Rotterdam gaf Groninger immigrant een koud welkom

Haije Luppes Rubenga was een hovenierszoon, geboren en getogen te Veendam, maar in Rotterdan getrouwd met een burgerdochter uit die plaats. Omdat hij daar in de handel wilde, kocht hij zich het Rotterdamse burgerrecht, wat een voorwaarde was om überhaupt handel te kunnen drijven. Ook kocht Rubenga een pand en een handelsvoorraad. Maar tot zijn grote teleurstelling legde men hem een verkoopverbod op, zolang hij geen ‘acte van indemniteit’ kon tonen, afgegeven door de diaconie van Veendam.

In Groningerland was zo’n indemniteitsakte of garantstelling standaard acht jaar geldig. Als een nieuwkomer in die periode tot armoe verviel, werd hij door de diaconie van zijn vorige woonplaats ondersteund, zo beloofde die diaconie in die akte. Dergelijke vrijwaringsakten waren in onze provincie voorgeschreven van 1704 tot ongeveer 1870.

De diakenen van Veendam gaven Rubenga zo’n standaard-vrijwaring mee, maar de heren burgemeesters van Rotterdam geliefden deze niet te accepteren. Rubenga, die meermalen op het stadhuis zijn opwachting kwam maken, kreeg er steeds de kous op de kop. Zo zeiden de heren

“dat hij zulx zelf wel konde geschreven hebben omdat alles één hand scheen te zijn en daarbij ook niet door de praedicant met de volle kerkenraad verteekend was…”

Bovendien vond het Rotterdamse stadsbestuur de Veendammer borgstellingstermijn van acht jaar onvoldoende. Rubenga moest zich voorzien van een akte “voor zijn geheele leeftijd”, eentje, die met andere woorden, tot zijn dood geldig was! Zo’n immigrant zou ooit eens een beroep op de armenkas kunnen doen, dan moest de plaats van herkomst maar voor hem dokken, maakte niet uit hoe lang hij al in Rotterdam woonachtig was en of hij hier een bijdrage geleverd had aan Rotterdams welvaren.

Rubenga reisde daarom opnieuw af naar het verre Veendam om zich andermaal bij de diakenen te vervoegen, met het vriendelijke verzoek om zo’n levenslange borgstelling. De diakenen waren “wel niet weigerachtig”, maar wilden dit toch ook niet doen zonder toestemming van de Oldambtster drost. Immers, het Oost-Groninger diaconiereglement schreef acht jaar als borgtermijn voor en de Rotterdamse eis ging daar ver overheen..

Begin 1790 vroeg Rubenga de tussenkomst van de drost. Die won informatie in bij de Veendammer diaconie en gaf zijn toestemming voor een levenslang geldige akte van indemniteit. Eindelijk kon de Veendammer hovenierszoon dan een koopmansbestaan gaan opbouwen in Rotterdam.

De noordelijk aandoende familienaam Rubenga, die nu juist ontbreekt in het noorden, komt zodoende voornamelijk voor in Rotterdam.

Maar, jongens, wat maakte Rotterdam het zulke nieuwkomers moeilijk.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6134: samenvattingen van verzoekschriften, met de daarop genoteerde kantbeschikkingen.


Meester Abbinga valt een keertje tegen

Allerlei bekendmakingen die later als advertentie in de plaatselijke krant zouden staan, werden rond 1800 nog ’s zondags door de predikant of de schoolmeester afgelezen in de kerk. Dat had zo zijn nadelen. Zo stonden die kerkenkondigingen op gespannen voet met de stichtelijke bedoeling van de godsdienstoefening. Maar ook materieel was er een minpunt. Is een copie van een krantenadvertentie redelijk eenvoudig te krijgen, voor een afschrift van een kondigingsbriefje kon je niet om de predikant of de schoolmeester heen. En soms lag die dwars.

Zo had de advocaat W.R. de Sitter zich in april 1806 al verschillende keren vervoegd bij schoolmeester Abbinga van Winschoten, de man die daar “volgens usance” ’s zondags de kondigingsbriefjes in de kerk voorlas. De advocaat had uit hoofde van zijn functie verschillende van die briefjes nodig, maar Abbinga vertikte het om afschriften te geven. Volgens hem was daarvoor steeds toestemming van de drost nodig.

Daarom wendde De Sitter zich tot de drost. Hij zag het vertrekken van afschriften als volkomen in lijn met de bedoeling van de kerkenkondigingen:

“Dewijl nu de kundigings in de kerk geschieden met oogmerk om het daarbij gekundigde aan de belanghebbenden bekend te doen worden en dus het geven van copie der kundigings wel verre van ongeoorloofd, integendeel met het doel derzelve volmaakt overeenkomstig is…”

verzocht de advocaat om een machtiging aan Abbinga, opdat die afschriften kon geven van alle kondigingen die de advocaat nodig had.

Zonder de schoolmeester te horen, gaf de drost de advocaat zijn zin. Het was ook nogal kinderachtig van Abbinga om die afschriften niet te verstrekken, immers met het aflezen in de kerk was de inhoud al openbaar gemaakt. Wat hem tot zijn obstructie bewogen heeft, Joost mag het weten.

Het geval is wat mij betreft een smet op het blazoen van deze Jan Abbinga (1765-1819) want tot nu toe las ik louter goede berichten over hem.
.
Op zijn 22-ste kwam hij als voorzanger, organist en schoolmeester naar Winschoten, waar hij minstens 800 gulden per jaar verdiende en een vrije woning genoot. Na de Bataafse Revolutie (1795) bleek hij er een vooraanstaand patriot. In 1796 kozen de stemgerechtuigden hem tot kiezer en plaatsvervanger.

‘De onderwijzer wordt zeer geprezen’, zegt de Onderwijsenquête van 1799 over Abbinga. Dat hij in Winschoten veel krediet genoot, blijkt eveneens uit een verslag van een openbaar examen, dat zijn leerlingen op 3 april 1802 aflegden. ‘Nooit twyffelden wy’, zo begint dat krantenstuk,

‘…of het onderwys onzer schooljeugd was aan onzen waardigen Abbinga, veilig toevertrouwd. ’s Mans onvermoeide werkzaamheid, gevoegd by eene hartelyke kinderliefde en zucht om algemeen nuttig te zyn, deed ons alles goeds verwachten. – En toch hebben de proeven welke wy onlangs gezien en gehoord hebben, onze verwachting overtroffen.’

