Qua nieuwsbericht deugt het in zoverre niet, dat de auteur vergeten is te melden waarom deze optocht plaatsvond. Maar dit gebrek aan journalistieke precisie verhoogt weer de aantrekkelijkheid in literaire zin.
Hoe dan ook, het zijn mooie scènes, die de man ons hier voorspiegelt.
Huisman uit huis gezet
Geplaatst op: 7 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 1 reactie1
Jan Jans Timmer uit Wildervank was er wel klaar mee, met
“deszelvs huisman Lippe Nannes welke bij hem inwoond bij de week”.
Hij had hem netjes de inwoning opgezegd,
“dan des niet teegen staande, weigert die huisman het gehuurde te verlaten”.
Zodoende moest Timmer zich tot de Oldambtster drost wenden, voor steun van het bevoegd gezag. Dat was op 16 september 1790.
Er ging nog een zitting overheen, maar op de rechtdag van 28 september maakte de drost korte metten. Lippe Nannes verklaarde dat hij geen schriftelijk huurcontract had, en ook geen getuigen van de “jaarlijksche inhuuring”. Blijkbaar was dat zijn argument tegen Jan Jans Timmer geweest: dat hij een jaar bij hem in mocht blijven wonen.
De drost gaf Lippe Nannes nog vijf dagen. Lippe moest er voor maandag uit, of anders zou de wedman hem wel een handje komen helpen.
2
Dit is een verhaaltje van niks natuurlijk, maar wat mij intrigeert is het gebruik van de term huisman door de woningeigenaar.
Tegenwoordig staat huisman voor een kerel die het huishouden doet, maar destijds was het: een boer. De redelijk wijdverbreide familienaam Huisman gaat daar ook op terug. Er waren bijvoorbeeld twee individuen Jan Jans in een omgeving en dan kreeg de boer de toenaam Huisman, terwijl de timmerman Timmer ging heten.
In Noordbroek had je inderdaad een gezeten boerenfamilie die Huisman heette. Dat er met een huisman een boer bedoeld werd, blijkt ook uit het aantekenboek van Reinder Cornelius (Bouwman) uit Beerta. Van diens vers van ca. 1766/1767 op de aldaar nieuw gebouwde watermolens. luidt de moraal:
“So huisman wilt nu meulens bouwen
en de kosting geensins mijt
het en kan u (n)oyt berouwen
want sij doen u groot provijt.”
Ook in het WNT-lemma over ´huisman´, geschreven in 1907, is boer de voornaamste betekenis, waarbij ´huisman´ tevens een connotatie heeft van vrij en zelfstandig.
En dat nu, ontbreekt bij de weggestuurde huurder ten ene male. Lippe Nannes was hoogstens een zetboer, maar ook dan volkomen rechteloos en overgeleverd aan zijn verhuurder. En dat is wat me in zijn geval bevreemdt aan de term huisman.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inventarisnummer 6134: samengevatte rekesten met daarop aangetekende kantbeschikkingen.
Een hok vol boeken op de beun
Geplaatst op: 6 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsenOp een dag in augustus 1722 begeleiden twee Groninger vrouwen hun vriendin en huisgenote Rebecca Roos naar de afvaartplaats van de Leeuwarder trekschuit, aan het doodlopende eind van ’t Hoendiep vlak buiten de stad Groningen. Ze dragen een grote, goedgevulde korf tussen zich in. Rebecca (44), een tweevoudige weduwe die onderhand zo’n acht jaar in de stad Groningen woont en er bij verschillende families werkt als strijkster, stijfster en naaister, maar ook wel gewoon als hulp in de huishouding, gaat naar Holland toe, om voor haar doodzieke moeder te zorgen.
Negen maanden blijft Rebecca weg. Tijdens haar verblijf in Holland bezoeken twee van haar werkgeefsters, de echtgenotes van luitenant Andreae en gezworene Berghuis, haar kostbazin, de weversweduwe Cremers aan de Nieuweweg. Ze vragen of ze de boeken van hun strijkster even mogen bekijken.
Vrouw Cremers gaat de beide dames voor naar Rebecca’s zolderkamertje. Daar zoeken de dames enig textiel uit, dat hun eigendom zou zijn. Naderhand komen ze terug met een raadsdienaar, die het apart gelegde inpakt en verzegelt, en zijn ogen goed de kost geeft. Naar de man later verklaart heeft Rebecca “een hock met boeken van allerley talen” op haar beun.
Hoewel Rebecca in juni 1723 weer terug in de stad is, klagen de dames die op haar zoldertje rondkeken haar pas in maart 1724 aan bij het stadsbestuur. Vrouw Andreae beschuldigt Rebecca van textieldiefstal. Interessanter is de opsomming van goederen die ten huize van de gezworene Berghuis verdwenen zijn, want die omvat vooral boeken: negentien titels, waarvan sommige meerdelig, in de kleinere formaten.
De summiere catalogus verraadt een smaak. De grootste categorie omvat zes biografieën van politieke personages uit de zestiende en zeventiende eeuw, als Elisabeth I (koningin van Engeland), de hertog van Alva (berucht landvoogd) en de Franse koning Hendrik IV (die Parijs wel een mis waard vond). Ook ontbreekt er een vijftal zeventiende-eeuwse pamfletten aan Berghuis’ boekerij, bijvoorbeeld de Poletyke Kuiper, De herstelde Prins en Oorspronck der broedertwisten. De derde groep titels bestaat uit drie staaltjes volksliteratuur, o.a. Pooks Rommelzootje (1709). En verder mist Berghuis nog twee historische werken, waaronder de tien eerste delen van Strada’s geschiedenis der Nederlandse opstand, een Hollandsche Hovenier en zes afleveringen van de Boekzael der geleerde Werelt, een vooral door predikanten gelezen periodiek.
Rebecca’s voorkeur ging uit naar geschiedenis, politiek en andere non-fictie. Nog dezelfde dag wordt de strijkster verhoord in de Stadsgeweldige, het gevang voor mensen die geen burgers zijn. De aanklager van de stad, advocaat-fiscaal Alting, vraagt bij wie ze zoal over de vloer komt. Naast de families Berghuis en Andreae blijken dat andere aanzienlijke en gegoede huishoudingen zoals die van professor Driessen, secretaris Gockinga en hopman Blankstein.
Dat ze ooit ergens iets zou hebben gestolen ontkent ze. Er moet een misverstand in het spel zijn. Gezworene Berghuis is zeker vergeten hoe ze met zijn toestemming enige biografieën leende, drie-en-een-half jaar geleden. De Boekzaaltjes, die ze met medeweten van de dienstbode meenam, en die ze al twee jaar op haar beun heeft, kon ze niet eerder terugbrengen door haar plotselinge vertrek naar Holland. “Met kennisse der eigenaeren” heeft ze wel meer boeken in huis, zoals een werk van Montaigne, dat ze te leen kreeg van steenkoopman Clein.
Eigenlijk is ze zelf niet eens goed op de hoogte van welke boeken ze allemaal bezit. Ze heeft nog wel veel meer boeken gehad, wel voor honderd daalder. En ook wijlen haar man bezat veel boeken, wel voor vijftig gulden. Zo beschikt ze over een Montanus, een deel in octavo, wat dikker dan Strada. Over Strada gesproken, diens werk kocht ze bij een “out boekeverkooper” te Amsterdam. In dezelfde stad, op de Nieuwmarkt, deed ze ook het oningebonden exemplaar van Pooks Rommelzootje op, “nevens ander”. Ze snuffelt wel vaker rond, want Philaletus’ geschrift kocht ze bij een uitdrager op de Groninger Vismarkt.
Tijdens het verhoor beschuldigt Rebecca haar aanklaagsters zelf van diefstal, gepleegd tijdens hun bezoek aan haar beun. Het haalt weinig uit. Hoe meer titels de fiscaal noemt, hoe vaker de strijkster het antwoord schuldig moet blijven. Het kritische punt wordt bereikt bij de Hollandsche hovenier. Zo’n boek heeft ze niet, ze kan althans “niet gebeteren dat ’t daar gevonden is”. Ook van andere titels weet ze niet hoe die op haar zolder terechtgekomen zijn, of is de herkomst haar ten ene male duister.