Opmerkelijk is, dat Abbinga tweetalig onderwijs gaf, zowel in het Nederlands als in de streektaal, om zijn leerlingen “het groot onderscheid tusschen beide aan te toonen”. Dit weten we dankzij dominee Potter, die in 1808 enige dagen in Winschoten vertoefde. Potter kreeg van Abbinga een woordenlijstje met Winschoter/Oldambtster woorden dat hij in zijn reisbeschrijving opnam. Ook Potter was zeer te spreken over “den kundigen schoolmeester” en diens school:

“..de inrichting der School, in verschillende klassen verdeeld, vond ik uitmuntend, zoo wel wat het locale en deszelfs buitengemeen nette en zindelijke inrigting, als de manier van onderwijs betreft.”

En dan nu dit staaltje machtsmisbruik. Abbinga valt me dan toch voor één keertje tegen.


Bronnen:
Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met kantbeschikkingen door de drost.

Harry Perton en Siemon Reker, ‘Een proefje van de Winschoter taal (1808)’, in Stad & Lande jrg. 2011 nr. 4 pag. 22-26 (later herdrukt in Oud-Winschoten).


Beloningsstempels

En als je keurig met je kroontjespen tussen de lijntjes bleef, dan drukte de juf haar waardering uit met een stempel. Ook mocht je met kleureninkt gaan schrijven, groene of rooie. En als je dan tien stempels had, mocht je een cadeautje uitkiezen. Ik weet niet meer wat, want ik had er moeite mee tussen de lijntjes te blijven. Daarom kreeg dus niet zo veel stempels.

Uit en catalogus van de Noord-Nederlandse Stempelfabriek anno 1955/1956:

1 - keurig werk
Speciaal voor meisjes:
2 - speciaal voor de meisjes
Vliegtuigen:
3 - vliegtuigen
Auto’s:
4 - auto's
Treinen en schepen:
5 - treinen en schepen
Sport:
6 - sport
Spel:
7 - spel
Dieren:
8 - dieren

Tot mijn verrassing worden kinderen nog steeds op deze manier gestimuleerd, alleen zijn de plaatjes tegenwoordig heel anders.


De verflauwde imegeld-traditie in de Beerta

Bij die Oldambster rekesten zitten er ook wat die over de inning van imegeld gaan. Tot mijn vreugde kwam er eentje uit Beerta, het dorp waar de eerste Nederlandse Pertons woonden.

In hun verzoekschrift legden de diakenen van de hervormde gemeente Beerta er allereerst de nadruk op, dat de inning van imegeld hier een lange traditie kende en dat de regeling hier niet afweek van die in omringende gemeenten:

“hoe conform een zeer oud gebruik, zoo in de Beerta als in andere karspelen van de Oldambte, van die gene bij welken vreemde korven met bijen worden gezet, jaarlijks een stuiver stedegeld van ieder korf voor de gemene armen pleeg te worden gevorderd..”

Maar sommige mensen waren de rechtmatigheid van de inning in twijfel gaan trekken. Ze dachten dat de diaconie hiervoor toestemming van de drost nodig had, immers, van andere kerspelen was dat bekend. Om nu alle problemen voor te wezen, verzochten de Beertster diakenen expliciet de toestemming van het gerecht

“om van degene onder hun carspel bij wien vreemde bijenkorven geplaatst zijn, een stuiver stedegeld van ider korf, ten voordeele der gemene armen te vorderen en daarvan kondiging te laten doen. ”

Die toestemming kregen ze op 2 juni 1807. Dat ze volgens de drost “daarvan nu en jaarlijks behoorlijk kerkenkundiging” moesten doen, toont aan waarin hem de kneep zat. De oorspronkelijke vergunning, die er ongetwijfeld geweest is, was weg, want anders zou de hele exercitie niet nodig zijn geweest. Bij ontstentenis van dat stuk leek de traditie ook niet meer dan een traditie, ze leek zonder enige reële rechtsgrond. Het kondigen lieten de diakenen kennelijk ook maar na, terwijl dat nou juist de imegeldplichtigen in het voorjaar met de neus op de feiten drukte. Geen wonder dat de traditie daarom bevraagd werd en de diakenen een steun in hun rug wilden van de drost.


Een “eigenaardig volkje”: de bezembinders van Muntendam

Jan Gillisz van Vliet, bezembinder. Collectie Rijksmuseum.

Jan Gillisz van Vliet, bezembinder. Collectie Rijksmuseum.

“MUNTENDAM, 26 Sept. Zelfs de Muntendammer bezembinders hebben reden tot klagen, dat “het vet van den ketel” is. Deze lieden, die in het veenkoloniale Muntendam nog altijd de eer van hun voorouderlijk bedrijf ophouden, hebben een even moeitevol als weinig beloonend werk. Vroeger ging er nog wel eens eene scheepslading tegelijk naar de omstreken, doch met het slinken van de heide in hunne nabijheid is ook de aftrek minder dan voorheen: de bamboes-bezem verdringt den heide-bezem meer en meer. Terwijl de bezembinders niet slechts in Augustus, wanneer het de goede tijd is, maar het geheele jaar door, van Muntendam tot in het 8 uren verwijderde Onstwedder veld en omstreken hunne grondstof gaan zoeken en als muilezels beladen, 5 à 3 maal ’s weeks van zoo’n reis thuis komen, moeten zij met de tot bezems en boenders verwerkte heide het Oldambt, Goorecht, Slochteren tot Appingedam en Delfzijl, ja de geheele provincie Groningen afreizen, om ze aan den man te brengen.

Een kruiwagen vol heide levert 100 bezems tot 400 boenders, welke à 4 en 1 ct. verkocht worden, doch van welke opbrengst men gerust een vijfde moet afrekenen voor allerlei kosten, als touw, tol, die bij sommige tolboomen 1 en bij andere 3 ct. per kruiwagen is.

Dit eigenaardige volkje neemt tegenwooidig in aantal af, terwijl de vreemde veegwerktuigen toenemen; maar nog altijd is hun bedrijf een industrie, die in de geschiedenis der Groningsche veenkoloniën, zoo al geen schitterende, dan toch een noemenswaardige plaats beslaat.”

Bron: De Grondwet 18 oktober 1887.


De kwaaie dronk van een brouwer, tapper en belastinggaarder

Bij de Oldambtster rekesten die ik doorneem, zitten een paar maal per jaar scheidingsverzoeken. Vrijwel altijd betreft het vrouwen waarvan de man drankzuchtig en gewelddadig is. Soms wilde een vrouw niet scheiden, maar maatregelen van de drost tegen de man. Bij Sieke Daniëls (van Barenborg), de vrouw van Derk Everts in Finsterwolde, ging het om zo’n geval.