Het ziet er slecht uit voor Rebecca Roos. Bij een tweede verhoor, in aanwezigheid van de president-burgemeester en diens bijzitters, houdt ze haar verklaring staande. Misschien heeft ze een “misslag” begaan, door lapjes en geleende lectuur niet op tijd te retourneren. Maar ze wilde beslist geen diefstal plegen. Vrouw Andreae heeft ze “laten zeggen waarom niet weer quam te arbeiden”.
Een conflict tussen deze werkgeefster en Rebecca vormt dus de aanleiding voor de late aanklacht. Niet dat het wat uitmaakt. Ook de haastige verklaring van Rebecca’s kostbazin – “dat er eenige boeken van haer broer ook op de beune geweest zijn (…) en dat die boeken buiten Rebeccaas toedoen door malkanderen zijn gekomen” – mag niet baten, evenmin als het goede woordje van maar liefst elf werkgeefsters, dat de gevangene “haar altijdt vroom en vlijtig heeft gedraegen (…), sonder de minste opspraeke.” De magistraat laat Rebecca vrij met de boodschap dat ze dadelijk de stad moet verlaten, na betaling van de rechtskosten.
Of de reismand van de strijkster bij dit gedwongen vertrek even vol is geweest als bij het vorige, vrijwillige afscheid, blijft een open vraag. Zeker is dat de stad Groningen een markante inwoonster verloor. Want met haar bibliomanie was Rebecca onder de vrouwen van de dienstbare stand een uitzonderlijk figuur. Als de mensen van haar milieu al konden lezen, bezaten ze doorgaans niet meer dan een bijbel of een evangelieboek.
Natuurlijk vormde hun geringe welstand een rem op de aanschaf van nieuwe lectuur. Rebecca’s procesdossier toont echter aan, dat er ook toen al zoïets als een onderkant van de boekenmarkt bestond. Als men wilde kon men lenen van meer gegoeden. Of terecht bij de toenmalige antiquariaten of uitdragerijen, voor in- dan wel verkoop.
Harry Perton
Eerder in een iets andere en geannoteerde versie verschenen in het cultuurhistorisch tijdschrift Stad en Lande, jaargang 7 (1998) nr. 3, pag. 8-11.
Veendammer abonnees op Haerlemsche Courant betalen hun bezorger niet
Geplaatst op: 4 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Media Een reactie plaatsen
Renke Willems was de roderoede, zeg maar de veldwachter van Zuidbroek en Muntendam. Het verjagen van arme schooiers was zijn hoofdtaak, maar die liet blijkbaar nog wel wat tijd over voor een bijbaantje: het van Zuidbroek naar Veendam brengen van een onbekend aantal Haerlemsche Couranten. Deze exemplaren waren bestemd voor zes met name genoemde personen. Een van die zes, de brouwer Marten Pieters, fungeerde voor Willems als breng-adres, waar de andere abonnees hun exemplaren afhaalden. Mogelijk lazen die deels samen, maar dat doet er niet toe – de Haerlemsche had in Veendam minstens zes lezers.
Met die abonnees bestond de mondelinge afspraak dat Renke Willems voor zijn bezorgwerk een rijksdaalder per jaar zou krijgen: dat was iets minder dan een stuiver per week voor de drie loopjes per week want dat was destijds de frequentie van de Haerlemsche. De afspraak ging in op 7 juni 1787, midden in de woelige Patriottentijd. Na de Franse Revolutie, in september 1789, gaf de roderoede er de brui aan, omdat hij nog steeds niet betaald kreeg. Inmiddels had hij dat loopje zo’n 350 maal gemaakt. Van de abonnees eiste hij naderhand voor het Oldambtster gerecht ruim vijf en een halve gulden. Omdat de abonnees hun schuld ruiterlijk toegaven, wees het gerecht de eis toe.
Overigens kwam Veendam in deze periode één maal voor in de kolommen van de Haerlemsche en wel in het nummer van 18 juni 1789:.
“Onder Ostende is verongelukt het schip van Heye Janse Veen van Veendam, van hier (Amsterdam, HP) na Duinkerken moetende; van de equipagie is maar één man behouden.”
—
RHC Groninger Archieven, Toegang 731 inv.nr. 61: protocol van civiele rechtszaken, 9 februari 1790.
De kopschuwe bruid
Geplaatst op: 4 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenBegin februari 1790 wendde Schelte Klaassens zich tot de Oldambtster drost. Hij vertelde dat hij “door trouwbeloften” met Ida Ritzes “geëngageert” was, en dat “hun aanstaande egtverbintenis” ook al werkelijk in de kerk was afgekondigd, maar dat zijn bruid nu weigerde om het huwelijk te laten voltrekken. Want er was “eenig verschil” ontstaan over de huwelijksvoorwaarden. Klaassens vond dat hij sterk stond als hij een proces begon, maar liever zou hij
“alles willen aanwenden om verder verwijdering en oneenigheeden te vermijden en om te zijn (= zien, HP) of het niet mogelijk waare weder op een vrindelijke wijze te worden gereconsilieert…”
Daarom verzocht hij de drost om zowel hem als zijn verloofde te horen, waarbij Ida zich, “zoo verre nodig”, mocht laten bijstaan door haar moeder Bouwe Rustius. Doel van deze hoorzitting zou moeten zijn om beide partijen “zoo mogelijk weder te verenigen”.
Op 9 februari 1790 vond deze sessie plaats. Schelte Klaassens verklaarde hier dat hij “ter vermijding van alle geschil over een huwelijkscontract” bereid was met Ida Ritzes te trouwen “op de” – en dan mist er door een overschrijffout helaas een stukje tekst, waar in de originele kantbeschikking van de drost iets zal hebben gestaan als: de overeengekomen voorwaarden. In elk geval zijn Schelte Klaassens en Ida Ritzes volgens die kantbeschikking “enig geworden dat het huiwlijk zal worden voltrokken”.
Kortom: hier dreigde een huwelijk op het laatste moment niet door te gaan omdat de bruid en haar moeder, c.q. familie, niet akkoord gingen met de materiële huwelijksvoorwaarden zoals die op dat moment waren geconcipieerd. De bruidegom bleek verzoeningsgezind en zo ging het feest toch nog door.
Het gevalletje zoals de drost of diens klerk het opschreef, laat de vraag open of er standsverschil in het spel was. Die vraag dringt zich op, niet alleen omdat standsverschil, althans volgens romantische concepties, de grootste spelbreker in de liefde was, maar ook omdat Ida uit een zeer vooraanstaande boerenfamilie kwam. Volgens het rekest was zij de dochter (en haar moeder Bouwe Rustius de vrouw) van wijlen Ritzo Jans. Over deze Ritzo Jans is op zich niet zoveel bekend, maar zijn vader Jan Ritzes was tussen 1736 en 1766 kerkvoogd, ouderling en kerspelvolmacht van Midwolda. Diens boedelinventaris laat zien dat hij eigenerfde, akkerbouwer en veenbaas was. Het land onder zijn heerd strekte zich uit van diep in het hoogveen ten zuiden van Midwolda tot in het nieuwe Nieland, d.w.z de Dollardpolder van 1701. Van de graanteelt op de klei getuigen onder meer de elf volwassen en zeven jonge paarden, de vijf ploegen, de in totaal 40 mud koren en bonen op zolder en de ruim 60 deimt (27 ha) ingezaaid bouwland – en op de veenexploitatie wijzen, naast de vijf turfkarren, de 55 dagwerken turf op de beun.