Op 25 november 1806 deponeerde ze haar klacht in het Oldambtster gericht, met enkele ondertekende verklaringen erbij. “Tot haar innig leedwezen” moest ze al geruime tijd meemaken dat haar man overmatig veel sterke drank tot zich nam, zodat

“ hij zich altoos buiten staad bevind om zijn bediening als gaarder van Lands onbeschreven middelen, en zijn betrekking als bierbrouwer en herbergier waar te nemen”.

Om de “totale ruïne” van haar huishouding te voorkomen, deed zij al het werk wat hij moest doen. En ze kon alles behoorlijk bijhouden, ware het niet

“dat de onstuimige driften waaraan haar man, door den drank bevangen, onderhevig is, haar dikwijls beledigingen [deden] ondergaan, die haar noodzaken voor haar persoon rust te zoeken in eens ander woning, en haare huishouding aan de wanorder ten prooy te laten”.

Vorig jaar had ze haar man door haar ”dringende voorstellingen” zo ver gekregen dat hij berouw leek te hebben. Hij beloofde haar zelfs schriftelijk zijn leven te beteren (bewijsstuk A). Maar dat was “tot haar smerte” van zeer korte duur geweest en de “excessen en mishandelingen” namen opnieuw dermate toe, dat ze opnieuw ’s nachts het huis moest ontvluchten om bij andere mensen te gaan slapen. Uiteindelijk vreesde ze hiervan “het verloop van haar kostwinninge en de totale ruïne”. Om het “kwaad te stuiten voordat het te laat is”, verzocht ze de drost om een hoorzitting waarin hij, naast haarzelf, een halve oom en een volle broer van haar man aan het woord zou laten, zodat hij daarna passende maatregelen zou kunnen nemen.

Op 2 december vond deze hoorzitting plaats. De drost besloot echter ook Derk Everts zelf te horen, wat al de volgende dag gebeurde.

Derk gaf daar toe dat hij veel te veel dronk en zijn vrouw en kinderen mishandelde. Maar hij beloofde beterschap. Na een “scherpe vermaning” besloot de drost hem een kans te geven. Maar als het nog eens gebeurde, nam hij andere maatregelen.

Het hielp niet. Vier maanden later, op 9 april 1807, wendde Sieke zich opnieuw tot de drost. Ze had gedacht dat de uitspraak van de drost het gehoopte effect zou hebben, maar tot haar “innig leedwezen” had ze moeten ondervinden, dat die maar kort geholpen had. Onlangs moest ze door de “menigvuldige mishandelingen” opnieuw haar woning ontvluchten naar andermans huis. Ze verzocht nu om de “sterkere dispositie” die de vorige keer al toegezegd was.

De drost stelde een onderzoek in, waarbij hem bleek dat Sieke andermaal gelijk had – Derk had zich nauwelijks iets aangetrokken van de waarschuwing. Toch besloot de drost het nog een keer aan te zien – onder strengere voorwaarden, dat wel. De wedman van Finsterwolde kreeg opdracht om de alcoholistische brouwer, tapper en belastinggaarder aan te zeggen, “dat wanneer zich weder onderstaat zijn vrouw of kinderen met woorden of daden te mishandelen” hij vast zou worden gezet door de wedman, “tot vermijding van verdere ongelukken”.

Wordt waarschijnlijk vervolgd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.

 


Dienstmeid weigert dienst

Op 11 maart 1806 deed de brouwer Albert Hindriks Buiskool uit Beerta zijn beklag in de Oldambtster drostenborg. Even eerder had hij Eefke Jans als dienstmeid ingehuurd, vertelde hij. Dit was volgens hem gebeurd ten huize van, in het bijzijn van en met toestemming van haar moeder, die eveneens in Beerta woonde. Eefke zelf diende op dat moment nog bij Derk Daniëls, een boer in Nieuw-Beerta. Bij Buiskool zou ze van mei 1806 tot mei 1807 ƒ 50,- gaan verdienen.  Maar Eefke was niet van plan bij hem in dienst te treden, want even later had ze geprobeerd hem zijn handpenning terug te doen bezorgen.

Zoals bruidegoms-in-spe destijds hun huwelijksbeloften ‘bezegelden’ door het geven van een gouden of zilveren munt aan hun bruiden, legden werkgevers hun personeel vast door het geven van een handpenning. Met het terugbrengen van dat handgeld  kon een dienstbode laten weten dat hij of zij de dienst niet wilde aanvaarden. Meestal kwam daar dan geen zaak van, omdat het slecht werken is met onwillig personeel. Maar in dit geval stond Buiskool op zijn strepen. “Daar de gewone tijd om domestiquen in te huuren ree[d]s voorbij is” en hij dus blijkbaar geen andere dienstmeid meer kon krijgen, verzocht hij de drost om Eefke tot het dienstverband te dwingen. De drost moest de wedman maar op haar afsturen. Als ze geen gehoor wilde geven aan het dwangbevel om in mei bij Buiskool te gaan werken, moest ze haar redenen opgeven aan de drost.

De drost willigde dit verzoek in en gaf Eefke acht dagen de tijd om schriftelijk haar ”wettige redenen ter contrarie” bij hem in te dienen. Daarmee zou de zaak dan in maart al wel afgedaan kunnen zijn – toch duurde het nog tot 22 april voordat de drost een hoorzitting uitschreef. Een week later zou die plaatsvinden, maar omdat Eefke afwezig was, werd de zaak uitgesteld tot 6 mei. Bij die gelegenheid verklaarde ze “zich niet besteed te hebben” en omdat Buiskool meende dat dit wèl het geval was, droeg de drost beide partijen op hun gelijk te bewijzen.