Ida Ritzes was in april 1768 in Midwolda geboren, waarschijnlijk op die voorouderlijke heerd. Op het moment dat ze haar voorgenomen huwelijk bijna liet afspringen, was ze dus 22 jaar oud. Schelte bleek tien jaar ouder en kwam van de Scheemderzwaag onder Eexta. Over zijn afkomst weet ik helaas niets met zekerheid te zeggen. Het paar trouwde niet in Midwolda, maar in Eexta en wel op 14 februari 1790, slechts vijf dagen nadat het bij de drost verzoend was geraakt. Je verwacht dan dat er in de tussentijd of eventueel wat later een huwelijkscontract is opgemaakt, hetzij in Eexta, hetzij in Midwolda, heel eventueel in nog een andere plaats, maar de zoektocht ernaar leverde niets op. Mogelijk is er dus helemaal geen definitief huwelijkscontract opgemaakt, zodat de bezwaren van de bruid achteraf wat overdreven overkomen. Bij ontstentenis van zo’n stuk moet het paar in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
Hoe dan ook, het huwelijk van Schelte Klaassens en Ida Ritzes duurde nog geen anderhalf jaar. Vlak nadat op 27 mei 1791 te Midwolda hun dochter Bouwe werd geboren, overleed Schelte namelijk. Daarom werd het kind ook pas op 12 juni gedoopt, waarbij de vragen van het doopformulier door een huisvriendin werden beantwoord.
Intussen was de vader, Schelte Klaassens, op 1 juni begraven. De diaconie van Midwolda beurde daarbij 7 gulden en bijna 16 stuivers uit het bekken, een begrafeniscollecte-opbrengst die je eerder bij een kapitaalkrachtige middenstander dan bij een gezeten boer zou verwachten. Maar Schelte was wellicht ook nog wat jong daarvoor. Op 16 december betaalde zijn schoonmoeder Bouwe Rustius 6 gulden voor het gebruik van het zwarte laken dat zes weken lang over het hek om Scheltes graf had gehangen. Die 6 gulden was het hoogste tarief, dat paste bij het beste laken, want de diaconie van Midwolda beschikte ook nog over een rouwlaken dat veel minder kostte aan huur.
Waarschijnlijk woonden Schelte Klaassens en Ida Ritzes in bij haar moeder. Dat Schelte qua stand niet voor Ida onder deed, blijkt ook al een beetje als Ida in het najaar van 1792 het plan opvat om te hertrouwen met Galtjo Egberts Muntinga van Finsterwolde. Dan wordt er ten behoeve van het kind een inventaris opgemaakt van de goederen van Schelto. Weliswaar omvat die louter diens lijfstoebehoren, maar deze geven toch een indruk van welvaart door onder meer de knopen, de gespen en het horloge van zilver. Mogelijk leefden Schelto’s ouders nog en had hij van hun nog het een en ander te erven. De nogal schrale afkoopsom van 10 gulden en 10 stuivers die Ida haar dochter op haar achttiende beloofde te geven, zegt dan niet zoveel.
Ida Ritzes (Reining of Reinen) en haar tweede man Galtjo Muntinga zouden uiteindelijk eindigen als tappers bij de Winschoterzijl, op grondgebied van de gemeente Wedde. Ida’s voordochter Bouwe Scheltens (Wieringa) bleek wat eerder, in 1819, te Finsterwolde getrouwd met een koopman Siks van het nabije De Hutten onder Bellingwolde. Hun huwelijksakte blijkt uiteindelijk het informatiefst over de stand van haar vader Schelte Klaassens. Het stuk noemt hem “landgebruiker”, wat een synoniem is voor boer. Dat haar moeder in 1790 opeens niet meer wilde trouwen met haar vader, lag dus, zoals het er nu naar uitziet, niet aan standsverschil.
—
Bronnen, behalve de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, via Toegang 731 (archief drost Oldambt) de inventarisnummers:
– 6134: samengevatte rekesten met daarop aangetekende kantbeschikkingen;
– 5620: aanstelling voogden 8 oktober 1793;
– 5635: afkoop 8 oktober 1793.
Toegang 262 (archief hervormde gemeente Midwolda) inv.nr. 6: diaconierekeningen.

Recente reacties