Dat gebeurde in een zitting op 28 mei, waarin Eefke zelf weer afwezig was, maar zich liet vertegenwoordigen door haar voogden. Haar vader was namelijk overleden, terwijl haar moeder hertrouwd was en in zo’n geval werden er altijd voogden aangesteld om te voorkomen dat de voorkinderen de dupe werden van het nieuwe huwelijk. Kennelijk had Buiskool inmiddels een verklaring ingebracht van twee mensen die er getuige van waren geweest dat hij en Eefke hun arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Volgens de voogden echter was de ene getuige “nog zelfs een zeer minderjarig persoon”, waarmee de bewijskracht van die verklaring verviel. Ze vroegen de drost om Eefke eens in haar eentje te horen, want buiten bijzijn van de tegenpartij en advocaten zou de waarheid wel aan de dag komen. De drost had hier wel oren naar, en de volgende dag bleek Eefke inderdaad zo haar redenen te hebben om niet bij Buiskool te willen werken. Ze verklaarde:

“Dat zij zich nimmer als dienstmeid verhuurd hadde bij den brouwer Albert H. Buiskool en ontkend zulks gedaan te hebben ten huize van haar moeder in praesentie van dezelve en van haren broeder Jan Harms Haken; dat zij ook niet eenig loon gevraagd of bedongen hadde, of verzogt dat nog een jong meisje tot twede zoude aangenomen worden. Dat wel is waar de brouwer Albert H. Boeskool haar in het huis van haar moeder aangezogt had om bij hem te dienen, en belooft te geven twee en vijftig gulden tien st[ui]v[e]r des jaars, doch dat zij zulks geweigerd hadde, omdat des tijds nog niet vrij was van haar oude huur bij Derk Daniels (schoon zij voor zig zelve zeer bijzonder redenen had om niet bij gemelde brouwer te dienen, doch welke zij niet ooirbaar oordeelde aan gemelden brouwer te kennen te geven). Dat daarop de brouwer gezegd hebbende zulks wel te zullen vinden met Derk Daniels, een stuk geld op de tafel als het ware het een handpenning had neergelegd, doch welk zij geweigerd had  op te willen nemen, en dat zij dus ook niet wiste hoe groot in waarde of van welke specie dat geld was, waarop de brouwer vertrokken was en het geld had laten liggen, dat zij ook wijders weggegaan zijnde, haar naderhand die handpenning in het huis van haaren broodheer Derk Daniels bezorgd wierde, doch dat zij dien weigerde aan te nemen, haar broodheer verzogt hadde dien handpenning weder te restitueren aan meergemelden brouwer, hetgeen hij ook aangenomen had te doen, wetende zij egter niet of zulks geschied is. Dat zij Eefke Jans derhalven vermeende, daar zij zich nimmer besteed hadde, ook niet verpligt te zijn in dien praetensen dienst bij gemelde brouwer Albert H. Buiskool te komen (zonder dat haare genegenheid hierin behoefde geconsidereerd te worden, als hebbende om bijzondere redenen een zeer groote afkeer om aldaar te dienen). Verklaarde wijders deze haare verklaring desnoods met solemnelen eede te willen sterken.”

Er was in haar visie dus helemaal geen sprake van onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden geweest. Ze had zelf niet gezegd wat voor loon ze wilde verdienen, en evenmin gevraagd om een jonger meisje naast haar als tweede dienstmeid. Buiskool had haar wel gevraagd, maar ze had geweigerd met het argument dat ze haar huidige betrekking nog niet had opgezegd. Uit de zinsneden die tussen haakjes in haar verklaring staan, blijkt dat dit een smoesje was om van Buiskool af te zijn. In werkelijkheid had ze een grote afkeer van hem en/of zijn huishouding, maar kon ze hem dat met goed fatsoen niet vlak in het gezicht zeggen. De reden die ze wel opgaf, bleek echter onvoldoende om van Buiskool af te komen. Hij zei dat hij haar huidige werkgever wel over zou halen en legde zijn handpenning neer op tafel. Maar die munt had ze niet opgenomen (ten teken van acceptatie) – ze wist zelfs niet eens om wat voor munt het ging en hoeveel deze waard was. In elk geval liet Buiskool het geld liggen toen hij uit het huis van haar moeder vertrok. Waarschijnlijk was het haar moeder die het geld naderhand bij haar huidige baas liet bezorgen, waar Eefke nogmaals de acceptatie weigerde. Of haar broodheer het geld weer aan Buiskool teruggaf, zoals hij haar beloofde, wist ze niet. Maar ze had zich pertinent niet “besteed” bij Buiskool en wilde dat desnoods onder ede bevestigen.

Impliciet blijkt dat Eefkes moeder de getuigenverklaring van Buiskool tekende, terwijl Eefkes voogden helemaal niet in het verhaal gekend werden. Nu kon de drost wel moeder en dochter met elkaar confronteren, maar dat viel buiten het bestek van een verzoekschriftenprocedure. Zoals de zaak er voorstond, concludeerde hij dat “het quaestiese poinct” van de arbeidsovereenkomst “niet volledig” was bewezen. Daarom besloot hij het verzoek van brouwer Buiskool af te wijzen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.

 

Naschrift: Ik heb in het civiele prothocol nog even nagekeken of Buiskool in beroep ging tegen het besluit van de drost, maar dat bleek niet het geval. Hij berustte blijkbaar in de uitkomst..


Vrouw eist uitkering via het gerecht

“Door ouderdom en zwakheid” was ze niet meer in staat “voor haar kost te arbeiden en zich daardoor een genoegzaam onderhoud te verschaffen”, aldus Geertruid Jochums tegen de Oldambtster drost. Daarom had ze zich voor steun vervoegd bij de diakenen van haar woonplaats Oostwold. Maar in plaats dat die haar “billijk verzoek” inwilligden, gaven ze een weigerend antwoord. Daardoor vond ze zich in “droevige omstandigheid gedompeld” – als ze geen steun kreeg, vreesde ze “van gebrek te moeten omkomen”.

Voor de achttiende eeuw zag ik wel wat rekesten van Winschoter armen, die zich onrechtvaardig door de diaconie behandeld voelden, maar het verzoekschrift van Geertruid is het eerste dat ik zie van een arme, die steun wilde afdwingen. Dat gebeurde in mei 1806 en je zou een verband kunnen vermoeden met de armenwet van 1800, die de armenzorg – tot dan toe voornamelijk een zaak van kerkelijke filantropie, in principe een zaak van overheidsbemoeiienis maakte. Dat Geertruid Jochums min of meer recht meende te hebben op een uitkering, blijkt uit de passage in haar rekest waarin ze ingaat op de taak van de diaconieën in het algemeen en de toestand bij de Oldambtster diaconieën in het bijzonder:

“Daar nu de instellingen der diaconiën zulk ene rigide behandeling en strenge afwijzinge niet eischen, in tegendeel hulp aan de noodlijdenden toe te brengen, voorschrijven, te meer zoo als hier plaats heeft de diaconiën in een goeden staat zich bevinden…”

Redenen voor haar verzoek aan de drost, om zowel haar als de Oostwoldiger diakenen te horen.

Deze “commissie” of hoorzitting vond plaats op 20 mei 1806 en de diakenen brachten er in bijzijn van Geertruid naar voren, dat zij al “vrije woning en turf” van de diaconie “genoot”. Hoe lang dat zo was, staat er niet bij, maar ik kan me voorstellen dat dit nog niet zo lang was. Enfin, de gratis huisvesting en energie legden een bodem, maar aan het verstrekken van weekgeld en brood waren de diakenen voorlopig nog niet toe, omdat ze meenden dat Geertruid zich ‘s zomers nog wel redden kon:

“dat zij ten minsten in het zomersaisoen door vrouwen arbeid van wieden of anders, daar zij alleen was, konde bestaan.”

Na hoor en wederhoor van partijen ging drost De Sitter hierin mee. Hij weigerde verder op Geertruids verzoek in te gaan.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.


Onverbeterlijke knaap naar de marine gestuurd

Berend Hindriks was op een treurige missie in de drostenborg. Hij kwam er om de Oldambtster drost te vertellen dat zijn zoon Hindrik Berends, al 16 jaar oud, ondanks een correctie door de drost en “tot innig leedwezen” van zijn vader, zich andermaal schuldig had gemaakt aan “wanbedrijven van onderscheidene zoort”. Als er niet op tijd werd ingegrepen, zo vreesde Berend, zouden er “de grootste onheilen” uit voort kunnen vloeien, niet alleen voor hemzelf, maar ook “voor de goede ingezetenen zijner woonplaats”. Hij wilde dat graag voorkomen. Daarom vond hij zich in “de harde en onaangename noodzakelijkheid” gebracht om zich tot het gerecht te wenden, met een onderdanig verzoek om een adequate maatregel tegen zijn zoon te treffen.

Berend Hindriks deed dit verzoek op 11 februari 1806. Voor een week later, de achttiende, schreef de drost een zitting uit. Daar bleek hem niet alleen dat de vader de waarheid sprak, maar bovendien “het baldadig wangedrag van den zoon”. Vandaar dat hij de vader toestemming gaf

“zijnen zoon te bezorgen om in ’s Lands Zeedienst geëmplojeerdt te worden voor eenige jaaren, opdat zulks gelegenheid geve hem tot inkeer te brengen en zig in ’t vervolg als een stil ingezeten te gedragen.”

Zou het geholpen hebben?

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Gemor en ongenoegen op het Wildervankster kerkhof

Op het kerkhof van Wildervank was de spanning soms om te snijden, in 1805. Dat kerkhof lag bij de hervormde kerk, maar er werden ook wel katholieken begraven. Vroeger, namelijk voor de Bataafse revolutie van 1795, toen de Hervormde Kerk nog de bevoorrechte was, werd er dan louter door de hervormde diakenen gecollecteerd. Hun armenfonds gold immers als het algemene, ook voor bijvoorbeeld katholieken die eerst niet bij het eigen kerkgenootschap terecht konden. Maar de laatste jaren zetten de katholieke armvoorstanders van Veendam en Wildervank zèlf een bekken of schaal neer, waarin de nabestaanden en andere bijwoners van een katholieke begrafenis hun liefdegaven konden doneren. En dat zette kwaad bloed, vooral als de hervormde diakenen afwezig waren en hervormde klokkenluiders (buren van de dode) als hun plaatsvervangers het hervormde bekken op het kerkhof plaatsten. Dan stonden er immers twee armenfondsen elkaar concurrentie aan te doen.

Omdat ze later niet het verwijt wilden krijgen hier nooit iets aan te hebben gedaan, besloten de hervormde diakenen zich te wenden tot de drost. In hun rekest meldden ze, dat

“nu en dan tusschen de beide dissenten, gemor en ongenoegen ontstaat, hetwelk tot nog toe wel niet tot dadelijkheden is uitgebarsten, maar egter te vrezen staat dat zulks op een of ander tijd daartoe mogte geraken en waar door toch niets dan haat en vijandschap konde, ja gewisselijk zoude geboren worden.”

De hervormde diakenen wilden verder niet ingaan op het recht van de katholieken om te collecteren, maar vroegen de drost onderdanig om zijn tussenkomst “ter behoud van rust en voorkoming van verder onaangenaamheden”. Graag zagen ze dat hij beide partijen zou horen met het oog op een gezamenlijke regeling, en mocht die er niet komen, dan wilden ze graag dat de drost zelf de knoop ging doorhakken.

De drost hoorde beide partijen binnen een week, om precies te zijn op 5 november 1805. Maar hij kon ze niet tot de gewenste “provisionele minnelijke schikking” brengen. Een besluit nam hij echter ook niet. Volgens hem hoorde de kwestie eigenlijk niet thuis bij zijn gerecht. De klagers, zei hij, moesten zich tot de daartoe bevoegde macht wenden. Welke macht dat was, liet hij in het midden, althans dat schreef hij niet op, maar mogelijk zijn in de archieven van het gewestelijk bestuur en/of de landelijke overheid soortgelijke, maar iets later gedateerde rekesten uit Wildervank te vinden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Jacobje en Pieter, een Oldambtster liefdesgeschiedenis

Eind januari 1805 vervoegden zich Pieter Hindriks van der Wal en Jacobje de Muinck in de drostenborg te Zuidbroek. Ze gaven er het gerecht te kennen dat ze

eene oprechte genegenheid voor elkanderen gevoelende, zich onderling trouwbeloften hebben gegeven, in het vast vertrouwen dat dit haar engagement bij de wederzijdsche familiën, in allen opzigten zouden worden geagreëerd (= goedgekeurd)”

Maar dat bleek een vergissing, want tot hun “innig leedwezen” hadden ze moeten ondervinden dat Jacobjes voogden, te weten Tonko Barlagen, Harm Ayolts Boer, en de zijlvest Luiken Egges,

weigeren, of ten minsten aarzelen om aan haar hunne toestemming tot een huwelijk (…) te geven.”

Tonko Barlagen, uit Scheemda, was oom van vaderszijde van Jacobje en Harm Ayolts Boer, van Meeden, de oom van moederszijde. Ook de vreemde voogd, van buiten de familie, Luiken Egges , was kennelijk tegen het huwelijk gekant. Zijn functie van zijlvest (namens Scheemda en Nieuw-Scheemda) bij het Termunterzijlvest laat alleen al zien dat Jacobje tot de toplaag van de Oldambtster samenleving behoorde.

Jacobje was in 1787 in Scheemda geboren als dochter van Bouwo Marcus de Muinck en Eetje Aijolts en dus nog maar zeventien jaar oud op het moment dat ze zich verloofde. Haar vader kwam uit een eigenerfde boerenfamilie in Scheemda, haar moeder uit eenzelfde geslacht in Meeden. Na daar getrouwd te zijn in 1784, betrokken zij een boerderij in Scheemda, waar in 1785 eerst een zoon geboren was. Die oudere broer en Jacobje werden halfwees in 1793, toen hun vader overleed. Omdat hun moeder bijna anderhalf jaar later hertrouwde met een boer uit de Landschapspolder in Oost-Friesland, werd er een boedelinventaris opgemaakt. Deze bestond louter uit roerende goederen. Toch laten de vier boerenwagens, de vier ploegen, het overdekte rijtuig, de sjees, de acht paarden, de 2500 gulden aan gedorst en ongedorst koren en de maar liefst 29.000 gulden die Jacobje en haar broer toegewezen kregen, er geen twijfel over bestaan dat we hier met een vermogend boerenmilieu te maken hebben. Het onroerend goed mocht dan voorlopig teruggaan naar de wederzijdse familie, later kregen de Jacobje en haar broer alsnog de ouderlijke boerderij terug. Deze lag “oostert in de Scheemda” en er hoorde 114 deimt (ruim 51 hectare) “best groen- en bouwland te veen en te velde” bij, welk vastgoed los in zesjarige termijnen werd verhuurd.

Of Jacobje met haar moeder meeging naar Oost-Friesland is onbekend. In 1805 woonde ze officieel echter in het Oldambt. Waar is onbekend, maar waarschijnlijk bij haar grootmoeder Tetje Harms, de weduwe van Aijolt Tonkes in Meeden. Over haar verloofde Pieter Hindriks van der Wal kom je veel minder te weten, maar die was eerder, in 1801, op de Pruissische of Landschaftspolder getrouwd met een vrouw uit Bonda (Bunde) en dus waarschijnlijk weduwnaar, toen hij en Jacobje zich engageerden. Ze zullen vast in die Oost-Friese omgeving kennis met elkaar hebben gemaakt.

In elk geval was er qua staat en stand geen sprake van een mesalliance. Pieter en Jacobje waren er bij de drost namelijk van overtuigd,

“dat er tegen hun voorgenomen huwelijk noch uit hoofde van verschil in jaaren of conditie, noch uit eenige andere hoofde eenige bezwaren kunnen worden ingebragt”.

Ook zou dat huwelijk “niet onaangenaam” zijn aan Jacobjes (verdere) familie. Daarom verzocht het paar de drost om de zaak in onderzoek te nemen, door beide partijen te horen.

Ruim drie weken later waren de voogden nog steeds niet klaar met hun antwoord. Meermalen werd de zaak op hun verzoek uitgesteld. Pas op 23 april was het zover, dat ze voor het gerecht hun redenen konden geven voor de weigering, in te stemmen met het voorgenomen huwelijk van Jacobje en Pieter.

Ze verklaarden dat Jacobje nog maar achttien jaar oud was en dus nog minderjarig. Ze had zich verloofd “zonder hunnen voorkennis of consent” en achteraf konden ze niet gedwongen worden om tegen hun zin toestemming voor het huwelijk te geven. Hierbij beriepen ze zich op verschillende wetsteksten, vooral uit het Oldambtster landrecht, maar ook uit de stadsconstitutie (het Oldambt viel nog onder de stad). Omdat Jacobje zich op dat moment in Oost-Friesland bevond – kennelijk was ze het Oldambt ontvlucht – eisten ze dat Jacobje zich eerst weer naar haar “geboorteland” zou begeven, om zich onder hun toezicht te plaatsen. Daarna kon Pieter dan alsnog hier om hun toestemming komen vragen.

Mochten Jacobjes voogden hopen dat hun beroep op wetsteksten de doorslag zou geven, dan kwamen ze bedrogen uit. De hoorzitting, zo overwoog de drost, was namelijk bedoeld om hun bezwaren tegen het huwelijk te vernemen. En “wettige redenen van de weigering” had hij niet gehoord. En omdat hij met de “summa tutelo” of de oppervoogdij in het Oldambt belast was, en volgens de voogden ook zelf mocht besluiten “zoo als ter bevordering van het geluk der pupille zal bevonden worden te behooren”, besloot hij ook nog maar even “de naaste vrienden” van Jacobje te horen. Onder vrienden moeten we hier familie verstaan – blijkbaar was er nog andere familie in het geding, dan beide mannelijke voogden van vaders- en moederszijde.

Die andere familie, zo bleek op 4 mei, bestond louter uit vrouwen. En die dachten nogal verschillend over de kwestie. Siwerdina de Muinck, de vrouw van Simon Abels, en Jacobje (= Jacoba) de Muinck, de vrouw van voogd Tonko Barlagen, verklaarden dat zij hun toestemming voor het huwelijk weigerden,

“voornamelijk omdat zij daarin niet vooraf en naar behoren waren gekend, en zich dus niet genoegzaam naar den persoon van P.H. v.d. Wal hadden kunnen informeren”.

Ook deze tantes van vaderszijde volstonden dus met een formele reden: Jacobje had voor haar verloving om toestemming moeten vragen en niet achteraf. Tegenover deze beide “volle moeijen” van Jacobje, stonden echter een andere tante, te weten Bouke Aijolts, de vrouw van Jurjen Pieters, en de grootmoeder van Jacobje, namelijk Tetje Harms, de weduwe Aijolt Tonkes. Van deze beide verwanten van moederszijde werd er in de nieuwe hoorzitting “een schriftelijk consent tot het huwelijk” getoond.

Vaderskant wilde dus niet en moederskant wel instemmen met het huwelijk. Waarschijnlijk gaf vooral die grootmoeder de doorslag. Overwegend dat de voogden zich “in geen detail van redenen” wilden uitlaten over hun weigering, maar zich louter beriepen “op de letter van de wet”, hoewel de procedure juist op hun verzoek zo lang duurde omdat zij hun weigering verder hadden willen motiveren; bovendien overwegend dat er tegen Jacobjes verloofde “noch ten aanzien van zijn persoon en morele qualiteiten, nog ten opzigte van zijne conditie en omstandigheden” iets was ingebracht; en ten slotte overwegend dat Jacobjes grootmoeder en de ene tante wèl hun toestemming voor het huwelijk gaven, besloot de drost, in deze zaak als oppervoogd optredend, het ontbrekende consent van de voogden aan te vullen, en om Jacobje de Muinck te machtigen tot de voltrekking van haar voorgenomen huwelijk met Pieter Hindriks van der Wal.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Een Oldambtster helleveeg

Scheidingen waren rond 1800 tamelijk zeldzaam, maar meestal was het de vrouw die de scheiding aanvroeg en dat dan wegens drankzucht van de man, die zijn handen vaak ook niet thuis kon houden. Een scheiding aangevraagd door een man kwam veel minder vaak voor. Als een man van zijn huwelijk af wilde, nam hij gewoon de benen. Een vrouw deed dat niet, die had doorgaans ook de zorg voor de kinderen.

Een man die wèl scheiding aanvroeg, was Hindrik Harms, in november 1803. Ruim twintig jaar eerder trouwde hij met Aaltje Hindriks. Ze bleek “van een zodanig ongemakkelijk humeur”, dat het hem al vanaf het begin van hun trouwen onmogelijk was, “om met haar in vrede te kunnen leven”. Al twee maal eerder kwam hij met klachten bij de drost, “démarches” die er telkens op uit draaiden dat zijn vrouw beterschap beloofde, zodat “de samenwoning op de goede beloften is gecontinueerd”.

Desondanks kwam het nu weer zo ver. Hindrik vertelde dat hij ”thans niet meer magtig” was

“om zijn eigen geld te bewaren, daar zijne huisvrouw altijd middelen weet, om hetzelve magtig te worden en het dan verbrengt zonder eenige rekenschap te willen doen. Buiten en behalven dat hij suppliant dagelijks van zijn huisvrouw niet anders ondergaat, dan ongegronde verwijten, scheldwoorden en dreigementen, die, indien zij door den suppliant met dezelfde hevigheid wierden gereciproceerd, niet anders dan de fataalste gevolgen na zich zouden slepen.”

Inmiddels had “een lange ondervinding” hem wel geleerd dat ze onmogelijk vredig samen konden leven. Daarom vroeg hij de drost ootmoedig om hem van zijn vrouw te scheiden.

De drost wilde eerst beide partijen eens horen. Na die zitting, op 23 november 1803, ging hij toch nog wéér eens proberen of ze niet tot een “minnelijke cohabitatie” verleid konden worden,

Deze proef viel niet naar genoegen uit, integendeel, want het werd nog erger dan het al was. Daarom sprak de drost op 18 juni 1804 inderdaad de scheiding van tafel en bed uit. De goederen van beide incompatibele echtelieden werden verzegeld, geïnventariseerd en verdeeld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6973: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1804-1805.


Een grondkraker op de meenschaar

Eerst vertelde de kerkeraad van de hervormde gemeente Winschoten iets over de achtergrond aan de Oldambtster drost. In 1797 had hun armenkas de beschikking gekregen over

“alle de gronden van de meente schaar te Winschoot ”.

Op zich is dat al nieuw voor me, dat Winschoten net als bijvoorbeeld Midwolde en Lettelbert in het Westerkwartier en Harkstede en Westerbroek wat dichterbij, een meenschaar had: een “woest” liggend en onverdeeld gebied, waar de gemeenschappelijke eigenaren paarden en schapen, jongvee, gust vee en vleesvee in lieten weiden. In dit geval lag de grond waarschijnlijk bij het Zuiderveen, gezien het latere bezit in die buurt van de Winschoter diaconie.

De oorspronkelijke eigenaars wilden niet voor niets van deze grond af – “onderscheidene lieden” hadden er namelijk “hutten of huizen” op gebouwd. Denkelijk gebeurde dat zonder toestemming van de eigenaars. Dat ging wel meer zo in heidegebieden. Een gewoonterecht wilde dat je op zo’n plek mocht blijven wonen, als de eigenaars je er een jaar en een dag lieten zitten. Ook niet uniek: in Winschoten ondervonden de oorspronkelijke eigenaars waarschijnlijk overlast van de nieuwkomers. Aan hun geschenk aan de Winschoter diaconie verbonden ze namelijk een voorwaarde – de hervormde kerkeraad moest zorgen,

“dat er in ’t toekomstige geen meerder hutten of huizen gebouwd wierden, op gem[elde] meente schaar”.

Maar nu, zeven jaar later, bestond ene Baltus het om zich hier te vestigen. Kennelijk was het een recidivist, want de kerkeraad nam meermalen het woord “weder” in de mond:

“dat zig thans weder eenen Baltus …. opdoet welke de stoutheid durft hebben om tegens het verbod van de Rem[onstran]ten weder aldaar een hut op te bouwen en daar door den eigendom van anderen tot zig te nemen…”

De kerkeraad verzocht de drost dringend om de wedman erop af te sturen. Die moest Baltus dan aanzeggen om dadelijk zijn hut te verwijderen. Weigerde Baltus dat, dan moest de wedman de hut “terstond” laten vernietigen.

Maar zo’n vaart liep dat niet. De drost stuurde de wedman wel op Baltus af met de boodschap dat de hut weg moest, maar de wedman moest erbij zeggen dat Baltus nog drie dagen de tijd had om er tegenin te gaan, tenminste als hij meende “wettige redenen ter contrarie te hebben”

Zo beschikte de drost op 8 mei 1804. Bijna een maand later echter, had hij nog niets van Baltus gehoord. Dit keer gaf hij Baltus via de wedman bevel zijn hut dadelijk te verwijderen en zo hij dat naliet, zou er “tot zijn nadeel” worden besloten.

Baltus bleek nog steeds niet onder de indruk. Weer een paar weken later, op 19 juni, besloot de drost er daarom een boete op te zetten van zes gulden, het equivalent van het weekloon dat een geschoolde scheepstimmerman verdiende (en die verdiende een best arbeidsloon). De nieuwe boodschap luidde: wegwezen of je krijgt die boete.

Maar op 28 augustus zat Baltus er nog steeds met zijn hut. Nu vond de drost het genoeg. Hij veroordeelde Baltus tot de boete. Ook kreeg de wedman opdracht de hut te verwijderen,

“zullende bij resistentie de persoon alhier in civile detentie worden gebragt”.

Baltus had het dus toch nog vier maanden volgehouden. Dat was weliswaar geen jaar en dag, maar het geeft wel aan hoe minder alerte eigenaars dan de Winschoter kerkeraad het slachtoffer van gewoonterecht konden worden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6973: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1804-1805.


Een “brutale en ontmenschte dienstbode” in Nieuw-Beerta

Op 8 maart 1804 diende de advocaat Paehlig zich aan in de Oldambtster drostenborg met een verzoekschrift van de wed. Nomdo Jans, die een boerderij bezat aan de oostkant van Nieuw-Beerta, waar haar man diaken en ouderling was geweest. Ze had sinds een week mot met haar grootknecht, want ze vertelde:

“hoe dezelve onder meer andere dienstboden ook in haar dienst heeft zekeren Philippus Harms die bij haar diend voor mr. knegt; dat deze hebbende goedgevonden van dan zijne gewone werk in het mede te helpen toe te bereiden van de spijze voor den volgende dag, te staken op den 1 maart l[aatst]l[eden] en door haar den volgende morgen daar over onderhouden, niet alleen aan haar ronduit declarerende, dat werk niet mede willende verrigten, maar ook zijne dienst bij suppliante, waarin hij wederom voor het volgende jaar was geëngageerd, opzeide en voords zich de honendste en ongemesureerdste expressiën tegens haar veroorloofde.”

De grootknecht wilde dus niet meer doen wat hij anders wel deed: ’s avonds meehelpen bij het klaarmaken van het eten (waarschijnlijk zoepenbrij of karnemelkse pap) voor de volgende dag. Hij was naar bed gegaan, lees je tussen de regels door, en de volgende ochtend had ze hem erop aangesproken. Daar reageerde hij nogal heftig op. Dat werk wilde hij niet langer doen, en hij zegde meteen ook zijn betrekking op, en dat terwijl hij zich net had vastgelegd voor het volgende dienstjaar, vanaf mei. Had hij bij zijn nieuwe contract wellicht bedongen dat hij dit werk niet meer hoefde te doen? Hoe dan ook, bij dit meningsverschil schold hij haar voor alles en nog wat uit.

De boerin overwoog dat hij met zijn weerspannig gedrag de bedoeling had “om haar huishouding te verwarren en de overige dienstboden met zijn boos exempel te bederven”, en ze kon eruit opmaken “hoedanig zijn verblijf bij haar zoude worden in de overige weken dat hij in dien dienst zoude continueren”. Daarom ontsloeg ze hem op staande voet. Hij kon zijn verdiende loon tot aan het moment van werkweigering krijgen, en moest dan “aanstonds haar huis verlaten”.

Hiermee volgde ze de gangbare rechtsregels. Maar daar was de grootknecht het niet mee eens:

“edog dat hij het volle jaar loon vorderde, en voor dien betaling het huis niet wilde verlaten.”

Sindsdien speelde hij er nog de baas ook:

“…dat ondertusschen den knegt voortgaat zich geheel mester in haar huis te maken, naar zijn goedvinden handelt, aan en van den tavel gaat, haar hoond en bitter bejegend, en over het geheel naar gene orders luistert, waardoor haare eigene ruste & veiligheid geattenteerd word en hare huishouding in wanorde gebragt, het welk voor haar zoo veel te ondraaglijker is, doordien zij een groot en uitgebreide boerderij heeft, en voor eenen korten tijd haaren man door den dood verloren hebbende, zij als vrouw niet in staat is, zij niet in staat is (sic) zich tegen brutale en ontmenschte dienstboden staande te houden…”

Ze wilde hem niet langer huisvesten of zijn onterechte eisen inwilligen als “loon voor zijnen euvelmoed”. Maar tot dan toe had haar aanbod geen enkele uitwerking op hem gehad. Daarom vroeg ze nu de Drost aan Philippus Harms zijn loon laten geven door de wedman, waarbij dan de kosten van haar verzoekschrift van dat loon moesten worden afgetrokken. Tevens beloofde ze de maanden maart en april alsnog te voldoen, als ze daartoe werd veroordeeld. Na dat aanbod, te doen via de wedman, moest de grootknecht meteen haar huis en plaats verlaten, en als hij dat opnieuw weigerde, moest de wedman hem “delogeren”.

De Drost machtigde inderdaad de wedman ter plaatse om de knecht het geld aan te bieden. Ook moest de wedman tegen Harms zeggen dat het accepteren van het geld niet betekende dat hij geen proces meer tegen zijn ex-werkgeefster kon beginnen over de twee naar zijn inzicht ontbrekende maanden loon. Blijkbaar verkeerde Harms in de mening dat hij geen poot meer om op te staan had, als hij haar geld aannam. Mocht Harms nu toch nog weigeren het geld aan te nemen, dan had de weduwe in elk geval haar best gedaan. Of hij het geld nu aannam of niet, in beide gevallen werd hem gelast haar huis te verlaten.

Heb zo’n idee dat dit muisje nog een staartje kreeg, maar dat moet ik nog nakijken.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.


Hele troepen bedelaars in Winschoten

“Op den inged[iende] req[ueste] van de Gereformeerde (= Hervormde, HP) Kerkenraad te Winschoot dat alhier zedert eenen geruimen tijd het bedelen van gaven aan de huizen met eene voorbeeldeloze vrijpostigheid, in weerwil van de publicatiën daartegens afgegeven, geoeffend is, en nog steeds geoeffend word; dat men bijzonderlijk op vrijdagen geheele troepen van 10 à 20 tot nog meerdere personen, in schijn behoeftigen, langs de straten zijt swerven, om huis aan huis almoezen te vragen; dat deze bedelende troepen bestaan, ja wel grotendeels uit ingezetenen van Winschoot en onderhorige buurten, maar dat zich daaronder ook mengen lieden van vreemde cerspels, vooral van diegene waar het bedelen door deze of gene middelen voorgekomen of belet word; dat niet alleen door ouden die zig tot den bedelzak begeven, maar ook vele jonge gezonde vrouwspersonen, welke het niet aan de gelegenheid, maar aan ijver en lust ontbreekt om de kost met arbeiden te verdienen; dat dit alles niet kan nalaten zeer nadelige gevolgen te hebben, ook wel bepaaldelijk met opzicht tot de diaconie beurs; ’t is dan om deze en gene redenen dat de ondergetekenden de vrijheid nemen dit aan UW[el]Ed[el]Ge[strenge] te kennen te geven, met submis verzoek dat het UW[el]E[del]g[estrenge] behage de wetten tegen de bedelarij afgegeven, alhier kracht te doen hebben, of anders zodanige maatregelen te nemen en in het werk te stellen. als  UW[el]E[del]g[estrenge] ter wering van de uit de bedelarij voortspruitende ongelegenheden en bijzonderlijk ter voorkoming van het verder verval der diaconiebeurs ter dezer plaatze, de geschikste zal oordelen.

/stond/
Hendrik Cannegieter, C. Smith Eccl. VDM (beide predikanten HP)
Selhuis diaken, W.B. Schuitema diaken
T.F. Schelts ouderling, W. Zuidema ouderling,
J.A. Crebas ouderling, H. Alberts
Noordhof archidiacon

/is geap[postilleerd]/
De wedman des gerichtsstoels Winschoten word ten ernstigsten gelast, deszelfs bedienden daartoe te houden dat de bedelaars van de huizen geweerd worden, ingevolge de daarvan vigerende placcaten.
Actum Zuidbroek den 1 May 1804
/was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.